PhD theses

All Wageningen University PhD theses

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    Wageningen PhD theses


    This database contains bibliographic descriptions of all Wageningen University PhD theses from 1920 onwards. It is updated on a daily basis by WUR Library.

    Author abstracts and/or summaries are added to all descriptions. A link to the full text dissertation is added to the bibliographic description. In a few cases, no electronic version is available, mostly because of copyright issues.

    Hard copies of all theses are available for loan at WUR Library. To request them, click the link Request this publication in the full record presentation. This is a fee based service.

    mail icon WUR Library, 9 july 2012

     

Record number 945484
Title Labour, networks and lifestyles : survival and succession strategies of farm households in the Basque country
show extra info.
[by] Hans-Peter van den Broek
Author(s) Broek, H.P. van den
Publisher [S.l.] : Van den Broek
Publication year 1998
Description 184 p.
Description 1 online resource (184 p.)
Notes Proefschrift Wageningen
ISBN 9054858036
Tutors Long, Dr. N.E. ; Ploeg, Dr. Ir. J.D. van der
Graduation date 1998-01-07
Dissertation no. 2374
Author abstract show abstract

Op 1 januari 1986 werd Spanje lid van de Europese Gemeenschap. De verwachting was dat de toetreding vooral negatieve gevolgen zou hebben voor de melkveehouderij in de noordelijke regio's (stagnerende melkprijzen, toenemende concurrentie vanuit Noord-Europa). In Baskenland was het beleid van het ministerie van landbouw en visserij van de autonome deelregering gedurende de jaren tachtig gericht op een versnelde modernisering van de melkveebedrijven, opdat deze in de concurrentiestrijd met de Noord-Europese zuivelsector niet ten onder zouden gaan. Baskische melkveehouders volgden uiteenlopende strategieën teneinde de reproductie van hun gezinsbedrijven te verzekeren: een kleine meerderheid leverde de produktie uitsluitend aan een zuivelcoöperatie, daarnaast ventte een aanzienlijk percentage boeren dagelijks persoonlijk hun (rauwe) melk uit aan urbane cliënten, enkelen legden zich toe op het verkrijgen van een officieel kwaliteitskeurmerk voor hun ongepasteuriseerde melk, en velen hadden naast hun boerenbedrijf een baan buiten de sector. Het regionale landbouwbeleid was ontegenzeglijk 'biased' ten gunste van de zuivelindustrie en de grotere, moderniserende boerenbedrijven.

In deze studie worden de genoemde strategieën beschouwd als in principe even valide stelsels van boerenpraktijken. Er wordt onderzocht op welke wijzen de verschillende boerenbedrijven hun gezinsarbeid en externe netwerken mobiliseren teneinde vorm te geven aan deze strategieën, in het bijzonder voor zover deze gericht zijn op de overname van het bedrijf. Voor een verklaring van het economische handelen van het boerenhuishouden wordt teruggegrepen op Chayanov's model van de gezinslandbouw. Dit model stelt ondermeer de gezinssamenstelling en de binnen het gezin gemaakte subjectieve afweging van (het marginaal nut van) inkomen en de geleverde arbeid centraal. Individuele gezinsleden zijn niet alleen betrokken bij de gemeenschappelijke bedrijfsstrategie, maar zullen ook hun persoonlijke projecten trachten te verwezenlijken. Ik heb betoogd dat de rationale achter hun persoonlijke projecten evenzeer begrepen kan worden in termen van subjectieve afwegingen van beloning en arbeidsinzet (of moeite; datgene wat bij Chayanov 'labour drudgery' heet). In het onderzoek is er met name aandacht voor de relatie tussen het oudere boerenechtpaar en hun opvolger (eventueel met partner). Binnen deze relatie worden de belangrijkste beslissingen genomen en worden gezinsarbeid, kapitaal en externe netwerken gemobiliseerd. In dit verband heb ik een sociologische reconstructie van de begrippen beloning en moeite geintroduceerd door deze te relateren aan de voor de actoren relevante referentiegroepen.

Het voornaamste referentiekader voor de oudere boeren wordt gevormd door de betekenis van het boerenbedrijf en de agrarische arbeid binnen de rurale samenleving. Hun potentiële opvolgers, daarentegen, spiegelen zich veel meer aan de levensstijl van de meesten van hun urbane leeftijdsgenoten: jonge mannen en vrouwen met een (redelijk) vaste baan, een zeker (en jaarlijks stijgend) inkomen, een zeer acceptabel consumptieniveau en betaalde vakanties. Deze geheel andere perceptie van de eigen situatie onder jonge boeren, van de eigen plaats in de samenleving en daaraan gerelateerd de toekomst van de boerderij, heeft enerzijds gevolgen voor hun opvattingen over hoe een agrarische bedrijf gerund moet worden (welke soms conflicteren met die van hun ouders), maar vooral ook voor de wijze waarop zij tegen de bedrijfsovername aankijken. Deze studie toont aan dat opvolgers, in het spanningsveld tussen de eigen gezinssamenstelling, het persoonlijke referentiekader, netwerken en sociaal-culturele factoren, de te mobiliseren gezinsarbeid op het moment van bedrijfsovername veelal als een sterk beperkende factor zullen ervaren.

Hoe meer een boerenbedrijf geintegreerd is in een institutioneel netwerk (van vermarktingscoöperaties, banken, landbouwvoorlichting, etc.), des te sterker wordt de bedrijfsvoering doorgaans voorgeschreven, genormeerd, vanuit die instituties. De consequentie is dat het gezinsbedrijf wordt opgenomen in wat wel aangeduid wordt als de tredmolen van voortgaande investering en uitbreiding. In de Baskische berglandbouw stuiten moderniserende boeren al snel op de grenzen aan de schaalvergroting en mechanisering; door andere agrariërs in en rond het dorp in hun strategieën te betrekken weten sommigen evenwel grond- en machinegebruik te optimaliseren. Venters van niet-gepasteuriseerde melk, die als gevolg van het ontmoedigingsbeleid van de regionale overheid en van veranderende consumentenvoorkeur hun klantennetwerken uiteen zien vallen, kunnen trachten economisch te overleven door hun melk voortaan aan de zuivelcoöperatie te leveren. Sommige venters en een enkel coöperatielid stappen over op de verkoop van als 'kwaliteitsprodukt' geafficheerde, want door erkende instanties gecontroleerde, rauwe melk. Door deze overstap krijgen zij te maken met alternatieve tredmolens waarbij zij bovendien veelal een achterstand hebben in te lopen op degenen die hier al langer in meedraaien.

Een aantal sociale en culturele factoren zijn van invloed op hoe potentiële opvolgers, in het licht van het voorgaande, tegen de overname van het ouderlijke bedrijf aankijken. Van oudsher gaat de boerderij ongedeeld over in handen van de oudste zoon. In recentere jaren heeft dit mayorazgo -principe plaatsgemaakt voor een tweevoudig verervingspatroon: sommige bedrijven worden voortgezet door de meest geschikte en gemotiveerde zoon of dochter, in andere gevallen is het degene die het laatst trouwt, die op de boerderij blijft wonen. Belangrijk is bovenal dat huwelijken op het Baskische platteland gewoonlijk op vrij late leeftijd plaatsvinden: de consequentie is dat de door de opvolger te mobiliseren gezinsarbeid daalt rond het moment van overname en de eerstvolgende twee decennia laag blijft (doordat de arbeidscapaciteit van de ouders van de opvolger terugloopt, terwijl die van zijn kinderen nog verwaarloosbaar is). Indien een der oudere kinderen het bedrijf voortzet en er derhalve vaak nog jongere broers en zusters inwonend zijn, kan het dreigende tekort aan arbeid wellicht een aantal jaren worden uitgesteld. Wordt de boerderij overgenomen door het laatste kind dat trouwt, dan is de leeftijdskloof tussen ouders en opvolgers vaak alleen maar groter en is voorts de overbrugging van het arbeidstekort niet aan de orde. Mijn veronderstelling is dat het effect van de neergaande arbeidscurve in het bijzonder voelbaar zal zijn op de bedrijven die in de genoemde tredmolen van voortgaande moderniseringen zitten en dan vooral wanneer zij bovendien een achterstand hebben in te lopen. Enerzijds is in de bergachtige gebieden van Gipuzkoa het werk op het land slechts tot op zekere hoogte te mechaniseren; anderzijds is het door de afname van arbeidskrachten binnen het gezin problematisch de institutionele en sociale netwerken in stand te houden die de uitbreiding mogelijk hebben gemaakt.

In tegenstelling tot wat vroeger zeer gebruikelijk was, stellen de huidige opvolgers van landbouwbedrijven het vinden van een geschikte partner doorgaans boven de overname en voortzetting van de boerderij. Door de wederopleving van het dorpsleven in streken die tot voor kort nog bedreigd werden door een massale uittocht van inwoners is het voor hen bovendien minder problematisch een partner te vinden dan in het verleden. De rol van de vrouw als echtgenote van een boer is tezelfdertijd echter danig veranderd. Het komt steeds vaker voor dat partners van bedrijfsopvolgers een eigen baan hebben die zij niet zomaar opgeven om op de boerderij mee te werken. Menigeen heeft zelfs geen rurale achtergrond. De autoriteit van de schoonouders in de huiselijke en de bedrijfssfeer wordt ook minder vanzelfsprekend door hen geaccepteerd. Een opvolger zal voor deze problemen oplossingen moeten vinden die door alle partijen geaccepteerd worden. Het ontbreken van de arbeid van zijn partner versterkt het effect van de neergaande curve van te mobiliseren gezinsarbeid nog eens. Anderzijds kan haar inkomenook een niet te verwaarlozen financiële ondersteuning betekenen voor de reproductie van het bedrijf.

Het grootste gevaar voor de voortzetting van het gezinsbedrijf ligt evenwel in het doorbreken van het patroon van ongedeelde vererving. Nu het hebben van een (tweede) woning op het platteland populairder wordt, eisen broers en zusters van de beoogde bedrijfsopvolger soms ook een evenredig deel van de bij de boerderij behorende grond op om er een eigen huis op te bouwen.

Deze tendensen, bezien tegen de achtergrond van de aspiratie van veel opvolgers naar een meer urbane levensstijl (qua consumptieniveau en vrije tijd), maken de groeiende voorkeur voor part-time farming begrijpelijk; deze voorkeur is in de loop der tijd meer ingegeven door sociale dan door economische motieven. Ik heb gesteld dat de vraag waarom zo weinig opvolgers het ouderlijk bedrijf full-time voortzetten nauwelijk relevant meer is. We zouden ons veeleer moeten afvragen waarom - ondanks alles wat hiervoor gezegd is - nog zovelen bereid zijn full-time melkveehouder te worden, welke economische en sociale strategieën zij daartoe ontwikkelen en hoe het landbouwbeleid hierop kan inspringen. Ik heb gesuggereerd dat de motivatie van de opvolgers, welke ideologisch, organisationeel of sociaal bepaald kan zijn, een voorname factor is bij de keuze voor full-time voortzetting van het bedrijf.

De laatste jaren voert het regionale ministerie van landbouw een gedifferentieerd beleid, mede onder invloed van Europese richtlijnen: enerzijds is dat gericht op actieve steun aan moderniserende, 'concurrerende', boerenbedrijven, anderzijds is er, om sociale en ecologische redenen, ook meer aandacht voor part-time en 'marginalere' bedrijven. Nog immer wordt er echter, zij het op minder expliciete wijze dan voorheen, een tweedeling aangebracht tussen 'economisch rationele' versus 'minder levensvatbare' bedrijven - waardoor er voorbij gegaan wordt aan de mogelijkheid dat jonge, gemotiveerde boeren ook levensvatbare strategieën kunnen ontwikkelen op als part-time of marginaal gedefinieerde bedrijven. Ik pleit voor een categorisering (in de lijn van de Wageningse bedrijfsstijlenstudies) welke deze tweedeling overstijgt. Onderzoek zou vervolgens licht kunnen werpen op de interferentie van het regionale landbouwbeleid met de binnen de Baskische meikveehouderij werkelijk relevante bedrijfsstijlen.

Online full textINTERNET
On paper Get the document, find related information or use other SFX services
Keyword(s) farm management / innovations / social classes / farmers / farms / farming systems / cattle / rural communities / iberian peninsula
Categories Agricultural Sociology
Publication type PhD thesis
Language English
Comments
There are no comments yet. You can post the first one!
Post a comment
 

To support researchers to publish their research Open Access, deals have been negotiated with various publishers. Depending on the deal, a discount is provided for the author on the Article Processing Charges that need to be paid by the author to publish an article Open Access. A discount of 100% means that (after approval) the author does not have to pay Article Processing Charges.

For the approval of an Open Access deal for an article, the corresponding author of this article must be affiliated with Wageningen University & Research.

Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.