Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Records 1 - 20 / 29

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: q=Kluijver
Check title to add to marked list
Data rapport: Monitoring vooroeververdedigingen 2016: macrofauna in zacht substraat langs de zuidkust van Schouwen-Duiveland : Locaties Burghsluis, Schelphoek en Zierikzee
Escaravage, Vincent ; Heuvel-Greve, Martine van den; Tangelder, M. ; Kluijver, Mario de - \ 2017
Yerseke : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C089/17) - 101
Data rapport: effect van vooroeververdediging op bodemorganismen in Oosterschelde in 2015
Tangelder, M. ; Kluijver, M. de; Craeymeersch, J. ; Brummelhuis, E.B.M. ; Heuvel-Greve, M.J. van den - \ 2017
Yerseke : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C013/17) - 86
Hoe verloopt de ontwikkeling van infauna gemeenschappen van jaar tot jaar in 2009-2015 in het afgezette sediment op de aangelegde vooroevers van staalslakken en breuksteen bij locatie Zeelandbrug (Zuidhoek-de Val) en Lokkersnol (Cauwersinlaag) in de Oosterschelde en twee referentielocaties in de Oosterschelde?
Ontwikkeling epifauna, infauna en kreeften (T0, T1, T2) op een ecologisch aantrekkelijke vooroeverbestorting (Schelphoek, Oosterschelde) : monitoring Building for Nature proefvak Schelphoek
Tangelder, Martijn ; Ooijen, Tim van; Kluijver, Mario de; Ysebaert, Tom - \ 2017
Den Helder : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C039/17) - 69
fauna - oosterschelde - milieumonitoring - zeekreeften - mariene sedimenten - kalksteen - zandsteen - macrofauna - substraten - oesters - biodiversiteit - eastern scheldt - environmental monitoring - lobsters - marine sediments - limestone - sandstone - substrates - oysters - biodiversity
Rijkswaterstaat voert vooroeverbestortingen uit op het deel van de dijk dat onder water ligt in de Oosteren Westerschelde. Dit is nodig om de stabiliteit van de dijk en daarmee de waterveiligheid te kunnen blijven garanderen. Eerst werd hierbij alleen op veiligheidsdoelen gelet. Nieuw inzicht is dat je door gebruik van bepaalde materialen ook de natuur kunt faciliteren, dit principe wordt ‘Building for Nature’ genoemd. In 2014 is bij de oostelijke strekdam van locatie Schelphoek in de Oosterschelde een bestorting van zeegrind uitgevoerd. In het oorspronkelijke ontwerp was een basis van staalslakken voorzien, maar bij de uitvoering van het werk is vanwege beperkte beschikbaarheid van staalslakken voor zeegrind gekozen. Op het zeegrind zijn riffen van twee verschillende typen breuksteen gestort: kalksteen en zandsteen. Er is gekozen voor deze aangepaste bestorting om de ecologische meerwaarde van dit ontwerp te kunnen onderzoeken. Doel van dit onderzoek is om de rekolonisatie en ontwikkeling van hardsubstraatsoorten (epifauna) en soorten die leven in het sediment (infauna), en het voorkomen van kreeften op de nieuwe bestorting van kalksteen, zandsteen en zeegrind bij de locatie Schelphoek gedurende twee jaar na bestorting te volgen (T1-2015 en T2-2016) en te vergelijken met de situatie voor bestorten (T0-situatie in 2014).
Monitoring vooroeververdediging Oosterschelde 2015 : locaties: Zeelandbrug en Lokkersnol
Tangelder, Martijn ; Heuvel-Greve, Martine van den; Kluijver, Maria de - \ 2016
Yerseke : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C098/16) - 86
oeverbescherming van rivieren - dijken - steenwerk - aquatische ecosystemen - zware metalen - waterorganismen - oosterschelde - westerschelde - nederland - riverbank protection - dykes - stonework - aquatic ecosystems - heavy metals - aquatic organisms - eastern scheldt - western scheldt - netherlands
Rijkswaterstaat heeft aan Wageningen Marine Research opdracht gegeven om in 2015 de T6-monitoring uit te voeren voor Cluster 1 locaties Zuidhoek-De Val (“Zeelandbrug”) en Cauwersinlaag (“Lokkersnol”) in de Oosterschelde. Het doel van deze monitoring is het bepalen van de samenstelling en biodiversiteit van de aanwezige levensgemeenschappen op harde en zachte substraten, en de bepaling van de gehalten aan zware metalen in mosselen en oesters. Voor locatie Lokkersnol is de monitoring alleen op levensgemeenschappen van zachte substraten gericht. De monitoring is uitgevoerd in samenwerking met Stichting Zeeschelp en TNO.
Paraatheid in het lab
Weesendorp, Eefke ; Kluijver, Eric de - \ 2016
Data rapport: Effect van vooroeververdediging op bodemorganismen in Oosterschelde en Westerschelde in 2014
Tangelder, M. ; Kluijver, M. de; Brummelhuis, E.B.M. ; Heuvel-Greve, M.J. van den - \ 2015
Yerseke : IMARES (Rapport / IMARES C116/15) - 81
oevers - bescherming - milieueffect - oeverecologie - bodemarthropoden - bodeminvertebraten - oosterschelde - westerschelde - bodemecologie - zeeland - shores - protection - environmental impact - riparian ecology - soil arthropods - soil invertebrates - eastern scheldt - western scheldt - soil ecology
Hoe verhoudt de rekolonisatie van infauna (diversiteit en aantallen) in het nieuwe gevormde sediment op de aangelegde vooroever op de Cluster 1 en 2 locaties in de Oosterschelde en Westerschelde zich tot de eerdere T0-, T1-, T2-,T3- en T4 monitoring en referentielocaties en hoe is de T0 situatie bij Cluster 3 locatie Wemeldinge in de Oosterschelde?
Monitoring vooroeververdediging Oosterschelde en Westerschelde 2014
Tangelder, M. ; Heuvel-Greve, M.J. van den; Kluijver, M. de; Glorius, S.T. ; Jansen, H.M. - \ 2015
Yerseke : IMARES (Rapport / IMARES C102/15) - 141
oeverbescherming van rivieren - dijken - steenwerk - staal - aquatische ecosystemen - biota - metalen - ecotoxicologie - oosterschelde - westerschelde - nederland - riverbank protection - dykes - stonework - steel - aquatic ecosystems - metals - ecotoxicology - eastern scheldt - western scheldt - netherlands
Rijkswaterstaat bestort de vooroevers voor de dijken in de Ooster- en Westerschelde om de waterveiligheid te kunnen blijven waarborgen. Voor deze bestortingen wordt gebruik gemaakt van staalslakken, breukstenen en zeegrind. Om de gevolgen van het bestorten voor het plaatselijke onderwaterleven inzichtelijk te maken wordt monitoring uitgevoerd door IMARES in opdracht van Rijkswaterstaat. Hierbij wordt onderzoek gedaan naar hard substraat soorten (planten en dieren gevestigd op de harde oever), zacht substraat soorten (dieren die in het sediment op de vooroever leven) en mogelijke uitloging van zware metalen vanuit de vooroeverbestorting naar planten en dieren
Monitoring vooroever Schelphoek Building for Nature proefvlak 2014 - 2017: voortgangsrapportage ontwerp vooroeverbestorting en T0-meting (T2014) epifauna en infauna
Tangelder, M. ; Ysebaert, T. ; Oijen, T. van; Kluijver, M. de - \ 2015
Yerseke : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C112/15) - 38
oeverbescherming van rivieren - oevers - fauna - benthos - oeverecosystemen - monitoring - natuurtechniek - zeeuwse eilanden - oosterschelde - riverbank protection - shores - riparian ecosystems - ecological engineering - eastern scheldt
Rijkswaterstaat voert vooroeverbestortingen uit op het deel van de dijk dat onder water ligt in de Ooster- en Westerschelde. Dit is nodig om de stabiliteit van de dijk en daarmee de waterveiligheid te kunnen blijven garanderen. Eerst werd hierbij alleen op veiligheidsdoelen gelet. Nieuw inzicht is echter dat je door gebruik van bepaalde materialen ook de natuur kunt faciliteren, dit principe wordt ‘Building for Nature’ genoemd. In 2014 is bij de oostelijke strekdam van locatie Schelphoek in de Oosterschelde een bestorting van zeegrind uitgevoerd. Doel van dit onderzoek is om de rekolonisatie en ontwikkeling van hard substraat soorten (epifauna) en soorten die leven in het sediment (infauna) op de nieuwe bestorting van breuksteen, zandsteen en zeegrind bij de locatie Schelphoek gedurende drie jaar na bestorting te volgen (2015-2017) en te vergelijken met de situatie voor bestorten (T0-situatie in 2014). Voorliggend rapport betreft een tussenrapportage met (1) een beschrijving van het ontwerp van de vooroeverbestorting en (2) een beschrijving van de T0-situatie in 2014 vóór het aanleggen van de vooroeverbestorting.
Monitoring vooroeververdediging Oosterschelde 2013
Tangelder, M. ; Schellekens, T. ; Kluijver, M. de; Heuvel-Greve, M.J. van den - \ 2014
Yerseke : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C102/14) - 62
oeverbescherming van rivieren - bekledingen - steenwerk - flora - fauna - zware metalen - mossels - oesters - ecotoxicologie - oosterschelde - monitoring - riverbank protection - linings - stonework - heavy metals - mussels - oysters - ecotoxicology - eastern scheldt
Dit rapport beschrijft de uitkomsten van de eco(toxico)logische monitoring van de vooroeververdediging in de Oosterschelde. Aanleiding hiervoor is dat Rijkswaterstaat sinds 2009 op locaties met voortschrijdende erosie in de Ooster- en Westerschelde bestortingen met staalslakken en breuksteen uitvoert op de vooroever van de dijken om de veiligheid tegen overstromingen te kunnen blijven garanderen. Het doel van deze monitoring is het bepalen van de samenstelling en biodiversiteit van de aanwezige levensgemeenschappen op harde en zachte substraten, en de bepaling van de gehalten aan zware metalen in mosselen en oesters op de nieuwe vooroever en referentie-locaties. Dit is in 2013 gedaan voor de locatie Zeelandbrug (oost/midden/west), waar voor het vierde opeenvolgende jaar is gemonitord na de bestorting in 2009. Daarnaast is de nulsituatie in kaart gebracht voor de locatie Zierikzee die in 2014 bestort zal worden. Ook zijn er verschillende referentie-locaties in de Oosterschelde meegenomen.
Data rapport: Het effect va vooroeververdediging op bodemorganismen in de Oosterschelde: 2012
Brink, A.M. van den; Hartog, E. ; Kluijver, M. de - \ 2013
Yerseke : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C101/13) - 52
oeverbescherming van rivieren - bodemecologie - oosterschelde - kustbeheer - delta's - zeeland - riverbank protection - soil ecology - eastern scheldt - coastal management - deltas
De stromingen in de Ooster-en Westerschelde zorgen lokaal voor erosie van oevers en geulwanden. Om dat proces tegen te gaan worden, op die locaties waar deze erosie de stabiliteit van de waterkering in gevaar brengt of de reeds bestaande oeverwerken ondermijnt, oevers beschermd door “bestortingen” uit te voeren. . In 2012 is geen volledige monitoring van alle locaties gepland, maar is besloten om op één locatie een vinger aan de pols te houden om de ontwikkeling van planten, dieren en metalen te kunnen blijven volgen. Het gaat hierbij om de locatie Zuidhoek - De Val / Zeelandbrug. Het doel van deze monitoring is het bepalen van de samenstelling en biodiversiteit van de aanwezige levensgemeenschappen op harde en zachte substraten, en de bepaling van de gehalten aan zware metalen in mosselen en oesters
Schmallenberg virus outbreak in the Netherlands: Routine diagnostics and test results
Bouwstra, R.J. ; Kooi, E.A. ; Kluijver, E.P. de; Verstraten, E.R.A.M. ; Bongers, J.H. ; Maanen, C. van; Wellenberg, G.J. ; Spek, A.N. van der; Poel, W.H.M. van der - \ 2013
Veterinary Microbiology 165 (2013)1-2. - ISSN 0378-1135 - p. 102 - 108.
akabane virus - antibodies - cattle - orthobunyavirus - shamonda - nigeria - bovine
In 2006 and 2007 pig farming in the region of Lombardy, in the north of Italy, was struck by an epidemic of Swine Vesicular Disease virus (SVDV). In fact this epidemic could be viewed as consisting of two sub-epidemics, as the reported outbreaks occurred in two separate time periods. These periods differed in terms of the provinces or municipalities that were affected and also in terms of the timing of implementation of movement restrictions. Here we use a simple mathematical model to analyse the epidemic data, quantifying between-farm transmission probability as a function of between-farm distance. The results show that the distance dependence of between-farm transmission differs between the two periods. In the first period transmission over relatively long distances occurred with higher probability than in the second period, reflecting the effect of movement restrictions in the second period. In the second period however, more intensive transmission occurred over relatively short distances. Our model analysis explains this in terms of the relatively high density of pig farms in the area most affected in this period, which exceeds a critical farm density for between-farm transmission. This latter result supports the rationale for the additional control measure taken in 2007 of pre-emptively culling farms in that area.
Seroprevalence of antibodies to Schmallenberg virus in dairy cattle, winter 2011-2012
Elbers, A.R.W. ; Loeffen, W.L.A. ; Quak, J. ; Boer-Luijtze, E.A. de; Spek, N.A. van der; Bouwstra, R.J. ; Maas, R. van der; Spierenburg, A.M. ; Kluijver, P.E. ; Schaik, G. van; Poel, W.H.M. van der - \ 2012
Seroprevalence of Schmallenberg Virus Antibodies among Dairy Cattle, the Netherlands, Winter 2011-2012
Elbers, A.R. ; Loeffen, W.L.A. ; Quak, J. ; Boer-Luijtze, E.A. de; Spek, A.N. van der; Bouwstra, R.J. ; Maas, H.A. ; Spierenburg, M.A.H. ; Kluijver, E.P. de; Schaik, G. van; Poel, W.H.M. van der - \ 2012
Emerging Infectious Diseases 18 (2012). - ISSN 1080-6040
akabane virus - orthobunyavirus - arthrogryposis - infections - australia - shamonda - nigeria - japan
Infections with Schmallenberg virus (SBV) are associated with congenital malformations in ruminants. Because reporting of suspected cases only could underestimate the true rate of infection, we conducted a seroprevalence study in the Netherlands to detect past exposure to SBV among dairy cattle. A total of 1,123 serum samples collected from cattle during November 2011–January 2012 were tested for antibodies against SBV by using a virus neutralization test; seroprevalence was 72.5%. Seroprevalence was significantly higher in the central-eastern part of the Netherlands than in the northern and southern regions (p
Cell kinetics of the marine sponge Halisarca caerulea reveal rapid cell turnover and shedding
Goeij, J.M. de; Kluijver, A. de; Duyl, F.C. van; Vacelet, J. ; Wijffels, R.H. ; Goeij, A.F.P.M. de; Cleutjens, J.P.M. ; Schutte, B. - \ 2009
Journal of Experimental Biology 212 (2009)23. - ISSN 0022-0949 - p. 3892 - 3900.
organic-carbon doc - telomerase activity - suspension feeders - hydra-attenuata - cycle kinetics - iv collagen - porifera - demospongiae - removal - death
This study reveals the peculiar in vivo cell kinetics and cell turnover of the marine sponge Halisarca caerulea under steady-state conditions. The tropical coral reef sponge shows an extremely high proliferation activity, a short cell cycle duration and massive cell shedding. Cell turnover is predominantly confined to a single cell population, i.e. the choanocytes, and in this process apoptosis only plays a minor role. To our knowledge, such fast cell kinetics under steady-state conditions, with high turnover by shedding in the absence of apoptosis, has not been observed previously in any other multicellular organism. The duration of the cell cycle in vivo resembles that of unicellular organisms in culture. Morphological and histochemical studies demonstrate compartmentalization of choanocytes in the sponge tissue, which corresponds well with its remarkable cellular kinetics. Coral reef cavity sponges, like H. caerulea, inhabit low nutrient tropical waters, forcing these organisms to filter large volumes of water and to capture the few nutrients efficiently. Under these oligotrophic conditions, a high cell turnover may be considered as a very useful strategy, preventing permanent damage to the sponge by environmental stress. Halisarca caerulea maintains its body mass and keeps its food uptake system up to date by constantly renewing its filter system. We conclude that studies on cell kinetics and functional morphology provide new and essential information on the growth characteristics and the regulation of sponge growth in vivo as well as in vitro and the role of choanocytes in tissue homeostasis
Wegvisproef Japanse oesters in de Oosterschelde : eindrapportage
Wijsman, J.W.M. ; Dubbeldam, M. ; Kluijver, M.J. de; Zanten, E. van; Smaal, A.C. - \ 2008
Yerseke : IMARES (Rapport / Wageningen IMARES C063/08) - 95
crassostrea gigas - geïntroduceerde soorten - invasies - oosterschelde - monitoring - vangmethoden - introduced species - invasions - eastern scheldt - trapping
De Japanse oester, een exoot voor onze wateren, is in 1964 voor het eerst geïntroduceerd in de Oosterschelde ten behoeve van de oesterkwekers na de massale sterfte van platte oesters tijdens de strenge winter van 1962/1963. Sindsdien heeft deze soort zich ontwikkeld tot een dominante soort. In het voorjaar van 2006 is er een praktijkproef gestart om te onderzoeken of het noodzakelijk, zinvol en mogelijk is om de steeds verder oprukkende Japanse oesters (Crassostrea gigas) in de Oosterschelde te beheren. In het kader van deze proef is hiertoe 50 ha oesterbank (12,5 miljoen kg), verdeeld over vier locaties in de Oosterschelde weggevist door de Zeeuwse mosselvloot. De oesters zijn gestort op nabijgelegen stortlocaties alwaar de verwachting was dat de oesters zouden afsterven door verstikking. Het doel van deze proef is om na te gaan hoe effectief het bestand op geselecteerde proeflocaties kan worden verwijderd en eventueel hergebruikt d.m.v. toepassing van de mosselkor, tegen welke kosten, welke milieueffecten (morfologie, sedimentsamenstelling, bodemdiergemeenschap en vogels) dit met zich meebrengt en in welk tempo positieve (herstel sediment en oorspronkelijke bodemfauna) en negatieve effecten (herstel Japanse oester) zich voordoen. Dit eindrapport beschrijft de resultaten van de wegvisproef en de monitoring die in twee jaar erop volgend is uitgevoerd.
Wegvisproef Japanse oesters in de Oosterschelde. Tussentijdse rapportage T2
Wijsman, J.W.M. ; Stralen, M.R. van; Dubbeldam, M. ; Geene, R. ; Kluijver, M. de; Zanten, E. van; Smaal, A.C. - \ 2006
IJmuiden : IMARES (Rapport / Wageningen IMARES C077/06) - 56
crassostrea gigas - visserijbeheer - schaal- en schelpdierenvisserij - monitoring - vis vangen - fishery management - shellfish fisheries - fishing
Om te onderzoeken of het noodzakelijk, zinvol en mogelijk is om de Japanse oester in de Oosterschelde te beheren is er een praktijkproef gestart in de Oosterschelde. In het kader van deze proef zijn in maart 2006 op vier locaties in de Oosterschelde door de Zeeuwse mosselvloot 12.5 miljoen kg Japanse oesters weggevist met behulp van mosselkorren. Het doel van deze proef is om na te gaan hoe effectief het bestand op geselecteerde proeflocaties kan worden verwijderd en eventueel hergebruikt d.m.v. toepassing van de mosselkor, tegen welke kosten, welke milieueffecten dit met zich meebrengt en in welk tempo positieve (herstel sediment en bodemfauna) en negatieve effecten (herstel Japanse oester) zich voordoen. Dit voortgangsrapport beschrijft de resultaten van de monitoring tot en met de T2. In het project is verder voorzien in een T3 (najaar 2006) en een T4 (najaar 2007) meting teneinde de langere termijn effecten te registreren.
The environmental impact and recovery at two dumping sites for dredged material in the North Sea
Stronkhorst, J. ; Ariese, F. ; Hattum, B. van; Postma, J.F. ; Kluijver, M. de; Besten, P. den; Bergman, M.J.N. ; Daan, R. ; Murk, A.J. ; Vethaak, A.D. - \ 2003
Environmental Pollution 124 (2003). - ISSN 0269-7491 - p. 17 - 31.
fresh-water isopods - dutch coastal zone - in-vitro bioassay - asterias-rubens l - polychlorinated-biphenyls - monooxygenase system - sediments - metals - toxicity - disposal
The environmental impact and recovery associated with the long and uninterrupted disposal of large volumes of moderately contaminated dredged material from the port of Rotterdam was studied at nearby dumping sites in the North Sea. Observations were made on sediment contamination, ecotoxicity, biomarker responses and benthic community changes shortly after dumping at the 'North' site had ceased and at the start of disposal at the new dumping site 'Northwest'. During the period of dumping, very few benthic invertebrates were found at the North site. Concentrations of cadmium, mercury, polychlorinated biphenyls (PCBs), polyaromatic hydrocarbons (PAHs) and tributyltin (TBT) in the fine sediment fraction (<63 mum) from this site were 2-3 times higher than at the reference site. In four different bioassays with marine invertebrates the sediments showed no acute toxic effects. In tissue (pyloric caeca) of resident starfish Asterias rubens, residual levels of mercury, zinc, PCBs and dioxin-like activity were never more than twice those at the reference site. Four different biomarkers (DNA integrity, cytochrome P450 content, benzo[a]pyrene hydroxylase activity and acetylcholinesterase inhibition) were used on the starfish tissues, but no significant differences were found between North and the reference site. Minor pathological effects were observed in resident dab Limanda limanda. One year after dumping had ceased at the North site, a significant increase in the species richness and abundance of benthic invertebrates and a concomitant decrease in the fine sediment fraction of the seabed were observed. After 8.2 million m(3) of moderately contaminated dredged material had been dumped at the new dumping site Northwest, the species richness and abundance of benthic invertebrates declined over an area extending about 1-2 km eastwards. This correlated with a shift in sediment texture from sand to silt. The contamination of the fine sediment fraction at the Northwest location doubled. It is concluded that marine benthic resources at and around the dumping sites have been adversely affected by physical disturbance (burial, smothering). However, no causal link could be established with sediment-associated contaminants from the dredged spoils. (C) 2003 Elsevier Science Ltd. All rights reserved.
Duration of the protection of an E2 subunit marker vaccine against classical swine fever after a single vaccination
Smit, A.J. de; Bouma, A. ; Kluijver, E.P. de; Terpstra, C. ; Moormann, R.J. - \ 2001
Veterinary Microbiology 78 (2001). - ISSN 0378-1135 - p. 307 - 317.
Chimeric (marker) C-strain viruses induce clinical protection against virulent classical swine fever virus (CSFV) and reduce transmission of CSFV between vaccinated pigs
Smit, A.J. de; Bouma, A. ; Gennip, H.G. van; Kluijver, E.P. de; Moormann, R.J. - \ 2001
Vaccine 19 (2001). - ISSN 0264-410X - p. 1467 - 1476.
Statistical analysis of the characteristics of laboratory tests for the detection of classical swine fever virus without a gold standard
Bouma, A. ; Stegeman, J.A. ; Engel, B. ; Kluijver, E.P. de; Elbers, A.R.W. ; Jong, M.C.M. de - \ 2001
In: Society for veterinary epidemiology and preventive medicine: Proceedings of a meeting held at Noordwijkerhout, The Netherlands on the 28th, 29th and 30th of March 2001 - p. 15 - 24.
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.