Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Current refinement(s):

Records 1 - 20 / 98

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: keywords==insect control
Check title to add to marked list
Krachtpatsers in de kas
Goud, J.C. - \ 2015
Gewasbescherming 46 (2015)4. - ISSN 0166-6495 - p. 122 - 123.
tuinbouw - glastuinbouw - biologische bestrijding - chemische bestrijding - sierteelt - chrysanthemum - microscopie - tentoonstellingen - insectenbestrijding - thrips - frankliniella occidentalis - nematoda - steinernema feltiae - horticulture - greenhouse horticulture - biological control - chemical control - ornamental horticulture - microscopy - exhibitions - insect control
Op 3 september 2015 opende het museum Micropia, samen met BASF, een nieuwe opstelling over biologische gewasbescherming. De tentoonstelling ‘Krachtpatsers in de kas’ laat het grote publiek zien hoe microscopisch kleine insectenjagers worden ingezet bij de bestrijding van trips in de sierteelt. Californische trips (Frankliniella occidentalis) is een moeilijk te bestrijden probleem in veel kasgewassen. De insecten zijn zeer klein en kruipen weg in de groeipunten van het gewas. Hierdoor ontsnappen ze vaak aan chemische middelen.
Aanpak van suzuki : hygiëne voor beperken oogstschade door de suzuki-fruitvlieg
Helsen, H.H.M. ; Brouwer, G. - \ 2015
Ekoland (2015)7/8. - ISSN 0926-9142 - p. 12 - 14.
drosophila suzukii - invasieve exoten - fruitteelt - kleinfruit - plagenbestrijding - plantenplagen - bedrijfshygiëne - gewasbescherming - insectenbestrijding - waardplanten - ziektebestrijdende teeltmaatregelen - biologische landbouw - invasive alien species - fruit growing - small fruits - pest control - plant pests - industrial hygiene - plant protection - insect control - host plants - cultural control - organic farming
Enkele jaren geleden dook in ons land de suzuki-fruitvlieg op. Deze invasieve soort veroorzaakte in 2014 aanzienlijke schade in de teelt van zachtfruit. Doordat op biologische fruitteeltbedrijven vaak veel opeenvolgende gewassen worden geteeld, zijn de risico’s daar extra groot. In het Praktijknetwerk ‘Probleemplagen divers aanpakken’ is aandacht besteed aan de vraag wat de biologische fruitteler kan doen om de aantasting te beperken.
Inleiding tripsbrainstorm
Messelink, Gerben - \ 2015
thrips - insect control - plant protection - roses - greenhouse experiments - plant disease control - natural enemies - biological control - predatory mites - workshops (programs)
Innovatie van insectenvallen
Tol, R.W.H.M. van - \ 2015
biologische bestrijding - gewasbescherming - innovaties - insectenvallen - insectenlokstoffen - insectenbestrijding - trechtervallen - kleefvallen - insectenplagen - conferenties - biological control - plant protection - innovations - insect traps - insect attractants - insect control - funnel traps - sticky traps - insect pests - conferences
De meeste valsystemen om insecten waar te nemen zijn nog steeds gebaseerd op lijmplaten of trechtervallen (water/zeep) waar de insecten aan kleven of in verdrinken. De vangefficiëntie van deze systemen blijkt zeer laag (10-15%). In de natuur doen planten het veel slimmer (o.a. carnivore planten). Het begrijpen hoe de natuur insecten vangt en deze concepten benutten voor het verbeteren van waarnemingsvallen en benutten voor mass-trapping van insecten is nog nauwelijks benut. Poster van PlantgezondheidEvent 12 maart 2015.
Voorkomen van schade door bonenvlieg : effectiviteit van zaad- en bodembehandelingen en aanvullende maatregelen om stamslabonen te beschermen tegen de maden van de bonenvlieg (2013)
Rozen, K. van; Vlaswinkel, M.E.T. - \ 2014
Lelystad : PPO AGV - 28
delia platura - insectenbestrijding - phaseolus vulgaris - gewasbescherming - vollegrondsgroenten - vollegrondsteelt - veldproeven - plagenbestrijding - groenteteelt - spinazie - insecticiden - insect control - plant protection - field vegetables - outdoor cropping - field tests - pest control - vegetable growing - spinach - insecticides
In de bonenteelt veroorzaken de maden van de bonenvlieg vraatschade in de kiem- en opkomstperiode, wat kan leiden tot plantwegval en vervolgens opbrengstverlies. Het toegelaten middelenpakket beperkt zich tot één insecticide waarmee het zaad wordt behandeld. Nieuwe middelen met een laag negatief milieuprofiel, insect werende producten en praktische teeltmaatregelen zijn gewenst tegen de verschillende stadia van de bonenvlieg. Dit rapport geeft de resultaten van een veldproef en een demo uitgevoerd in 2013 weer en is het vervolg op de deskstudie en het veldonderzoek in 2012.
Paringsverstoring: een innovatieve oplossing voor rupsenproblemen in de Nederlandse kassen : eindraportage
Griepink, F.C. ; Hora, K. ; Kogel, W.J. de - \ 2013
Wageningen : Plant Research International - 36
glastuinbouw - plantenplagen - chrysodeixis chalcites - rupsen - paringsverstoorders - insectenbestrijding - tests - vruchtgroenten - feromoonvallen - schade - greenhouse horticulture - plant pests - caterpillars - mating disrupters - insect control - fruit vegetables - pheromone traps - damage
In de periode 2008-2012 is een paringsverstoringsmethode tegen Turkse mot Chrysodeixis chalcites getest. Er is gekozen voor Turkse mot omdat dit insect snel veel schade kan aanbrengen in de tomaten- en paprikateelt. Ook is in het verleden door PRI in samenwerking met TNO aangetoond dat paringsverstoring tegen Turkse mot voldoende werkt. De destijds gebruikte feromoonverdamper bleek echter onpraktisch en is in dit onderzoek vervangen door een alternatieve verdamper. De in dit onderzoek ontwikkelde verdamper is op 5 locaties getest in een dichtheid van 500 dispensers per hectare. In feromoonvallen in de behandelde percelen werd geen Turkse mot meer gevangen in tegenstelling tot de niet met feromoon behandelde percelen. Echter in het gewas werden nog steeds rupsjes en dus schade gevonden. De gevonden schade wisselde van bedrijf tot bedrijf. De uiteindelijke conclusie is dat deze methode nog onvoldoende robuust is voor commerciële implementatie
Bestrijding van de volwassen taxuskever (Otiorhynchus sulcatus): Middelenonderzoek
Elberse, I.A.M. ; Meij, J. van der; Tol, R.W.H.M. van - \ 2013
Lisse : Praktijkonderzoek Plant en Omgeving BBF - 57
houtachtige planten als sierplanten - plantenplagen - coleoptera - otiorhynchus sulcatus - bestrijdingsmethoden - gewasbescherming - insectenbestrijding - laboratoriumproeven - landbouwkundig onderzoek - ornamental woody plants - plant pests - control methods - plant protection - insect control - laboratory tests - agricultural research
Taxuskevers vormen al jaren een belangrijke plaag in veel boomkwekerijgewassen. Met name de vraat van de larven aan de wortels zorgt voor problemen. Om de plaag goed te kunnen beheersen wordt aangeraden om zowel de kevers als de larven te bestrijden. Voor de bestrijding van de larven zijn meerdere mogelijkheden (aaltjes, BIO1020, Exemptor), maar voor de bestrijding van de volwassen kevers is alleen Steward beschikbaar (in vaste planten alleen in bedekte teelt, in boomkwekerij zowel in bedekte als onbedekte teelt). Om de kans op resistentieontwikkeling te beperken is het van belang om meerdere middelen beschikbaar te hebben. Het doel van de bestrijding van volwassen taxuskevers is om zo min mogelijk larven te krijgen in de herfst. In dit onderzoek werden hiervoor de volgende subdoelen geformuleerd: 1. Het vinden van een nieuw gewasbeschermingsmiddel tegen de volwassen taxuskever . 2. Het ontwikkelen van een snellere bestrijding (voor dat eileg begint) van de volwassen taxuskever.
Voorkomen van schade door bonenvlieg : Voorkomen van schade door bonenvlieg : effectiviteit van zaad- en bodembehandelingen om stamslabonen te beschermen tegen de maden van de bonenvlieg, aangevuld met een inventarisatie naar een duurzamere aanpak (2012)
Rozen, K. van; Vlaswinkel, M.E.T. - \ 2013
Lelystad : PPO AGV - 34
insectenbestrijding - phaseolus vulgaris - gewasbescherming - plagenbestrijding - biologische bestrijding - insect control - plant protection - pest control - biological control
De maden van de bonenvlieg vreten aan vele soorten planten, waaronder bonen. Vraatschade in de kiem- en opkomstperiode kan leiden tot plantwegval, dit leidt tot opbrengstverlies. De mogelijkheden om schade door bonenvliegmaden met insecticiden te voorkomen zijn beperkt; er is slechts één middel wat jaarlijks met behulp van een vrijstellingsregeling mag worden gebruikt. De sector heeft aangegeven dat nieuwe of alternatieve middelen of methoden om de bonenvlieg en haar maden te beheersen gewenst is. In dit rapport worden de resultaten van een beknopte desk-studie en vervolgens een 1-jarig veldonderzoek beschreven. Twee insecticide zaadbehandelingen hebben geleid tot betrouwbaar lagere aantasting van de stamslabonen, waaronder de typische “soldaatjes”. Dit leidde tot iets hogere aantallen gezonde planten. De effectiviteit was vergelijkbaar met het referentiemiddel. Door de kleine marges in deze teelt resulteren deze behandelingen vrij snel tot een rendement, doordat het plantwegval tegengaat en hiermee de opbrengst verhoogd. De mogelijkheden voor toelating zal verder moeten worden verkend. Milieuvriendelijkere of biologische middelen waren minder succesvol om schade door de maden van de bonenvlieg te voorkomen; aantasting en aantal gezonde planten kwam overeen met de onbehandelde situaties. Meer inzicht in de biologie van het insect en de werking van dergelijke middelen kan leiden tot effectievere toepassingen. De desk-studie en het veldonderzoek hebben geleid tot aanbevelingen. Tegen dit plaaginsect zou meer gebruik gemaakt kunnen worden van enkele soort-specifiek eigenschappen, zoals de invloed van geur op het gedrag van de bonenvlieg, invloed van organisch materiaal, mest en teeltmaatregelen. Waarom ondervind de ene teler meer last van schade door bonenvliegmaden dan de ander? Antwoord op deze vraag kan leiden tot een doeltreffende aanpak. Tot slot wordt aangegeven dat aandacht voor de meer traditionelere tips als het creëren van goede groeiomstandigheden nuttig blijft om schade zoveel mogelijk te beperken. Inzet van Pyristar kan de periode naar het zoeken van een geschikt alternatief overbruggen.
Veeteelt zoekt biologische bestrijder van vampier
Sikkema, Albert ; Niekerk, Thea van - \ 2012
poultry farming - dermanyssus gallinae - predatory mites - biological control - biological control agents - pest control - insect control
Bestrijding van citruswolluis in potplanten
Pijnakker, J. ; Leman, A. - \ 2012
Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapporten GTB 1181) - 41
potplanten - insectenplagen - planococcus citri - natuurlijke vijanden - glastuinbouw - insectenbestrijding - preventie - geïntegreerde bestrijding - nederland - pot plants - insect pests - natural enemies - greenhouse horticulture - insect control - prevention - integrated control - netherlands
Referaat Momenteel worden wolluizen vaak biologisch bestreden in binnentuinen van kantoren, zwembaden, dierentuinen en kassen bij botanische tuinen. De resultaten van biologische bestrijding zijn voor deze toepassingsgebieden over het algemeen goed, maar dit geldt niet voor commerciële productie in kassen. In commerciele productiekassen zijn enkele praktijkervaringen opgedaan met curatieve introducties van natuurlijke vijanden. De kever Cryptolaemus wordt vaak niet teruggevonden en introducties van sluipwespen op het moment dat wolluis wordt waargenomen komen vaak te laat. Dan moet alsnog met insecticiden worden ingegrepen. In dit onderzoek werd onderzocht of de continue inzet van natuurlijke vijanden de uitbreiding van wolluisaantasting naar nog niet aangetaste planten kan voorkomen en of kleine haarden curatief kunnen worden bestreden. Met de commercieel beschikbare sluipwespen en lieveheersbeestjes waren we in staat kleine haarden curatief te bestrijden en de aantastingen van wolluizen te verkleinen en te remmen, maar niet om de plaag volledig te bestrijden. Leptomastix dactylopii en Anagyrus pseudococci bleken betere bestrijders te zijn dan Coccidoxenoides perminutus. Beheersing van de plaag was niet mogelijk zonder correctie-bespuitingen met chemische gewasbeschermingsmiddelen omdat een nul tolerantie wordt gehanteerd in potplanten. Flonicamid bleek een effectief en selectief middel om haarden van wolluizen te bestrijden met weinig invloed om biologische bestrijders. Dit middel heeft echter geen toelating tegen wolluis in de glastuinbouw. Telers die een nultolerantie hanteren zullen de jonge planten met insecticiden behandelen, nauwkeurig scouten en pleksgewijs spuiten. Vaak leidt dit uiteindelijk tot volvelds spuiten. Technieken die vroege detectie mogelijk maken (sensoren, camera’s) zouden het scouten kunnen vereenvoudigen. Telers die de goedkoopste strategie willen kiezen, zullen kiezen voor het toepassen van selectieve chemische bestrijdingsmiddelen (neonicotinoïden). Telers met een tolerantie voor wolluis zullen wekelijks introducties van sluipwespen uitvoeren (10 sluipwespen/m2/week?). De overlevingskans van sluipwespen zou verhoogd kunnen worden, met behulp van bijvoorbeeld een suikerbron of nectarplanten, om de interval tussen introducties te kunnen vergroten. Een bankerplantsysteem wordt in 2012 ontwikkeld om de sluipwespen in de kas buiten het gewas in stand te houden of indien mogelijk te kweken. Abstract Currently, mealybugs are often controlled with natural enemies in organic gardens or offices, swimming pools, zoos and botanical gardens under glass. The results of biological control for these applications is generally good, but these are not applied in commercial greenhouses. In commercial production greenhouses growers have some practical experience with curative releases of natural enemies. The beetle Cryptolaemus is often not retrieved, and releases of wasps when mealybugs are observed are often too late. Then still insecticide intervention is needed. In this project we investigated whether the continuous use of natural enemies can prevent the expansion of mealybugs towards not infested plants and if they can control small hot-spots. With the commercially available parasitic wasps and ladybugs we were able to eliminate small hot-spots and reduce infestations of mealybugs, but we couldn’t fully exterminate the pest. Controlling mealybugs was not possible without corrective spraying with chemical pesticides because a zero tolerance policy is applied in potted plants. Flonicamid proved to be an effective and selective compound to control outbreaks of mealybugs with little impact on biological control agents. This product is unfortunately niet registerd against mealybugs in greenhouses in The Netherlands.
Processierups op het verkeerde spoor zetten? : een literatuurstudie naar de mogelijkheden om processierupsen te bestrijden door gedragsverstoring
Booij, K. ; Tol, R.W.H.M. van - \ 2012
Wageningen : Plant Research International (Rapport / Plant Research International 434)
insectenplagen - thaumetopoea processionea - diergedrag - insectenbestrijding - literatuuroverzichten - insect pests - animal behaviour - insect control - literature reviews
Literatuuroverzicht over wat bekend is over de factoren die een rol spelen bij aggregatie- en procesgedrag van de eikenprocessierups en verwante soorten. Door deze kennis in beeld te brengen kan deze mogelijk gebruikt worden voor strategieën om het gedrag van deze soorten te verstoren.
Geïntegreerde bestrijding van wittevlieg in de sierteelt en de bruikbaarheid van sluipwespen
Pijnakker, J. ; Leman, A. ; Linden, A. van der - \ 2011
Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapporten GTB 1110)
insectenbestrijding - encarsia - glastuinbouw - sierteelt - geïntegreerde plagenbestrijding - kasproeven - nederland - insect control - greenhouse horticulture - ornamental horticulture - integrated pest management - greenhouse experiments - netherlands
Whiteflies are an increasing problem in ornamental crops using Integrated Pest Management. According to the growers, the available beneficials are particularly lacking efficacy in the wintertime at lower greenhouse temperatures. The parasitoid Encarsia tricolor shows potential for crops grown at low temperatures in the wintertime like gerbera and poinsettia. The species was collected in 2009 in a strawberry crop grown in greenhouse and reared at Wageningen UR Glastuinbouw. This species parasitizes the cabage whitefly, the tabacco whitefly and the greenhouse whitefly. The rearing of E. tricolor was enlarged for cage trials in 2010 in which the parasitism rate of the species was compared with those of Encarsia formosa, Eretmocerus eremicus and Eretmocerus mundus. The trials took place at two temperature regimes: a constant temperature of 20 oC and a day/night regime of 18/15 oC on gerbera with Trialeurodes vaporariorum and at the day/ night regimes 21/18 oC and 16/14 oC on poinsettia with Bemisia tabaci. Eretmocerus mundus and Eretmocerus eremicus were the least effective species at high temperature regimes. Encarsia tricolor performed as well as Encarsia formosa. At the lowest temperature regimes none of the parasitoids controlled the pest. The parasitism rates varied from 2 to 18%.
De paardenkastanjemineermot is er nog steeds.
Elberse, I.A.M. ; Kuik, A.J. van - \ 2010
Boomzorg 3 (2010)5. - p. 24 - 25,27.
aesculus hippocastanum - cameraria - insectenplagen - bladval - bestrijdingsmethoden - insectenbestrijding - plagenbestrijding - gewasbescherming - boomverzorging - insect pests - leaf fall - control methods - insect control - pest control - plant protection - tree care
Hij kwam vanuit Zuid-Oost Europa, rukte steeds verder op en vestigde zich in Nederland. De laatste jaren kreeg hij wat minder aandacht, maar zorgt nog steeds voor veel kastanjebomen met bruine vlekken: de paardenkastanjemineermot.
Determination of aphid transmission efficiencies for N, NTN and Wilga strains of Potato virus Y
Verbeek, M. ; Piron, P.G.M. ; Dullemans, A.M. ; Cuperus, C. ; Bovenkamp, G. van den; Vlugt, R.A.A. van der - \ 2010
precisielandbouw - aardappelen - akkerbouw - virusziekten - aardappelvirus y - myzus persicae - aphididae - insectenbestrijding - insectenetende dieren - verspreiders - precision agriculture - potatoes - arable farming - viral diseases - potato virus y - insect control - insectivores - distributors
REFs (Relative Efficiency Factor) are used in the Dutch PVY (Potato virus Y genus Potyvirus) control system to calculate vector pressure and determine the haulm destruction date.
Biologie en bestrijding van tomatenmineermot: Tuta absoluta tast bladeren, stengels en vruchten aan
Linden, A. van der; Staaij, M. van der - \ 2010
Onder Glas 7 (2010)11. - p. 61 - 61.
kassen - teelt onder bescherming - tomaten - insecten - insectenbestrijding - bestrijdingsmethoden - gewasbescherming - glastuinbouw - groenten - greenhouses - protected cultivation - tomatoes - insects - insect control - control methods - plant protection - greenhouse horticulture - vegetables
Sinds de tomatenmineermot Tuta absoluta voor het eerst optrad in Spanje heeft de plaag zich in enkele jaren tijd over het hele Middellandse Zeegebied verspreid. In Nederland wordt het motje of de rups soms aangetroffen op tomaten uit Zuid-Europa die hier worden verpakt. Tot op heden is geen sprake van permanente vestiging op teeltbedrijven in Nederland. In dit artikel komt de biologie en bestrijding aan bod.
Preventie van ontsnappen plaagorganismen: Met een focus op Bemisia tabaci, Spodoptera spp. en Liriomyza spp.
Raaphorst, M.G.M. - \ 2010
Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapporten Wageningen UR Glastuinbouw GTB-1020) - 14
insectenplagen - kassen - bemisia tabaci - spodoptera - liriomyza - insectenbestrijding - chemische bestrijding - modellen - ventilatie - vensters - quarantaine organismen - glastuinbouw - insect pests - greenhouses - insect control - chemical control - models - ventilation - windows - quarantine organisms - greenhouse horticulture
Bij het opstellen van eliminatiescenario’s voor quarantaine(-waardige) plagen in kassen is een belangrijke vraag of de luchtramen gesloten moeten blijven tijdens de uitroeiactie, teneinde verspreiding van het plaagorganisme naar andere kassen te voorkomen. Gesloten luchtramen leiden al snel tot een te hoge kastemperatuur en/of een te hoge luchtvochtigheid om het gewas in een goede conditie te houden. Met behulp van rekenmodellen is bepaald dat hooguit gedurende de winterperiode (november tot en met februari) mogelijk zal zijn om zonder productieverlies de ramen gedurende langere tijd gesloten te houden. Dit is juist de periode dat de kans van ontsnapping via de luchtramen al miniem is vanwege de lage buitentemperatuur. In het voor en najaar zal, als de kas gesloten blijft dit tot een dermate hoge luchtvochtigheid en kastemperatuur leiden, dat (afhankelijk van het gewas) de productie hier sterk onder gaat lijden. In de zomerperiode (juni tot en met september) is het niet mogelijk om de luchtramen zonder risico op ontsnappen van wittevliegen en mineervliegen te openen, tenzij een fijnmazig insectengaas in de luchtramen is aangebracht. In het geval van motten (Spodoptera spp.) mag dit ook een grofmazig insectengaas zijn. Als in de zomerperiode gedurende meerdere dagen de ramen gesloten moeten blijven, zal dit voor de meeste gewassen leiden tot een grote productiederving of zelfs het einde van de teelt. Bij bedrijven met actieve kaskoeling kunnen de ramen met behoud van een groeizaam kasklimaat langer gesloten blijven. Volledige sluiting wordt echter bemoeilijkt door de aanbeveling om met het oog op de arbeidsomstandigheden na iedere gewasbeschermingshandeling minimaal twee uur te ventileren.
Mineermot nieuwe bedreiging voor tomaat
Deventer, P. van - \ 2009
Groenten & Fruit 63 (2009)13. - ISSN 0925-9708 - p. 18 - 19.
tuinbouwbedrijven - kassen - teelt onder bescherming - tomaten - insecten - insectenbestrijding - feromoonvallen - geïntegreerde plagenbestrijding - glastuinbouw - precisielandbouw - market gardens - greenhouses - protected cultivation - tomatoes - insects - insect control - pheromone traps - integrated pest management - greenhouse horticulture - precision agriculture
De tomatenmineermotTuta absolutawerd dit jaar in Nederland op vierverpakkingsbedrijven aangetroffen. De vrees bestaat dat de mot ook in de tomatenteelt terecht komt. Een blik op het gedrag van de mineermot en de ervaringen met de bestrijding ervan in andere landen. Tuta absoluta, een motje waarvan de larven mineergangen maken in bladeren van tomatenplanten, komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika. De laatste decennia heeft deze soort zich over grote delen van dit continent verspreid. In 2007 werd de mot voor het eerst waargenomen in Europa, in Catalonië in Spanje. Behalve in Spanje is hij echter nu ook gesignaleerd in naburige landen, zoals Marokko, Algerije, Frankrijk en Italië. Aangezien het mineermotje dit jaar tot nu toe ook op vier verpakkingsbedrijven in Nederland werd gevonden, bestaat de vrees dat deze zeer schadelijke plaag vanuit Zuid-Europa in andere landen terecht komt in de tomatenteelt, waaronder in Nederland¿
Onderzoek bestrijding snuitkevers vordert gestaag
Tol, R.W.H.M. van - \ 2009
De Boomkwekerij 7 (2009)13 februari 2009. - ISSN 0923-2443 - p. 10 - 11.
boomkwekerijen - otiorhynchus - insectenlokstoffen - lokstoffen - insecticiden - insectenbestrijding - forest nurseries - insect attractants - attractants - insecticides - insect control
Steeds vaker wordt melding gemaakt van aan taxuskever verwante snuitkevers die zich in Nederland vestigen. Hierdoor kan een breder sortiment planten worden aangetast en kost de waarneming en bestrijding de kwekers minder tijd. Daarbij komt dat er weinig beschikbare bestrijdingsmiddelen zijn. PRI werkt daarom sinds 2002 aan de ontwikkeling van een lokstof om de kevers waar te nemen en te bestrijden
Passende roofmijten tegen trips en galmuggen tegen bladluis in potanthurium : verdere ontwikkeling van biologische bestrijding in potanthurium
Linden, A. van der; Groot, E.B. de; Wensveen, W. van; Ramakers, P.M.J. - \ 2009
Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapport / Wageningen UR Glastuinbouw 312) - 20
potplanten - anthurium - roofmijten - cecidomyiidae - thrips - organismen ingezet bij biologische bestrijding - insectenbestrijding - insectenplagen - toegepast onderzoek - glastuinbouw - pot plants - predatory mites - biological control agents - insect control - insect pests - applied research - greenhouse horticulture
Met als doel de biologische bestrijding van trips in potanthurium te bevorderen werden verschillende soorten roofmijten van december tot mei zes maal gemengd uitgestrooid in zes afdelingen met potanthurium. Een afdeling met een etmaaltemperatuur van 22 graden Celsius en een afdeling met 26 graden Celsius werden later bemonsterd op het voorkomen van trips en roofmijten. Het betreft de volgende soorten: Neoseiulus cucumeris, Neoseiulus alpinus, Amblyseius swirskii, Amblyseius andersoni, Amblyseius barkeri, Typhlodromalus limonicus (één introductie). Ook werden verschillende soorten planten getest om het overleven van roofmijten te ondersteunen (in de afdeling van 26 graden C). Ipomoea tricolor ‘Heavenly Blue’ bleek geschikt voor de roofmijt Euseius ovalis, die niet met de andere soorten is geïntroduceerd. Euseius ovalis verspreidde zich vanuit de banker planten in het gewas. Van de uitgestrooide soorten vestigden zich Amblyseius swirskii en Amblyseius andersoni op Anthurium. Deze soorten konden maanden nadat het uitstrooien was gestopt nog worden bemonsterd. Verder werden ook enkele spontaan optredende roofmijten uit een andere superfamilie (Bedelloidea) in de monsters aangetroffen. De aantallen trips bleven laag behalve in de afdeling met de test van banker planten. Vooral Ipomoea tricolor blijkt een bron te kunnen worden van trips. Bladluis trad in mei spontaan op. Hiertegen werden met succes galmuggen, Aphidoletes aphidimyza, losgelaten. Ter ondersteuning en overbrugging van schaarste aan bladluizen werd graan met graanluizen aangeboden. De biologische bladluisbestrijding gaf geen onaanvaardbare vervuiling van de planten, in tegenstelling tot het uitstrooien van roofmijten in tarwezemelen. De zemelen moeten nu en dan worden afgespoeld. Op de vangplaten werden sluipwespen gevonden waarvan de biologie niet bekend is. Er was geen relatie tot bovengrondse plagen zoals bladluis, maar misschien wel met bodemplagen (rouwmuggen)
Lokken en bestrijden van de taxuskever : Eindrapportage
Elberse, I.A.M. ; Tol, R.W.H.M. van - \ 2009
Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 21
gewasbescherming - boomkwekerijen - euonymus - otiorhynchus - plagenbestrijding - insectenbestrijding - pesticiden - lokstoffen - vallen - plant protection - forest nurseries - pest control - insect control - pesticides - attractants - traps
Bestrijding van taxuskever is een groot knelpunt in de boomkwekerij. Eerder onderzoek heeft een lokval voor taxuskever opgeleverd. Dit vervolgproject bestond uit verdere beproeving van de lokval, tezamen met de lokstof. Aan de PT-financiering was medefinanciering van een fabrikant als voorwaarde gesteld.
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.