Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Current refinement(s):

Records 1 - 20 / 133

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: keywords==arable land
Check title to add to marked list
Klassenindelingen voor de fosfaattoestand van de bodem, ten behoeve van de afleiding van fosfaatgebruiksnormen
Oenema, O. ; Mol, J.P. ; Voogd, J.C.H. ; Ehlert, P.A.I. ; Velthof, G.L. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2743) - 39 p.
bodem - fosfaten - graslanden - bouwland - akkergronden - graslandgronden - soil - phosphates - grasslands - arable land - arable soils - grassland soils
In 2006 is het stelsel van gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat ingevoerd in de Nederlandse landbouw om de uit- en afspoeling van stikstof en fosfaat vanuit de landbouw naar grondwater en oppervlaktewater te verminderen. In 2010 zijn de gebruiksnormen voor fosfaat gedifferentieerd naar de fosfaattoestand van de bodem. Daarbij worden vier klassen voor de fosfaattoestand van de bodem onderscheiden, namelijk arm, laag, neutraal en hoog. De grenzen tussen de klassen worden bepaald via een bepaling van het Pw-getal (voor bouwland) en het P-AL-getal (voor grasland). In 2015 heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) voorgesteld om de fosfaattoestand te bepalen op basis van een gecombineerde indicator, namelijk P-CaCl2 en het P-AL-getal, omdat een gecombineerde indicator in theorie een betere voorspelling geeft van de fosfaattoestand, en de gecombineerde indicator reeds in de praktijk en voor de bemestingsadviezen van grasland en maisland wordt toegepast. Ook speelt een rol dat het Pw-getal door verschillende analyselaboratoria niet meer wordt bepaald. In onderhavig rapport worden voor de gecombineerde indicator klassengrenzen afgeleid voor de fosfaattoestand van de bodem. Daarbij is gebruikgemaakt van een grote database (ruim 55.000 monsters) en van statistische analyses om een klassenindeling gebaseerd op het Pw-getal voor bouwland en op het P-AL-getal voor grasland om te rekenen naar een klassenindeling voor de gecombineerde indicator P-CaCl2 en het P-AL-getal. Verschillende varianten zijn voorgesteld. Effecten van de varianten op fosfaatplaatsingsruimte zijn verkend.
Soil organic matter in the Netherlands : Quantification of stocks and flows in the top soil
Conijn, J.G. ; Lesschen, J.P. - \ 2015
Wageningen : Plant Research International, Business Unit Agrosystems Research (Report / Plant Research International 619) - 50 p.
soil organic matter - carbon - nutrient balance - arable farming - arable land - netherlands - organisch bodemmateriaal - koolstof - voedingsstoffenbalans - akkerbouw - bouwland - nederland
Soil organic matter (SOM) and especially decreasing SOM are since many decades on the agenda of different stakeholders due to the importance of SOM for various issues ranging from local crop profitability to global climate change. Globally large amounts of organic carbon are stored in the soil and changes in the amount of SOM may sequester or release CO2 from/into the atmosphere. The global stock of soil organic carbon (SOC) in the upper 100 cm equals roughly two times the amount of carbon in the atmosphere and soil respiration equals circa ten times the release of carbon by burning fossil fuels. Other functions of SOM with a (more) local dimension relate to e.g. soil fertility, soil structure, soil erosion, regulation of soil water flows, plant productivity and maintenance of soil biodiversity. Declining SOM is considered as one of the most serious processes of soil degradation and has been identified as one of the main soil threats. Next to positive effects, decomposition of SOM may also have adverse effects by enhancing N2O and CH4 emissions, and releasing nutrients of which part is leached to surface and ground waters. In the Netherlands, the “Technische Commissie Bodem” (TCB) gives advice to the government on soil related issues and has recently developed an advice for the Dutch government on the effects of future trends (such as the biobased economy, climate change, safeguarding food productivity, water management) on soil functioning. As part of the information gathering underlying this advice, the TCB asked Plant Research International and Alterra to conduct a literature research of (a) SOM stocks, flows and recent trends, (b) variation and uncertainty in the data and (c) determination of areas of having/reaching low SOM levels in the Netherlands. In this study we have focussed on the top soil of 0-30 cm and mainly on soils under agricultural use. SOM in deeper soil layers may be important (e.g. globally the layer 30-100 cm contains approximately an equal amount of SOC as compared to the 0-30 cm layer), but due to lack of data this fell outside the scope of this study. The findings of this study have been presented to the working group “Koolstofstromen” of the TCB in three separate sessions in 2013-2014.
Wat is het effect van gewijzigde derogatievoorwaarden op het mestoverschot?
Schroder, J.J. - \ 2014
Wageningen : Plant Research International, Wageningen UR - 5
eu regelingen - mestbeleid - ontheffing - effecten - mestoverschotten - graslanden - bouwland - eu regulations - manure policy - exemption - effects - manure surpluses - grasslands - arable land
De voorwaarden voor een derogatie (periode 2014-2017) zijn als volgt gewijzigd: 1) het grasaandeel dient minimaal 80% te bedragen (was 70%); 2) de maximaal toegestane mest-N gift bedraagt 230 kg N/ha in Zuid en Centraal Nederland en 250 kg N/ha in overig Nederland (was overal 250 kg N/ha). Beide voorwaarden zullen effect hebben op de mestplaatsingsruimte. Daartoe is een rekenmodel geschreven. Deze notitie bespreekt de uitgangspunten en de uitkomsten van dit model.
Effect of light quality on movement of Pterostichus melanarius (Coleoptera: Carabidae)
Allema, A.B. - \ 2014
insects - movement activity - movement behavior - movement speed - red light sensitivity - resting behavior - arable land - insect pests - natural enemies - predatory insects - predators - pterostichus melanarius - dispersal - movement - animal behavior - quantitative analysis - motility - modeling - methodology
The aim of this project was to study the effect of red light on night time behaviour of Pterostichus melanarius (Coleoptera: Carabidae). An experiment was conducted in experimental arenas in the autumn of 2008. Beetles were recorded 20 min per hour during a period of 8 hours under red light, near infrared radiation and white light.
Analyse effectiviteit van het akkervogelbeheer in Provincie Groningen : Evaluatierapport
Wiersma, P. ; Ottens, H.J. ; Kuiper, M.W. ; Schlaich, A.E. ; Klaassen, R.H.G. ; Vlaanderen, O. ; Postma, M. ; Koks, B.J. - \ 2014
Scheemda : Stichting Werkgroep Grauwe Kiekendief (2 ) - 222
bouwland - akkerranden - agrarisch natuurbeheer - vogels - fauna - monitoring - groningen - arable land - field margins - agri-environment schemes - birds
De Werkgroep Grauwe Kiekendief en zijn oprichter Ben Koks zijn belangrijke pioniers geweest in het agrarische natuurbeheer. In de loop van de jaren hebben zij – in samenwerking met verschillende universiteiten – onafhankelijk, degelijk en vooral kritisch onderzoek geëntameerd, waarbij niet al van te voren vaststond dat genomen maatregelen wel zouden werken. Dit rapport vat veel van dit belangrijke werk samen
Wilde bijen mede achteruitgegaan door gebrek aan bloemen
Scheper, J.A. - \ 2014
Wageningen UR
apidae - wilde bijenvolken - bloeiende planten - door bijen verzameld stuifmeel - bouwland - waardplanten - rassen (dieren) - insect-plant relaties - vegetatietypen - wild honey bee colonies - flowering plants - bee-collected pollen - arable land - host plants - breeds - insect plant relations - vegetation types
Uit onderzoek van stuifmeel van bijen uit museumcollecties blijkt dat het verlies aan bloemen in het landschap wel eens een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van wilde bijensoorten zou kunnen zijn. Dit werd al langer vermoed, maar tot op heden ontbrak hiervoor het bewijs. Dat bewijs is nu geleverd aan de hand van museumcollecties. “Uit ons onderzoek bleek een duidelijke relatie tussen het voorkomen van bijensoorten en hun waardplanten,” zegt Jeroen Scheper in een toelichting op het onderzoek dat zojuist is verschenen in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS.
Regenwormen op het melkveebedrijf : handreiking voor herkennen, benutten en managen
Eekeren, N.J.M. van; Bokhorst, J. ; Deru, J. ; Wit, J. de - \ 2014
Driebergen : Louis Bolk Instituut (Rapport / Louis Bolk Instituut 2014-004 LbD) - 37 p.
aardwormen - bodemkwaliteit - bodemvruchtbaarheid - bodemvruchtbaarheidsbeheer - melkveehouderij - bodembiologie - graslanden - bouwland - graslandbeheer - earthworms - soil quality - soil fertility - soil fertility management - dairy farming - soil biology - grasslands - arable land - grassland management
In deze brochure worden handreikingen gegeven voor de praktijk, waarbij zowel strooiselbewonende, bodembewonende en pendelende regenwormen aan bod komen.
Quantifying and simulating movement of the predator carabid beetle Pterostichus melanarius in arable land
Allema, A.B. - \ 2014
University. Promotor(en): Joop van Lenteren, co-promotor(en): Walter Rossing; Wopke van der Werf. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789461739100 - 133
bouwland - insectenplagen - natuurlijke vijanden - roofinsecten - predatoren - pterostichus melanarius - verspreiding - beweging - diergedrag - kwantitatieve analyse - motiliteit - modelleren - methodologie - arable land - insect pests - natural enemies - predatory insects - predators - dispersal - movement - animal behaviour - quantitative analysis - motility - modeling - methodology

Keywords: landscape entomology, movement ecology, quantifying movement, population spread, habitat heterogeneity, motility, edge-behaviour, diffusion model, model selection, inverse modelling, Pterostichus melanarius, Carabidae, entomophagous arthropod

Biological control provided by entomophagous arthropods is an ecosystem service with the potential to reduce pesticide use in agriculture. The distribution of entomophagous arthropods and the associated ecosystem service over crop fields is affected by their dispersal capacity and landscape heterogeneity. Current knowledge on entomophagous arthropod distribution and movement patterns, in particular for soil dwelling predators, is insufficient to provide advice on how a production landscape should be re-arranged to maximally benefit from biological pest control. Movement has mainly been measured in single habitats rather than in habitat mosaics and as a consequence little information is available on behaviour at habitat interfaces, i.e. the border between two habitats.

This study contributes to insight into movement patterns of the entomophagous arthropod Pterostichus melanarius (Illiger) in an agricultural landscape as a knowledge basis for redesign of landscapes for natural pest control. Movement patterns were studied with video equipment in experimental arenas of 5 m2 and with mark-recapture at much larger scales in the field. Interpretation of the results was supported by diffusion models that accounted for habitat specific motility µ (L2 T−1), a measure for diffusion of a population in space and time, and preference behaviour at habitat interfaces.

Movement of carabids has mostly been quantified as movement rate, which cannot be used for scaling-up. Available information on movement rate of carabids was made available for scaling-up by calculating motility from published data and looking for patterns through meta-analysis of data from thirteen studies, including 55 records on twelve species. Beetles had on average a three times higher motility in arable land than in forest/hedgerow habitat. The meta-analysis did not identify consistent differences in motility at the individual species level, and a grouping of species according to gender or size did not demonstrate a significant gender or size effect.

A methodology to directly estimate motility from data using inverse modelling was evaluated on data of a mass mark-recapture field experiment in a single field of winter triticale (x Triticosecale Wittmack.). Inverse modelling yielded the same result as motility calculated from squared displacement distances. In the first case, motility was calculated as an average over motility of individuals, in the second case motility was estimated from a population density distribution fitted to the recapture data. The similarity in motility between these two very different approaches strengthens the confidence in motility as a suitable concept for quantifying dispersal rate of carabid beetles, and in inverse modelling as a method to retrieve movement parameters from observed patterns.

The effect of habitat heterogeneity on movement behaviour was studied for P. melanarius across adjacent fields of oilseed radish (Raphanus sativus) and rye (Secale cereale) in a mark-recapture experiment. The field study was complemented by observations on movement behaviour in the experimental arena. Motility was neither significantly different between the crop species in the field nor in the arena. Overall movement in the field was significantly affected by behaviour at the interface between the crops. Beetles moved more frequently from rye to oilseed radish than in the opposite direction. The arena data indicated greater frequency of habitat entry into oilseed radish as compared to rye. Analysis of video tracking data from the arena resulted in estimates of motility that, when scaled up were close to those obtained in the field. Thus, the studies at the smaller and larger scales gave qualitatively and quantitatively similar results.

The effect of habitat heterogeneity on within-season dispersal behaviour was further explored in an agricultural landscape mosaic comprising perennial strips and different crop species with distinct tillage management. Semi-natural grass margins were functionally different from the crop habitats. Motility was lower in margins than in crop habitats, and at the crop-margin interface more beetles moved towards the crop than to the margin. Margins thus effectively acted as barriers for dispersal. In the crop habitats motility differed between fields but no consistent relations were found with crop type, food availability or tillage. Based on the motility in crop habitats P. melanarius was predicted to disperse over a distance of about 100 – 160 m during a growing season in a landscape without semi-natural elements. Given this range little redistribution of beetles is expected between fields within a growing season, even more when fields are surrounded by grass margins or hedgerows, meaning that the success of biological control by this species is more dependent on field management affecting local population dynamics than on habitat heterogeneity.

This thesis has resulted in a methodological approach to quantify dispersal behaviour of ground-dwelling insects from mark-recapture data in heterogeneous environments using inverse modelling. The combination of models and data proved to be powerful for studying movement and contributes to the development of predictive dynamic models for population spread of entomophagous arthropods. These models for population spread may be used as part of multi-objective assessment of alternative landscape configurations to find spatial arrangements of land use that maximize the ecosystem service of biological control as part of a wider set of landscape functions.

Fosfaatklassen voor fosfaatgebruiksnormen van de Meststoffenwet : landbouwkundige en milieuhygienische aspecten in samenhang
Ehlert, P.A.I. ; Salm, C. van der; Burgers, S.L.G.E. ; Curth-van Middelkoop, J.C. ; Dijk, W. van; Maas, M.P. van der; Pronk, A.A. ; Reuler, H. van; Koopmans, G.F. ; Chardon, W.J. - \ 2014
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 2499) - 98
bodemchemie - fosfaten - bemesting - kunstmeststoffen - wetgeving - fosfaatuitspoeling - bouwland - boomteelt - fruitteelt - tuinbouw - Nederland - soil chemistry - phosphates - fertilizer application - fertilizers - legislation - phosphate leaching - arable land - arboriculture - fruit growing - horticulture - Netherlands
Invoering van het stelsel van gedifferentieerde fosfaatgebruiksnormen in de Meststoffenwet is gebaseerd op een beoordeling van de fosfaattoestand van de bodem. Daarbij worden drie klassen onderscheiden. Bij de invoering van het stelsel is aangeven of de criteria voor fosfaattoestanden wijziging behoeven. Deze studie rapporteert landbouwkundige en milieukundige effecten van wijziging van criteria voor de fosfaattoestand. De landbouwkundige effecten worden in beeld gebracht door vergelijkingen uit te voeren met de adviesbasis voor bemesting van bouwland. De indeling van de fosfaattoestand van de bodem wordt namelijk ook gehanteerd bij bemestingsadviezen voor akkerbouwgewassen, vollegrondsgroenten, bloembollen, boomkwekerijgewassen en fruit. Dit onderzoek geeft de onderbouwing van die klassenindeling bij genoemde sectoren, vergelijkt die met die van het stelsel van gedifferentieerde fosfaatgebruiksnormen en kwantificeert het effect van wijziging van een fosfaattoestand. Milieukundige effecten worden in beeld gebracht door het risico op fosfaatuitspoeling te berekenen als functie van de fosfaattoestand en andere bodemkenmerken. Daarbij worden zowel de potentiele uitspoeling uit de bouwvoor berekend als de actuele uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater. De landbouwkundige en milieukundige effecten worden in samenhang gebracht met de gedifferentieerde fosfaatgebruiksnormen door de landbouwkundige effecten, de effecten op de plaatsingsruimte van mest en beloop van de fosfaattoestand op langere termijn. Opties voor wijziging van criteria van waarderingsklassen voor de fosfaattoestand van de bodem worden gegeven voor vier mogelijke grondslagen te weten economisch rendement, fysieke opbrengstderving, evenwichtsbemesting en milieukundig verantwoorde fosfaattoestand. Ten slotte worden aanbeveling voor aanpassing van criteria gedaan.
Greenhouse gas reporting of the LULUCF sector for the UNFCCC and Kyoto Protocol : background to the Dutch NIR 2013
Arets, E.J.M.M. ; Hoek, K.W. van der; Kramer, H. ; Kuikman, P.J. ; Lesschen, J.P. - \ 2013
Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-technical report 1) - 96
graslanden - bouwland - bosbouw - landgebruik - emissiereductie - broeikasgassen - methodologie - milieubeleid - monitoring - grasslands - arable land - forestry - land use - emission reduction - greenhouse gases - methodology - environmental policy
This report provides a complete description and background information of the Dutch National System for Greenhouse gas Reporting of the LULUCF sector and the Dutch LULUCF submission under the Kyoto Protocol for the 2013 submission of The Netherlands. The 2013 submission reports greenhouse gas emissions over the year 2011. It includes detailed description of the methodologies used to calculate activity data and emissions and it gives the full text of the NIR-II for KP-LULUCF, as well as a description of the table-by-table methodologies, choices and motivations. In 2011 afforestation and reforestation activities produced a sink of 458.66 Gg CO2 equivalents while deforestation caused an emission of 838.67 Gg CO2 equivalents. These values were based on changes in above-and belowground biomass, dead wood, litter and soil (mineral as well as organic), and agricultural lime application on deforested areas
Bodemleven en nutriëntenlevering. Chemisch.
Alebeek, Frans van - \ 2013
fertilizer application - mineralization - soil chemistry - organic matter - soil ecology - arable land
Graanstoppels en akkervogels
Bos, J.F.F.P. - \ 2013
Limosa 86 (2013)3. - ISSN 0024-3620 - p. 123 - 131.
vogels - bouwland - fauna - agrarische bedrijfsvoering - graansoorten - overwintering - foerageren - verenigd koninkrijk - birds - arable land - farm management - cereals - foraging - uk
Graanstoppels vormen in najaar en winter een bron van voedsel voor vogels, met name als tijdens de voorafgaande graanteelt de inzet van herbiciden wordt beperkt, de stoppelvelden vanaf de nazomer bezet raken met onkruiden en ze niet te vroeg in de winter worden geploegd. In het Verenigd Koninkrijk is veel onderzoek gedaan naar de betekenis van graanstoppels voor overwinterende akkervogels. Dit artikel biedt een samenvatting van de inzichten die dit onderzoek heeft opgeleverd, met een doorkijkje naar kansen voor toepassing in Nederland
Akkerrandenbeheer niet de sleutel tot succes voor de Veldleeuwerik in Oost-Groningen
Ottens, H.J. ; Kuiper, M.W. ; Scharenburg, C.W.M. ; Koks, B.J. - \ 2013
Limosa 86 (2013)3. - ISSN 0024-3620 - p. 140 - 152.
bouwland - akkerranden - vogels - fauna - foerageren - populatiedichtheid - agrarisch natuurbeheer - evaluatie - oost-groningen - arable land - field margins - birds - foraging - population density - agri-environment schemes - evaluation
De Veldleeuwerik, ooit een van de meest verbreide en talrijkste vogels van het boerenland, holt in aantallen achteruit. We staan er bij en kijken er naar, want goed broedbiologisch onderzoek naar de achteruitgang van de Veldleeuwerik in Nederland is schaars, laat staan pogingen om de achteruitgang te keren. Een uitzondering hierop is het langdurige veldleeuwerikenonderzoek in Oost- Groningen. Naast monitoring en onderzoek wordt hier ook agrarisch natuurbeheer getest. Akkerranden, stukjes extensieve ruigte die intensief boerenland omzomen, lijken de succesformule voor bijvoorbeeld de Grauwe Kiekendief te zijn, maar is deze maatregel ook het ei van Columbus voor de Veldleeuwerik?
Agrarisch natuurbeheer: wat kost het, wat levert het op en hoe kan het beter
Kleijn, D. - \ 2013
De Levende Natuur 114 (2013)2. - ISSN 0024-1520 - p. 51 - 55.
agrarisch natuurbeheer - weidevogels - bouwland - vogels - flora - fauna - evaluatie - natuurbeleid - beleidsevaluatie - agri-environment schemes - grassland birds - arable land - birds - evaluation - nature conservation policy - policy evaluation
Het grote oppervlak dat de landbouw inneemt maakt dat zelfs beperkte positieve effecten van agrarisch natuurbeheer een grote impact kunnen hebben. Anderzijds komen slechts weinig zeldzame soorten voor op landbouwgronden. De financiële middelen voor natuurbeheer staan momenteel onder druk. Er is behoefte aan inzicvhten die kunnen leiden tot een efficiëntere inzet van het beschikbare budget. Dit artikel geeft een overzicht van de (kosten)effectiviteit van agrarisch natuurbeheer en doet op basis daarvan aanbevelingen voor aanpassingen die kunnen leiden tot een slagvaardiger agrarisch natuurbeheer.
Effecten van het aanbieden van voedselgewassen op de talrijkheid van overwinterende akkervogels: een eerste analyse
Stip, A. ; Kleijn, D. ; Teunissen, W. - \ 2013
Limosa 86 (2013)3. - ISSN 0024-3620 - p. 132 - 139.
bouwland - vogels - fauna - overwintering - foerageren - landgebruik - akkerbouw - proefprojecten - oost-nederland - limburg - arable land - birds - foraging - land use - arable farming - pilot projects - east netherlands
Veel wijst er op dat de problemen van Europese akkervogels tenminste voor een deel worden veroorzaakt door voedselschaarste in de winter, als gevolg van een steeds efficientere landbouwpraktijk waarin onkruiden en oogstresten zeldzame verschijnselen zijn geworden. Als maatregel om deze bottleneck op te heffen valt te denken aan het inzaaien van kleine oppervlakten akkerland met gewassen die voor vogels geschikt wintervoedsel opleveren. In dit artikel worden de eerste, hoopgevende resultaten besproken van een experiment waarin dit in een aantal Nederlandse akkergebieden is gebeurd.
Maatregelen voor het ontsmetten van tarragronden uit de landbouw
Runia, W.T. ; Molendijk, L.P.G. - \ 2013
Wageningen : PPO AGV - 5
bodemkwaliteit - akkerbouw - bouwland - tarra (suikerbieten) - recycling - bloembollen - plagenbestrijding - inundatie - soil quality - arable farming - arable land - dirt tare - ornamental bulbs - pest control - flooding
Met het ministerie is afgesproken dat de Stichting Veldleeuwerik een beroep mag doen op de helpdesk van Wageningen UR. In onderhavig geval is dat de vraag over het veilig terugbrengen van tarragronden naar de percelen. Naast de teelt van suikerbieten gaat het hier ook over bloembollen.
Open akkers en boomteelt rond Oirschot, behoud door ontwikkeling
Schaap, B.F. ; Beunen, R. ; Aalvanger, A. ; Dolders, T. - \ 2013
Wageningen : Wetenschapswinkel (Rapport / Wetenschapswinkel Wageningen UR 296) - ISBN 9789461731838 - 44
boomteelt - landgebruik - bouwland - cultuurlandschap - landgebruiksplanning - noord-brabant - arboriculture - land use - arable land - cultural landscape - land use planning
Stichting Behoud Erfgoed Oirschot (SBEO) heeft zich ten doel gesteld om de open en bolle akkercomplexen rond Oirschot te beschermingen in het licht van huidig en toekomstig landgebruik. De rol van de boomteelt is voor SBEO een belangrijk onderdeel van dit vraagstuk omdat deze sector rond Oirschot veel aanwezig is en mogelijk cultuurhistorische waarden kan aantasten door verandering van de openheid en mogelijke afvoer van grond na de oogst van de bomen. De cultuurhistorische waardenkaart en de erfgoedkaart laten zien dat de open akkercomplexen een hoge cultuurhistorische en archeologische waarde hebben. Gedurende het onderzoeksproces is gebleken dat deze resultaten in een breder perspectief geplaatst moeten worden. Het landschap rondom Oirschot moet als een levend landschap worden gezien.
Gevolgen van klimaatverandering voor verschillende plantengemeenschappen
Janssen, J.A.M. ; Ozinga, W.A. ; Schaminee, J.H.J. ; Haveman, R. ; Smits, N.A.C. - \ 2013
Stratiotes 2013 (2013)44. - ISSN 0928-2297 - p. 19 - 30.
plantengemeenschappen - vegetatietypen - bouwland - graslanden - heidegebieden - bossen - klimaatverandering - plant communities - vegetation types - arable land - grasslands - heathlands - forests - climatic change
In deze studie is bekeken welke veranderingen zijn opgetreden in plantengemeenschappen. De gegevens uit de Landelijke Vegetatie Databank (LVD) zijn gebruikt om trends in de soortensamenstelling van bepaalde plantengemeenschappen op te sporen. Vervolgens zijn deze trends gerelateerd aan veranderingen in de temperatuur. Hierdoor krijgen we inzicht in de kwetsbaarheid van de onderzochte plantengemeenschappen (en desbetreffende ecosystemen) voor klimaatverandering. De LVD bestaat momenteel uit meer dan 630.000 gedigitaliseerde vegetatieopnamen, gemaakt in de periode 1930-2012. De verandering in de soortensamenstelling van een aantal plantengemeenschappen is geanalyseerd voor de periode 1930-2010
Oppervlakkige afspoeling van model tot praktijk : welke maatregelen hebben impact?
Evenhuis, A. ; Kruijne, R. ; Deneer, J.W. ; Schepers, H.T.A.M. - \ 2013
Wageningen : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, onderdeel van Wageningen UR - 34
oppervlakkige afvoer - bouwland - pesticiden - bodemverdichting - wateropslag - agrarische bedrijfsvoering - noord-brabant - runoff - arable land - pesticides - soil compaction - water storage - farm management
Er wordt aangenomen dat normoverschrijdingen in het oppervlaktewater kunnen ontstaan door oppervlakkige afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen. In een studie naar emissie van gewasbeschermingsmiddelen in het gebied van de Lage en Hoge Raam werden overschrijdingen van de MTR waargenomen van een aantal herbiciden in het oppervlaktewater. Uit bestudering van het verloop van de overschrijdingen in de tijd, in relatie tot het tijdstip van toediening en het neerslagverloop kwam oppervlakkige afspoeling naar voren als een mogelijke oorzaak van de overschrijdingen.
Herstellen van akkers als onderdeel van een intact heidelandschap : de koppeling tussen arme heidegebieden en rijkere gronden
Vogels, J. ; Jansman, H.A.H. ; Bobbink, R. ; Weijters, M. ; Verbaarschot, E. ; Den, P. ten; Versluijs, R. ; Waasdorp, S. - \ 2013
Driebergen : Bosschap (Rapport OBN 179-DZ) - 179
ecologisch herstel - heidegebieden - natuurgebieden - velden - bouwland - natuurwaarde - ecological restoration - heathlands - natural areas - fields - arable land - natural value
De heidegebieden in Nederland herbergen een groot aantal habitattypen die in Europees opzicht erg waardevol zijn. Voorbeelden zijn droge en vochtige heide (H4030 en H4010), zandverstuivingen (H2330) en zwakgebufferde vennen (H3130). Deze heidegebieden liggen temidden van intensief gebruikt agrarisch gebied. Rechtstreeks gevolg hiervan lijkt dat karakteristieke faunasoorten van heidelandschappen nog steeds achteruit gaan in verspreiding. Een groeiend aantal beheerders experimenteert tegenwoordig met tijdelijke beakkering van kleine perceeltjes in of direct grenzend aan heideterreinen, met als doel de aan het heidelandschap verbonden diersoorten een grotere overlevingskans te geven. Daarnaast bestaan er bij beheerders vragen over het gewenste beheer van bestaande (extensieve) landbouwpercelen en wildakkers ten behoeve van de versterking van de natuurwaarden in nabij gelegen heidegebieden
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.