Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Records 1 - 3 / 3

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: q=Helmers
Check title to add to marked list
Boerinnen maken beleid : beleids- en organisatieplan van het boerinnenwerk Gelderland
Veenendaal, J. ; Bosch, D. ; Bonekamp, C. ; Helmers, M. ; Franken, G. - \ 1990
Wageningen : L.U. (Rapport / Landbouwuniversiteit Wageningen 43) - 49
landbouw - boeren - organisaties - sociale klassen - vrouwen - nederland - gelderland - agriculture - farmers - organizations - social classes - women - netherlands
Boerinnen maken beleid! : brochure voor jonge agrarische vrouwen
Bonekamp, C. ; Helmers, M. ; Franken, G. ; Jansen, M. ; Kalfsterman, J. ; Loman, B. ; Veldwijk, K. ; Verhoeven, A. - \ 1990
Wageningen : Wetenschapswinkel - 23 p.
Project planning and income distribution : a study with particular reference to developing countries
Helmers, F.L.C.H. - \ 1977
Landbouwhogeschool Wageningen. Promotor(en): F.P. Jansen. - Wageningen : Veenman - 288
ontwikkelingslanden - ontwikkelingshulp - inkomensverdeling - internationale samenwerking - plattelandsontwikkeling - plattelandsplanning - sociale economie - economische samenwerking - economische planning - vermogensverdeling - developing countries - development aid - income distribution - international cooperation - rural development - rural planning - socioeconomics - economic cooperation - economic planning - wealth distribution - cum laude

Dit boek is geschreven voor hen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de voorbereiding, evaluatie en uitvoering van projecten. Aangezien deze groep vele personen telt die niet economisch gevormd zijn, worden de meeste onderwerpen van de projectbeoordelingstheorie tamelijk uitvoerig in dit boek behandeld. Tevens is geprobeerd de theorie tot een afgerond geheel op te bouwen. De reden voor het schrijven van dit boek is dat de behandeling van inkomenseffecten in de projectevaluatie naar de mening van de schrijver nog veel te wensen over laat. Na een discussie in het eerste deel van de traditionele batenkosten analyse, welke als de economische evaluatie van projecten wordt gekenschetst, wordt daarom in het tweede deel uitvoerig stil gestaan bij de sociale bcoordeling van projecten, d.w.z. de evaluatie die ook de inkomensverdelingseffecten van projecten in aarimerking neemt.

De Engelse samenvatting volgt het schema van het boek op de voet. Voor de Nederlandse samenvatting is het daarom rneer interessant in het kort aan te duiden welke aspecten deze studie een eigen karakter geven. Wat betreft het eerste deel is dit allereerst de aandacht die wordt besteed aan niet-optimale situaties. Zij, die voor de baten-kosten analyse van projecten aansluiting zoeken bij de welvaartseconornie en het leerschema der volledige mededinging zullen deze niet behandeld vinden; zij, die aannemen dat de wereld gekenmerkt is door distorsies en door zulk een veelheid van structurele relaties, dat gedetailleerde programmering veelal niet mogelijk is, zijn nader tot de gedachtenwereld van de schrijver. Deze zienswijze leidt ertoe dat, indien inkomensverdelingsaspecten niet belangrijk zijn, het 'wat heeft men er voor over' ofwel het zogenaamde 'willingness to pay' principe wordt aanvaard voor de bepaling van de baten en het alternatieve kosten beginsel voor de bepaling van de kosten van een project. Verder heeft.dit grondmotief als gevolg, dat wordt gekozen voor het gebruik van binnenlandse prijzen in plaats van, zoals tegenwoordig vaak wordt voorgestaan, wereldprijzen. Een tweede leiddraad is dat projecten niet in isolatie mogen worden bekeken; de beperkte middelen maken een keuze uit de veelheid van mogelijke projecten noodzakelijk. Veel aandacht wordt daarom besteed aan het rangschikken van projecten. Een derde punt is dat, ofschoon het eerste deel theoretisch van aard is, steeds wordt getracht de problemen op een practische rnanier te benaderen. Voor de berekening van de schaduwprijzen van inputs, vreemde valuta, arbeid en kapitaal worden daarom vereenvoudigende benaderingsformules voorgesteld. Ook komt deze practische aanpak tot uitdrukking in de behandeling van situaties van kapitaalschaarste, externe effecten, en de evaluatie van projecten in tijden van depressle. Tenslotte moge worden vermeld, dat in het eerste deel uitvoerig wordt ingegaan op het gebruik van buitenlandse arbeid en kapitaal, waarbij ook de kapitaaloverdracht door internationale organisaties zoals de Wereldbank ter sprake komt.

Het tweede deel wijkt in belangrijke mate af van de bestaandeliteratuur. Allereerst wordt uiteengezet, dat het compensatiebeginsel - en daarmede de traditionele analyse - moet worden verworpen, indien de inkomensverdeling wordt beïnvloed door een project. De enige methode om de sociale prioriteit van een project in zulk een geval te beoordelen, is door te meten in hoeverre een meer optimale inkomensverdeling bereikt wordt en daarmede een toeneming van de collectieve welvaart. In dit opzicht wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen de inkornensverdeling tussen generaties en de inkomensverdeling tussen personen in de bestaande generatie. Uitvoerig wordt in de studie ingegaan op de nieuwe literatuur betreffende de sociale disconteringsvoet, welke postuleert dat indien het niveau van de investeringen in een land niet optimaal is een speciaal investeringsalgorithme moet worden gevolgd om het inkomen van de volgende generaties te vergroten. De analyse in de studie maakt het echter duidelijk dat het hechten van gewichten aan investeringen, waardoor onder deze berekeningswijze investeringen waardevoller worden gemaakt dan consumptie, in wezen zeer discriminatoir is en tot een sterke benadeling van de midden inkomensgroep kan leiden. Aangezien de overheid in de praktijk gewoonlijk verschillende andere meer efficiënte instrumenten, b.v. de invoer-, fiscale- en monetaire politiek, tot haar beschikking heeft, moet dit systeem van projectevaluatie meestal worden verworpen. Verder wordt besproken dat het doel van het Overheidsingrijpen niet moet worden gezien als het streven naar groei van het nationale inkomen, maar als het streven naar een billijke groei van de inkoniens van de verschillende inkomensgroepen in de volkshuishouding. In wezen is daarom de intertemporale analyse dezelfde als de interpersonele analyse.

Wat betreft de interpersonele kant van de baten-kosten analyse gaat de nieuwe literatuur er in het algemeen van uit dat investeringsprojecten moeten helpen de bestaande inkomensverdeling te verbeteren. Het is echter niet juist om, zoals deze nieuwe literatuur voorstelt, de sociale waarden van inkornensveranderingen tengevolge van een project af te leiden van een afnemende grensnut functie van het inkomen. Zoals wordt uiteengezet houdt zulk een procedure in dat een ieder in de maatschappij hetzelfde inkomen zou mocten hebben, en dat is iets dat door geen enkel land, hetzij op politieke dan wel op practische gronden, wordt aanvaard. Het is echter wel algemeen aanvaard dat een inkomensvermeerdering van de allerarmsten of allerrijksten respectievelijk zwaarder en lichter moet wegen dan een verandering in de inkomens van de middengroep. Voor de sociale evaluatie van projecten stelt deze studie daarom voor dat gebruik wordt gemaakt van een sociale welvaartsfunctie welke aanneemt dat voor de midden inkomensgroep de inkomensverdeling als optimaal mag worden beschouwd en dat wat betreft de uiteinden van de inkomensschaal de onlangs ook door Tinbergen en Chenery aanbevolen Bernouilli functie kan worden aanvaard.

De op deze manier te bepalen sociale rentabiliteit van een project mag echter niet als de enige maatstaf voor het wel of niet accepteren van het project dienen. Efficiency overwegingen spelen immers altijd een rol en dit betekent dat te allen tijde de verschillende methoden waarop de inkomensverdeling kan worden verbeterd tegen elkaar moeten worden afgewogen. In principe is het daarom onjuist een project met een lage economische rentabiliteit maar met een hoge sociale rentabiliteit zonder rneer te accepteren. Met andere woorden, het geld mag niet over de balk worden gegooid.

In het laatste hoofdstuk wordt aan de hand van een aantal voorbeelden uiteengezet hoe de sociale evaluatie van projecten in de practijk moet worden uitgevoerd. Deze voorbeelden betreffen een hypothetisch project en een aantal actuele projecten gericht op landontwikkeling, irrigatie, mechanische ontginning en het gebruik van landbouwtractoren. Bovendien wordt voor een bepaald land (Maleisië) besproken hoe de sociale ontwikkelingsstrategie moet worden ontworpen voor een bepaalde sector (de landbouwsector). Het blijkt dat indien sociale overwegingen in aarimerking worden genomen belangrijke veranderingen in de traditionele strategie moeten worden aangebracht.

Het ene na het andere land ondergaat tegenwoordig politieke en sociale onrust en het lijdt geen twijfel dat ter verkrijging van sociale, stabiliteit niet alleen de groei van het nationale inkornen van een land moet worden nagestreefd, maar ook de groei van het inkomen van de laagste inkomensklassen. In de opinie van de schrijver kan de sociale evaluatie van projecten een belangriike bijdrage leveren tot het bevorderen van de sociale stabiliteit van een land.

Check title to add to marked list

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.