Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Current refinement(s):

Records 1 - 20 / 273

  • help
  • print

    Print search results

  • export
    A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
  • alert
    We will mail you new results for this query: keywords==schade
Check title to add to marked list
Bacillus cereus spore damage recovery and diversity in spore germination and carbohydrate utilisation
Warda, Alicja K. - \ 2016
University. Promotor(en): Tjakko Abee, co-promotor(en): Masja Nierop Groot. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789462579262 - 157
bacterial spores - bacillus cereus - heat treatment - damage - microbiological techniques - bacteriële sporen - warmtebehandeling - schade - microbiologische technieken

Bacterial spores are extremely robust survival vehicles that are highly resistant towards environmental stress conditions including heat, UV radiation and other stresses commonly applied during food production and preservation. Spores, including those of the toxin-producing food-borne human pathogen Bacillus cereus, are ubiquitously present in a wide range of environmental niches such as soil, plant rhizosphere, intestinal tract of insects and animals, and it is virtually impossible to prevent contamination at the primary production level. Heat treatments are conventionally applied in food processing to reduce the microbial load of food products, however, to comply with consumer desire for products with higher sensory and nutritional values, the treatment intensity may become milder. Consequently, subpopulations of spores may emerge that are sublethally damaged rather than inactivated conceivably causing quality and safety issues following repair and outgrowth. In this thesis, a functional genomics approach was used in combination with subpopulation and single spore analysis to identify factors involved in recovery of heat damaged spores, and to link B. cereus genotypes to nutrient-induced germination capacity and carbohydrate utilisation capacity.

Using comparative analysis of B. cereus ATCC 14579 wild type and targeted mutants, putative damage repair factors were identified such as putative transcriptional regulator CdnL, that supported recovery of spores in a range of conditions including model foods. The majority of identified genes encoding putative damage repair factors appeared to be unique for B. cereus group members. This novel information on spore recovery adds to further insights in versatility of survival strategies of B. cereus.

Different types of foods may contain different types and levels of nutrients including amino acids and carbohydrates, that can affect spore germination capacity and subsequent outgrowth performance of vegetative B. cereus cells. Nutrient germinants present in food products can trigger specific germinant receptors (GRs) located in the spore inner membrane leading to spore germination, a critical step before growth resumes. Combined analysis of genotypes and nutrient-induced germination phenotypes using high throughput flow cytometry analysis at the level of individual spores, revealed substantial diversity in germination capacity with a subset of strains showing a very weak germination response even in nutrient-rich media containing high levels of amino acids. Phylogenetically, these B. cereus strains grouped in subgroup IIIA encompassing strains containing pseudogenes or variants of some of the Ger clusters and two strains containing the recently identified SpoVA2mob transposon, that induced heat resistance with concomitant reduced germination response in Bacillus subtilis spores. The same B. cereus isolates were also used to link genotypes with carbohydrate utilisation clusters present on the genomes, and this revealed representatives of subgroup IIIA to lack specific carbohydrate utilisation clusters (starch, glycogen, aryl beta-glucosides; salicin, arbutin and esculin) suggesting a reduced capacity to utilise plant-associated carbohydrates for growth. Since these B. cereus subgroup IIIA representatives contain host-associated carbohydrate utilisation gene clusters and a subset of unique Ger clusters, their qualification as poor germinators may require revision following assessment of spore germination efficacy using host-derived compounds as germinants.

The research described in this thesis has added novel insights in B. cereus capacity to cope with spore damage and provided novel overviews of the distribution and putative functionality of (sub)clusters of GRs and carbohydrate utilisation clusters. Knowledge on spore damage repair, germination and metabolism capacity adds to further understanding of B. cereus ecology including niche occupation and transmission capacity.

Effectiviteit wildschadepreventie : beoordelingsmethodiek en literatuurreview
Buij, R. ; Lammertsma, D.R. ; Melman, T.C.P. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2740) - 41 p.
schade - beweidingsschade - wilde dieren - methodologie - schadepreventie - damage - browsing damage - wild animals - methodology - loss prevention
Er is een methodiek opgesteld om studies naar middelen voor wildschadepreventie te kunnen beoordelen. De methodiek betreft enerzijds de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek en anderzijds de effectiviteit van de middelen. Naast effectiviteit van de middelen wordt ook aandacht geschonken aan aspecten als ontwikkelingsfase van het middel, aanschaf- en gebruikskosten, neveneffecten e.d. Aan de hand van deze methodiek is voor de tien belangrijkste schadesoorten in Nederland een literatuurreview gemaakt van onderzoeken naar de effectiviteit van verjagingsmiddelen. Wat betreft internationale literatuur hebben we ons beperkt tot peer-reviewed publicaties, voor Nederlands onderzoek is ook gekeken naar grijze literatuur.
Omvang en overleving van schubvis bijvangst in fuikenvisserij nabij kunstwerken
Griffioen, A.B. ; Keeken, O.A. van; Chen, C. ; Blom, E. ; Schram, E. ; Graaf, M. de; Winter, Hendrik V. - \ 2016
IMARES (Rapport / IMARES C140/15) - 53 p.
visserij - bijvangst - vissen - schade - dierenwelzijn - mortaliteit - fisheries - bycatch - fishes - damage - animal welfare - mortality
Deze rapportage geeft een schatting van de omvang van de bijvangst in de beroepsvisserij nabij kunstwerken op basis van fuikvangsten en diverse interviews. Daarnaast is er een experiment uitgevoerd waarbij er gekeken is naar de overleving van schubvis nadat zij in fuiken hebben gezeten. Hierbij zijn de baars en blankvoorn gebruikt om de overleving te testen in relatie tot de volgende variabelen: aanwezigheid aal: geen (0 stuks), weinig aal (7 stuks) en veel aal (50 stuks), staduur van de fuik: 3, 6 of 9 dagen en dichtheid van vis in een fuik: 60 stuks tegenover 240 stuks.
Ecologische gevolgen van het stoppen met zwanendrift
Schotman, A.G.M. ; Melman, T.C.P. - \ 2016
Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2682) - 29 p.
anatidae - zwanen - schade - wildbeheer - draagkracht - dierenwelzijn - populatie-ecologie - nederland - wilde dieren - diergezondheid - swans - damage - wildlife management - carrying capacity - animal welfare - population ecology - netherlands - wild animals - animal health
Het ministerie van EZ heeft Alterra gevraagd de gevolgen van het verbod op zwanendrift in beeld te brengen. Zwanendrift wordt hier gedefinieerd als het oogsten van jonge knobbelzwanen in het veld voor de handel in siervogels. Het beëindigen van zwanendrift heeft mogelijk gevolgen voor de populatieomvang, dierenwelzijn en wildschade. De populatie binnen het zwanendriftgebied wijkt in ontwikkeling niet af van de rest van Zuid-Holland & Utrecht en de rest van het land. Deze populatie lijkt met 3692 individuen en naar schatting 450–950 broedparen in overeenstemming met de geschatte draagkracht van het gebied: 267–900 paren. Er wordt bij beëindiging geen sterke toename van de populatie verwacht. Behalve aan afschot en legselbeheer is de huidige populatie sterk onderhevig aan natuurlijke regulatie door emigratie en immigratie. Lokale ingrepen hebben een beperkt effect. De knobbelzwaanschade in Zuid-Holland is nu € 2958 tot € 9365 per jaar. Het landelijke schadebedrag in 2015 was € 73.000. De schade in het zwanendriftgebied is niet uitzonderlijk groot. Aannemelijk is dat de wildbeheereenheden de schade onder controle kunnen houden. Ter voorkoming van de vestiging van groepen niet-territoriale vogels en uit het oogpunt van dierenwelzijn is het aan te bevelen daarbij territoriale broedparen met rust te laten, maar wel de eieren op één na onklaar te maken door prikken of dompelen in olie.
Terugkerende muizenplagen in Nederland : inventarisatie, sturende factoren en beheersing
Wymenga, E. ; Latour, J. ; Beemster, N. ; Bos, D. ; Bosma, N. ; Haverkamp, J. ; Hendriks, R.F.A. ; Roerink, G.J. ; Kasper, G.J. ; Roelsma, J. ; Scholten, S. ; Wiersma, P. ; Zee, E. van der - \ 2016
Altenburg & Wymenga (A&W-rapport 2123) - 137 p.
muizen - woelmuizen - plagen - schadelijke dieren - schade - graslanden - knaagdierenbestrijding - dijken - waterschappen - mice - voles - pests - noxious animals - damage - grasslands - rodent control - dykes - polder boards
2014 en 2015 zullen de geschiedenis in gaan als jaren met een uitzonderlijk grote veldmuizenplaag in Fryslân en op beperkte schaal elders in Nederland. In de loop van de zomer van 2014 meldden agrariërs schade aan graslanden. De werkelijke omvang bleek pas in het najaar en de winter van 2014-2015 en was zonder precedent. Ook uit andere provincies kwamen dergelijke meldingen. De economische schade werd door LTO Noord berekend op 73 miljoen euro (de Boer 2015). Uit een schouw van Wetterskip Fryslân bleek dat ook veel waterkeringen te maken hadden met muizenschade. Daarnaast was het waterschap beducht op een mogelijk verhoogde uitspoeling van meststoffen vanuit polders naar het oppervlaktewater. Bovengenoemde zaken waren aanleiding voor verschillende organisaties om in samenwerking met LTO Noord en het Actiecomité een onderzoek te starten naar de achtergronden van de terugkerende muizenplagen en de mogelijke maatregelen om die te beheersen. Ook de STOWA - Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer – richtte haar vizier op de muizenplaag, om uit te zoeken in hoeverre de recente muizenplaag voor waterschappen relevant was. De overkoepelende doelstelling van beide onderzoeken was om kennis en bouwstenen te leveren voor een strategie om in de toekomst muizenplagen vroegtijdig te signaleren en de schade te beheersen.
Beoordeling provinciale vrijstellingslijst
Vos, C.C. ; Broekmeyer, M.E.A. ; Buij, R. ; Jansman, H.A.H. ; Lammertsma, D.R. ; Ottburg, F.G.W.A. ; Schotman, A.G.M. ; Zee, F.F. van der - \ 2016
Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2699) - 55 p.
vogels - schade - natuurbescherming - soorten - milieubescherming - birds - damage - nature conservation - species - environmental protection
Dit rapport geeft een evaluatie van de provinciale vrijstellingslijst, waarbij de schade en overlast van de soorten van de provinciale vrijstellingslijst en zeven extra soorten in beeld zijn gebracht. Per soort is informatie opgenomen over de staat van instandhouding van de soort, de landelijke verspreiding, de aard van de schade of overlast, een inschatting of de schade of overlast in het gehele land optreedt en een overzicht van andere preventieve maatregelen om schade of overlast te voorkomen. Deze informatie helpt het rijk en de provincies bij het besluit om soorten op de vrijstellingslijsten te handhaven, toe te voegen dan wel van de lijst te verwijderen.
De waarde van een gedetailleerde bodemkaart van een waterwingebied
Knotters, M. - \ 2015
Stromingen : vakblad voor hydrologen 21 (2015)2. - ISSN 1382-6069 - p. 29 - 41.
water catchment - groundwater level - yields - damage - soil surveys - soil types - calculation - estimates - noord-brabant - waterwinning - grondwaterstand - opbrengsten - schade - bodemkarteringen - bodemtypen - berekening - schattingen
Boeren in waterwingebieden hebben recht op vergoeding van schade veroorzaakt door daling van de grondwaterstand als gevolg van waterwinning. Bij de berekening van de schades wordt onder meer gebruik gemaakt van bodemkaarten. De vraag die in dit artikel centraal staat is of gedetailleerde kaarten (schaal 1:25.000) opweegt tegen de baten, of dta met toepassing van de landelijke bodemkaart (schaal 1: 50.000) kan worden volstaan. Een validatiestudie is verricht voor het gebied Vierlingsbeek.
Nieuwe mogelijkheden voor de bestrijding van wittevlieg in de sierteelt onder glas : onderzoek aan omnivore roofwantsen en gedragsbeïnvloedende geuren
Messelink, G.J. ; Kruidhof, H.M. ; Elfferich, C. ; Leman, A. - \ 2015
Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapport GTB 1350)
glastuinbouw - sierteelt - organismen ingezet bij biologische bestrijding - reduviidae - thrips - effecten - schade - gerbera - cultivars - limoneen - geurstoffen - greenhouse horticulture - ornamental horticulture - biological control agents - effects - damage - limonene - odours
This study explored new possibilities to control whiteflies in greenhouse ornamental crops with omnivorous predatory bugs and volatiles. Besides the well-known Macrolophus pygmaeus, we tested 4 new species of predatory bugs: Dicyphus errans, Dicyphus eckerleini, Dicyphus maroccanus and Dicyphus tamaninii. We assessed both their potential to control whiteflies and their possible plant damaging effects through plant feeding. The best control of whiteflies was achieved by the species M. pygmaeus, D. tamaninii and D. maroccanus. Significant flower damage was only observed for the predator M. pygmaeus. The degree of flower damage depended strongly on the gerbera cultivar, but damage was observed for both large-flowered and small-flowered types. All 5 species of predatory bugs were able to establish in a winter crop of 2 gerbera cultivars and the exotic plant Lantana camara. The most promising candidate predatory bug for biological control in gerbera is D. maroccanus. This species established well on the 2 tested gerbera cultivars, gave in all cases an excellent control of pests and no significant plant damage was observed. The predatory bugs gave, besides whiteflies, a good control of Echinothrips and in some cases a suppression of aphids and western flower thrips. The volatile limonene showed no significant effect on the oviposition of tobacco and greenhouse whiteflies. Neither did they repel adults of these whiteflies. The mixture of (E)-2-hexenal and 3-hexen-1-ol did not induce a significant attraction response of the adult whiteflies.
Vreterij in consumptie-aardappelen
Rozen, K. van; Huiting, H.F. - \ 2015
Lelystad : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, onderdeel van Wageningen UR, Business Unit PPO-agv
akkerbouw - aardappelen - consumptieaardappelen - gewasbescherming - aantasting - schade - landbouwkundig onderzoek - arable farming - potatoes - table potatoes - plant protection - infestation - damage - agricultural research
Vreterij in Nederlandse consumptieaardappelen staat in een toenemende belangstelling. De aanname is dat het probleem toeneemt, maar de werkelijke omvang van de schade is onbekend. Ook zijn de oorzaken van de aangetroffen gaten vaak niet helder; gaat het om vreterij, aantasting of mechanische schade? Het doel van dit project is om de omvang van de problematiek en de oorzaken van “vreterij” in kaart te brengen. Het verkregen beeldmateriaal kunnen de telers en adviseurs direct gebruiken om symptomen in het veld of in de schuur te vergelijken. Zowel omvang (hoe vaak worden de telers geconfronteerd met (economische) schade) als oorzaak (welke veroorzaker moet wanneer worden beheerst of bestreden) zijn van groot belang voor een efficiënt, rendabel en duurzaam teeltmanagement.
Muizenschade in Friesland
Roerink, G.J. - \ 2015
Wageningen : Wageningen UR Alterra
graslanden - vegetatiemonitoring - remote sensing - schade - beweidingsschade - monitoring - muizen - friesland - grasslands - vegetation monitoring - damage - browsing damage - mice
Friesland is getroffen door een muizenplaag. Al meer dan 12 duizend ha grasland heeft zodanige schade opgelopen dat het waarneembaar wordt op satellietbeelden. Door de zachte winter en de warme droge zomer van afgelopen jaar is de muizenpopulatie in de loop van 2014 in Friesland geëxplodeerd. De muizenkolonies graven gangen onder de graslandzode en vreten de wortels ervan op zodat het gras afsterft. Alterra brengt via satellietbeelden de schade in kaart.
Naar een Plantgezondheidsfonds voor de glastuinbouw : Analyses van risico's en inrichting van het fonds
Bremmer, J. ; Benninga, J. ; Asseldonk, M.A.P.M. van; Hennen, W.H.G.J. - \ 2014
Den Haag : LEI Wageningen UR (Report / LEI Wageningen UR 2014-043) - ISBN 9789086157006 - 58
tuinbouw - glastuinbouw - plantenziekten - plantenplagen - glasgroenten - financiële ondersteuning - risicoanalyse - schade - fytosanitaire maatregelen - quarantaine organismen - horticulture - greenhouse horticulture - plant diseases - plant pests - greenhouse vegetables - financial support - risk analysis - damage - phytosanitary measures - quarantine organisms
Het doel van het onderzoek is het in kaart brengen van: De fytosanitaire kosten in de productie- en handelsketen van de glasgroenteteelt en de mogelijkheden om via een plantgezondheidsfonds een tegemoetkoming te verstrekken bij een eventuele schade als gevolg van fytosanitaire maatregelen gericht op het weren, uitroeien en beheersen van quarantaine (waardige) organismen.
Ecological and experimental constraints for field trials to study potential effects of transgenic Bt-crops on non-target insects and spiders
Booij, C.J.H. - \ 2014
Bilthoven : Cogem (Report / Plant Research International, Business Unit Biointeractions and Plant Health 592) - 58
transgene planten - schade - risicoschatting - onbedoelde effecten - veldproeven - nadelige gevolgen - niet-doelorganismen - akkerbouw - gewasbescherming - transgenic plants - damage - risk assessment - nontarget effects - field tests - adverse effects - nontarget organisms - arable farming - plant protection
Veldproeven zijn een belangrijk onderdeel van de milieurisicobeoordeling bij de toelatingsprocedure voor teelt van genetisch gemodificeerde gewassen , met name om eventuele nadelige effecten op zogenaamde niet-doelwitorganismen te onderkennen.
Augustaziek bij tulp : Eindrapportage ‘Inzicht in de symptoomontwikkeling van Augustaziek tijdens de bolproductie en broeierij'
Verbeek, M. ; Stijger, C.C.M.M. ; Dam, M.F.N. van; Lans, A.M. van der; Lemmers, M.E.C. ; Haaster, A.J.M. van - \ 2014
Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 29
tulpen - plantenvirussen - necrovirus - olpidium brassicae - schade - ziekteoverdracht - bodemschimmels - siergewassen - bloembollen - cultuurmethoden - landbouwkundig onderzoek - tulips - plant viruses - damage - disease transmission - soil fungi - ornamental crops - ornamental bulbs - cultural methods - agricultural research
Augustaziek bij tulp wordt veroorzaakt door het Olive mild mosaic virus (OMMV), een virus dat behoort tot het geslacht Necrovirus (waar ook het tabaksnecrosevirus (TNV) toe behoort). Dit virus kan plantenwortels infecteren vanuit de grond, een proces dat vele malen efficiënter wordt wanneer de virusdeeltjes via zwermsporen van de wortels-infecterende bodemschimmel Olpidium brassicae worden overgebracht. Schimmel en virus komen pleksgewijs in verschillende grondsoorten voor en leven op allerlei gewassen en onkruiden. Augusta komt in bepaalde jaren meer voor dan in andere jaren. Er wordt soms over een cyclus van ongeveer 12 jaar gesproken waarin zogenaamde Augusta-jaren voorkomen. Het onderzoek waarin in dit verslag wordt gerapporteerd had als uitgangspunt drie vragen: • Wanneer Augustaziek uitdooft in een partij, is het virus dan echt afwezig, of heeft men met een latente (niet zichtbare) infectie te maken? Genezen van virus is nl. geen gangbaar verschijnsel in de plantenwereld. • Hoe groot is het risico op zichtbare schade in de broei van een partij die op het veld zichtbare Augusta-schade vertoonde? Kan de schade in de broei voorspeld worden? • Zijn er factoren/indicatoren die een ‘Augusta-jaar’ aankondigen? Om een idee te krijgen over de mogelijke antwoorden op deze vragen is als eerste een enquête gehouden onder tulpentelers (bollenteelt en afbroei). Aan de hand van die enquête is gekeken naar o.a. teeltomstandigheden, perceel, voorvrucht etc. Ook is aan deze telers gevraagd of zij materiaal beschikbaar wilden stellen van partijen waarin zij eerder Augusta-schade hadden waargenomen. Deze partijen zijn opgeplant in de kas onder afbroei-omstandigheden en op het veld onder bollenteelt-omstandigheden. Tijdens deze teelten werd de symptoomontwikkeling gevolgd en werden virustoetsen uitgevoerd om de infectie met OMMV te monitoren. Bij enkele planten met symptomen is met behulp van Next Generation Sequencing gekeken of ook daadwerkelijk OMMV betrokken was bij het ziektebeeld. Hieruit bleek dat er in enkele planten andere virussen dan OMMV voorkwamen die symptomen veroorzaakten die waarschijnlijk in de praktijk moeilijk van Augusta kunnen worden onderscheiden. Voorbeelden van deze virussen zijn het tulpenvirus X, Arabis mozaïekvirus, dravikmozaïekvirus, tabaksratelvirus en het vroege-verbruiningsvirus van erwt. Hoewel op bovenstaande vragen nog geen duidelijke antwoorden te geven zijn, is wel een stapje in de goede richting gezet. Uit dit onderzoek zijn de volgende inzichten verkregen: • Symptomen in tulp die in de praktijk Augustaziek worden genoemd worden over het algemeen veroorzaakt door infectie met OMMV, maar ook andere virussen kunnen op Augusta lijkende schadebeelden geven. • OMMV lijkt in de afbroei ook symptoomloos te kunnen voorkomen, maar dat zal afhankelijk zijn van cultivar en teeltomstandigheden (over het algemeen wordt aangenomen dat bij hogere temperaturen minder schade wordt waargenomen). • Een aantal partijen die als Augustapartijen waren aangemerkt bleken vrij te zijn van OMMV in de virustoets in het leverbaar materiaal en in de boltoetsen na kasteelt en veldteelt. Tijdens deze teelten werd geen schade waargenomen in deze partijen. Of dit ook daadwerkelijk betekent dat uitdoving heeft plaatsgevonden is niet te concluderen omdat ten tijde van de waarneming van de symptomen de zieke planten niet op virusinfecties zijn getoetst.
Prof. Justus Wesseler over overheidsingrijpen bij nieuwe biotechnologische ontwikkelingen
Wesseler, J.H.H. - \ 2014
Wageningen UR
genetische modificatie - transgene planten - transgene organismen - biotechnologie - schade - rijst - india - economische aspecten - genetic engineering - transgenic plants - transgenic organisms - biotechnology - damage - rice - economic aspects
Overheidsregels rond biotechnologie en genetisch gemodificeerde gewassen leiden vaak tot substantieel hoge investeringskosten. Die hebben weer een lager niveau van productontwikkeling tot gevolg en een concentratie in de industrie, een herschikking van onderzoeksprioriteiten en een verschuiving van onderzoek en ontwikkeling naar landen met minder stringente regelgeving. Die trend leidde zelfs tot schade aan duurzame ontwikkeling uit oogpunt van milieu en volksgezondheid.
Kans op schade door hoog doseren
Hoek, H. - \ 2014
Boerderij 99 (2014)34. - ISSN 0006-5617 - p. 57 - 57.
akkerbouw - maïs - aardappelen - suikerbieten - gewasbescherming - herbiciden - schade - opbrengst - toepassingsdatum - doseringseffecten - mechanische bestrijding - arable farming - maize - potatoes - sugarbeet - plant protection - herbicides - damage - outturn - application date - dosage effects - mechanical control
Te hoge dosering van herbiciden kunnen soms leiden tot opbrengstderving. Dat blijkt uit een onderzoek door PPO-agv en CLM. Ze adviseren het LDS-systeem te combineren met een goede middelenkeuze en mechanische onkruidbestrijding, om het risico op gewasschade te beperken. Dat is ook nog eens goed voor de waterkwaliteit.
Screening herbiciden in kleine gewassen (AGV4421, 2004)
Zeeland, M.G. van; Hoek, J. - \ 2014
Lelystad : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Akkerbouw, Groene Ruimte en Vollegrondsgroente - 28
groenteteelt - papaver somniferum - vollegrondsteelt - veldproeven - boerenkool - chinese koolsoorten - erwten - preien - eruca vesicaria - peulvruchten - knolselderij - venkel - gewasbescherming - onkruidbestrijding - herbiciden - schade - kwaliteit - proeven op proefstations - vegetable growing - outdoor cropping - field tests - curley kales - chinese cabbages - peas - leeks - grain legumes - celeriac - fennel - plant protection - weed control - herbicides - damage - quality - station tests
In het kader van het meerjarig onderzoek naar de selectiviteit van herbiciden in gewassen met een klein areaal, zijn in 2004 de volgende gewassen onderzocht: blauwmaanzaad, boerenkool, Chinese kool, erwt, zaaiprei, raketblad, stamslaboon, knolselderij en venkel. Er is een keuze gemaakt uit potentiële bodem- en contactherbiciden, waarvan er zeven herbiciden of combinaties van herbiciden zowel als bodem als contactherbiciden zijn meegenomen, één herbicide alleen als bodemherbicide en zeven herbiciden alleen als contact herbicide. De gewassen zijn op twee verschillende tijdstippen gezaaid. Door op twee tijdstippen te spuiten werd getracht om in vier verschillende gewasstadia te toetsen op selectiviteit. Na de bespuitingen zijn de gewassen beoordeeld op de mate van gewasschade door het middel, en groeireductie.
Kookadvies narcis en bijzondere bolgewassen 2013-2014 : onderzoek naar de schadegrens van narcis en enkele bijzondere bolgewassen bij de warmwaterbehandeling tegen stengelaaltjes
Vreeburg, P.J.M. ; Leeuwen, P.J. van; Korsuize, C.A. ; Trompert, J.P.T. - \ 2014
Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 35
gewasbescherming - tuinbouw - bloembollen - narcissus - temperatuur - warmtebehandeling - cultivars - heetwaterbehandeling - schade - nematoda - plant protection - horticulture - ornamental bulbs - temperature - heat treatment - hot water treatment - damage
Het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci) is in de bollen een quarantaine-organisme waarvoor een nultolerantie geldt. Een aantasting door stengelaaltjes wordt de laatste jaren bij narcis op gemiddeld 20 bedrijven gevonden ondanks de toegepaste standaard warmwaterbehandeling (wwb). Bij tulp ligt dit aantal slechts een weinig lager. Daarnaast worden er jaarlijks 2 à 3 partijen bijzondere bolgewassen aangetroffen met een aantasting. Uit onderzoek bij PPO is bekend dat in narcis stengelaaltjes voorkomen die door het huidige advies (binnen 3 weken na rooien, 1 week voorwarmte bij 30°C, 24 uur voorweken en een warmwaterbehandeling van 4 uur 47°C) niet volledig worden bestreden. De adviezen voor een warmwaterbehandeling van bijzondere bolgewassen dateren vaak van voor 1983. In 2012/2013 is bij PPO gestart met een onderzoek waarin onderzocht wordt of de bestrijding van het stengelaaltje in narcis en bijzondere bolgewassen verbeterd kan worden door de watertemperatuur van de warmwaterbehandeling te verhogen. In 2013/2014 is dit onderzoek vervolgd. Bij narcis zijn ook veel behandelingen uitgevoerd binnen een week na rooien zonder voorwarmte bij 30°C en zonder voorweken. Reden was dat dan mogelijk het lastige voorweken niet meer nodig is omdat de stengelaaltjes minder kans krijgen in te drogen gedurende de langere bewaring en de hogere bewaartemperatuur. Bij de cultivars Tête-à-Tête, Tahiti en Geranium was een warmwaterbehandeling tot 4 uur 47°C zonder opbrengstderving mogelijk. Soms was er wel enige schade aan het gewas en bloemen. Bij Bridal Crown was 4 uur 45°C of 2 uur 47°C maximaal haalbaar, hetgeen mogelijk een gevolg was van de relatief lage temperatuur gedurende de dagen dat de bollen na rooien op het veld lagen te drogen. Koken gedurende 4 uur bij 47 of 49°C binnen 3 weken na voorwarmte bij 30° en hoger en voorweken, was voor alle cultivars mogelijk met uitzondering van Tahiti waar 49°C te hoog was. Opvallend was ook dat een “cultuurkook” van 2 uur 45°C half september uitgevoerd vaak lichte gewas- en bloemschade liet zien en dat bij Tahiti de opbrengst zelfs lager was. Bij de bijzondere bolgewassen werd het onderzoek van vorig jaar herhaald, maar soms met een ander type van het gewas, hetgeen mogelijk mede de reden was dat de resultaten iets afweken van vorig jaar. Ook dit jaar bleek dat op Allium aflatunense Purple Sensation, Chionodoxa luciliae (vorig jaar Violet Beauty), Muscari White Magic (vorig jaar armeniacum) en Scilla siberica zonder schade een hogere kooktemperatuur kan worden toegepast dan nu wordt geadviseerd, waarbij soms wel de voortemperatuur moet worden verhoogd. Een warmwaterbehandeling van 4 uur 47°C was bij alle bijzondere bolgewassen mogelijk, waarbij een voortemperatuur van 34°C soms wel beter was. Een warmwaterbehandeling van 4 uur 49°C was niet haalbaar bij Scilla siberica en gaf enige schade bij Chionodoxa luciliae, leidde tot minder bloemen bij Allium aflatunense Purple Sensation en had geen effect op de bolgroei van Allium en Muscari White De schade werd daarbij na een voortemperatuur bij 34°C altijd (veel) minder dan na een voortemperatuur van 30°C.
Betrouwbaarheid van aantalsschattingen van schadeveroorzakende watervogelsoorten - Deel 2 : Watervogels
Ebbinge, B.S. ; Goedhart, P.W. ; Kiers, M.A. ; Naeff, H.S.D. - \ 2014
Alterra Wageningen UR / Fauna fonds (Alterra rapport 2427) - 138
fauna - wildbeheer - schade - ganzen - watervogels - populatiedichtheid - monitoring - zintuiglijke waarneming - vergelijkingen - wildlife management - damage - geese - waterfowl - population density - organolepsis - comparisons
Tellingen van ganzen en zwanen worden in Nederland sinds 1993 verricht door Sovon en sinds 2005 door de KNJV, met als voornaamste doel een schatting te geven van totale aantallen. Hier is onderzocht in hoeverre de Sovon-tellingen en KNJV-tellingen van watervogels tussen 2005 en 2010 verschillen. Ook worden aandachtspunten bij het tellen van 11 soorten schadeveroorzakende watervogels beschreven. Vergelijking van de telprotocollen levert belangrijke verschillen op die een verklaring zouden kunnen vormen voor uiteenlopende telresultaten. Op grond van de geanalyseerde gegevens is het niet mogelijk de werkelijk aanwezige aantallen nauwkeurig te bepalen, omdat daarvoor validatie met behulp van onafhankelijke tellingen noodzakelijk is. Tot slot worden er aanbevelingen gedaan ter verbetering van telprotocollen door Sovon en KNJV.
Kopstekers in de opkweek van linde : oorzaken en mogelijkheden voor beheersing
Helsen, H.H.M. ; Sluis, B.J. van der - \ 2014
Randwijk : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Bloembollen, Boomkwekerij en Fruit - 29
tilia platyphyllos - dasineura - insecticiden - gewasbescherming - bestrijdingsmethoden - symptomen - cultivars - schade - proeven - herbiciden - insecticides - plant protection - control methods - symptoms - damage - trials - herbicides
Het verschijnsel kopstekers in linde kan verschillende oorzaken hebben. De belangrijkste is de lindebladplooigalmug (Dasineura thomasiana). De larven van deze galmug zuigen aan de jongste bladeren waardoor die op typerende wijze samenvouwen. Bestrijding is mogelijk met een gerichte inzet van insecticiden. Naast de typische galmugschade vertonen verschillende soorten en cultivars ook symptomen die zeker niet door galmuggen worden veroorzaakt. Het gaat meestal om vergelende bladranden, komvormige blaadjes en “genepen blad”. In een veldproef werd aangetoond dat deze verschijnselen niet worden veroorzaakt door herbiciden of galmijten.
Verkenning monitoren wateroverlast Teelt de grond uit bloembollen
Slootweg, G. ; Vreeburg, P.J.M. ; Gude, H. - \ 2014
Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 18
bloembollen - hyacinthus - tulpen - substraten - groeimedia - perliet - drainagesystemen - schade - beluchting - effecten - landbouwkundig onderzoek - ornamental bulbs - tulips - substrates - growing media - perlite - drainage systems - damage - aeration - effects - agricultural research
Bij het uit de grond telen van lelies en hyacinten is regelmatig wateroverlast opgetreden met gewasschade als gevolg. In dit onderzoek werd nagegaan werd of de water-lucht verhouding verbeterd kon worden door het drainagesysteem aan te passen of door het substraat (duinzand) te mengen met perliet. Uit proeven met verschillende substraten en verschillende drainagelagen en mate van afschot, bleek dat het luchtgehalte van bollenzand verhoogd kan worden door daar perliet aan toe te voegen. Toevoeging van grof zand had weinig effect. Grof zand houdt minder water vast en bevat ook na verzadiging en uitdruipen nog veel lucht. Onderin de substraatlaaglaag zit minder lucht dan bovenin (het uitzakeffect). De meeste lucht zit bovenin in een dikkere laag grond. Tussen de verschillende drainagesystemen waren de effecten niet geheel consistent. De resultaten van de verschillende proeven geven aan dat het optreden van schade is afhankelijk was van de duur en het moment van de wateroverlast. Als het substraat 1 dag verzadigd was trad nog geen schade op. Twee dagen wateroverlast in augustus gaf geen opbrengstderving, terwijl 2 dagen in september wel duidelijk schade gaf. Een week wateroverlast gaf veel schade in augustus en oktober, maar had in november geen effect. Er zijn twee typen metingen aan het gewas uitgevoerd om de schade door wateroverlast te kunnen voorspellen: chlorofylfluorescentie tijdens en (direct na) de periode van wateroverlast in augustus en ethanol bepaling in de bollen direct na de periode van wateroverlast in september en november. De gemeten chlorofylfluorescentie aan het einde van de periode van wateroverlast correleerde over het algemeen met de latere schade aan het gewas. Bij twee dagen wateroverlast in augustus werd direct na deze periode een lagere waarde gevonden t.o.v. de controle. Na twee dagen was de efficiëntie van de fotosynthese echter weer op het hetzelfde niveau als die van de controle. Deze behandeling gaf geen duidelijke negatief effect op de opbrengst. Het ethanolgehalte in bollen bleek al na 1 dag wateroverlast een stijgende lijn te vertonen. De concentratie vertoonde een rechtlijnig verband met de duur van de wateroverlast. De afbroeiproeven van het teelt de grond uit onderzoek van 2012 lieten zien dat voor hyacint de teeltwijze (wel of niet ingegraven teeltsysteem) niet leidde tot veel verschil in snelheid van bloemaanleg. Bij afbroei van de kleine bolmaten was het aantal nagels per bol laag maar het aantal nagels per steel werd niet hoger door de teelt boven op de grond met hogere bodemtemperatuur. Bij lelies bleek dat de trekduur van de bollen uit de verschillende teeltsystemen op of in de grond nauwelijks verschilde. Ook de taklengte verschilde niet. Er waren verschillen tussen de teeltbehandelingen in takgewicht en aantal knoppen. De bollen uit de volle grond en de ongeisoleerde kisten, die tijdens de teelt op de grond stonden gaven zwaardere takken en meer knoppen tijdens de broei, dan de ingegraven kisten en de geisoleerde kisten. Deze verschillen zijn niet te verklaren aan de hand van de gemeten bodemtemperatuur(fluctuaties) tijdens de teelt, waarmee de oorzaak van de verschillen onduidelijk is.
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.