Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Current refinement(s):

Records 1 - 20 / 38

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: keywords==pollinators
Check title to add to marked list
Een bij-zonder kleurrijk landschap in Land van Wijk en Wouden : handreiking 2.0 voor inrichting en beheer voor bestuivende insecten
Rooij, S.A.M. van; Cormont, A. ; Geertsema, W. ; Haag, Martijn ; Opdam, P.F.M. ; Reemer, M. ; Spijker, J.H. ; Snep, R.P.H. ; Steingröver, E.G. ; Stip, Anthonie - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2720) - 41 p.
biodiversiteit - insect-plant relaties - regionale planning - ecologische hoofdstructuur - landschap - zuid-holland - bestuivers (dieren) - apidae - lepidoptera - biodiversity - insect plant relations - regional planning - ecological network - landscape - pollinators
Het programma Groene Cirkels (van Heineken) heeft het initiatief genomen tot het realiseren van een duurzaam bijenlandschap in het land van Wijk en Wouden. Deze handreiking wil een impuls geven aan het realiseren daarvan. In Nederland hebben we zo’n 350 verschillende wilde bestuivende insectensoorten. Door variatie in onder andere bloemvormen en kelkdiepte en bloeiseizoen zijn er gespecialiseerde insecten nodig, aangepast op bloeivorm en het bloeiseizoen. Ook moet bestuiving plaats kunnen vinden onder verschillende omstandigheden: bij goed en slecht weer, in vroege en late voorjaren. Nu eens doet de ene soort het goed, dan is er weer een andere die het meeste werk verzet. Diversiteit aan bijen, hommels en zweefvliegen geeft zekerheid voor bestuiving door de jaren heen.
De bijdrage van (wilde) bestuivers aan een hoogwaardige teelt van peren en aardbeien : nieuwe kwantitative inzichten in de diensten geleverd door bestuivende insecten aan de fruitteeltsector in Nederland
Groot, G.A. de; Knoben, Nieke ; Kats, R.J.M. van; Dimmers, W.J. ; Zelfde, M. van 't; Reemer, M. ; Biesmeijer, Koos ; Kleijn, D. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2716) - 67 p.
pyrus communis - peren - fragaria ananassa - aardbeien - bestuiving - bestuivers (dieren) - apidae - honingbijen - bombus - syrphidae - wilde bijenvolken - nederland - pears - strawberries - pollination - pollinators - honey bees - wild honey bee colonies - netherlands
Data from: Local and landscape-level floral resources explain effects of wildflower strips on wild bees across four European countries
Scheper, J.A. ; Bommarco, R. ; Holzschuh, A. ; Potts, S.G. ; Riedinger, V. ; Roberts, S.P.M. ; Rundlöf, M. ; Smith, H.G. ; Steffan-Dewenter, I. ; Wickens, J.B. ; Wickens, V.J. ; Kleijn, D. - \ 2015
agri-environment - ecosystem services - flower strips - field boundaries - floral resources - landscape context - pollinators
1. Growing evidence for declines in wild bees calls for the development and implementation of effective mitigation measures. Enhancing floral resources is a widely accepted measure for promoting bees in agricultural landscapes, but effectiveness varies considerably between landscapes and regions. We hypothesize that this variation is mainly driven by a combination of the direct effects of measures on local floral resources and the availability of floral resources in the surrounding landscape. 2. To test this, we established wildflower strips in four European countries, using the same seed mixture of forage plants specifically targeted at bees. We used a before–after control–impact approach to analyse the impacts of wildflower strips on bumblebees, solitary bees and Red List species and examined to what extent effects were affected by local and landscape-wide floral resource availability, land-use intensity and landscape complexity. 3. Wildflower strips generally enhanced local bee abundance and richness, including Red-listed species. Effectiveness of the wildflower strips increased with the local contrast in flower richness created by the strips and furthermore depended on the availability of floral resources in the surrounding landscape, with different patterns for solitary bees and bumblebees. Effects on solitary bees appeared to decrease with increasing amount of late-season alternative floral resources in the landscape, whereas effects on bumblebees increased with increasing early-season landscape-wide floral resource availability. 4. Synthesis and applications. Our study shows that the effects of wildflower strips on bees are largely driven by the extent to which local flower richness is increased. The effectiveness of this measure could therefore be enhanced by maximizing the number of bee forage species in seed mixtures, and by management regimes that effectively maintain flower richness in the strips through the years. In addition, for bumblebees specifically, our study highlights the importance of a continuous supply of food resources throughout the season. Measures that enhance early-season landscape-wide floral resource availability, such as the cultivation of oilseed rape, can benefit bumblebees by providing the essential resources for colony establishment and growth in spring. Further research is required to determine whether, and under what conditions, wildflower strips result in actual population-level effects.
De foeragerende honingbij
Steen, J.J.M. van der - \ 2015
Bijenhouden 9 (2015)6. - ISSN 1877-9786 - p. 7 - 9.
bijenhouderij - foerageren - honingbijen - apis - drachtplanten - bloeiende planten - nectar - stuifmeel - bestuivers (dieren) - beekeeping - foraging - honey bees - pollen plants - flowering plants - pollen - pollinators
Dit artikel is een compilatie van het Wageningen-UR PRI rapport 606 ’Factoren die het foerageergedrag van honingbijen bepalen (deel I)’. In dit rapport wordt het haalgedrag van de honingbij beschreven: hoe wordt het bepaald en wat wordt verzameld en hoe. Daarnaast is in het rapport een drachtplantenlijst opgenomen (deel II). Hoe bijen drachten bezoeken is interessant voor de bijenhouder en van wezenlijk belang voor het inzetten van honingbijen voor bestuiving en voor het interpreteren van uitkomsten in studies waarin bijenvolken gebruikt worden voor het aantonen van plantenziekten en milieuverontreinigingen.
Duurzaamheidseffecten van akkerranden
Alebeek, Frans van - \ 2015
arable farming - sustainability - biodiversity - field margins - scientific research - pilot projects - apidae - bombus - pollinators - natural enemies - insect pests - birds - ornamental value - small mammals
Bijen en hommels, naast bestuivers ook nuttig bij gewasbescherming : nuttige ‘snuffelpaal’ door meenemen bacteriën en schimmels
Arkesteijn, M. ; Steen, J.J.M. van der - \ 2015
Onder Glas 12 (2015)8. - p. 48 - 49.
glastuinbouw - apidae - bestuivers (dieren) - gewasteelt - plantgezondheid - gewasbescherming - antagonisten - nuttige insecten - belichting - bloei - landbouwkundig onderzoek - teeltsystemen - greenhouse horticulture - pollinators - crop management - plant health - plant protection - antagonists - beneficial insects - illumination - flowering - agricultural research - cropping systems
Bijen en hommels zijn door hun bouw en gedrag goede bestuivers. Maar ze kunnen meer. Ze zijn ook heel geschikt om antagonistische micro-organismen voor ziektebestrijding over te brengen én informatie vanuit het veld over ziekten mee terug te nemen. Belangrijk voor al deze taken is: hoe houden we ze actief onder de ‘nieuwe’ teeltomstandigheden in de kas?
De bijdrage van (wilde) bestuivers aan de opbrengst van appels en blauwe bessen : kwantificering van ecosysteemdiensten in Nederland
Groot, G.A. de; Kats, R.J.M. van; Reemer, M. ; Sterren, D. van der; Biesmeijer, J.C. ; Kleijn, D. - \ 2015
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2636) - 71
bestuivers (dieren) - bestuiving - insecten - apidae - wilde bijenvolken - bevruchting - zetting - appels - blauwe bessen - biodiversiteit - ecosystemen - veldgewassen - wetenschappelijk onderzoek - nederland - pollinators - pollination - insects - wild honey bee colonies - fertilization - set - apples - blueberries - biodiversity - ecosystems - field crops - scientific research - netherlands
De bestuiving van landbouwgewassen door gehouden en in het wild levende soorten bijen en zweefvliegen vormt een relevante en veelgenoemde ecosysteemdienst, die echter onder toenemende druk staat. De honingbijen die traditioneel landbouwgewassen bestuiven, gaan in aantal sterk achteruit als gevolg van te hoge sterfte, met name gedurende de winterperiode. Momenteel wordt door meerdere instituten, waaronder Wageningen UR, onderzoek uitgevoerd naar de oorzaken van de sterfte van honingbijen. Waarschijnlijk speelt een complex van factoren een rol, waaronder het gebruik van bepaalde insecticiden en de parasitaire varroamijt, een gebrek aan natuurlijke voedselbronnen en/of klimaatsveranderingen. Ook veel wilde bijensoorten nemen in aantal af. Ongeveer de helft van de wilde bijensoorten in Nederland staat op de Rode Lijst. Hoofddoel van het voorliggende onderzoek was het agronomisch en economisch kwantificeren van de bijdrage van bestuivende diensten door wilde en gedomesticeerde (bijgeplaatste) insecten aan de landbouwkundige productie van twee belangrijke Nederlandse insecten-bestoven fruitgewassen: de appel en de blauwe bes. Op deze wijze levert het onderzoek een ‘proof-of-concept’ van het economisch belang van ecosysteemdiensten, en daarmee biodiversiteit, voor de Nederlandse samenleving.
The role of agri-environment schemes in conservation and environmental management
Batary, P. ; Dicks, L.V. ; Kleijn, D. ; Sutherland, W.J. - \ 2015
Conservation Biology 29 (2015)4. - ISSN 0888-8892 - p. 1006 - 1016.
land-use intensity - ecosystem services - agricultural landscapes - farmland birds - biodiversity - metaanalysis - europe - benefits - intensification - pollinators
Over half of the European landscape is under agricultural management and has been for millennia. Many species and ecosystems of conservation concern in Europe depend on agricultural management and are showing ongoing declines. Agri-environment schemes (AES) are designed partly to address this. They are a major source of nature conservation funding within the European Union (EU) and the highest conservation expenditure in Europe. We reviewed the structure of current AES across Europe. Since a 2003 review questioned the overall effectiveness of AES for biodiversity, there has been a plethora of case studies and meta-analyses examining their effectiveness. Most syntheses demonstrate general increases in farmland biodiversity in response to AES, with the size of the effect depending on the structure and management of the surrounding landscape. This is important in the light of successive EU enlargement and ongoing reforms of AES. We examined the change in effect size over time by merging the data sets of 3 recent meta-analyses and found that schemes implemented after revision of the EU's agri-environmental programs in 2007 were not more effective than schemes implemented before revision. Furthermore, schemes aimed at areas out of production (such as field margins and hedgerows) are more effective at enhancing species richness than those aimed at productive areas (such as arable crops or grasslands). Outstanding research questions include whether AES enhance ecosystem services, whether they are more effective in agriculturally marginal areas than in intensively farmed areas, whether they are more or less cost-effective for farmland biodiversity than protected areas, and how much their effectiveness is influenced by farmer training and advice? The general lesson from the European experience is that AES can be effective for conserving wildlife on farmland, but they are expensive and need to be carefully designed and targeted.
Economisch nut volstaat niet als basis natuurbeheer
Kleis, R. ; Kleijn, D. - \ 2015
Resource: weekblad voor Wageningen UR 9 (2015)20. - ISSN 1874-3625
wilde bijenvolken - apidae - honingbijen - natuurbeheer - bestuivers (dieren) - economische analyse - akkerranden - biodiversiteit - wild honey bee colonies - honey bees - nature management - pollinators - economic analysis - field margins - biodiversity
De bestuiving van landbouwgewassen is het werk van slechts een handjevol soorten bijen. De rest is economisch gezien nutteloos. Als argument voor natuurbeheer is dus meer nodig dan economisch nut.
Meeste wilde bestuivers buiten boot bij focus op economisch nut
Kleijn, D. - \ 2015
Nature Today (2015)18 juni.
insecten - bestuivers (dieren) - apidae - wilde bijenvolken - bestuiving - biodiversiteit - ecosystemen - stuifmeel - rassen (dieren) - bedreigde soorten - wetenschappelijk onderzoek - soortendiversiteit - insects - pollinators - wild honey bee colonies - pollination - biodiversity - ecosystems - pollen - breeds - endangered species - scientific research - species diversity
Insecten leveren een bijdrage aan ecosysteemdiensten vanwege de bestuiving van allerlei gewassen. Maar uit nieuw onderzoek, gepubliceerd in Nature Communications, blijkt dat dat slechts geldt voor een kleine groep algemene soorten. Zeldzame soorten dragen nauwelijks bij aan bestuiving. In het internationale debat over biodiversiteitsbehoud kan de huidige focus op ecosysteemdiensten als argument voor soortbescherming voor zeldzame soorten dus slecht uitpakken.
Factoren die het foerageergedrag van honingbijen bepalen (deel I); Dracht in Nederland (cultuurgewassen en wilde planten) (deel II)
Steen, J.J.M. van der; Cornelissen, B. - \ 2015
Wageningen : Plant Research International, Wageningen UR (Rapport 606) - 94
apis mellifera - honingbijen - diergedrag - bestuivers (dieren) - dansen (bijen) - door bijen verzameld stuifmeel - seizoenen - drachtplanten - veldgewassen - vruchtbomen - openbaar groen - wegbermplanten - wilde planten - waarden - honey bees - animal behaviour - pollinators - dances - bee-collected pollen - seasons - pollen plants - field crops - fruit trees - public green areas - roadside plants - wild plants - values
Om een inschatting te kunnen maken van het risico dat honingbijen blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen, andere stoffen zoals atmosferische depositie van fijnstof en organismen zoals plantpathogene microorganismen, is in opdracht van het Ministerie van EZ/Landbouw een samenvatting gemaakt van de informatie, beschikbaar over de aantrekkelijkheid van Nederlandse gewassen voor honingbijen (Apis mellifera). De opdracht is vorm gegeven in twee delen. Deel I is een beschrijving van het bijenvolk met de focus op het foerageergedrag, gevolgd door een beschrijving van factoren die het foerageergedrag bepalen, hoe de bijen hun omgeving exploreren en exploiteren en een lijst met kengetallen over het foerageren van honingbijen. Deel II geeft een overzicht van cultuurgewassen en wilde planten met bijbehorende waarden van nectar en stuifmeel voor honingbijen met bloeitijden en verwijzingen naar goede drachtplantenboeken. Hieronder zijn puntsgewijs relevante zaken gegeven die in het rapport verder uitgewerkt zijn. Honingbijen zijn voor hun voedsel (nectar en stuifmeel) volledig afhankelijk van planten. Het foerageergedrag en de voorkeur voor gewassen hangt af van de behoefte in het volk en de aantrekkelijkheid van het gewas als nectar- en stuifmeelbron. Het foerageergedrag wordt voortdurend aangepast aan de beschikbare dracht en de behoeften van het bijenvolk. Honingbijen leven in volken die variëren in grootte van ~7000 individuen in het voorjaar (maart) tot 20 000 à 30 000 in de zomer en weer afnemend in oktober. In het actieve foerageer- en broedseizoen is een derde tot een vierde deel foerageerster (haalbij). In de loop van een seizoen halen de bijen ten behoeve van het volk 25 kg water, 20 - 30 kg stuifmeel, 125 kg nectar en kleine hoeveelheden hars (propolis). Voor het halen van deze voedselcomponenten vliegen bijen tot 2 km voor water, tot 6 km voor stuifmeel en tot 12 à 13 km voor nectar. Meestal zullen de vluchten echter beperkt zijn tot 600-800 meter. De foerageerafstanden zijn in de zomer (juli – augustus) langer dan in het voorjaar (maart – mei). Met andere woorden, in het voorjaar wordt het voedsel in een kleiner gebied verzameld dan in de zomer. Het risico dat bijen aan een bespuiting zullen worden blootgesteld zou daarom na half juni hoger kunnen zijn dan in het voorjaar. Maar aan de andere kant zijn dan de meeste bespuitingen met insecticiden achter de rug. Het risico van blootstelling aan een insecticide is hoger in een gewas met een goed nectar- (hoeveelheid en suikerconcentratie) en stuifmeelaanbod. Foerageersters vliegen per dag gemiddeld 10 keer uit om voedsel te verzamelen, elke trip kan van een paar minuten tot een uur duren. Door communicatie via de bijendans en trophallaxis (voedseluitwisseling) wordt de keuze voor het benutten van een bepaalde dracht sterk gestuurd. Dat betekent dat bijen zich niet homogeen verdelen over het drachtgebied maar focussen op de meest profijtelijke drachten. Als gevolg daarvan is ‘geen bezoek’ en ‘veel bezoek’ in de verdeling meer vertegenwoordigd dan ‘een beetje bezoek’. Bijenvolken van een bijenstand verdelen zich niet allemaal gelijk over het drachtgebied; verschillende volken bezoeken deels verschillende en deels overlappende drachten. Hoewel de triggers en veelal de drempels bekend zijn, evenals de manier van foerageren, is het nog niet mogelijk precies te voorspellen hoe een volk zich verdeelt over meerdere velden. Omgekeerd is ook niet te voorspellen welk aandeel van verschillende volken op verschillende locaties in een bepaald veld mag worden verwacht. De nectar die binnengebracht wordt, wordt binnen enkele uren verdeeld over het volk; foerageersters gebruiken het als brandstof voor nieuwe foerageervluchten, het komt in het larvenvoedsel terecht en het meeste wordt opgeslagen. Vaste deeltjes zoals fijnstof en microbiële plantpathogenen verdelen zich snel over de bijen in het volk door fysiek contact
Tales on insect-flowering plant interactions : the ecological significance of plant responses to herbivores and pollinators
Lucas Gomes Marques Barbosa, D. - \ 2015
University. Promotor(en): Marcel Dicke, co-promotor(en): Joop van Loon. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789462572119 - 207
bloeiende planten - insecten - insect-plant relaties - plant-herbivoor relaties - herbivoren - bestuivers (dieren) - trofische graden - parasitoïden - herbivoor-geinduceerde plantengeuren - flowering plants - insects - insect plant relations - plant-herbivore interactions - herbivores - pollinators - trophic levels - parasitoids - herbivore induced plant volatiles - cum laude
cum laude graduation
Eindrapportage: Bedrijven voor Bijen
Cornelissen, B. ; Alebeek, F.A.N. van; Berg, W. van den - \ 2015
Wageningen : Plant Research International, Wageningen UR - 46
apidae - wilde bijenvolken - detectie - drachtplanten - biodiversiteit - bedrijventerreinen - stadsomgeving - openbaar groen - bestuivers (dieren) - participatie - wilde bloemen - insecten - wild honey bee colonies - detection - pollen plants - biodiversity - business parks - urban environment - public green areas - pollinators - participation - wild flowers - insects
In het project “Bedrijven voor Bijen” (2012 – 2014) hebben verschillende partijen, waaronder De Gasunie en Wageningen UR, onderzocht hoe en met welke maatregelen populaties van bijen op bedrijventerreinen en in industriële infrastructuur versterkt kunnen worden. Het onderzoek bestaat uit drie onderzoekslijnen: a) Bijen op leidingtracés van de Gasunie, b) Bijen in de stad en c) beheer van gazons voor bestuivers. Dit rapport beschrijft de resultaten van de drie studies.
Het belang van wilde bestuivers voor de landbouw en oorzaken voor hun achteruitgang
Scheper, J.A. ; Kats, R.J.M. van; Reemer, M. ; Kleijn, D. - \ 2014
Wageningen : Wageningen UR Alterra (Alterra-rapport 2592) - 50
bestuivers (dieren) - apidae - fauna - insect-plant relaties - ecosysteemdiensten - landbouw - vruchtbomen - nederland - pollinators - insect plant relations - ecosystem services - agriculture - fruit trees - netherlands
Wilde bestuivers zoals bijen en zweefvliegen leveren een belangrijke bijdrage aan de productie van insect-bestoven landbouwgewassen. Wat de bijdrage van wilde bestuivers is ten opzichte van de diensten geleverd door de honingbij is momenteel onbekend in Nederland. De huidige studie had tot doel meer inzicht te krijgen in (1) welke wilde bestuivers tot soorten behoren die voor de - Nederlandse - landbouw relevant kunnen worden geacht, (2) wat bekend is van hun populatieontwikkelingen en wat waarschijnlijk belangrijke factoren zijn die hun achteruitgang kunnen verklaren en (3) indien de achteruitgang van voedselplanten een belangrijke factor zou zijn bij de achteruitgang van wilde bestuivers, welke (natuur)beheermaatregelen dan eventueel denkbaar zijn om de beschikbaarheid van voedselplanten te bevorderen.
The effectiveness of ditch banks as dispersal corridor for plants in agricultural landscapes depends on species' dispersal traits
Dijk, W.F.A. van; Ruijven, J. van; Berendse, F. ; Snoo, G.R. de - \ 2014
Biological Conservation 171 (2014). - ISSN 0006-3207 - p. 91 - 98.
agri-environment schemes - european countries - biodiversity - grassland - farmland - habitat - colonization - fragmentation - connectivity - pollinators
The effectiveness of agri-environment schemes (AES) in enhancing biodiversity in agricultural landscapes is still strongly debated. In the Netherlands, one of the most widely implemented AES is the management of ditch banks to enhance plant species diversity. Previous research has shown that this type of AES has not led to increases in plant diversity. However, this work also showed that the success of this type of AES may depend on the presence of source populations in the surrounding areas. In this study we investigated if species-rich nature reserves can act as seed sources for agricultural ditch banks under AES and whether this function of nature reserves differs among plant species with different dispersal capacities. We used data collected by farmers over a 10 year period to analyse trends in species richness of target plants and in different dispersal groups in ditch banks under AES at different distances from nature reserves. Our results demonstrate that nature reserves can act as species rich sources in agricultural landscapes and that adjacent AES ditch banks can facilitate the colonisation of the surrounding agricultural landscape. However, the suitability of ditch banks as corridors depends on the dispersal capacity of a species. Particularly water-dispersed species clearly spread from nature reserves into the surrounding agricultural landscape along ditches. In contrast, species without adaptations to disperse over long distances do not show these spatiotemporal patterns.
De Nederlandse Bijen
Belgers, J.D.M. - \ 2013
Bijenhouden 2013 (2013)juni. - ISSN 1877-9786 - p. 4 - 5.
apidae - honingbijen - nederland - bestuivers (dieren) - drachtplanten - dierecologie - determinatietabellen - identificatie - boekbesprekingen - honey bees - netherlands - pollinators - pollen plants - animal ecology - keys - identification - book reviews
Het Jaar van de Bij (2012) was een groot succes. Alom aandacht voor zowel de honingbij als de wilde bij. Bijenhotels rezen het afgelopen jaar als paddenstoelen uit de grond; veel mensen weten nu het verschil tussen honingbij, wilde (solitaire) bij en wesp. Hoogtepunt voor veel bijenliefhebbers was de presentatie van het boek ‘De Nederlandse Bijen’op 13 december 2012 bij Naturalis in Leiden. Na onze vooraankondiging in januari hier een bespreking van een kenner.
Effecten van Varroa en stuifmeelaanvoer op bijenvolken
Dooremalen, Coby van - \ 2013
apidae - honey bees - causes of death - animal diseases - varroa - pollen - pollinators - animal physiology - animal health
Pesticides, pollination and native bees : Experiences from Brazil, Kenya and the Netherlands (policy brief)
Koomen, I. - \ 2013
Centre for Development Innovation, Wageningen UR
bestuivers (dieren) - gewassen - zaadproductie - honingbijen - bombus - insecticiden - klimaatverandering - destructie - habitatdegradatie - risicofactoren - bewustzijn (awareness) - kenya - nederland - brazilië - projecten - pollinators - crops - seed production - honey bees - insecticides - climatic change - destruction - habitat degradation - risk factors - awareness - netherlands - brazil - projects
Pollinators contribute greatly to food security. Effective pollination results in increased crop production, commodity quality and greater seed production. Many fruits, vegetables, edible oil crops, stimulant crops and nuts are highly dependent on bee pollination. Even where honey bees or bumble bees are used to pollinate high value crops, concurrence of native bees, both social and solitary species, increases yield and quality of those crops. A serious threat to this essential pollination service is the increasing evidence of a global decline in insect pollinators, both native and managed. Various causes for this decline have been identified, including loss, destruction and degradation of habitats; reduced genetic diversity of nectar plants; pests and pathogens; competition by introduced pollinators; climate change; and pesticide use – all individually or in concert, potentially causing direct and indirect adverse effects on pollinator populations.
Bijen en exoten
Blacquiere, Tjeerd - \ 2013
honey bees - apidae - bombus - pollen plants - bee diseases - pollinators - mites - nosema apis - varroa - introduced species - provenance
Reproductive escape: annual plant responds to butterfly eggs by accelerating seed production
Lucas-Barbosa, D. ; Loon, J.J.A. van; Gols, R. ; Beek, T.A. van; Dicke, M. - \ 2013
Functional Ecology 27 (2013)1. - ISSN 0269-8463 - p. 245 - 254.
pieris-brassicae - raphanus-raphanistrum - solanum-carolinense - volatile emissions - flower visitation - insect eggs - herbivory - pollinators - ecology - defense
1.Plants respond to insect herbivores with changes in physical and chemical traits, both locally and systemically, in leaves and flowers. Such phenotypic changes may influence the behaviour of every community member that interacts with the plant. Here, we address effects of plant responses to eggs and subsequent herbivory by caterpillars on plant-mediated interactions with pollinators and consequences for plant fitness. 2.Using a common garden set-up, we have investigated responses of Brassica nigra plants to herbivore exposure from egg deposition onwards throughout larval development. We quantified effects of infestation by the specialist Pieris brassicae on: 1. behaviour of pollinators; 2. volatile emission and 3. timing and number of seeds produced. 3.Egg deposition and folivory did not influence visitation by pollinators to plots of infested or control plants. Effects of herbivore infestation on both pollinator visitation and volatile emission were observed only at a later stage, when caterpillars were feeding on the flowers. 4.Remarkably, before eggs had hatched, infested plants accelerated seed production. The caterpillars that developed from the eggs fed on flowers but not on seeds and thus seed production prior to herbivory on flowers safeguarded reproductive output. 5.The results of this study show that early plant investments in reproduction can successfully prevent consumption of expensive reproductive tissues. By accelerating seed production, plants prevented consumption of flowers and effectively defended themselves against the herbivores
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.