Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Current refinement(s):

Records 1 - 20 / 66

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: keywords==plantdichtheid
Check title to add to marked list
Hemp for textiles : plant size matters
Westerhuis, W. - \ 2016
Wageningen University. Promotor(en): Paul Struik, co-promotor(en): Tjeerd-Jan Stomph; Jan van Dam. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789462577879 - 234 p.
cannabis sativa - fibre plants - textile fibres - textiles - photoperiod - hemp - plant fibres - plant density - harvesting date - sowing date - biobased materials - vezelgewassen - textielvezels - textiel - fotoperiode - hennep - plantenvezels - plantdichtheid - oogsttijdstip - zaaitijd - materialen uit biologische grondstoffen

Abstract

Key words: Cannabis sativa L., day length sensitivity, fibre hemp, genotype, harvest time, plant density, plant weight, primary fibres, secondary fibres, sowing date, textiles.

Westerhuis, W. (2016) Hemp for textiles: plant size matters, PhD thesis. Wageningen University, Wageningen, The Netherlands, 234 pp. With English and Dutch summaries.

Fibre hemp (Cannabis sativa L.) may be an alternative to cotton and synthetic fibres as a raw material for textile yarn production in the European Union. The agronomic options to manipulate plant development and crop growth with the aim to optimise hemp long fibre production were investigated. Field trials with factors sowing density, sowing date, harvest time and variety were conducted. Stems were traditionally processed by retting, drying, breaking, and scutching. Following standard protocols, almost 1500 hemp stem samples were analysed. Varieties differ widely in their fibre content, but this thesis shows that when variety and plant size are known, the amounts of fibres, wood, and retting losses are known. The dry weight of the stems at harvest, not the factors underlying this weight, are determinant. In retted stems the dry matter is split–up into fibres and wood in a fixed way. The options to manipulate this ratio by crop management, given variety, are very small and for practical reasons they can be neglected. In fibre hemp two bast fibre types occur. Primary or long fibres are valuable for yarn spinning. Secondary fibres are too short and their presence hampers the production of fine yarns. This thesis shows that the secondary fibre front height increases with plant weight. Although a causal relationship between secondary fibre formation and flowering does not exist, the secondary fibre front is found higher in flowering plants when compared to non–flowering plants of the same height. This is likely to be caused by the higher weight or momentum of flowering plants as compared with non–flowering plants of the same height. Consequently, a harvest before flowering is preferable. This was shown in a greenhouse experiment, in which the short–day response of hemp was used to create size ranges of flowering and non–flowering plants. To produce high–quality raw materials for textile production, short crops should be grown. The options to produce plants with the desired size are manifold. Since sowing density, sowing date, and harvest time do not have an additional effect on the primary fibre content besides the indirect effect through stem weight, any combination of these factors could be chosen to optimize plant size.

Smart farming – Precisielandbouw : inspiratiesessie 1 oktober 2013
Kempenaar, C. - \ 2013
CAH
akkerbouw - mechanisatie - globale plaatsbepalingssystemen - precisielandbouw - sensors - grondbewerking - plantdichtheid - bemesting - gewasbescherming - irrigatie - onkruidbestrijding - selectief oogsten - colleges - arable farming - mechanization - global positioning systems - precision agriculture - tillage - plant density - fertilizer application - plant protection - irrigation - weed control - selective harvesting
Deze TED (inspiratiesessie) gaat over precisielandbouw. Er kan al heel veel maar er kan nog veel meer.
Bloemkool geteeld op water 2013
Blind, M. - \ 2013
Zwaagdijk : Proeftuin Zwaagdijk - 50 p.
teeltsystemen - vollegrondsgroenten - hydrocultuur - bloemkolen - proeven op proefstations - plantdichtheid - zoutgehalte - cultuurmethoden - cropping systems - field vegetables - hydroponics - cauliflowers - station tests - plant density - salinity - cultural methods
In de afgelopen jaren is gebleken dat het mogelijk is bloemkool op het drijvende teeltsysteem te telen maar dat het percentage klasse 1 nog te laag is. Over het algemeen verloopt de gewasontwikkeling in de eerste fase zeer goed. In de eindfase – als de koolvorming plaatsvindt - ontstaan veelal problemen met verwelking. Een duidelijke oorzaak voor de snelle achteruitgang in vitaliteit is nog niet aan te wijzen. Een oorzaak zou kunen zijn een vorm van stress die in de laatste fase van de teelt ontstaat. Het gewas wordt topzwaar en is gevoelig voor wind, ook omdat de groei in de eerste fase juist erg weelderig is. Eén van de doelen van de proeven in 2013 was daarom te onderzoeken of een ruimere plantafstand leidt tot een betere kwaliteit. Een andere techniek om de planten compacter te laten groeien zou het telen bij een hoger zoutgehalte (EC) kunnen zijn. Doordat de planten bij een hoger zoutgehalte minder makkelijk water kunnen opnemen blijven ze compacter.
Fertigatie en plantdichtheden in prei : verslag onderzoek 2008, 2009 en 2010
Haan, J.J. de; Wijk, C.A.P. van; Wilms, J.A.M. - \ 2011
Lelystad : PPO AGV (PPO rapport 406) - 48
bemesting - fertigatie - preien - vollegrondsgroenten - rijenbemesting - plantdichtheid - nutriëntengebruiksefficiëntie - gewasopbrengst - veldproeven - fertilizer application - fertigation - leeks - field vegetables - band placement - plant density - nutrient use efficiency - crop yield - field tests
Zowel milieueisen als de noodzaak om constante kwaliteit en constant volume te produceren tegen een acceptabele kostprijs, zullen tot de ontwikkeling van nieuwe teeltsystemen leiden. Door ‘gestuurd’ te telen kan de bodem voornamelijk als substraat gebruikt gaan worden. In de jaren 2008 tot en met 2010 is fertigatie met standaard rijenbemesting vergeleken bij diverse plantgetallen en plantverbanden en stikstofgiften in een herfstteelt prei op zandgrond van PPO Vredepeel. In dit onderzoek is niet eenduidig vastgesteld of fertigatie in herfstprei voordelen voor de praktijk biedt ten opzichte van standaard rijenbemesting bij de standaard plantdichtheid. In dit onderzoek is ook niet eenduidig vastgesteld of hogere plantdichtheden voordelen voor de praktijk bieden ten opzichte van de standaard plantdichtheid.
"Telen met hoger plantgetal is mogelijk, rendabel is het niet"
Haan, J.J. de; Wijk, C.A.P. van - \ 2011
Groenten en Fruit Actueel 2011 (2011)27-28. - ISSN 0925-9694 - p. 19 - 19.
preien - plantdichtheid - kosten-batenanalyse - gewasopbrengst - stikstofverliezen - leeks - plant density - cost benefit analysis - crop yield - nitrogen losses
Hogere plantaantallen per hectare met herfstprei gaven in een driejarige proef van PPO-agv meer productie en een fijner product. Maar zijn hogere plantgetallen rendabeler bij het gangbare prijsniveau?
Prei: teeltsystemen uit de grond: Onderzoek 2010
Os, E.A. van; Bruins, M.A. ; Verhoeven, J.T.W. ; Weel, P.A. van; Wijk, C.A.P. van; Wilms, J.A.M. - \ 2010
Wageningen/Lelystad : Wageningen UR Glastuinbouw/PPOAGV (Rapporten Teeltdegronduit ) - 39
teeltsystemen - cultuur zonder grond - hydrocultuur - preien - proefprojecten - rassenproeven - plantdichtheid - duurzame landbouw - cropping systems - soilless culture - hydroponics - leeks - pilot projects - variety trials - plant density - sustainable agriculture
Het onderzoeksprogramma “Teelt de grond uit” heeft zich voor prei gericht op de teelt (2008 – 2010). Voor de vervolgjaren (2011 – 2013) richt het onderzoek zich op de randvoorwaarden met betrekking tot opschaling richting een commercieel teeltsysteem. De nadruk ligt hierbij op duurzaamheid (people, planet, profit), vijversysteem en een draag/drijf systeem en hieraan gekoppeld de economische grenzen. Uit de proeven in de afgelopen jaren, aangevuld met de resultaten uit 2011, leidt tot duidelijke randvoorwaarden voor de teelt. De combinatie van plantdichtheid, buisdiameter, buislengte, moment van oogsten en het aantal teelten per jaar bepalen de randvoorwaarden waarbinnen geacteerd moet worden.
Meerproductie bij hogere plantgetallen prei : vollegrond
Wijk, K. van; Wilms, J.A.M. - \ 2010
Groenten en Fruit Actueel 2010 (2010)2013. - ISSN 0925-9694 - p. 13 - 13.
allium porrum - fertigatie - kunstmeststoffen - gewasopbrengst - plantdichtheid - proeven op proefstations - vollegrondsgroenten - preien - fertigation - fertilizers - crop yield - plant density - station tests - field vegetables - leeks
Hogere plantgetallen geven bij prei een productieverhoging van 4 to 8 ton, maar ook een fijnere sortering. Fertigatie scoort in 2009 dezelfde productie als korrelmest, met minder risico op stikstofuitspoeling. In 2008 lag de productie wel hoger dan die van korrelmest.
'Landschapsmaïs meer als graan zaaien' (interview met Ruud Timmer)
Reindsen, H. ; Timmer, R.D. - \ 2010
Nieuwe oogst / Magazine gewas 6 (2010)2. - ISSN 1871-093X - p. 6 - 7.
akkerbouw - biodiversiteit - graansoorten - maïs - ecologie - ondergewassen - groenbemesters - plantdichtheid - gewasproductie - agrobiodiversiteit - arable farming - biodiversity - cereals - maize - ecology - catch crops - green manures - plant density - crop production - agro-biodiversity
PPO is verrast door de uitkomsten van het onderzoek naar landschapsmaïs. Door de 1.75 meter lange maïs meer als graan te zaaien en na vier maanden te oogsten, zijn mooie opbrengsten haalbaar. Het lijkt vooral interessant in combinatie met een groenbemester/vanggewas winterroggen en -erwten, goed voor een extra oogst eind mei
Normen voor opkweekpluggen : Plantum en Kiwa/IGPA initiatief normen voor steenwolpluggen
Blok, C. ; Winkel, A. van; Berg, C.C. van den - \ 2009
Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw - 40
steenwol - normen - glastuinbouw - tests - plantdichtheid - landbouwkundig onderzoek - rockwool - standards - greenhouse horticulture - plant density - agricultural research
De KIWA Richtlijnen voor minerale wolproducten bevatten normen voor matten en blokken maar geen specifieke eisen voor pluggen. Omdat bij het werken met pluggen bij plantenkwekers een aantal kritische punten bekend zijn, bestond de wens bij de plantenkwekers te komen tot een viertal normen voor pluggen. Een voorstel van Plantum is door WUR Glastuinbouw uitgewerkt. De doelstelling was: 1. Een test voor dichtheid en spreiding van dichtheid tussen pluggen. 2. Een test voor vorm en afmetingen van de zaadkuil. 3. Een test voor de stevigheid van pluggen. 4. Een test voor de gelaagdheid van pluggen. Zes methoden zijn uitgewerkt inclusief afkeurgrenzen (plugvolume, zaadkuildiepte, zaadkuilvolume, centriciteit, indringweerstand en bezinksnelheid). De meting van breuk lost geen praktijkprobleem op en is in overleg niet uitgewerkt. De meting van zaadkuilvolume is mogelijk te ondervangen door de andere metingen.
Gewasgroei-analyse zet aan tot andere manier van denken : analytisch denken leidt tot beter inzicht in gewas
Heuvelink, E. ; Kierkels, T. - \ 2009
Onder Glas 6 (2009)10. - p. 44 - 45.
tuinbouw - kassen - assimilatie - analyse - plantdichtheid - vruchtgroenten - vergelijkingen - glastuinbouw - gewasgroeimodellen - groenten - horticulture - greenhouses - assimilation - analysis - plant density - fruit vegetables - comparisons - greenhouse horticulture - crop growth models - vegetables
Door de groei van het gewas te analyseren kan de teler veel opsteken voor de toekomst. Om cirkelredeneringen te voorkomen is het nodig steeds factoren uit te splitsen. Voorwaarde is dat deze factoren gezamenlijk de verklaring opleveren en elkaar niet overlappen. Zo is een eerlijke vergelijking met de prestaties van voorgaande jaren of met die van collega's mogelijk. In het verhaal zijn voorbeelden uitgewerkt van de manier van denken
Innovatief teeltsysteem Alstroemeria : onderzoek naar het lange termijn effect van teelt op substraat
Labrie, C.W. ; Heij, G. - \ 2008
Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapport / Wageningen UR Glastuinbouw 198) - 26
alstroemeria - cultuur zonder grond - teeltsystemen - innovaties - bodemtemperatuur - plantdichtheid - soilless culture - cropping systems - innovations - soil temperature - plant density
Alstroemeria wordt gebruikelijk in de grond geteeld. Alternatieve teeltsystemen zouden de rentabiliteit kunnen verhogen door middel van een hogere ruimtebenutting en hogere productie door een beter controleerbaar bodemklimaat. Doel van dit onderzoek was het bepalen van het effect van de teelt in bakken, op de meerjarige productie van verschillende Alstroemeria cultivars in de praktijk. Deze substraatproef is voor een aantal cultivars uitgevoerd bij twee plantdichtheden. De productiegegevens laten zien dat een substraatvolume van 11 liter op kokos na drie jaar niet beperkend is voor de groei. Een bodemtemperatuur per etmaal van 16°C kon worden gehandhaafd doordat hogere temperaturen overdag, werden gecompenseerd door lagere temperaturen ¿s nachts. Een dubbele plantdichtheid gaf niet dubbel zoveel productie, maar wel een meerproductie van 36% bij Virginia. Bij Tiësto was dit verband minder duidelijk. Gedurende de looptijd van de proef bleek het zonder apart gereguleerd druppelsysteem moeilijk om de watergift en EC in de proef optimaal te sturen. Hierdoor is potentiële meerproductie van substraat ten opzichte van grondteelt blijven liggen. Dit onderzoek toont aan dat substraatteelt in Alstroemeria zeker potentie heeft. Ten opzichte van de grondteelt behoeven vochtgehalte en bemesting wel extra aandacht. Met meer kennis over optimale water- en voedingsgift op substraat voor verschillende cultivars, is zeker productieverhoging van Alstroemeria op substraat te verwachten
Onderzoek daglengte in de teelt van Freesia
Heij, G. ; Mourik, N.M. van; Leeuwen, A.G.J. van; Labrie, C.W. - \ 2008
Wageningen : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapport / Wageningen UR, Glastuinbouw 171) - 24
freesia - bloementeelt - cultivars - rassen (planten) - plantdichtheid - fotoperiode - teelt onder bescherming - groeifactoren - rassenproeven - glastuinbouw - floriculture - varieties - plant density - photoperiod - protected cultivation - growth factors - variety trials - greenhouse horticulture
Onderzocht is de invloed van de teeltstrategie op freesia met als doel de najaarskwaliteit en daarnaast de productie en teeltduur te verbeteren. Proeffactoren zijn daglengte, plantdichtheid en wel of geen voorbehandeling. Gebruikte cultivars zijn Summer Beach, Ambassador, Dukaat en Gold River
Effecten van een variabele plantafstand bij pootaardappelen
Timmer, R.D. ; Wustman, R. - \ 2007
Kennisakker.nl 2007 (2007)15 okt.
pootaardappelen - plantdichtheid - globale plaatsbepalingssystemen - gewasdichtheid - aardappelen - bodemeigenschappen - geografische informatiesystemen - akkerbouw - plaatsen op afstand - seed potatoes - plant density - global positioning systems - crop density - potatoes - soil properties - geographical information systems - arable farming - spacing
Er zijn gebieden in Nederland (o.a. Noord-Friesland en Noord-Groningen) waar percelen een sterke variatie vertonen (of een sterk verloop hebben) in de zwaarte van de grond. Op deze percelen ontwikkelt een aardappelgewas zich op de zwaardere plekken anders dan op de lichtere plekken. Vooral de ontwikkeling op de zwaardere plekken (minder stengels, minder knollen, risico van uit de maat groeien) bepaalt in sterke mate de doodspuitdatum. Door het plantgetal aan te passen aan de zwaarte van de grond (dichter poten op de zwaardere stukken) is dit gedeeltelijk te voorkomen. Probleem is echter dat niet bekend is hoeveel dichter er gepoot moet worden en hoe de verdeling van de zwaarte van de grond over het perceel er precies uitziet. Door het (laten) maken van een bodemkaart van het perceel is het laatstgenoemde op te lossen. Met behulp van GPS-technieken en een aangepaste pootmachine is het ook mogelijk de plantdichtheid aan te passen aan de zwaarte van de grond. Hoe groot deze aanpassing moet zijn is echter volledig onbekend. De "rekenregels" die op dit moment door telers worden gebruikt zijn daarom te beschouwen als "een slag in de lucht". Deze telers hopen een stapje verder te komen door te experimenteren. De (beperkte) onderzoeksresultaten wijzen erop dat de momenteel gehanteerde rekenregel bij het variabel poten van "max. 10% meer planten op de zwaardere delen van het perceel en max. 10% minder op de lichtere delen" te algemeen is en onvoldoende effect zal hebben. Om tot een onderbouwde rekenregel te komen die ook werkelijk het beoogde effect zal kunnen hebben, dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Bij dit onderzoek zal er in eerste instantie aandacht moeten zijn voor de invloed van ras, potermaat, aantal stengels per poter, groeiomstandigheden tijdens de teelt en zwaarte van de grond.
Optimale plantdichtheid van tulp
Kool, S.A.M. de - \ 2007
BioKennis Bollen en sierteelt 1 (2007). - 4
bloementeelt - bloembollen - tulpen - plantdichtheid - gewasdichtheid - grondbedekking - gewasopbrengst - biologische landbouw - floriculture - ornamental bulbs - tulips - plant density - crop density - ground cover - crop yield - organic farming
Plantdichtheid is een belangrijke bepalende factor voor de opbrengst van tulpenbollen. Dit kennisbericht geeft richtlijnen voor een optimale plantdichtheid. De teler kan deze richtlijnen aanpassen aan zijn eigen situatie door rekening te houden met het plantsysteem, cultivarkeuze en het gewenste eindproduct.
De invloed van natuurgebieden op zweefvliegen en bijen in agrarische gebieden (Diptera: Syrphidae & Hymenoptera: Apidae s.l.)
Kohler, F. ; Klink, R. van; Noordijk, J. ; Kleijn, D. - \ 2007
Entomologische Berichten 67 (2007). - ISSN 0013-8827 - p. 187 - 192.
populatie-ecologie - plantdichtheid - wilde bloemen - zweefvliegen - habitats - biodiversiteit - syrphidae - apidae - agrobiodiversiteit - akkerranden - population ecology - plant density - wild flowers - gliding - biodiversity - agro-biodiversity - field margins
De soortenrijkdom van bloembezoekende insecten zoals bijen en zweefvliegen is de laatste decennia sterk afgenomen in agrarische gebieden. Initiatieven om de diversiteit te bevorderen (beheersovereenkomsten) zijn vaak niet effectief, vooral in intensief gebruikte agrarische gebieden. Mogelijk is hierbij de afstand tot potentiële brongebieden een beperkende factor. Wij onderzochten de effecten van natuurgebieden op de insectendiversiteit in agrarische gebieden. In slootkanttrajecten van driehonderd meter lang, grenzend aan en loodrecht op geïsoleerde natuurgebieden, werden zweefvliegen en bijen bemonsterd. Diversiteit en talrijkheid van zweefvliegen namen af in de eerste 125 meter vanaf de natuurgebieden, maar daarna niet meer. Diversiteit en talrijkheid van bijen lieten al een scherpe afname zien over de eerste 25 meter vanaf natuurgebieden. Bloembezoekende insecten die uit natuurgebieden afkomstig zijn vliegen kennelijk over beperkte afstanden (
Genotypic variation in energy efficiency in greenhouse crops: underlying physiological and morphological parameters
Ploeg, A. van der - \ 2007
Wageningen University. Promotor(en): Olaf van Kooten, co-promotor(en): Ep Heuvelink; Susana Pinto de Carvalho. - [S.l.] : S.n. - ISBN 9789085046479 - 146
chrysanthemum morifolium - solanum lycopersicum - tomaten - kassen - energiebehoud - gebruiksefficiëntie - genetische variatie - plantdichtheid - plantenveredeling - plantenfysiologie - glastuinbouw - energiebesparing - agro-ecologie - tomatoes - greenhouses - energy conservation - use efficiency - genetic variation - plant density - plant breeding - plant physiology - greenhouse horticulture - energy saving - agroecology
Teelthandleiding korrelmais en Corn Cob Mix (CCM) - zaaien
Brink, L. van den; Groten, J.A.M. - \ 2005
Kennisakker.nl 2005 (2005)15 maart.
akkerbouw - maïs - zea mays - zaaien - zaaitijd - zaaidichtheid - plantdichtheid - handleidingen - teelthandleidingen - arable farming - maize - sowing - sowing date - sowing rates - plant density - guide books - cultivation manuals
In deze teelthandleiding aandacht voor zaaitijdstip, plantgetal en de teelt van korrelzaaizaadhoeveelheid bij korrelmaïs en Corn Cob Mix.
Invloed van plantdichtheid op de productie en kwaliteit van enkele Freesia cultivars
Heij, G. ; Leeuwen, F. van; Mourik, N.M. van; Elgersma, R. - \ 2004
Naaldwijk : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. (Rapporten GT 13069) - 23
freesia - cultivars - plantdichtheid - productiekosten - opbrengsten - modellen - plant density - production costs - yields - models
Teelthandleiding consumptieaardappelen : standdichtheid
Veerman, A. - \ 2003
Kennisakker.nl 2003 (2003)15 sept.
solanum tuberosum - aardappelen - plantdichtheid - opbrengst - sorteren - consumptieaardappelen - akkerbouw - teelthandleidingen - potatoes - plant density - outturn - sorting - table potatoes - arable farming - cultivation manuals
De standdichtheid van een gewas kan beter worden uitgedrukt in het aantal hoofdstengels dan in het aantal planten per m2. Het maakt immers nogal wat uit of men planten heeft met gemiddeld zes hoofdstengels of planten met slechts drie hoofdstengels. Hoofdstengels zijn stengels die knollen dragen. Daarnaast kunnen we soms boven- en ondergrondse zijstengels onderscheiden. De standdichtheid van een gewas is in tweeërlei opzicht belangrijk. Ze is medebepalend voor zowel de opbrengst als de knolkwaliteit, in het bijzonder van de knolgrootte.
Effects of growth conditions on external quality of cut chrysanthemum; analysis and simulation
Carvalho, S.M.P. - \ 2003
Wageningen University. Promotor(en): Olaf van Kooten, co-promotor(en): Ep Heuvelink. - [S.l.] : S.n. - ISBN 9058088219 - 171
chrysanthemum - asteraceae - snijbloemen - groei - gewaskwaliteit - plantdichtheid - gewasproductie - simulatiemodellen - glastuinbouw - cut flowers - growth - crop quality - plant density - crop production - simulation models - greenhouse horticulture

For many years the emphasis in floricultural research laid with quantity rather than quality. Nowadays, since the prices are often determined on the basis of visual quality aspects, the so-called external quality, chrysanthemum growers aim to provide a high and constant product quality throughout the year. The external quality of cut chrysanthemum is usually evaluated in terms of stem and leaf morphology and flower characteristics. The priority within the external quality attributes depends on the particular market for the product.

Chrysanthemum cultivation is one of the most controlled and intensive crop production systems in horticulture. This quantitative short-day plant can only be cultivated year-round in greenhouses by controlling several growth conditions. However, many combinations of these conditions are possible, according to the growth strategy being employed. To produce year-round high quality chrysanthemum is a constant challenging problem for the grower, as the seasonal variations in daily light integral will produce large seasonal fluctuations in yield and quality. Therefore, in order to choose the optimal strategy adjusted to the planting week, it is necessary to know how the growth conditions influence plant quality. Thus, the factors involved in chrysanthemum external quality need to be carefully analysed and effectively combined to achieve the production of flowers with the maximum ornamental value year-round, while maintaining a high yield and an acceptable low energy input. Considering the complexity of cut chrysanthemum production, with its many options for control and its range of product quality attributes, management of such a system would be expected to highly benefit from the use of simulation models. For instance, the explanatory models are a valuable tool to integrate knowledge and to assist in the decision support. The development of such models for product quality is still a weak feature in crop modelling research, since priority has been given to simulation of productivity. To develop an explanatory model for the external quality of cut chrysanthemum, detailed knowledge about its growth and morphological development is needed.

The main aim of the present study was to quantify and understand the effects of the aboveground growth conditions on the external quality of cut chrysanthemum at harvest. Special attention has been paid to the integration of this knowledge and its incorporation into an explanatory model to predict the main external quality aspects of cut chrysanthemum. The focus was on the effects of the climate conditions (temperature, light intensity and CO 2 concentration) and cultivation practices (duration of the long-day period and plant density) on plant height (stem length), number of flowers and flower size.

Chapter 2 presents an overview of the growth conditions involved in the different chrysanthemum external quality aspects, and identifies the gaps in literature. A synthesis of the available models that have been built to predict some external quality attributes of chrysanthemum is also given.

The DIF concept states that internode length is dependent upon the DIFference between day (DT) and night (NT) temperature, and is independent of the mean 24 h temperature. This controversial proposition was investigated by means of an experiment described in Chapter 3.1. Chrysanthemum 'Reagan Improved' was grown in growth chambers at all 16 combinations of four DT and four NT (16, 20, 24 and 28 ºC) with a 12 h daylength. The length of internode 10, the number of internodes and the stem length were measured periodically. The experiment ended when internode 10 had reached its final length in all temperature combinations employed (27 days). A significant positive linear relationship between DIF and the length of the fully developed internodes was observed over the range of temperatures studied (16-28 ºC). It was also found that internode lengths recorded in early stages of development do not bear a close relationship to the final internode lengths, which explained contradictions in literature. In addition to being dependent on the developmental stage of the internodes, the effectiveness of DIF was related to the range of temperatures. It was shown that the DIF concept is valid only within a temperature range where the effects of DT and NT are equal in magnitude and opposite in sign (18-24 °C). Therefore, it was concluded that the response of internode length to temperature is strongly related to DIF, but this response is simply the result of independent and opposite effects of DT and NT. Internode appearance rate, as well as stem length formed during the experiment, showed an optimum response to DT.

Chapter 3.2 is the description of an in depth study on the sensitivity of several flower characteristics to temperature, with the aim of obtaining a better understanding of the underlying physiological processes of flower initiation and development. An attempt has been made to analyse the effects of temperature, applied at different phases of the cultivation period, on each of the studied flower characteristic. Plants were grown in glasshouse compartments at two constant temperatures (17 and 21 °C), and in growth chambers at 32 temperature combinations (from 15 to 24 °C). In the growth chamber experiment the temperature treatments were based upon a division of the cultivation period into three consecutive phases: from planting until the end of the long-day (LD) period (phase I; 18 and 24 °C), from the start of the short-day (SD) period until the visible terminal flower bud (phase II; 15, 18, 21 and 24 °C), and finally from the visible terminal flower bud until harvest (phase III; 15, 18, 21 and 24 °C). Of the characteristics investigated only the flower position within the plant was independent of temperature. The number of flowers and flower buds per plant (NoF), individual flower size and colour (pink) were strongly affected by temperature. It is shown that the temperature effect was largely dependent on the cultivation phase and on the flower characteristic itself. In general, flower characteristics were less influenced by temperature applied during the LD period, compared to the SD period. A higher temperature increased NoF, mainly by increasing the number of flower buds. NoF was affected positively by temperature mainly during phase III, whereas individual flower size increased with temperature during phase II but decreased with temperature during phase III. Lower temperatures during phase III significantly enhanced flower colour intensity. It was concluded that it is not possible to ascribe to each phase of the cultivation a common optimum temperature for all the flower quality aspects. Hence, to define the most suitable temperature in each cultivation phase it is necessary to decide which quality attribute is to be maximised.

The effects of the assimilate availability on the NoF, individual flower size and plant height is described in Chapter 4.1. Seven greenhouse experiments were conducted in different seasons using the cultivar 'Reagan Improved' (spray type). One extra experiment was carried out to extend this study to two other cultivars ('Goldy' and 'Lupo': 'santini' type), focusing on their response to plant density. Assimilate availability, measured as total plant dry mass (TDM, g plant -1), increased with higher light intensity, higher CO 2 concentration, lower plant density or longer duration of the LD period. In contrast, variation in the growth conditions produced hardly any effect on flower mass ratio (FMR), and only an increased duration of the LD period had a negative linear effect on the partitioning towards the flowers. The season also had an effect on chrysanthemum FMR: when planted in September (lowest light levels during the SD period), FMR was reduced compared to the other seasons. It is concluded that within a wide range of growth conditions chrysanthemum invests the additional assimilates, diverted to the generative organs, in increasing NoF rather than in increasing flower size. Individual flower size was only affected by assimilate availability when average daily incident photosynthetically active radiation during the SD period was lower than 7.5 mol m -2d -1, resulting in lighter and smaller flowers. When incident photosynthetically active radiation (PAR) during the SD period was higher than this threshold value, a constant flower size was observed for the fully open flowers (0.21 ± 0.10 g plant -1and 25 ± 2 cm 2plant -1). Excluding the positive linear effect of the duration of LD period, assimilate availability had no relevant influence on plant height (< 10 % increase). Irrespective of the growth conditions and season, a positive linear relationship between NoF and TDM was observed (NoF = 1.938TDM - 2.34; R 2= 0.90). The parameters of this relationship are cultivar-specific. The generic nature of these results is discussed is this chapter. The functional relationships developed for predicting NoF and flower size were incorporated as 'modules' in a photosynthesis-driven growth model for cut chrysanthemum (Chapter 5.2).

The influence of assimilate availability on flower size can also be tested by manipulating sink-source ratio. This allows the estimation of the potential flower size, which is defined as the size reached under conditions of non-limiting assimilate availability. In Chapter 4.2 sink-source ratio was manipulated by flower bud removal (leaving one, two or four flowers and a control), by the presence or absence of axillary shoots, and by varying the light intensity. To investigate whether flower size is dependent on flower position within the stem, the apical terminal flower, the apical lateral flowers (from first order axillary shoots) and the first flower locate in a second order axillary shoot were compared. The results indicated that in treatments where a limit on number of flowers was imposed, individual flower dry mass and area increased significantly under conditions of lower competition for assimilates (for example, by decreasing sink-source ratio by either leaving fewer flowers per plant, removing axillary shoots or using supplementary assimilation light). The effect of flower position on flower size, in both the disbudded and control plants, was found to be only important when comparing flowers located on the first order axillary shoots with flowers on the second order axillary shoots, the latter being 40 % smaller than the former. Monoflower plants without side shoots represented the potential flower size, and their flower was up to 2.4 times as heavier and 76 % as larger in area as the control flower in 'Reagan Improved'. The 'santini' cultivars also produced their maximum flower size on the monoflower plants, but the increase in size relative to the control plants was cultivar specific. Higher leaf starch content and lower specific leaf area (thicker leaves) were observed in the monoflower treatments, reflecting an abundance of assimilates. Plant dry mass was only reduced at the lowest sink strength treatment (monoflower plants without axillary side shoots), whereas FMR showed a saturation response to the number of flowers per plant with a maximum value of 0.22.

The data obtained in the previous chapters were further explored to model and validate some external quality attributes. In Chapter 5.1 a process-based model was developed to describe internode elongation in time as a function of temperature. This model was calibrated with the data from Chapter 3.1, and it was built based on three plausible physiological processes occurring in chrysanthemum elongation: (1) the accumulation of elongation requirements during the day, (2) elongation during the night using the accumulated elongation requirements, and (3) the limitation of the internode length due to low turgor pressure unable to counteract cell wall elasticity. Simulated and measured internode length showed a good agreement ( R 2= 0.91). The presented model may be extended to include variable light conditions and other plant species that show elongation control by DIF.

In Chapter 5.2 a case study is presented on the interactive effects of duration of the LD period (2, 9 and 16 days) and plant density (48, 64 and 80 plants m -2) on several external quality aspects. An existing photosynthesis-driven crop growth model for cut chrysanthemum (Lee et al. , 2002) was validated and used to simulate total dry mass for the nine treatments. The possibility of a trade-off between the cultivation measures was analysed, while aiming to maintain a certain quality at harvest. It was concluded that a similar total plant fresh mass could be obtained using several combinations of plant density and number of LDs without affecting either NoF or individual flower size. This trade-off is, however, very dependent on the planting date of the crop, which emphasises the need for a crop simulation model as a decision support tool. Furthermore, special attention should be paid to plant height when choosing a combination of the cultivation measures studied, since this is strongly and positively influenced by the duration of the LD period. The modules developed in Chapter 4.1, for number of flowers and flower size were validated and the measured values were accurately predicted.

The main achievements and limitations of this study are discussed in Chapter 6, and suggestions for future research are presented.

Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.