Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Records 1 - 20 / 82

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: q=Oosterveld
Check title to add to marked list
Kerngebieden voor weidevogels in Zuid-Holland : betekenis daarvan voor internationale verplichtingen overige vogelsoorten
Melman, T.C.P. ; Sierdsema, H. ; Hammers, M. ; Oosterveld, E. ; Schotman, A.G.M. - \ 2014
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Sovon 2014/32) - 49
weidevogels - agrarisch natuurbeheer - natuurbeleid - peilbeheer - hydrologie - bodemwater - zuid-holland - grassland birds - agri-environment schemes - nature conservation policy - water level management - hydrology - soil water
Voor Zuid-Holland worden kerngebieden voor de gruttogroep onder de weidevogels voorgesteld met een totale oppervlakte van 21.190 ha. De hoofd-criteria voor selectie zijn graslanden met actueel hoge weidevogeldichtheden en of gunstige omstandigheden in de vorm van een niet ongunstige doorlegging en weinig verstoring van de openheid van het landschap. De kerngebieden bestaan voor 1745 ha uit reservaat en voor de rest (92%) uit agrarisch gebied. Daarvan wordt op dit moment 1481 ha beheerd via zwaardere pakketten agrarisch natuurbeheer en een belangrijk deel met legselbeheer. Met een aandeel van 15% reservaat of zwaar beheer is het actuele beheer van de voorgestelde gebieden onvoldoende om de achteruitgang van weidevogels te stoppen. Van de kerngebieden heeft het merendeel een verbeteropgave door een ongunstige drooglegging of de aanwezigheid van verstorende elementen in de vorm van bomen of riet. Voorgesteld wordt om eenmalig over 5924 ha het waterpeil te verhogen tot optimaal, om 237 ha bomen of bosjes te verwijderen en jaarlijks 50 riet te maaien om lokaal de openheid te bevorderen. De eenmalige kosten daarvan worden geschat op ca. €15 miljoen. De jaarlijkse kosten, bestaande uit graslandbeheer, maaien van het riet en vergoeding opbrengstderving door een aangepaste ontwatering, bedragen ca. €5,7 miljoen. Andere soorten doelsoorten van het beleid dan weidevogels kunnen in beperkte mate meeliften.
Lipid Digestion of Protein Stabilized Emulsions Investigated in a Dynamic In Vitro Gastro-Intestinal Model System
Helbig, A. ; Silletti, E. ; Aken, G.A. van; Oosterveld, A. ; Minekus, M. ; Hamer, R.J. ; Gruppen, H. - \ 2013
Food Digestion 4 (2013)2-3. - ISSN 1869-1978 - p. 58 - 68.
This study investigated the effect of gastric passage of protein stabilized emulsions, i.e., whey protein isolate (WPI) and lysozyme, under dynamic in vitro conditions on both the gastric and intestinal lipolysis. Emulsions were prepared at neutral pH to enable an opposite surface charge. Experiments were performed in a multi-compartmental digestion model (TNO Gastro-Intestinal Model) including a gastric compartment simulating in vivo conditions, i.e., gradual acidification, mixing, lipolysis and proteolysis. Under gastric conditions, lysozyme-stabilized emulsions remained macroscopically homogenous, whereas WPI-stabilized emulsions separated into a cream and serum layer. Microscopy revealed flocculation of both emulsions, but larger particles were found for the initial negatively charged WPI-stabilized emulsions compared to the positively charged lysozyme-stabilized emulsions. This suggested that creaming was due to larger flocs formation caused by a change from net negative to net neutral charge as an effect of the gradual decreasing pH. Analysis of lipid composition, i.e., free fatty acids (FFA), monoglycerides, diglycerides (DG) and triglycerides revealed mainly FFA and DG in the gastric compartment. As a result of creaming, the entry of lipids into the small intestinal part was delayed for WPI-stabilized emulsions. However, the total amount of FFA released at the end of the experiment was similar for both emulsions. Our results show, that the charge differences affected the creaming behavior, but not the lipase activity, on the two studied emulsions.
Op naar kerngebieden voor weidevogels in Nederland : werkdocument met randvoorwaarden en handreiking
Teunissen, W. ; Schotman, A.G.M. ; Bruinzeel, L. ; Holt, H. ten; Oosterveld, E. ; Wymenga, E. ; Melman, D. - \ 2012
Wageningen [etc.] : Alterra, Wageningen-UR (SOVON-rapport 2012/21) - 144
weidevogels - populatiedichtheid - natuurbescherming - limosa limosa - voorspellingen - kwantitatieve analyse - modellen - grassland birds - population density - nature conservation - forecasts - quantitative analysis - models
Een methode is uitgewerkt om kerngebieden te identificeren voor weidevogels. Als gidssoort is de grutto gebruikt, implicaties voor de andere weidevogelsoorten zijn aangeduid. Als zoekgebied voor kerngebieden zijn aangeduid gebieden die voldoen aan minumumdichtheden (15 dan wel 30 bp/100 ha). Aan de hand van trendgegevens is geanalyseerd welke factoren bepalend zijn voor de aantalsontwikkeling. De resultaten hiervan zijn als randvoorwaarden gehanteerd voor de nadere invulling van de kerngebieden. Met een metapopulatiemodel is verkend aan welke ruimtelijke voorwaarden kerngebieden moeten voldoen: o.a. omvang en onderlinge afstanden, in relatie tot de ruimtelijke kwaliteit. Scenarioberekeningen zijn uitgevoerd naar verschillende ruimtelijke invullingen. Er is een handreiking opgesteld als voorbeeld hoe kerngebieden in de praktijk geidentificeerd en uitgewerkt zouden kunnen worden.
Krommenieërwoudpolder, Westwouderpolder en Mijzenpolder : Externe audit 2011
Melman, D. ; Oosterveld, E. - \ 2011
Driebergen : Staatsbosbeheer - 52
weidevogels - graslanden - polders - natuurgebieden - natuurbeheer - agrarisch natuurbeheer - beleidsevaluatie - noord-holland - grassland birds - grasslands - natural areas - nature management - agri-environment schemes - policy evaluation
Dit rapport gaat over het terreinbeheer van open weidevogelgraslanden. Het betreft het weidse polderlandschap van het Nationaal Landschap ‘Laag Holland’ in de provincie Noord-Holland. Staatsbosbeheer treedt hier vooral op als regisseur van het weidevogelbeheer. Het weidevogelbeheer is beoordeeld door Dick Melman (Alterra) en Ernst Oosterveld (provincie Friesland)
Weidevogelkerngebieden Noord-Holland : vergelijking van vier scenario’s
Sierdsema, H. ; Schotman, A.G.M. ; Oosterveld, E.B. ; Melman, T.C.P. - \ 2010
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 2435) - 75
weidevogels - natuurbeheer - kosten - agrarisch natuurbeheer - ecologische hoofdstructuur - inventarisaties - noord-holland - grassland birds - nature management - costs - agri-environment schemes - ecological network - inventories
Voor een provinciale gedachtenontwikkeling over de toekomst van het weidevogelbeheer in Noord-Holland zijn vier scenario’s uitgewerkt en vergeleken. De uitwerking is gebaseerd op de zogenaamde kerngebiedenbenadering (Teunissen et al., 2012; Melman et al., 2012). De scenario’s hebben uitsluitend betrekking op (zoekgebieden voor) kerngebieden en lopen onderling uiteen voor wat betreft beheer door terreinbeherende organisaties of door agrarische natuurverenigingen, ligging binnen de EHS of ook daarbuiten. Voor elk scenario is bepaald wat de verbeteropgave is voor drooglegging, openheidsverstoring en beheer. De scenario’s zijn onderling vergeleken voor areaal, verbeteropgave (drooglegging, verstoring/openheid, beheer), kosten en de te verwachten populatieomvang voor grutto, tureluur, kievit, scholekster en slobeend. De bepaling van de verspreiding van de weidevogels is gebaseerd op Kernel-density berekeningen op basis van inventarisaties, aangevuld met modelberekeningen voor de niet-geïnventariseerde delen. Voorspellingen van de te verwachten weidevogelaantallen zijn gebaseerd op boosted regression trees.
Naar een bodemadviessysteem voor weidevogelreservaten
Oosterveld, E.B. ; Eekeren, N.J.M. van; Keidel, H. - \ 2010
Feanwâlden : Altenburg & Wymenga (A&W-rapport 1507) - 29
bodembeheer - bodembiologie - bodemchemie - natuurgebieden - biodiversiteit - graslandbeheer - indicatoren - weidevogels - groningen - friesland - soil management - soil biology - soil chemistry - natural areas - biodiversity - grassland management - indicators - grassland birds
In het weidevogelbeheer speelt de kwaliteit van de bodem een sleutelrol. Wat de goede bodemcondities en wat de geëigende maatregelen zijn om die condities te bereiken, is inmiddels wel ongeveer bekend. In de praktijk mist nog de verbindende schakel tussen de twee: een handzaam hulpmiddel waarmee op een eenvoudige manier lokale bodemcondities kunnen worden gemeten en op basis waarvan kan worden aangegeven welke maatregelen moeten worden genomen om die condities te optimaliseren. In dit rapport wordt verslag gedaan van de zoektocht naar zo'n bodemadviessysteem.
Mortality of Black-tailed Godwit Limosa limosa and Northern Lapwing Vanellus vanellus chicks in wet grasslands: influence of predation and agriculture
Schekkerman, H. ; Teunissen, W. ; Oosterveld, E. - \ 2009
Journal of Ornithology 150 (2009)1. - ISSN 2193-7192 - p. 133 - 145.
curlew numenius-arquata - breeding success - duckling survival - pheasant chicks - population - management - birds - brood - parameters - abundance
Grassland-breeding shorebirds show widespread declines due to a reduction in breeding productivity following agricultural intensification. However, there is also concern that increasing predation causes further declines or precludes population recovery. Predation may itself be enhanced by agriculture through changes in habitat or food availability, but little is known about the mortality of nidifugous shorebird chicks. We studied mortality by radio-tagging 662 chicks of Black-tailed Godwit Limosa limosa and Northern Lapwing Vanellus vanellus in 15 farmland sites in the Netherlands. Tagging and handling had no effect on the condition and survival of godwit chicks, but body condition was reduced by 6-11% in lapwing chicks wearing a tag for longer than 3 days. Fledging success was 0 - 24% in both species. Mortality was highest in young chicks but remained considerable until after fledging. Losses were traced mostly to predators (70 - 85%; 15 species, predominantly birds), but at least 5 - 10% were due to mowing, and 10 - 20% were due to other causes, including entrapment in ditches and starvation. Chicks staying in fields that were cut before the next radio check were found much more often as mowing victims and somewhat more often as prey remains than chicks in fields not cut, indicating that predation includes a limited amount of scavenging. The predation hazard for godwit chicks was higher in recently cut or grazed fields than in the tall, uncut grasslands they preferred, while that for lapwing chicks was lowest in grazed fields. In godwit chicks, poor body condition increased mortality risk, not only from starvation but also from other causes. Predation on godwit chicks was thus enhanced by intensive farming through a decline in the availability of cover, augmented by a reduced body condition, possibly due to food availability problems. Changes in farming practice may therefore help reduce predation pressure, though the observed interactions explained only part of the high predation rate in godwits and none in lapwings. Predator abundance has increased in Dutch wet grassland regions, and chick predation has become a factor that should be considered in planning the type and location of conservation measures.
The effect of 'mosaic management' on the demography of black-tailed godwit Limosa limosa on farmland
Schekkerman, H. ; Teunissen, W. ; Oosterveld, E. - \ 2008
Journal of Applied Ecology 45 (2008)4. - ISSN 0021-8901 - p. 1067 - 1075.
agri-environment schemes - bird populations - agricultural intensification - food resources - success - chicks - biodiversity - netherlands - grasslands - survival
1. Like many farmland birds, the largest European population of the black-tailed godwit Limosa limosa, in The Netherlands, has been declining for decades despite conservation measures including agri-environment schemes (AES). In a new experimental AES aiming to reverse this decline, collectives of farmers implemented spatially coordinated site-level habitat management ('mosaic management') including delayed and staggered mowing of fields, refuge strips and active nest protection. 2. We evaluated the effectiveness of mosaic management by measuring godwit breeding success in six experimental sites and paired controls. Productivity was higher in mosaics than in controls due to fewer agricultural nest losses. Chick fledging success was poor in both treatments. Productivity compensated for adult mortality in only one AES site. 3. Although creating chick habitat was a major management goal, the availability of tall grass during the fledging period did not differ between treatments, mainly because rainfall delayed mowing in all sites and study years. However, chick survival increased with the availability of tall grass among sites. Higher chick survival will thus enhance the positive effect of mosaic management in drier years, but sensitivity to weather represents a weakness of the AES design. 4. Available estimates of productivity in Dutch godwits suggest a strong reduction over the past 20 years and implicate chick survival as the main driver of their decline. Earlier mowing of grassland is the main causal mechanism, but changes in vegetation structure and composition, and increased predation may also have contributed. 5. Synthesis and applications. Demographic rates like breeding success are useful parameters for evaluating effects of management. Mosaic management increases the productivity of black-tailed godwits, but does not ensure long-term population viability for this flagship species of wet grassland bird communities. More stringent management prescriptions need to improve both the area and the quality (vegetation structure) of grassland mown late. Management efforts should be concentrated in areas with favourable pre-conditions in order to improve overall effectiveness.
Aandacht voor veiligheid
Aerts, J. ; Sprong, T. ; Bannink, B. ; Bessembinder, J. ; Koomen, E. ; Jacobs, Ch ; Hoeven, N. van der; Huitema, D. ; Klooster, S. van 't; Veraart, J.A. ; Walraven, A. ; Jonkman, S.N. ; Maaskant, B. ; Bouwer, L.M. ; Bruijn, K. de; Oosterveld, E. ; Schuurman, H. ; Peters, K. ; Ottevanger, W. ; Immerzeel, W. ; Droogers, P. ; Kwadijk, J. ; Kind, J. ; Voogt, L. ; Klis, H. van der; Dellink, R. ; Affolter, F. ; Bubeck, Ph. ; Meulen, M. van der; Lange, G. de; Bregman, B. ; Brink, H. van den; Buiteveld, H. ; Drijfhout, S. ; Feijt, A. ; Hazeleger, W. ; Hurk, B.J.J.M. van den; Katsman, C. ; Kattenberg, A. ; Lenderink, G. ; Meijgaard, E. van; Siegmund, P. ; Wit, M. de; Naples, M. - \ 2008
rotterdam : AVV (Rapport / Leven met Water 009/2008) - ISBN 9789088150043 - 196
waterbeheer - klimaatverandering - veiligheid - kustgebieden - inundatie - infrastructuur - beleid - nederland - water management - climatic change - safety - coastal areas - flooding - infrastructure - policy - netherlands
De komende decennia worden er tussen de 500.000 en 1.500.000 woningen gebouwd waarvan een groot deel in laag Nederland. Deze studie laat zien dat door deze woningen overstromingsbestendig te bouwen schadereductie mogelijk is. Het schaderisico wordt dan nog eens een factor 2 minder als naast een Business as Usual variant nieuwbouwwoningen worden opgehoogd tot +5 m NAP. De kosten van opgehoogde nieuwbouwhuizen zijn hoger en variëren tussen de 0,4 en 1.7 miljard euro/jaar, hetgeen overeenkomt met 0,1-0,5% van het BNP. Dijkversterking levert de hoogste reductie op in het schaderisico bij de gehanteerde scenario’s. Gevolgbeperkende maatregelen in de ruimtelijk ordening als additionele oplossingsrichting zijn echter goed mogelijk als er ook een economische perspectief is bijvoorbeeld door middel van multifunctioneel ruimtegebruik.
Voorstel bouwstenen nieuwe weidevogelpakketten agrarisch natuurbeheer in een notendop : wat regelen we in Nederland, wat in Brussel?
Melman, T.C.P. ; Boel, P. van de; Dijkstra, J. ; Oosterveld, E.B. ; Paassen, A. van; Schotman, A.G.M. ; Terwan, P. ; Veer, R. van 't - \ 2008
Ede : Directie Kennis, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Rapport / DK nr. 2008/098) - 31
vogels - bescherming - nederland - wetgeving - weidevogels - agrarisch natuurbeheer - birds - protection - netherlands - legislation - grassland birds - agri-environment schemes
In opdracht van directie Kennis van het ministerie van LNV is een voorstel ontwikkeld voor bouwstenen voor nieuwe pakketten weidevogelbeheer. De doelstellingen worden per gebiedsplan vastgesteld. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij provincies en Rijk, die daarvoor desgewenst een gebiedscommissie in het leven kunnen roepen. Het minimum dat altijd (in alle gebiedsplannen) geldt is: 35 bp /100 ha, bestaande uit één of meer van de volgende soorten: Grutto, Tureluur, Watersnip, Kemphaan, Slobeend, Zomertaling, Veldleeuwerik, Wulp, Kluut, Krakeend, Kuifeend, Wintertaling, Graspieper, Gele kwikstaart, Kievit, Scholekster. Per gebied kan deze doelstelling nader worden gefocust op één of meerdere van bovengenoemde soorten en/of naar boven worden bijgesteld
Ecologische kenmerken van weidevogeljongen en de invloed van beheer op overleving. Kennisoverzicht en effectiviteit van maatregelen
Oosterveld, E.B. ; Kleijn, D. ; Schekkerman, H. - \ 2008
Ede : Directie Kennis, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Rapport / DK nr. 2008/090) - 72
vogels - onvolwassenheid - overleving - dierecologie - weidevogels - birds - juvenility - survival - animal ecology - grassland birds
Rapport over de effectiviteit van beheersmaatregelen voor overleving van primaire weidevogelkuikens in graslanden, op basis van wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke literatuur. Per sprake komen: Ecoprofielen weidevogeljongen van: Kievit (Vanellus vanellus); Grutto (Limosa limosa); Tureluur (Tringa totanus); Scholekster (Haematopus ostralegus); Watersnip (Gallinago gallinago); Kemphaan (Philomachus pugnax); Slobeend (Anas clypeata); Zomertaling (Anas querquedula); Kuifeend (Aythya fuligula); Veldleeuwerik (Alauda arvensis); Graspieper (Anthus pratensis); Gele kwikstaart (Motacilla flava)
Wormenland en vliegjesland : voedselaanbod voor grutto’s en gruttojongen
Weijden, L. van der; Guldemond, A. ; Dijkstra, J. ; Oosterveld, E. ; Hoofwijk, H. ; Swagemakers, P. - \ 2006
[S.l.] : CLM [etc.] - 11
limosa limosa - onvolwassenheid - foerageren - bodemfauna - graslanden - agrarisch natuurbeheer - juvenility - foraging - soil fauna - grasslands - agri-environment schemes
Omdat de grutto op termijn kan verdwijnen, is er in Nederland toenemende aandacht voor de grutto. Voor zijn voortbestaan is de grutto aangewezen op boerenland. Die toenemende aandacht maakt dat het verstandig is om als boer betrokken te zijn bij de plannen die er gemaakt worden om de grutto te redden. Nestbescherming en mozaïekbeheer zijn nodig om grutto’s in de nestperiode te helpen overleven. Daarnaast is een zoektocht op gang aan het komen naar hoe gruttojongen ‘vliegvlug’ kunnen worden.
NOU seminar: Birds of agricultural areas / Nederlandse Ornithologische Unie: themadag 'vogels van het agrarisch gebied'
Bijlsma, R. ; Kleijn, D. ; Koffijberg, K. ; Teunissen, W. ; Kragten, S. ; Oosterveld, E. ; Schekkerman, H. ; Vickery, J. - \ 2006
Limosa 79 (2006)2. - ISSN 0024-3620 - p. 71 - 76.
vogels - wildbescherming - populatiedichtheid - bedreigde soorten - birds - population density - wildlife conservation - endangered species
Het gaat bijzonder slecht met veel vogels van het agrarisch gebied. Zowel weidevogels als akkervogels staan zwaar onder druk. Vogelbescherming Nederland, SOVON en de Ornothologische Unie hielden een studiedag in Leiden (maart 2006). Dit artikel doet verslag van (onderzoeks)bevindingen vanuit CML, SOVON, Alterra, Radboud Universiteit en Altenburg & Wymenga
Broedsucces van grutto's bij mozaïekbeheer in "Nederland Gruttoland"
Schekkerman, H. ; Teunissen, W. ; Oosterveld, E. - \ 2006
Limosa 79 (2006)2. - ISSN 0024-3620 - p. 75 - 75.
Hoop is nog geen werkelijkheid : reactie op Oosterveld et al.
Melman, T.C.P. - \ 2006
Landschap : tijdschrift voor Landschapsecologie en Milieukunde 23 (2006)2. - ISSN 0169-6300 - p. 100 - 102.
weidevogels - natuurbeheer - natuurbescherming - peilbeheer - wildbescherming - graslanden - agrarisch natuurbeheer - grassland birds - nature management - nature conservation - water level management - wildlife conservation - grasslands - agri-environment schemes
Voor het behoud van de Nederlandse weidevogels is niet het waterpeil, maar het beheer van het grasland de cruciale factor waar het om draait. Dat zie ik als de kern van het betoog van Oosterveld et al. Probleem is echter dat het finale bewijs voor die stelling bij mijn weten nog niet geleverd is. Het vele onderzoek naar mozaïekbeheer heeft niet, zoals de hoop was, en passant aangetoond dat zonder hoge waterpeilen ook veel voor weidevogels kan worden gedaan.
Broedsucces van grutto's bij agrarisch mozaïekbeheer in "Nederland gruttoland"
Schekkerman, H. ; Teunissen, W. ; Oosterveld, E. - \ 2005
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1291) - 153
limosa limosa - vogels - natuurbescherming - uitbroeden - predatie - nederland - agrarisch natuurbeheer - birds - nature conservation - hatching - predation - netherlands - agri-environment schemes
In het kader van het project `Nederland Gruttoland¿ is in zes gebieden in Nederland in 2003-2005 een nieuwe, experimentele vorm van agrarisch natuurbeheer (`mozaïekbeheer¿), speciaal gericht op de grutto Limosa limosa in de praktijk getest. Dit rapport geeft de resultaten van onderzoek naar de effectiviteit van de beheersmaatregelen voor het broedsucces van de grutto¿s. Weliswaar werd een hoger broedsucces gemeten in de mozaïek-gebieden dan in referentiegebieden, maar dat kwam geheel tot stand door een hoger uitkomstsucces van nesten. De overleving van gruttokuikens was in de mozaïeken niet hoger, vermoedelijk doordat het aanbod van voor kuikens geschikt grasland niet verschilde tussen mozaïeken en referenties. Dat was o.a. een gevolg van regenachtig weer in mei, waardoor ook in de referenties de boeren de eerste snede uitstelden. Los van het onderscheid mozaïek-referentie werd wel een positief verband gevonden tussen het aanbod van `kuikenland¿ en de kuiken-overleving. Over de gehele linie waren kuikenoverleving en broedsucces te laag om de populatie zichzelf te laten vervangen. Predatie was de belangrijkste doodsoorzaak van kuikens en vormt, mogelijk in combinatie met veranderingen in de kwaliteit van het `kuikenland¿, een additionele factor die maakt dat tegenwoordig een grotere beheersinspanning nodig is om een voldoende hoog broedsucces te bereiken dan enkele decennia geleden.
Structural features of acelated galactomannans from green Coffea arabica Beans
Oosterveld, A. ; Coenen, G.J. ; Vermeulen, N.C.B. ; Voragen, A.G.J. ; Schols, H.A. - \ 2004
Carbohydrate Polymers 58 (2004)4. - ISSN 0144-8617 - p. 427 - 434.
hot-water - chemical characterization - xylo-oligosaccharides - polysaccharides - extracts
Polysaccharides were extracted from green Coffea arabica beans with water (90 °C, 1 h). Galactomannans were isolated from the water extract using preparative anion-exchange chromatography. Almost all of the galactomannans eluted in two neutral populations, while almost all of the arabinogalactans bound to the column, indicating that these arabinogalactans contain charged groups. Analysis of the molecular weight distribution of the two neutral populations showed that they differ in their molecular weight. Further characterization of these neutral populations by NMR and by MALDI-TOF MS after enzymatic degradation with an endo-mannanase, showed the presence of acetyl groups linked to the galactomannans, a feature not previously described for this type of polysaccharides from coffee beans. It was found that the high molecular weight (ca. 2000 kDa) neutral fraction was highly substituted both with galactose residues and acetyl groups, while the low molecular weight (ca. 20 kDa) population was much less substituted. Based on these results it can be concluded that at least two distinctly different populations of galactomannans are present in green coffee beans. It was also shown that the degradation of the galactomannans from green coffee beans with an endo-mannanase from A. niger is hindered by the presence of acetyl groups.
Fast determination of the degree of methyl esterification of pectins by head-space GC.
Huisman, M.M.H. ; Oosterveld, A. ; Schols, H.A. - \ 2004
Food Hydrocolloids 18 (2004)4. - ISSN 0268-005X - p. 665 - 668.
ester content - methanol
A new, fast method for the quantitative analysis of methoxyl groups in pectin using head-space gas chromatography (HS-GC) has been developed. With this method, results were obtained which were in reasonable agreement with the conventional HPLC method, and the reproducibility of the measurements is high. The advantages of the HS-GC method are that only a small amount of sample (2 mg) per analysis is needed, the chromatogram shows a nice symmetrically shaped methanol peak which is very easy to integrate, the sample preparation for HS-GC is short and easy, and for soluble pectins the sample in the head space vial can also directly be used for analysis of the galacturonic acid content and the degree of acetylation.
Effect of roasting on the carbohydrate composition of Coffea arabica beans.
Oosterveld, A. ; Voragen, A.G.J. ; Schols, H.A. - \ 2003
Carbohydrate Polymers 54 (2003)2. - ISSN 0144-8617 - p. 183 - 192.
rich pectic polysaccharides - sugar-beet pulp - chemical characterization - hot-water - arabinose - green
Coffee beans (arabica) with different degrees of roast were sequentially extracted with water (90 °C, 1 h), water (170 °C, 30 min), and 0.05 M NaOH (0 °C, 1 h). The amount and composition of polysaccharides, oligosaccharides and monosaccharides in the extracts and residues were analyzed. The results were compared with the composition of the same batch of green arabica coffee beans. Although part of our results were already reported in rather fragmented studies, this study gives a more complete overview of the amount and composition of unextractable polymers, extractable polymers, oligomers, monomers, and their conversion into (non-sugar) degradation products as a function of their degree of roast. It was found that most carbohydrates in the roasted coffee bean were present as polysaccharides (extractable or unextractable). The fact that only a small part of the carbohydrates in the extracts were recovered as oligomer and even less as monomers, showed that oligomers and especially monomers were converted very rapidly into Maillard and pyrolysis products. Cellulose remains unextractable and its solubility was not affected by the degree of roast. Galactomannans were also mainly present as unextractable polymers in green beans, but were solubilized to a large extent with increasing degrees of roast. The arabinogalactans in the roasted bean were highly soluble at the extraction conditions used. The arabinose as present as side-chains in the arabinogalactans were found to be more susceptible to degradation at more severe roasting conditions than the galactans. Also evidence was found that populations of arabinogalactans with very different ara:gal ratios exist in the roasted beans as well as in the green beans.
Extraction and characterization of polysaccharides from green and roasted Coffea arabica beans.
Oosterveld, A. ; Harmsen, H. ; Voragen, A.G.J. ; Schols, H.A. - \ 2003
Carbohydrate Polymers 52 (2003)3. - ISSN 0144-8617 - p. 285 - 296.
rich pectic polysaccharides - sugar-beet pulp - hot-water - arabinose
Polysaccharides were sequentially extracted from green and roasted Coffea arabica beans with water (90 °C), EDTA, 0.05, 1, and 4 M NaOH and characterized chemically. Additionally, the beans were subjected to a single extraction with water at 170 °C. Green arabica coffee beans contained large proportions of 1¿4-linked mannans, of which on average 1 in every 23 mannopyranose residues was branched with single unit galactose side-chains at O-6. A part of these galactomannans could be extracted relatively easy with water and EDTA. These galactomannans were found to have a relatively high degree of branching (gal:man1:8) and a relatively low molecular weight in comparison to the remaining galactomannans (gal:man1:15–24). Additionally, 1¿3-linked galactans, heavily branched at O-6 with side-chains containing arabinose and galactose residues, were present in the green coffee beans, as well as smaller amounts of pectins, cellulose, and xyloglucans. Roasting resulted in a loss of 8% of the dry weight. This could be partly explained by the relatively high percentage of sugars which was lost during the roasting process, most probably as a result of conversion into, e.g. Maillard and pyrolysis products. After roasting the extractability of polysaccharides was increased significantly. A decrease in the degree of branching as well as a decrease in molecular weight of arabinogalactans, galactomannans, and xyloglucans was observed after roasting.
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.