Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Current refinement(s):

Records 1 - 20 / 281

  • help
  • print

    Print search results

  • export
    A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
  • alert
    We will mail you new results for this query: keywords==landscape ecology
Check title to add to marked list
Effects of land use on infestation and parasitism rates of cabbage seed weevil in oilseed rape
Kovács, Gabriella ; Kaasik, Riina ; Lof, Marjolein E. ; Werf, Wopke van der; Kaart, Tanel ; Holland, John M. ; Luik, Anne ; Veromann, Eve - \ 2018
Pest Management Science (2018). - ISSN 1526-498X - 9 p.
Ceutorhynchus obstrictus - conservation biological control - hymenopteran parasitoids - landscape ecology - semi-natural habitats

BACKGROUND: This study investigated how infestation rates of an important oilseed rape pest, the cabbage seed weevil (Ceutorhynchus obstrictus) and rates of parasitization by its parasitoids are affected by land use, up to 1000 m from 18 focal fields. RESULTS: The mean proportion of C. obstrictus-infested pods per plant was 8% (2–19.5%). Infestation rates were higher if the adjacent habitat was a herbaceous semi-natural habitat than if it was either another crop or a woody habitat. Infestation rates were positively related to the area of herbaceous semi-natural vegetation, permanent grassland and wheat (which followed oilseed rape in the crop rotation) at a spatial scale of at least 1 km. The mean parasitism rate of C. obstrictus larvae was 55% (8.3–87%), sufficient to provide efficient biocontrol. Parasitism rates were unrelated to adjacent habitats, however, they were positively related to the presence of herbaceous linear elements in the landscape and negatively related to permanent grasslands at a spatial scale of 200 m. CONCLUSION: Proximity of herbaceous elements increased both infestation rates and parasitism, while infestation was also related to landscape factors at larger distances. The findings provide an empirical basis for designing landscapes that suppress C. obstrictus, at both field and landscape scales.

Inspiring natural landscapes in a crowded country : five examples of nature-based solutions in Dutch landscapes
Bijlsma, Rienk-Jan ; Braat, Chris ; Hoedt, André ten; Janssen, John ; Rossenaar, Arnout-Jan ; Sanders, Marlies ; Schipper, Piet ; Vegter, Uko ; Winter, Erwin - \ 2016
Wageningen : Wageningen University & Research (Wageningen Environmental Research (Alterra) report 2754) - 17
landschap - landschapsecologie - nederland - landscape - landscape ecology - netherlands
Kansen voor meer natuurlijkheid in Natura 2000-gebieden
Bijlsma, R.J. ; Jansen, A.J.M. ; Janssen, J.A.M. ; Maas, G.J. ; Schipper, P.C. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2745) - 73 p.
natura 2000 - habitatrichtlijn - natuurbeheer - natuurbeleid - natuurbescherming - landschapsecologie - habitats directive - nature management - nature conservation policy - nature conservation - landscape ecology
De Rijksnatuurvisie 2014 schetst een visie op het publieke belang van toekomstbestendige natuur. Dit rapport werkt enkele aspecten van deze visie nader uit. Het brengt in beeld welke rol ‘natuurlijkheid’ in het huidige natuurbeleid en -beheer speelt en hoe deze rol is veranderd. Vervolgens presenteert het een nieuwe werkwijze voor de formulering en prioritering van coherente en toekomstbestendige natuurdoelen in Natura 2000-gebieden. Uit interviews met terreinbeheerders en enkele provincies blijkt dat veel in de jaren 1980 ontstane aandacht voor aspecten van natuurlijkheid, zoals natuurlijke verjonging van bos, ontsnippering en herstel van hydrologische systemen nu structureel is opgenomen in het natuurbeheer, ongeacht terreinbeherende instantie. Natuurlijkheid geldt niet meer expliciet als sturend beheerprincipe, maar in de vorm van landschapsecologische systeemanalyses, is het een belangrijke ondersteuning voor beleid en beheer geworden. Een toekomstbestendige(r) formulering en prioritering van gebiedsdoelen voor Natura 2000-gebieden vereist een systeemgerichte benadering met aandacht voor landschapsecologische samenhang, uitwijkmogelijkheden, interacties en natuurlijke dynamiek. De nieuwe werkwijze voorziet in een systeemvisie zonder daarbij de huidige Natura 2000-doelen als vast uitgangspunt te nemen. De visie resulteert in systeemkarakteristieke en niet-karakteristieke doelen. Niet-karakteristieke doelen bemoeilijken de ontwikkeling van systeemkarakteristieke doelen en mogen daarom uit het gebied verdwijnen. Binnen de karakteristieke doelen wordt onderscheid gemaakt tussen kwetsbare en robuuste doelen. Door deze prioritering ontstaat ecologische en bestuurlijke ruimte doordat waarden die als niet-karakteristiek of robuust worden beoordeeld minder aandacht en inzet vragen.
Nat zandlandschap van de 21e eeuw : kennisagenda
Schouten, M.G.C. ; Jansen, A.A.M. ; Tweel-Groot, Loekie van - \ 2016
Landschap : tijdschrift voor Landschapsecologie en Milieukunde 33 (2016)2. - ISSN 0169-6300 - p. 118 - 121.
natuurbeheer - natuurgebieden - biodiversiteit - zandgronden - duurzame ontwikkeling - landschapsecologie - kennismanagement - soortendiversiteit - ecotypen - systeemanalyse - ecosystemen - toegepast onderzoek - bodems van waterrijke gebieden - nature management - natural areas - biodiversity - sandy soils - sustainable development - landscape ecology - knowledge management - species diversity - ecotypes - systems analysis - ecosystems - applied research - wetland soils
Hoe ziet een duurzaam en biodivers nat zandlandschap van de 21e eeuw eruit en hoe ontwikkelen we dat? Dat landschap zal ongetwijfeld een ander zijn dan dat van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw, maar de uitdaging is de totale soortenrijkdom hierin weer voldoende plaats te bieden. Dit artikel biedt een overzicht van de kennis die daartoe ontwikkeld moet worden.
Woningbouw Abbekerk : effect op weidevogelgrasland in open landschap
Schotman, A.G.M. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2732) - 23 p.
weidevogels - woningbouw - woningbouwbeleid - graslanden - ecologie - ruimtelijke ordening - landschapsecologie - noord-holland - grassland birds - house building - housing policy - grasslands - ecology - physical planning - landscape ecology
De gemeente Medemblik wil in Abbekerk woningbouw realiseren. Hiervoor zijn drie scenario’s met twee bouwfasen. Deze woningbouw is strijdig met de provinciale ruimtelijke verordening, artikel 25. Het te bebouwen gebied is op kaart gezet als ‘weidevogelleefgebied’. Een bestemmingsplan mag daar alleen woningbouw toelaten als er van ‘netto geen verstoord’ weidevogelgebied sprake is. Uit het onderzoek blijkt dat in de eerste bouwfase van de drie scenario’s het netto verstoorde oppervlak varieert van 2,9 tot 9,4 ha en het aantal verstoorde gruttoterritoria (2014) daarin van 0 tot 4. Formeel is er dus netto-verstoring. In een inbreidingslocatie is dit niet het geval. Er worden argumenten aangevoerd dat er in ecologische zin geen sprake is van verstoring van het door het beleid beoogde weidevogelkerngebied, o.a. omdat de gebieden op de kaart in 2014 al niet voldeden aan de criteria en in 2016 ook niet.
Resilience of Amazonian landscapes to agricultural intensification
Jakovac, C.C. - \ 2015
University. Promotor(en): Frans Bongers; Thomas Kuijper, co-promotor(en): Marielos Pena Claros; R.C.G. Mesquita. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789462574434 - 172
landschap - landschapsecologie - veerkracht van de natuur - intensivering - landbouw - landgebruik - bosecologie - amazonia - landscape - landscape ecology - resilience of nature - intensification - agriculture - land use - forest ecology

ISBN: 978-94-6257-443-4

Author: Catarina C. Jakovac

Title: Resilience of Amazonian landscapes to agricultural intensification

Swidden cultivation is the traditional agricultural system in riverine Amazonia, which supports local livelihoods and transforms landscapes. In the last decades, riverine Amazonia has been undergoing important transformations related to population migration and market integration. In this study I investigated whether these socio-economic transformations could be inducing agricultural intensification and what are the consequences of such intensification for the resilience of the swidden cultivation systems in the region of the middle-Amazonas river, Brazil. This region is one of the largest producers of cassava flour (farinha in Portuguese) in the Brazilian Amazon, which is the local staple food. By combining information from field surveys, farmers interviews and remote sensing time-series, I investigated how agricultural intensification is taking place at the landscape level, and what are the consequences for secondary forests (fallows) regrowth and swiddens productivity.

The results of this study show that swidden cultivation has been intensified in the last three decades, evidenced by an increase in the frequency of swidden-fallow cycles and a decrease in the length of the fallow period, from 9 to 5 years on average. I also found that agricultural intensification was associated to land accessibility and market orientation. Across the region, swiddens are dominated by a single cassava variety that is preferred by the market, reducing the possibilities for adaptation to pests outbreaks and environmental variations. At the field level, repeated swidden-fallow cycles under a short-fallow-period regime (of 5 yrs) leads to a decrease in the recovery capacity of secondary forests (reduced regrowth rate, lower species alpha- and beta-diversity, and changed species composition). Intensification also leads to a reduction in the labour productivity of swiddens (reduced cassava yield and higher weeding labour demand), and consequently in household income.

I found that management-environment feedbacks play a key role in the decrease of swiddens and fallows productivity. The sprouting and persistent species favoured by cutting, burning and weeding practices are slow growing and form secondary forests with limited potential to fertilize the next cropping field and to suppress weeds. This results in a higher demand for weeding, which in itself will further favour strong-sprouting species. Such feedbacks reinforce the adverse effects of intensification on the environment and for livelihoods. Although farmers recognize thresholds for managing resilience, such as the formation of tired lands (terras cansadas in Portuguese), the combination of a low-nutrient-requiring crop, increasing farinha prices and shortage of accessible land, is encouraging farmers to keep on cultivating in already exhausted lands, and is pushing the system over such threshold.

To enhance the resilience of swidden cultivation systems in the context of riverine Amazonia, management-environment feedbacks should be broken and market opportunities should be broadened beyond cassava, to include forest products that can be harvested within the swidden-fallow landscape, such as nuts, fruits and timber from fast-growing species. Thus, the proper management of secondary succession is key for assuring resilience to swidden-fallow landscapes and for promoting the integration of production and nature conservation in human modified landscapes.

De Landschapsleutel Online
Delft, S.P.J. van; Maas, G.J. ; Waal, R.W. de - \ 2015
Alterra, Wageningen-UR
landschapsecologie - landgebruik - standplaatsfactoren - natuurontwikkeling - systeembenadering - landscape ecology - land use - site factors - nature development - systems approach
Dit is een instrument om de gebruiker te ondersteunen bij het maken van een LandschapsEcologische SysteemAnalyse (LESA) voor het opstellen van plannen voor natuurontwikkeling en -beheer. Met behulp van vragenlijsten wordt bepaald wat de landschapsecologische positie is van een 'element' (een perceel of deel van een perceel) en wat de potenties en knelpunten daarbij zijn.
DIMO, a plant dispersal model
Wamelink, G.W.W. ; Jochem, R. ; Greft, J.G.M. van der; Franke, J. ; Malinowska, A.H. ; Geertsema, W. ; Prins, A.H. ; Ozinga, W.A. ; Hoek, D.C.J. van der; Grashof-Bokdam, C.J. - \ 2014
Wageningen : Statutory Research Tasks Unit for Nature & the Environment (WOT Natuur & Milieu) (WOt-paper 37) - 12
habitatverbindingszones - vegetatie - dispersie - landschapsecologie - modellen - habitat corridors - vegetation - dispersion - landscape ecology - models
Due to human activities many natural habitats have become isolated. As a result the dispersal of many plant species is hampered. Isolated populations may become extinct and have a lower probability to become reestablished in a natural way. Moreover, plant species may be forced to migrate to new areas due to climate change. Species survival in these cases may depend on increasing the connectivity of the landscape by engineering. To investigate and to predict the effects of isolation on the dispersal abilities of plant species, to increase spatial cohesion of a habitat network, to advise policy makers and spatial planners, we developed a simple GIS based dispersal model, DIMO. The model simulates dispersal and establishment of plant populations over a period of time in heterogeneous landscapes on a yearly basis. The model includes proxies for dispersal by wind, animals, water, and self-dispersal. Species establishment is based on habitat suitability maps and simulations include the effect of seed dormancy and generation time. A sensitivity analysis and validation were carried out. The model was validated with Juncus tenuis, an introduced species in the Netherlands. On average the difference between observed and simulated dispersal distance was 9.8 km for a distance of 155 km. The model was applied for a designed corridor in the South of the Netherlands. Model runs indicate that three of the five tested species were able to use the corridor. Two species could not, both due to lack of suitable habitat and one of them also due to lack of dispersal capacity. The results suggest that DIMO is able to evaluate the effectiveness of corridors, but also made clear that besides connectivity the present and future availability of suitable habitats in a corridor is of great importance. The model could be helpful for evaluating policy plans but also for policy making. It may be used for defining and implementation of adaptation measures to climate change on regional to continental scale. Key-words: dispersal, germination, spatial-explicit modeling, climate change, landscape fragmentation, ecological networks
Using Minimum Area Requirements (MAR) for assemblages of mammal and bird species in global biodiversity assessments
Verboom, J. ; Snep, R.P.H. ; Stouten, J. ; Pouwels, R. ; Pe’er, G. ; Goedhart, P.W. ; Adrichem, M.H.C. van; Alkemade, J.R.M. ; Jones-Walters, L.M. - \ 2014
Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-paper 33) - 22
habitatfragmentatie - biodiversiteit - fauna - zoogdieren - vogels - landschapsecologie - habitat fragmentation - biodiversity - mammals - birds - landscape ecology
Habitat loss, fragmentation and degradation are important factors in the decline of biodiversity worldwide. It is important to be able to evaluate the success of policies at different levels, including, increasingly, the global level. Whilst attention has been given to the development of predictive models that focus on individual species within biogeographic regions or smaller areas, however, to assess the impact of land-use change and policy measures on biodiversity at global level, there is an urgent need for generic tools (models, algorithms, databases). In this paper we test the potential of a generic tool, as part of the GLOBIO model, for assessing the impact of habitat loss and fragmentation. It combines existing data for the minimum viable populations of terrestrial bird and mammal species with knowledge of individual area requirements to derive estimates of their minimum area requirements (MAR). This approach focuses on comparing the minimum area requirements (MAR) to the natural habitat areas, assuming that below a certain threshold populations are no longer viable and the species assembly will eventually be reduced. The relationship between nature area and percentage of species meeting Minimum Area Requirements appears to be log-linear between 10 km2 and 10 000 km2 for conservation priority species and has the form Y=-15.45 + 28.61* LOG(AREA). Our results suggest that many existing parks and reserves might be too small for the long-term viability of species that they are meant to preserve. Applying this relationship to a global land cover dataset reveals that substantial proportions of mammal and bird species occur in areas that fail to cover sufficient space to support long term viable populations. This applies even at current state, especially for those areas of the globe where rapid urbanisation and agricultural expansion have taken place and are anticipated to proceed.
Op zoek naar het duurzame landschap, hoe wetenschap en praktijk van elkaar leren
Opdam, P.F.M. - \ 2014
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR - 44
landschapsecologie - groene infrastructuur - ruimtelijke ordening - duurzame ontwikkeling - landschapsbeheer - wetenschappelijk onderzoek - netwerken - landschapsplanning - participatie - ecosysteemdiensten - governance - landscape ecology - green infrastructure - physical planning - sustainable development - landscape management - scientific research - networks - landscape planning - participation - ecosystem services
Binnen de wetenschap wordt vooruitgang vaak gestuurd door voort te bouwen op bestaande methoden. Dat betekent vaak innovatie met kleine stapjes binnen de eigen discipline. Een vraag uit de praktijk daarentegen daagt uit tot grote stappen en tot combineren van kennis uit allerlei wetenschappelijke disciplines. De auteur is vanuit zijn landschapsecologische basis op zoek gegaan naar raakpunten in de sociale wetenschappen, zoals de ruimtelijke planning en de bestuurskunde. Dit boekje is het verslag van die zoektocht, met verrassende ontdekkingen.
Worden er nog landschapsecologen opgeleid ln Nederland en Vlaanderen?
Jongman, R.H.G. - \ 2014
Landschap : tijdschrift voor Landschapsecologie en Milieukunde 31 (2014)2. - ISSN 0169-6300 - p. 102 - 102.
landschapsecologie - deskundigen - beroepsopleiding - hoger onderwijs - landscape ecology - experts - vocational training - higher education
De nestor van de Nederlandse landscapsecologie, Ies Zonneveld, wordt in december 90. Ondertussen gaan zijn leerlingen met pensioen. Aan de universiteiten (Groningen, Leiden, Amsterdam) verdwijnen opleidingen. De vraag is of er nog vernieuwing kan zijn. Waar zijn de landschapsecologen van straks. Waar hun opleiding. Een inventarisatie van de huidige leerplekken voor landschapsonderzoek.
Old World and New World Perspectives in Environmental Philosophy
Drenthen, M. ; Keulartz, J. - \ 2014
Berlin : Springer Verlag (The International Library of Environmental, Agricultural and Food Ethics 21) - ISBN 9783319076836 - 233
ethiek - geografie - filosofie - natuurbescherming - landschapsecologie - ethics - geography - philosophy - nature conservation - landscape ecology
This is the first collection of essays in which European and American philosophers explicitly think out their respective contributions and identities as environmental thinkers in the analytic and continental traditions. The American/European, as well as Analytic/Continental collaboration here bears fruit helpful for further theorizing and research. The essays group around three well-defined areas of questioning all focusing on the amelioration/management of environmentally, historically and traditionally diminished landscapes. The first part deals with differences between New World and the Old World perspectives on nature and landscape restoration in general, the second focuses on the meaning of ecological restoration of cultural landscapes, and the third on the meaning of the wolf and of wildness. It does so in a way that the strengths of each philosophical school—continental and analytic—comes to the fore in order to supplement the other’s approach. This text is open to educated readers across all disciplines, particularly those interested in restoration/adaptation ecology, the cultural construction of place and landscape, the ongoing conversation about wilderness, the challenges posed to global environmental change. The text may also be a gold mine for doctoral students looking for dissertation projects in environmental philosophy that are inclusive of continental and analytic traditions. This text is rich in innovative approaches to the questions they raise that are reasonably well thought out. The fact that the essays in each section really do resonate with one another directly is also intellectually exciting and very helpful in working out the full dimensions of each question raised in the volume.
Landscape ecological vegetation map of Sint Eustatius (Lesser Antilles)
Freitas, J.A. de; Rojer, A.C. ; Nijhof, B.S.J. ; Debrot, A.O. - \ 2014
Amsterdam : Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen - ISBN 9789069846798 - 66
vegetatiekartering - landschapsecologie - flora - vegetatietypen - sint eustatius - vegetation mapping - landscape ecology - vegetation types
Ecologia del paesaggio del Monte di Portofino / Landscape Ecology of the Monte di Portofino
Pedroli, G.B.M. ; Tagliasacchi, S. ; Sluis, T. van der - \ 2013
Wageningen : FERGUSON (Portus Delphini 2) - ISBN 9789077634028 - 457
landschapsecologie - ecologie - ecosystemen - geschiedenis - italië - landscape ecology - ecology - ecosystems - history - italy
Pesticiden en biodiversiteit in het Europese landbouwbeleid
Berendse, F. ; Geiger, F. - \ 2013
Entomologische Berichten 73 (2013)4. - ISSN 0013-8827 - p. 132 - 135.
intensieve landbouw - biodiversiteit - pesticiden - broedvogels - akkerranden - landschap - plantengemeenschappen - landschapsecologie - landbouwgrond - intensive farming - biodiversity - pesticides - breeding birds - field margins - landscape - plant communities - landscape ecology - agricultural land
In de laatste 50 jaar is de biodiversiteit op landbouwgronden in Europa snel achteruit gegaan. Twaalf van de vijftien vogelsoorten die karakteristiek zijn voor het agrarische landschap van Midden-Nederland zijn in de periode 1973-2002 met meer dan 50% achteruit gegaan, terwijl de bijvoorbeeld de broedvogels van bossen in aantal toenamen. Een belangrijke vraag is welke veranderingen in het landschap verantwoordelijk zijn voor deze dramatische achteruitgang in biodiversiteit. Intensivering van de landbouw heeft een groot aantal verschillende aspecten, zoals het verlies van landschapelementen, de vergroting van akkers en een toegenomen gebruik van meststoffen en pesticiden. Er is maar weinig bekend over de afzonderlijke bijdrage van elk van deze variabelen aan de grootschalige negatieve effecten op de biodiversiteit. In een studie in acht Europese landen vonden wij dat van dertien gemeten componenten van intensivering, fungiciden en insecticiden de meest consistente negatieve effecten hadden. De negatieve effecten van pesticiden op de biodiversiteit spelen nog steeds een doorslaggevende rol, ondanks het feit dat er in Europa al tientallen jaren een beleid gevoerd wordt dat gericht is op een aanzienlijke reductie van de toepassing van bestrijdingsmiddelen op landbouwgrond.
Operationalisering van het begrip 'veerkracht van ecosystemen' : een empirische verkenning voor planten en dagvlinders
Vos, C.C. ; Pouwels, R. ; Eupen, M. van; Lemaris, T. ; Meeuwsen, H.A.M. ; Ozinga, W.A. ; Sterk, M. ; Wallis de Vries, M.F. - \ 2013
Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 338) - 80
landschapsecologie - soortensamenstelling - ecologisch herstel - vegetatietypen - landschap - veerkracht van de natuur - natuurwaarde - landscape ecology - species composition - ecological restoration - vegetation types - landscape - resilience of nature - natural value
Voor het natuurbeleid is het van belang inzicht te krijgen in de meerwaarde van het begrip ecologische veerkracht, mede in het licht van de toename van verstoringen door de klimaatverandering. Er is een analyse uitgevoerd naar de relatie tussen heterogeniteit van het landschap en het voorkomen van eigenschappen van dagvlinders en planten. De heterogeniteit van het landschap is in buffers van 500 m tot 10.000 m beschreven met de Shannon-index, de Contagion-index, slootlengte, lengte bomenrijen en oppervlakte moeras of bos. De eigenschappen van planten en dagvlinders hangen samen met resistentie voor verstoringen, herstelvermogen en tolerantie voor variatie in milieufactoren. Een RLQ-analyse laat zien dat in heterogene gebieden vaker eigenschapswaarden voorkomen, die samenhangen met een groot herstelvermogen na een verstoring of een zekere weerstand tegen verstoringen. Dit zijn eigenschappen die de veerkracht van het ecosysteem bij een toenemende kans op weersextremen ten goede zullen komen
Lifelines for Ramat Hanadiv : an analysis of the necessity for ecological corridors
Sluis, T. van der; Eupen, M. van - \ 2013
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2423)
ecologische hoofdstructuur - landschapsecologie - ecologie - modellen - wild - wildbescherming - israël - ecological network - landscape ecology - ecology - models - wildlife - wildlife conservation - israel
This report presents the results of an analysis of the ecological network for Ramat Hanadiv. We used the LARCH Landscape ecological model to assess, first, the long-term viability of the wildlife populations of Ramat Hanadiv, and secondly, to identify where the most important landscape connections or corridors are situated. Analysis shows that almost no species are viable in Ramat Hanadiv alone; almost all require some exchange with surrounding populations. The exchange with surrounding areas is therefore essential for biodiversity in Ramat Hanadiv. Specific de-fragmentation measures are important. The best measure to improve viability is to ensure that a corridor eastward is maintained. The best location for the corridor is most likely through the industrial zone. A potential corridor through the Taninim River would be another option. This would likely require further study and a significantly larger investment of resources.
Natuurontwikkeling graslanden kwelrijke flank Oostelijke Vechtplassen : resultaten van een ecopedologisch en bodemchemisch onderzoek
Delft, S.P.J. van; Kemmers, R.H. - \ 2013
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2415) - 116
kwel - natuurontwikkeling - graslanden - ecohydrologie - bodemchemie - landschapsecologie - vechtstreek - seepage - nature development - grasslands - ecohydrology - soil chemistry - landscape ecology
Natuurmonumenten en Dienst Landelijk Gebied hebben de potenties voor natuurontwikkeling in graslanden in de kwelrijke flank van de Oostelijke Vechtplassen laten onderzoeken. Het gaat hierbij de ontwikkeling van Blauwgrasland, Dotterbloemhooiland en Kamgrasweiden, voornamelijk door een intensief maaibeheer en lokaal afgraven. In eerste instantie is 350 ha geselecteerd als zoekgebied voor de meest kansrijke percelen. Op basis van een Landschapsecologische Systeemanalyse (LESA) volgens de benadering van de Landschapsleutel zijn ca. 40 percelen (61 ha.) geselecteerd voor een gedetailleerd ecopedologisch en bodemchemisch onderzoek. Van de percelen is een gedetailleerd bodem- en grondwatertrappenkaart gemaakt, is de waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater afgeleid uit EGV-metingen en is de mate van kwelinvloed afgeleid uit pH-profielen. Voor het vaststellen van de voedselrijkdom zijn bodemmonsters genomen van de bovengrond en de laag daaronder. De eenheden van de bodemkaart zijn herleid tot primaire standplaatsen met bijbehorende potentiële vegetaties. De standplaatscondities voor vocht, zuurgraad en voedselrijkdom van de onderzochte percelen zijn getoetst aan de abiotische randvoorwaarden voor de potentiële vegetaties. Op basis hiervan is een knelpuntenanalyse uitgevoerd en zijn inrichtings- en beheeradviezen gegeven
Natuurpotentie in graslanden bij Muggenbeet en Duinigermeer : resultaten van een ecopedologisch en bodemchemisch onderzoek
Delft, S.P.J. van - \ 2013
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2400) - 74
graslanden - natuurgebieden - landschapsecologie - bodemchemie - bodem-plant relaties - fosfaten - noordwest-overijssel - veengronden - grasslands - natural areas - landscape ecology - soil chemistry - soil plant relationships - phosphates - peat soils
Voor veertien graslandpercelen (ca. 30 ha) in de omgeving van Muggenbeet, in het overgangsgebied tussen De Wieden en de Weerribben zijn in opdracht van Natuurmonumenten de potenties voor natte schraallanden onderzocht. Volgens de benadering van de Landschapsleutel is een Landschapsecologische systeemanalyse uitgevoerd. Bestaande regionale en lokale gegevens over geologie, geomorfologie, hydrologie en bodem zijn gecombineerd om een aantal primaire standplaatsen te kunnen onderscheiden. Hierbij is zowel gebruik gemaakt van bestaande gegevens als van nieuwe in het veld verzamelde gegevens en bodemmonsters. Er komen voornamelijk 'Eutrofe, matig basenrijke veengronden' voor met een gunstige vochttoestand en zuurgraad voor de doeltypen Blauwgrasland en Dotterbloemhooiland. Ook de voedselrijkdom, afgemeten aan de fosfaattoestand, is overwegend gunstig. Aanbevelingen zijn gedaan voor verbeteringen in de waterhuishouding en het beheer
Casco-benadering in Noordoost-Twente
Nieuwenhuizen, W. ; Maas, G.J. - \ 2012
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2275) - 36
landschap - kwaliteit - nationale landschappen - houtwallen - landschapsecologie - landschapsbeheer - twente - landscape - quality - national landscapes - hedgerows - landscape ecology - landscape management
Met de in dit rapport beschreven casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de casco-benadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Voor de gemeenten is de casco-benadering een duidelijk instrument om vooraf duidelijkheid te geven aan initiatiefnemers in plaats van bij elke aanvraag maatwerk te verrichten met een onzekere uitkomst. De casco-benadering leidt tot een landschap waarin de afzonderlijke landschapstypen beter van elkaar te onderscheiden zijn. Hierdoor wordt de variatie van landschappen in Noordoost-Twente beter beleefbaar en geeft ook richting aan toekomstige initiatieven. Voor elk landschapstype worden in de casco-benadering spelregels gehanteerd die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen.
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.