Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Current refinement(s):

Records 1 - 20 / 189

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: keywords==lilies
Check title to add to marked list
Zaadoverdracht van het Strawberry latent ringspot virus in lelie : eindrapportage onderdeel zaadoverdracht van het onderzoek naar verspreidingsroutes van SLRSV in lelie
Verbeek, Martin ; Stijger, Ineke ; Lemmers, Miriam - \ 2016
Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, onderdeel van Wageningen UR, Business Unit Bloembollen, Boomkwekerij en Fruit - 21
lelies - lilium - latent aardbeikringvlekkenvirus - virussen - quarantaine organismen - xiphinema - xiphinema diversicaudatum - overdracht - zaden - lilies - strawberry latent ringspot virus - viruses - quarantine organisms - transfer - seeds
Het Strawberry latent ringspot virus (SLRSV, in het Nederlands Latent aardbeikringvlekkenvirus) komt in een groot aantal gewassen voor, waaronder o.a. aardbei, framboos, bessenstruiken, verschillende fruitbomen (kers, pruim, perzik), groenten en kruiden (asperge, selderij, peterselie) en siergewassen (roos, lelie en narcis). Binnen de EU is dit virus een quarantaine organisme in plantmateriaal van aardbei, braam en framboos. In andere delen van de wereld is SLRSV ook een quarantaine organisme in andere gewassen, voor de export van lelie naar o.a. China en de Verenigde Staten geldt een 0-tolerantie. SLRSV wordt overgebracht door een tweetal aaltjes-soorten: Xiphinema diversicaudatum en X. coxi. Er zijn echter vermoedens dat dit virus ook op andere manieren verspreid kan worden dan alleen door de twee genoemde Xiphinema-soorten. Er is namelijk overdracht waargenomen in teelten waarin geen Xiphinema is waargenomen. De vraag is dus op welke manieren SLRSV kan worden verspreid. In de literatuur is al gerapporteerd dat SLRSV in een hoog percentage (~70%) met zaad over kan gaan in bijvoorbeeld selderij, munt en braam. Van zaadoverdracht in het gewas lelie is tot op heden nog niets bekend. Bovendien kan het virus zeer algemeen voorkomende onkruiden als herderstasje en muur infecteren. Het doel van het onderzoek waarover in dit verslag wordt gerapporteerd was het nagaan of de verspreiding van SLRSV in lelie al dan niet via zaadoverdracht kan plaatsvinden. Hiervoor werden experimenten uitgevoerd met een vijftal leliecultivars die via zaad worden vermeerderd. SLRSV kon bij deze cultivars in het zaad, het stuifmeel en in nieuwe zaailingen worden aangetoond. SLRSV kon zo in hoge mate worden aangetoond in zaden afkomstig uit partijen met een zeker percentage SLRSV. Bij één cultivar werd een percentage van 30% infectie gevonden in zaailingen die waren gegroeid uit zaad uit een besmette partij. Het virus kon ook worden aangetoond in het stuifmeel van geïnfecteerde bloemen. De vraag of het virus ook via stuifmeel kan worden overgedragen van de ene plant naar de andere plant wordt op moment van deze rapportage nog onderzocht in een project gefinancierd door iBulb. Sommige zaad-overgedragen virussen verblijven voornamelijk aan de buitenkant van het zaad (op of in de zaadhuid) en infecteren het nageslacht pas wanneer de kiemplant door de zaadhuid heen breekt (bijvoorbeeld potexvirussen en tobamovirussen). Bij dit soort virussen is een zaadontsmetting nog een mogelijkheid om infectie van de jonge kiemplantjes te voorkomen. In het onderzoek waarover hier wordt gerapporteerd is naar voren gekomen dat SLRSV tot een andere categorie virussen behoort, namelijk de virussen die zaadoverdraagbaar zijn en daarbij al in het zaad in endosperm en zelfs het embryo aanwezig zijn. Voor deze groep virussen is zaadontsmetting geen remedie tegen zaadoverdracht. Samengevat heeft dit onderzoek de volgende nieuwe inzichten opgeleverd: • SLRSV is zaadoverdraagbaar in lelie • SLRSV is aantoonbaar in endosperm en embryo van leliezaad. Zaadontsmetting is geen optie om zaadoverdracht te voorkomen.
Energy saving possible while maintaining stem weight and quality : lilies can make do with less light if there's extra CO2
Rodenburg, J. ; Slootweg, G. - \ 2015
In Greenhouses : the international magazine for greenhouse growers 4 (2015)1. - ISSN 2215-0633 - p. 46 - 47.
glastuinbouw - snijbloemen - lelies - belichting - led lampen - energiebesparing - teeltsystemen - kooldioxide - gewaskwaliteit - bloembollen - greenhouse horticulture - cut flowers - lilies - illumination - led lamps - energy saving - cropping systems - carbon dioxide - crop quality - ornamental bulbs
Researchers are without question enthusiastic about the results of lighting trials with lilies. Results from both the first as well as the second flower development clearly show that with extra CO2, less lighting is required while maintaining stem weight and quality. “This conclusion clearly shows that it is possible to make substantial energy savings in this crop,” says Sander Hogewoning, of Plant Lighting.
'Met genetische variatie kun je heel veel doen'
Dwarswaard, A. ; Tuyl, J.M. van - \ 2015
BloembollenVisie (2015)315. - ISSN 1571-5558 - p. 24 - 25.
bloembollen - lilium - lelies - rassen (planten) - plantengenetica - plantenveredeling - landbouwkundig onderzoek - resistentie van variëteiten - ornamental bulbs - lilies - varieties - plant genetics - plant breeding - agricultural research - varietal resistance
Na ruim 42 jaar zet onderzoeker Jaap van Tuyl van PRI in Wageningen een punt achter zijn loopbaan. Menig bolgewas kreeg zijn aandacht en altijd ging het om de genetische kant ervan. Van hyacinth tot lelie, van Zantedeschia tot tulp, telkens waren het de genen die inzicht gaven. Een portret van een man die de hele wereld afreisde om vooral over lelies te vertellen.
Natalia Moreno: 'Inzicht in cel die bol gaat vormen'
Dwarswaard, A. ; Moreno Pachón, N.M. - \ 2015
BloembollenVisie (2015)301. - ISSN 1571-5558 - p. 18 - 18.
bloembollen - lelies - landbouwkundig onderzoek - tulpen - kennis - ornamental bulbs - lilies - agricultural research - tulips - knowledge
Bijna twee jaar geleden werd prof.dr.ir. Richard Immink voor een dag in de week benoemd tot 'bollenprof'. Samen met twee assistenten in opleiding voert hij fundamenteel onderzoek uit aan tulp en lelie. Tijd voor een tussenbalans in drie afleveringen. In deze derde aflevering licht assistent in opleiding Natalia Moreno toe waarom het moment waarop een cel besluit bolletjes te gaan vormen zo belangrijk is.
Tagetes, ook rendabel voor de akkerbouw!
Visser, J.H.M. ; Molendijk, L.P.G. ; Korthals, G.W. - \ 2015
groenbemesters - waardplanten - gewasbescherming - ziektebestrijdende teeltmaatregelen - tagetes - aaltjesdodende eigenschappen - plantenparasitaire nematoden - aardappelen - lelies - planten met knollen - penen - daucus carota - besmetters - veldgewassen - green manures - host plants - plant protection - cultural control - nematicidal properties - plant parasitic nematodes - potatoes - lilies - tuberous species - carrots - contaminants - field crops
De teelt van Tagetes heeft de besmetting met wortellesieaaltjes zeer sterk verlaagd. Na de teelt in 2006 tot minder dan 20 aaltjes/100 ml grond en na de tweede teelt in 2009 naar een nog lager niveau (<2 wortellesieaaltjes/ 100 ml grond). Ondanks de teelt van gewassen die dit aaltje sterk kunnen vermeerderen (goede waardgewassen) als aardappel en lelie en na 2009 van aardappel en peen blijft de besmetting zeer laag. Deze resultaten bevestigen het duur-effect van Tagetes dat in eerder onderzoek is waargenomen.
China geïnteresseerd in lelieveredeling
Arens, Paul - \ 2014
china - lilies - ornamental bulbs - plant breeding - varieties - crop production - conferences
Richard Immink": 'Van tulp en lelie weten we nog steeds heel weinig'
Dwarswaard, A. - \ 2014
BloembollenVisie (2014)299. - ISSN 1571-5558 - p. 22 - 22.
bloembollen - tulpen - lelies - landbouwkundig onderzoek - plantengenetica - dna - ornamental bulbs - tulips - lilies - agricultural research - plant genetics
Bijna twee jaar geleden werd prof. dr. ir. Richard Immink voor een dag in de week benoemd tot “bollenprof”. Samen met twee assistenten-in-opleiding voert hij fundamenteel onderzoek uit aan tulp en lelie. Tijd voor een tussenbalans in drie afleveringen. In deze eerste aflevering legt Richard Immink uit waar het in dit project om draait: genetische geheimen ontrafelen van tulp en lelie.
Voorkomen wateroverlast Teelt de grond uit bloembollen
Slootweg, G. ; Gude, H. - \ 2014
Lisse : Praktijkonderzoek Plant en Omgeving BBF - 17
bloembollen - lelies - substraten - waterverzadiging - plant-water relaties - effecten - beluchting - ethanol - anaërobie - proeven op proefstations - ornamental bulbs - lilies - substrates - waterlogging - plant water relations - effects - aeration - anaerobiosis - station tests
1 Samenvatting Wateroverlast in een Teelt de grond uit-systeem kan grote schade geven aan lelies. Drie dagen wateroverlast in augustus leidde in dit onderzoek tot grote opbrengstderving. Eén dag wateroverlast in september of in oktober veroorzaakte nauwelijks uitval of een lager bolgewicht bij de oogst. Wateroverlast leidt tot ethanolvorming in de bollen. De ethanolvorming vertoonde dit jaar geen mooi verband met de tijd: drie dagen wateroverlast gaf meer ethanol dan één of twee dagen, maar twee dagen niet meer dan één. In 2013 vertoonde de concentratie ethanol een rechtlijnig verband met de duur van de wateroverlast. De voorspellende waarde van een ethanolmeting blijkt na de experimenten in 2014 minder zeker. Het beluchten van het natte substraat door het doorblazen van perslucht leidde bij de behandeling in augustus tot minder ethanolvorming, maar juist tot meer opbrengstderving. Het systeem van beluchting via een slang onderin het substraat had een iets gunstiger effect op de ethanolvorming dan beluchting via slangetjes, die in het substraat gestoken waren. De grotere opbrengstderving door beluchting tijdens de periode van wateroverlast is mogelijk een gevolg van mechanische beschadiging van de (haar)wortels door de beweging, of van structuurbederf die optreedt als het doorborrelde substraat weer droogvalt. Dit onderzoek bevestigt de conclusie uit 2013 dat lelies bestand zijn tegen maximaal 1 dag wateroverlast (anaerobie). Een periode van anaerobie leidt tot ethanolvorming in de bollen, maar de correlatie tussen duur van de anaerobie is te zwak om het ethanolgehalte als indicator toe te passen. Het beluchten van grond tijdens periodes van wateroverlast is geen oplossing voor het anaerobieprobleem.
Kwaliteit leveren! : haal bollen met een afwijking eruit : Odrzuccaj chore i porazone cebulki
Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, - \ 2014
siergewassen - bloembollen - lelies - vermeerderingsmateriaal - kwaliteitscontroles - gewasbescherming - sorteren - beschadigingen - ornamental crops - ornamental bulbs - lilies - propagation materials - quality controls - plant protection - sorting - injuries
Afbeeldingen van aangetaste bollen van lelies die bij het sorteren verwijderd moeten worden.
Toediening CO² in leliebroei kan energie besparen
Wildenbeest, G. ; Slootweg, G. ; Hogewoning, S. ; Meis, G. - \ 2014
BloembollenVisie 2014 (2014)307. - ISSN 1571-5558 - p. 40 - 41.
lelies - bloembollen - kooldioxide - toepassing - energiebesparing - cultuurmethoden - forceren van planten - lilies - ornamental bulbs - carbon dioxide - application - energy saving - cultural methods - forcing
Anders dan in veel andere glastuinbouwgewassen is CO2-bemesting in de leliebroei niet gangbaar. Uit onderzoek blijkt echter dat CO2-toediening een forse energiebesparing op assimilatiebelichting kan geven in de vorm van een lagere belichtingsintensiteit en/of kortere belichtingsduur. Wellicht is een besparing van 30 procent haalbaar, stelde Sander Hogewoning op een gewasbijeenkomst lelie.
Energiebesparing mogelijk met behoud van takgewicht en kwaliteit : Lelie kan met minder licht dankzij CO2
Rodenburg, J. ; Slootweg, G. ; Hogewoning, S. - \ 2014
Onder Glas 11 (2014)5. - p. 18 - 19.
glastuinbouw - snijbloemen - lelies - belichting - led lampen - energiebesparing - teeltsystemen - kooldioxide - gewaskwaliteit - bloembollen - greenhouse horticulture - cut flowers - lilies - illumination - led lamps - energy saving - cropping systems - carbon dioxide - crop quality - ornamental bulbs
Onderzoekers zijn zonder meer enthousiast over de resultaten van de belichtingsproef bij lelies. Zowel uit de eerste als de tweede trek blijkt namelijk duidelijk dat met behulp van extra CO2 minder kan worden belicht met behoud van takgewicht en kwaliteit. “Deze conclusie maakt duidelijk dat er een forse energiebesparing in de teelt mogelijk is”, zegt Sander Hogewoning van Plant Lighting.
'Complex PlAMV vraagt om systematische aanpak' : Maarten de Kock
Dwarswaard, A. ; Kock, M.J.D. de; Slootweg, G. - \ 2013
BloembollenVisie (2013)262. - ISSN 1571-5558 - p. 52 - 53.
bloembollen - lelies - virusziekten - plantago asiatica mosaic virus - plantenvirussen - plantenziektebestrijding - kennisoverdracht - bodemkunde - ornamental bulbs - lilies - viral diseases - plant viruses - plant disease control - knowledge transfer - soil science
Ruim twee jaar werken de PPO-onderzoekers Maarten de Kock en Casper Slootweg nu aan het PlAM-virus in lelie. Die tijd heeft veel inzichten opgeleverd, vinden beide onderzoekers. Meest recent is het gegeven dat het virus zich ook door de grond van de ene naar de andere lelieplant verplaatst, en dat waarschijnlijk zonder hulp van een ander bodemorganisme. Hoe kan een teler uit het virus blijven?
Cytogenetic studies on meiotic chromosome behaviors in sterile Oriental x Trumpet lily
Luo, J.R. ; Tuyl, J.M. van; Arens, P. ; Niu, L.X. - \ 2013
Genetics and Molecular Research 12 (2013)4. - ISSN 1676-5680 - p. 6673 - 6684.
immature hybrid embryos - u-type exchange - crosses - lilies - meiosis - culture - inversions - spindle - hybridization - aberrations
In order to determine the reasons for pollen sterility in lily hybrids, four diploid sterile Oriental x Trumpet (OT) lily cultivars ('Nymph', 'Gluhwein', 'Yelloween', and 'Shocking') were used to investigate the meiotic chromosome behaviors in pollen mother cells (PMCs), using genomic in situ hybridization and conventional cytological methods. At metaphase I, chromosome associations were quite variable, not only among different genotypes but also in different PMCs of the same genotype. In addition to bivalents, a certain amount of univalent, trivalents, and quadrivalents were observed in all of the investigated genotypes. In addition, ring octavalents and ring hexavalents were observed in 'Nymph'. Even dodecavalents were observed in 'Nymph'. These abnormal chromosome associations at metaphase I implied the occurrence of chromosome interchanges (translocation) in these intersectional hybrids. At anaphase-telophase, a large number of laggard chromosomes and different kinds of chromosome bridge configurations were observed. At the tetrad stage, micronuclei and polyads were also found in many PMCs. All of these abnormal chromosome behaviors in PMCs were responsible for the pollen sterility in lily hybrids.
Begrijpen en bestrijden van bodemgebonden verspreiding van PIAMV en TVX
Kock, M.J.D. de; Slootweg, G. ; Aanholt, J.T.M. van; Lemmers, M.E.C. ; Pham, K.T.K. ; Dees, R.H.L. ; Boer, F.A. de; Hollinger, T.C. - \ 2013
Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Bloembollen, Boomkwekerij & Fruit - 73
bloembollen - lelies - gewasbescherming - elisa - plantago asiatica mosaic virus - tulpenvirus x - detectie - plantenvirussen - ornamental bulbs - lilies - plant protection - tulip virus x - detection - plant viruses
De leliebranche wordt geconfronteerd met een zeer besmettelijk virus dat een grote bedreiging is voor de gehele leliesector, het Plantago asiatica mosaic virus (PlAMV). Naast PlAMV is enkele jaren geleden een vergelijkbaar virus in lelie aangetroffen, het Tulpenvirus X (TVX). De besmettelijkheid van TVX lijkt bij lelie vergelijkbaar groot te zijn als de besmettelijkheid van PlAMV. Het is er alles aan gelegen om de verspreidingsroutes volledig in beeld te hebben om doeltreffende maatregelen te kunnen nemen om verdere verspreiding van het virus in de leliesector te voorkomen. Het onderzoek beschreven in dit rapport is een voortzetting van onderzoek aan PlAMV en TVX dat sinds 2010 wordt uitgevoerd. Er is uitgebreide ervaring opgebouwd met de mogelijkheden die ELISA- en PCR-toetsen kunnen bieden bij onderzoek, maar vooral ook voor de kwaliteitsbewaking van teeltmateriaal. Omdat de verspreidingsroutes complex zijn, is het belangrijk te weten wat de mogelijkheden en beperkingen zijn van bepaalde bemonsteringsmomenten en monstertype. Hoofdstuk 2 beschrijft de voordelen en beperkingen van de verschillende toetsmethoden en bemonsteringstypes. Daarnaast wordt uitleg gegeven over de interpretatie van toetsresultaten. Bij lelie kan infectie met PlAMV schadelijke symptomen veroorzaken. PlAMV kan daarentegen ook symptoomloos voorkomen. In Hoofdstuk 3 wordt beschreven dat symptomatische en symptoomloze infecties door hetzelfde PlAMV-virus wordt veroorzaakt. Er is slechts één type PlAMV in de Nederlandse lelieteelt aanwezig. Dit is belangrijke informatie met betrekking tot het gebruik van toetsmethoden voor kwaliteitsbewaking. Wanneer genetische variatie aanwezig zou zijn, dan zouden de toetsen daarop mogelijk aangepast moeten worden. Infectie met TVX bij lelie worden veroorzaakt door een TVX-stam die op kleine genetische details afwijkt van het TVX dat bij tulp infectie kan veroorzaken. Er zijn geen aanwijzingen dat tulp zelf de infectiebron is geweest voor TVX-infecties bij lelie. Het is momenteel de hypothese dat de tulpenstam van TVX vanuit tulp in een alternatieve waardplant terecht is gekomen. In deze alternatieve waardplant is TVX veranderd in de vorm die uiteindelijk bij lelie infecties kan veroorzaken. Dompelen van intacte bollen in een bad waarin PlAMV aanwezig was, resulteerde in vergelijkbare virusinfecties als bij dompeling van bollen waarvan de wortels waren afgeknipt. De bollen waren in dit geval slechts drie minuten gedompeld. Er hoeft dus geen verwonding aanwezig te zijn om infectie mogelijk te maken. Bij heftiger verwonding trad meer infectie op. Afspoelen van gespoelde of ontsmette bollen met schoon water kan resulteren in minder infectie, maar dit is niet altijd het geval (Hoofdstuk 4). Voorkomen van verwonding en aandacht voor wondherstel voor het dompelen is daarom zeker relevant. Tevens moeten lelie verwerkende bedrijven achteraan in de keten er rekening mee houden dat ook tijdens hun werkzaamheden met leliebollen kruisbesmetting en infectie bij partijen kan plaatsvinden wanneer zij gebruik maken van virusbesmet spoelwater of dompelbaden besmet met virus. Inpakbedrijven en exporteurs zijn daarom net zo verantwoordelijk voor een virusvrij eindproduct als veredeling en bollentelers. PlAMV en TVX zijn vrij hardnekkige virussen die buiten de plant langere tijd besmettelijk blijven. Bedrijfshygiëne is dan extra belangrijk om verspreiding binnen en tussen partijen te voorkomen. In Hoofdstuk 11 worden tips voor bedrijfshygiëne uitgebreid toegelicht. Vuil en plantenresten wegspoelen met (warm) water en eventueel zeep gebruiken om aankoeken van vuiligheid te voorkomen zijn het belangrijkst en het meest effectief. Middelen met virucide werking kunnen eventueel ingezet worden om achtergebleven virusdeeltjes alsnog te inactiveren. Er zijn middelen geïdentificeerd met voldoende virucide activiteit, maar alleen voor Virkon S is een toepassing in bedrijfsruimtes geregistreerd (Hoofdstuk 5). Er zijn tevens middelen geïdentificeerd die ook voldoende en snelle virucide activiteit hebben voor inactivatie van virus aanwezig in dompelbaden of spoelwater. Echter, voor geen van deze middelen is toepassing geregistreerd. Aanwezigheid van virusdeeltjes in de bodem of in virusbesmette gewasresten kunnen tijdens een nieuwe teelt tot infectie leiden. In Hoofdstuk 6 zijn de risico’s beschreven bij hergebruik van een perceel waar de voorafgaande lelieteelt besmet was met PlAMV of TVX. In de meeste gevallen treedt infectie vanuit het perceel op. De waargenomen percentages zijn niet erg hoog (0-8%), maar een virusvrij aangeplante partij is dan niet meer virusvrij. Tijdens diverse teeltprocessen tot aan de broei kunnen deze beperkte besmettingen via diverse risicovolle handelingen in een partij uitgroeien tot veel hogere percentages. Tijdens het onderzoek naar hergebruik van grond afkomstig van virusbesmette lelieteelt werd duidelijk dat de waardplantenreeks van PlAMV en TVX veel breder is. Een groot aantal onkruiden en groenbemesters zijn waardplant (Hoofdstuk 9). In relatie tot lelie worden in deze alternatieve waardplanten lagere virusconcentraties aangetroffen. Het is momenteel onduidelijk welke rol deze onkruiden en groenbemesters spelen bij de instandhouding van virusreservoirs in de bodem. Aanwezigheid van virusdeeltjes in de bodem of in virusbesmette gewasresten kunnen tijdens een nieuwe teelt tot infectie leiden. Stomen van de grond is toepasbaar bij kasteelt. Voor een goede inactivatie van virus in de grond is het belangrijk dat alle grond voldoende lang voldoende heet is geweest (Hoofdstuk 5). Het werken met dataloggers voor temperatuurregistraties is daarom zeker aan te bevelen. Er is tevens een methode ontwikkeld waarmee met ingegraven viruscapsules op een meer biologische wijze de inactivatie van PlAMV of TVX bestudeerd kan worden. Er zijn geen middelen met virucide activiteit bekend die toegepast kunnen worden in de bodem. Een chemische afdoding is daarom niet mogelijk. Omdat er geen vector betrokken is bij de bodemgebonden virusverspreiding hebben nematiciden of fungiciden geen effect op virusreservoirs in de bodem. Een gezond bodemleven en snelle vertering van plantresten heeft daarentegen zeker wel een functionele bijdrage in een effectieve vermindering van virus in de bodem. Natte grondontsmetting of toepassing van bodemfungiciden zou daarom misschien juist wel eens averechts kunnen werken bij het bestrijden van virusreservoirs in de bodem. De verspreiding van PlAMV en TVX is complex, de beheersing van dit virus nog complexer. Dit project heeft de sector een paar stappen verder gebracht in het begrijpen van de ervaringen met deze twee virussen. Tevens wordt steeds beter begrepen op welke wijze virusinfectie voorkomen kan worden. Op basis van de laatste inzichten zijn de maatregelen waarmee infectie en verspreiding van PlAMV en TVX voorkomen of beperkt kunnen worden geactualiseerd. Het inzichtelijk maken van de aanwezige besmettingen in partijen door middel van toetsen is van groot belang om de risico’s op infectie en verspreiding in te schatten. Immers, bij afwezigheid van virus, is er ook geen risico dat virusinfectie kan optreden. De praktijkadviezen in combinatie met een planmatige beoordeling van de kwaliteit door middel van toetsen heeft geresulteerd in de Kwaliteitssysteem Lelie 2.0, een resultaat van collectieve samenwerking binnen de Nederlandse leliesector.
Aanvullend onderzoek naar verspreidingsroutes en mogelijkheden voor beheersing vam PIAMV
Kock, M.J.D. de; Kok, B.J. ; Aanholt, J.T.M. van; Lemmers, M.E.C. ; Lommen, S.T.E. ; Pham, K.T.K. ; Hollinger, T.C. ; Boer, F.A. de; Slootweg, G. - \ 2013
Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 49
bloembollen - lelies - virusziekten - plantago asiatica mosaic virus - plantenvirussen - plantenziektebestrijding - methodologie - ziektepreventie - technieken - tests - verspreiding - controle - ornamental bulbs - lilies - viral diseases - plant viruses - plant disease control - methodology - disease prevention - techniques - dispersal - control
Sinds 2010 kampt de leliesector met een relatief nieuw virus, Plantago asiatica mosaic virus (PlAMV). Praktijkgericht onderzoek is destijds spoedig opgestart om kennis te verkrijgen over mogelijke infectie- en besmettingsroutes en om mogelijkheden voor beheersing van dit virus te onderzoeken. Vijf onderzoeksvragen stonden centraal in dit onderzoek. Naast antwoord op deze vragen, heeft het onderzoek ook aanvullende informatie over PlAMV en lelie opgeleverd. Dit rapport beschrijft onderzoek dat in de periode zomer 2011 t/m zomer 2012 is uitgevoerd
Teelt de grond uit (workshop)
Slootweg, Casper - \ 2013
crop management - cultural methods - substrates - emission reduction - culture media - trials - lilies - ornamental crops
Resultaten 2012 lelieteelt in dunne substraatlaag : teeltdegronduit
Slootweg, G. ; Kool, S.A.M. de - \ 2013
lilium - lelies - plantmateriaal - substraten - duinzand - gewasopbrengst - lilies - planting stock - substrates - dune sand - crop yield
Resultaten van lelieteelt in dunne substraatlaag in 2012. Het doel van het onderzoek is verkenning van de kansen en knelpunten van de teelt in substraatbedden met 20 cm gestoomde duinzandgrond.
Warmwaterbehandeling (wwb) lelie effectief, maar niet altijd zonder schade
Slootweg, G. - \ 2013
BloembollenVisie 2013 (2013)285. - ISSN 1571-5558 - p. 18 - 19.
lelies - bloembollen - warmtebehandeling - rassen (planten) - cultivars - plantenziektebestrijding - proeven - lilies - ornamental bulbs - heat treatment - varieties - plant disease control - trials
Een warmwaterbehandeling kan bij lelies ingezet worden om een flink aantal ziekten en plagen te bestrijden. In 2011 werd al vastgestled dat Oriëntals geen schade ondervinden van kookbehandeling, mits er ook voor-en nabehandeld wordt. PPO ging na of dit ook geldt voor lelies uit de andere groepen.
Eerste stappen in de ontwikkeling van een betaalbare toetsmethode
Elberse, I.A.M. ; Boer, F.A. de; Beers, T.G. van; Molendijk, L.P.G. ; Schomaker, C.H. ; Been, T.H. - \ 2013
Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Bloembollen, Boomkwekerij en Fruit - 37
bloembollen - lelies - plantenplagen - pratylenchus penetrans - gevoeligheid van variëteiten - waardplanten - cultivars - tests - ornamental bulbs - lilies - plant pests - varietal susceptibility - host plants
Wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans) veroorzaken veel schade in de lelieteelt. Bovendien blijft er na de teelt van lelie meestal een hoge besmetting achter, waardoor een gevoelig volggewas er ook veel schade van kan ondervinden. Daardoor wordt er meestal vanuit gegaan dat lelie een goede waardplant is. In een gedetailleerde kasproef in 2010 gedroeg lelie ‘Siberia’ zich echter als een slechte waardplant (bij lage aaltjesaantallen een lage vermeerdering). Dit bijzondere resultaat riep de behoefte op om een reeks leliecultivars te toetsen op hun waardplantgeschikheid en gevoeligheid voor schade door dit aaltje. Telers zouden die kennis kunnen gebruiken bij het maken van hun bouwplan. Het telen van cultivars die meer resistent en minder gevoelig voor schade zijn, kan een mogelijk alternatief of aanvulling bieden voor de bestrijding met Monam. Daarom werd en in 2012 vijf verschillende cultivars (Siberia, Sorbonne, Mona Lisa, Robina en Conca d’Or) getoetst op hun waardplantgeschiktheid en hun gevoeligheid voor schade. Deze zijn gekozen omdat we na rondvragen bij adviseurs verwachtten dat deze cultivars verschillen in gevoeligheid en mogelijk ook in waardplantgeschikheid. Bovendien is er op gelet dat er zowel fijnwortelige als grofwortelige cultivars werden getoetst. Misschien heeft die eigenschap invloed op de waardplantgeschiktheid en/of gevoeligheid. Verder was het ook de bedoeling om met de resultaten van deze uitgebreide proef de eerste stappen te kunnen zetten naar een goedkope, maar wel betrouwbare toetsmethode, om in de toekomst gemakkelijk een grote reeks aan cultivars te kunnen testen.
Details van virusoverdracht door bladluizen in lelie : een zoektocht naar optimale gewasbescherming met oog voor milieubelasting en kosten
Kock, M.J.D. de; Lemmers, M.E.C. ; Aanholt, J.T.M. van; Weijnen-Derkx, M.P.M. - \ 2013
Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Bloembollen, Boomkwekerij & Fruit - 60
lelies - virusziekten - aphididae - gewasbescherming - overdracht - symptoomloos lelievirus - milieubeheersing - landbouwkundig onderzoek - effecten - geïntegreerde bestrijding - kostenbeheersing - lilies - viral diseases - plant protection - transfer - lily symptomless virus - environmental control - agricultural research - effects - integrated control - cost control
Het in dit rapport beschreven onderzoek richt zich op de optimalisatie van bescherming van lelie tegen de overdracht van Lelie mozaïekvirus (LMoV) en Symptoomloos lelievirus (LSV) door bladluizen. Het onderzoek is in de periode 2009-2012 uitgevoerd. Elk onderzoeksjaar had eigen specifieke vraagstellingen met de daarbij behorende proefopzet. In de eerste twee onderzoeksjaren is de bladluizenpopulatie wekelijks in detail via vangbakken en vangplaten bestudeerd. Gedurende het teeltseizoen zijn er in beide jaren 40-50 soorten bladluizen aangetroffen, waaronder ook veel bladluissoorten waarvan bekend is dat deze LMoV en/of LSV kunnen verspreiden. Qua populatiesamenstelling is er tussen de twee jaar vrij veel overlap, maar er zijn ook verschillen tussen de twee jaar zichtbaar. Zelfs wanneer er geen gewasbescherming werd uitgevoerd, werd vier jaar lang geen kolonisatie van bladluizen op de lelies waargenomen. Deze leliebollen waren ook niet behandeld met Admire. Blijkbaar is lelie geen geschikte waardplant voor bladluis of zijn er voldoende natuurlijke vijanden aanwezig. Verspreiding van LMoV en LSV vond gedurende het hele teeltseizoen van lelie plaats. Verspreiding van LMoV vond iets meer in de eerste helft van het seizoen plaats en werd in meerdere herhalingen van proefveldjes waargenomen. Daarentegen vond de verspreiding van LSV iets meer in de tweede helft plaats en was meer lokaal van aard in één of twee van de vier herhalingen. In periodes met ‘normale’ weersomstandigheden zonder extremen kan met een wekelijkse dosis minerale olie en pyrethroïden de virusverspreiding goed beheerst worden, ondanks dat er tijdelijk grotere aantallen bladluizen aanwezig zijn geweest. Het bleek dat in een relatief warme periode met hogere zonkracht/straling en in een periode met veel neerslag de toegepaste gewasbescherming minder effectief is geweest waardoor in deze periode extra virusverspreiding heeft kunnen plaatsvinden. De resultaten uit de eerste twee jaar van dit project (fase 1) hebben geleid tot een beter begrip voor het moment waarop virusverspreiding plaats kan vinden en op welke momenten gewasbescherming effectief moet zijn. Tevens heeft de monitoring van bladluizen meer inzicht gegeven in de bladluizen populatiedynamiek en de relatie met de virusverspreiding die tegelijkertijd kan optreden. In de tweede fase van dit onderzoeksproject is onderzocht wat het beste recept is voor optimale gewasbescherming tegen virusoverdracht door bladluizen waarbij tevens aandacht werd gegeven voor milieubelasting en de kosten van gewasbescherming. In twee opvolgende jaren is aangetoond dat wekelijkse toepassing van minerale olie een duidelijk positief effect had op de beheersing van virusoverdracht door bladluizen. Toevoeging van een pyrethroïde versterkte deze beheersing. De extra toevoeging van een insecticide resulteerde bij de lelies in de proefopzet niet in een extra reductie van virusoverdracht. Een insecticide heeft daarom op basis van deze resultaten geen toegevoegde waarde voor de beheersing van virusoverdracht door bladluizen. Negatieve effecten van een insecticide zijn ook niet waargenomen. Er wordt wel eens gesuggereerd dat toevoeging van een pyrethroïde of een insecticide het vluchtgedrag van bladluizen onrustiger zou maken wat een negatief effect zou hebben op virusverspreiding in een partij. Onderzoek heeft hiervoor geen aanwijzingen gevonden. Sinds enkele jaren is er een Luis/virus weerfax beschikbaar die op basis van weersverwachtingen advies geeft over het moment van gewasbescherming op de dag en de frequentie per week. Het tijdelijk verhogen van de frequentie van gewasbescherming in periodes met hogere temperaturen en veel zonkracht had geen effect op het viruspercentage. Grote meerwaarde van de Luis/virus weerfax zit hem in het inzicht in het optimale moment van gewasbescherming voor de eerstvolgende dagen. Met deze informatie kan een veel betere planning gemaakt worden. De frequentie van gewasbescherming tegen virusoverdracht door bladluizen kan vanaf half augustus gehalveerd worden tot 1x per twee weken. Onderzoek van twee opvolgende jaren toonde aan dat er bij dit recept niet extra virusinfectie optrad. Een belangrijk inzicht uit dit onderzoek is het feit dat gewasbescherming op de virusbron veel effectiever werkt dan gewasbescherming op de ontvangende plant. Van te voren was niet te verwachten dat de waargenomen verschillen zo groot zouden zijn. In de proefopzet moet hiermee dus rekening gehouden worden. In dit project is daarom in de loop van de tijd een steeds betere proefopzet ontwikkeld: - virusbron in de proefveldjes in netten geplant zodat deze bij het rooien apart te verwijderen zijn, - zones met bufferplanten die de proefveldjes met verschillende behandelingen voldoende van elkaar scheiden zodat naast elkaar gelegen behandelingen elkaar niet beïnvloeden. Er wordt geadviseerd deze indeling van een proefveld algemeen toe te gaan passen bij onderzoek naar effectiviteit van middelen. In het laatste deel van dit rapport wordt de achtergrond van functionele agrobiodiversiteit (FAB) beschreven en is er een analyse gemaakt in hoeverre de inzet van barrière planten een bijdrage kan leveren aan een verdere beheersing van virusoverdracht door bladluizen bij lelie. In de wetenschappelijke literatuur zijn diverse voorbeelden beschreven van een bijdrage van FAB bij de beheersing van virusverspreiding door bladluizen. Dit onderzoek is echter niet uitgevoerd onder teeltomstandigheden die in Nederland van toepassing zijn. Onderzoek naar FAB voor de beheersing van virusoverdracht onder Nederlandse teeltomstandigheden is zeker van belang vanwege de lokale populaties bladluizen en natuurlijke vijanden. Dit rapport somt een aantal aanbevelingen op die relevant zijn om te betrekken bij onderzoek naar functionele agrobiodiversiteit tegen virusoverdracht door bladluizen. Op basis van dit onderzoek zijn er diverse conclusies en aanbevelingen geformuleerd: o Voor een duurzame teelt van lelies wordt allereerst geadviseerd om zoveel als mogelijk met virusvrije of virusarme partijen lelie te werken. o Houd bij het maken van het teeltplan vooral ook rekening met de virusstatus van partijen en probeer virusvrije partijen apart te telen van partijen die besmet zijn met LMoV en/of LSV. o Een wekelijkse gewasbescherming met minerale olie en pyrethroïde is van groot belang wanneer men de lelies wil beschermen tegen virusinfecties door bladluizen. o Houdt bij het moment van gewasbescherming dan vooral ook rekening met het optimale moment van gewasbescherming. De Luis/virus weerfax is hierbij een zeer functionele hulpmiddel. o Dit onderzoek heeft geen additionele effecten van een insecticide aangetoond. o Daarentegen zijn er ook geen aanwijzingen gevonden dat pyrethroïden en insecticiden lokale virusverspreiding juist zouden stimuleren vanwege het onrustiger gedrag van bladluizen die worden blootgesteld aan pyrethroïden en insecticiden. o Het halveren van de frequentie van gewasbescherming vanaf half augustus levert geen extra risico op maar resulteert wel in een lagere milieubelasting en reductie in kosten voor gewasbescherming. Aanpassing van de frequentie vanaf half augustus is daarom zeker het overwegen waard wanneer de virusdruk in een partij/perceel laag is.
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.