Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Records 1 - 10 / 10

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: q=Smeden
Check title to add to marked list
Effecten van Graskarper op de kwaliteit van watersystemen
Nagelkerke, L.A.J. ; Peeters, E.T.H.M. ; Moonen, J. ; Smeden, J. van - \ 2018
Amersfoort : Stowa (Stowa rapport 2018-03) - ISBN 9789057737718 - 52
In deze literatuurstudie is geëvalueerd wat de effectiviteit en ecologische effecten zijn van het uitzetten van graskarpers (Ctenopharyngodon idella) als beheermaatregel om plantengroei te beperken. Daarnaast zijn de effecten van het uitzetten van graskarpers vergeleken met die van maaibeheer. Belangrijkste conclusie is dat het uitzetten van graskarpers als beheermaatregelen voor het verwijderen van watervegetatie vraagt om een grondige afweging.
Individual and combined effects of drought and the fungicide fluazinam on aquatic ecosystem structure and functioning
Brink, P.J. van den; Kole, Maxime ; Smeden, Jasper van; Schuijt, Lara - \ 2016
Acute and chronic toxicity of neonicotinoids to nymphs of a mayfly species and some notes on seasonal differences
Brink, P.J. Van den; Smeden, J.M. Van; Bekele, R.S. ; Dierick, Wiebe ; Gelder, Daphne M. De; Noteboom, Maarten ; Roessink, Ivo - \ 2016
Environmental Toxicology and Chemistry 35 (2016)1. - ISSN 0730-7268 - p. 128 - 133.
Ephemeroptera - Imidacloprid - Laboratory toxicity test - Pesticide - Thiacloprid - Thiamethoxam

Mayfly nymphs are among the most sensitive taxa to neonicotinoids. The present study presents the acute and chronic toxicity of 3 neonicotinoids (imidacloprid, thiacloprid, and thiamethoxam) to a mayfly species (Cloeon dipterum) and some notes on the seasonality of the toxicity of imidacloprid to C. dipterum and 5 other invertebrate species. Imidacloprid and thiamethoxam showed equal acute and chronic toxicity to a winter generation of C. dipterum, whereas thiacloprid was approximately twice as toxic. The acute and chronic toxicity of imidacloprid was much higher for the C. dipterum summer generation than for the winter one. The acute toxicity differs by a factor of 20 for the 96-h 50% effective concentration (EC50) and by a factor of 5.4 for the chronic 28-d EC50. Temperature had only a slight effect on the sensitivity of C. dipterum to imidacloprid because we only found a factor of 1.7 difference in the 96-h EC50 between tests performed at 10°C and 18°C. The difference in sensitivity between summer and overwintering generations was also found for 3 other insect species. The results indicate that if the use and environmental fate of the 3 neonicotinoids are comparable, replacing imidacloprid by another neonicotinoid might not reduce the environmental impact on the mayfly nymph C. dipterum. The results also show the importance of reporting which generation is tested because sensitivity values of insects in the summer might be underestimated by the experiments performed with neonicotinoids and an overwintering population.

The toxicity of neonicotinoids to mayfly nymphs and their seasonality
Brink, P.J. van den; Bekele, R. ; Smeden, Jasper van; Roessink, I. - \ 2015
Inventarisatie van de gegevens-, monitor- en modelbehoefte voor de EU-Nitraatrichtlijnrapportage 2008
Fraters, B. ; Doze, J. ; Hotsma, P.H. ; Langenberg, V.T. ; Leeuwen, T.C. van; Olsthoorn, C.S.M. ; Willems, W.J. ; Zwart, M.H. - \ 2007
Bilthoven : RIVM (RIVM briefrapport 680716001/2007) - 74
nitraten - bodemchemie - waterverontreiniging - eu regelingen - richtlijnen (guidelines) - monitoring - recht - waterbeheer - aquatische ecosystemen - nitrates - soil chemistry - water pollution - eu regulations - guidelines - law - water management - aquatic ecosystems
Het RIVM heeft een handleiding opgesteld voor de rapportage over de hoeveelheid nitraat in oppervlaktewater en de bovenste grondwaterlaag. Doel van dit rapport is een snelle en efficiënte start te maken met het rapportagetraject waarmee zal worden voldaan aan de EU-verplichtingen voortvloeiend uit de Nitraatrichtlijn. In de handleiding staan de taken en acties beschreven die betrokken partijen moeten uitvoeren om de beschikbare informatie tijdig aan te leveren, af te stemmen en tot een geheel te smeden
Spongiteit, een kwestie van volhouden; vasthouden is beter dan tegenhouden: een verkenning
Corporaal, A. ; Geerdink, H. ; Huyskens, H. ; Waaijenberg, J. ; Groot, G. de - \ 2002
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 422) - 67
regenwateropvang - infiltratie - hydrologie - waterbeheer - waterbeleid - stroomgebieden - regen - watersystemen - stroomgebied - waterberging - Overijssel - water harvesting - infiltration - hydrology - water management - water policy - watersheds - rain - water systems
In opdracht van de provincie Overijssel hebben Alterra en de Dienst Landelijk Gebied verkend of het begrip spongiteit voor de praktijk van waterbeleid en waterbeheer toepasbaar is. Spongiteit is een indicator die duidt op de eigenschap van een stroomgebied om neerslag op te vangen, te bergen en deze vervolgens weer vertraagd af te voeren. Er zijn ruim zestig maatregelen gesignaleerd die voor de spongiteit van toepassing blijken. Enkele bleken zeer effectief, zonder nadelig effect op het huidig grondgebruik. Dit is voor beleidsmakers en bestuurders een interessante uitkomst nu het platteland zo in het teken van reconstructies staat. Op grond van de studie blijkt dat de vrijkomende ruimte van de op te heffen waterlopen te transformeren is in landschapselementen. Door die elementen aaneen te smeden met bestaande landschapselementen wordt enerzijds het blauw-groene landschappelijke netwerk versterkt, maar biedt het anderszins ook door inschakeling van boeren een bredere inkomensbasis conform het model boeren voor natuur. Deze uitkomst kan een plaats krijgen in gebiedsprocessen als reconstructie. Een uitgebreider vervolgonderzoek wordt aanbevolen om de praktische betekenis te toetsen als indicator voor beheerders, beleidsmakers en bestuurders inzake beoordelingen van plannen, bijvoorbeeld waar het straks gaat om de implementatie van de Kaderrichtlijn Water en planvorming inzake het (deel)stroomgebiedenbeheer.
A.J. Rumpt Stichting, Mali Voortgangsrapportage 1998/99 ondersteuning rurale smeden Office du Niger, Mali
Wanders, A.A. - \ 1999
Wageningen : IMAG-DLO - 11 p.
Voortgangsrapportage 1997/98. A.J. van Rumpt Stichting ondersteuning rurale smeden
Wanders, A.A. - \ 1998
Unknown Publisher - 8 p.
Jumélage AFON - A.J. Rumpt Stichting Niono, Mali Voortgangsrapportage 1996/97: ondersteuning rurale smeden Office du Niger, Mali
Wanders, A.A. - \ 1997
Wageningen : IMAG-DLO - 16 p.
Burundi : Konflikt und Rechtskonflikt : eine rechtsethnologische Studie zur Konfliktregelung der Gerichte
Weilenmann, M. - \ 1996
Agricultural University. Promotor(en): F. von Benda-Beckmann. - S.l. : Weilenmann - ISBN 9789054855040 - 469
recht - geschiedenis - rechtssystemen - etnografie - antropologie - wetgeving - burundi - volkscultuur - gebruiken - volkenkunde - rechterlijke organisatie - rechtsgang - law - history - legal systems - ethnography - anthropology - legislation - folk culture - customs - ethnology - judicial organization - legal procedure - cum laude

Burundi bevindt zich in de overgang van een sacrale monarchie naar een bureaucratisch georganiseerde staat volgens westers model, die inheemse cultuur `beheert'. Het ontstaan van een nieuwe staatsvorm is altijd een bijzonder complex en gevoelig proces dat vaak om juridische sturing vraagt. Het gevaar is immers groot dat er niet slechts zeer uiteenlopende hiërarchieën van waarden en van opvattingen over rechtvaardigheid ontstaan, met daaraan gepaard gaande uiteenlopende vormen van conflictbehandeling. Het is zelfs niet denkbeeldig dat de maatschappij als geheel uiteen valt. Als de centrale politieke macht haar leiderschaps functie waar wil maken, moet zij proberen greep te krijgen op de sociale verandering door onderdelen daarvan geldig dan wel ongeldig te verklaren. Het doel is dan de verschillende sociale krachten door middel van homogene rechtsnormen in een uniform kader te persen. Want de nieuw te vormen Rechtsstaat moet de onderlinge verhoudingen tussen de leden van de maatschappij regelen en als centraal referentiekader voor het dagelijkse leven dienen. Of een dergelijke poging van een centrale politieke instantie succesvol verloopt, hangt niet primair af van de beschikbare militaire dwangmiddelen maar veel meer van de vraag, of het lukt duurzaam legitiem gezag te vestigen.

Deze dissertatie concentreert zich op een belangrijk snijpunt van deze problematiek, de regeling van conflicten door statelijke rechtbanken. Deze kunnen, als loot van de centrale politieke instantie, worden beschouwd als de plaats waar het gezag concreet moet worden gevestigd. Of een dergelijke Veralltäglichung echter met succes verloopt, hangt in hoge mate af van de mate van differentiatie van juridische maatregelen, van hun sociale acceptatie en tenslotte van de invloed van juridische processen op het gedrag van de protagonisten. Het centrale thema van dit boek wordt daarom gevormd door de vragen: Kunnen de statelijke rechtbanken deze taak vervullen, hoe succesvol zijn zij daarmee en wat zijn de gevolgen van gerechtelijke beslissingen?

Deze vragen zijn bijzonder interessant met betrekking tot staten die uit voormalige koloniën zijn ontstaan. Bij deze staten is het gevaar bijzonder groot dat problemen samenhangend met de legitimatie van gezag worden versluierd door een permanente verandering van bestuursstructuren. Zo is het opvallend dat in Burundi sinds de onafhankelijkheid niet minder dan vier constituties zijn uitgevaardigd, terwijl de bestuursstructuur herhaaldelijk ingrijpend werd omgevormd, en de staat de zorg voor de moderne infrastructuur op zich heeft genomen. Het zijn allemaal maatregelen die op een rechtspraak duiden die niet alleen zelf door deze veranderingen wordt bepaald, maar deze tegelijkertijd steunt en doelgericht bevordert. Het oude gewoonterecht van de sacrale monarchie wordt tegenwoordig systematisch gecodificeerd en tot onderdeel van een justitieel apparaat gemaakt dat de staat geërfd heeft van de Belgische kolonisatoren. De traditionele rechters, de bashingantahe, werken al lang niet meer aan de rechtbanken, ook al leeft de naam voort. Deze verwijst nu echter vooral naar pogingen van partij-getrouwe ambtenaren om een plaats te bemachtigen in de traditionele denkwereld van de boeren. Ook de rechtbanken zijn niet meer wat ze eens waren. Desondanks leeft in deze totaal veranderde instituties een wereld voort waarvan men aannam dat hij reeds lang teloor gegaan was. Want veel van wat de boeren nu aan rechters vertellen sluit aan bij pre-koloniale denk- en handelingspatronen die aan specifieke sociale veranderingen bloot staan, welke zich tamelijk onafhankelijk van het politieke centrum voltrekken. Als agrarisch referentiekader dienen ze de boeren enerzijds als buffer in de omgang met hun huidige problemen; anderzijds is die buffer ook steeds meer een anachronisme, dat op zijn beurt zelf tot concrete problemen in het moderne dagelijks leven voert.

De centrale politieke macht van Burundi is daarom een zeer heterogene erfenis van tenminste twee cultuur- en staatsgeschiedenissen, die nog steeds vreemd tegenover elkaar staan, en die zonder de geschiedenis van geweld ook nauwelijks met elkaar zouden zijn verbonden. Deze assen vormen tesamen de achtergrond van de verandering in staatkundige stijl die zich in Burundi heeft voltrokken. Deze sociale verandering gaat weliswaar uit van het politieke centrum, maar beperkt zich niet daartoe. De culturele identiteiten van de barundi waren altijd al aan hun staatkundige organisatie gebonden, waardoor deze stijlverandering tegelijkertijd de culturele identiteiten op hun grondvesten deed schudden. Het westelijke, bureaucratische staatsmodel, ingevoerd door de koloniale machten Duitsland en België, moet vervlochten worden met de traditionele denkwereld van de barundi , en mag het oude, oraal en historisch gegroeide culturele erfgoed niet vernietigen. Anderzijds kan het monarchistisch-feodale denken, een denkwijze die voortdurend refereert naar verwantschappelijke en hiërarchische banden, niet meer op een staatsmodel steunen dat bij deze visie paste.

Achter dit spanningsveld loert een spook, dat etniciteit heet. Daaronder moet primair een politieke ideologie worden verstaan, gericht op de mobilisering van etnische groepssolidariteit. In Burundi is deze op drie deelgroepen gebaseerd, de Batwa, Bahutu en Batutsi die tesamen de cultuur van de rundi vormen. Poogt men echter via het begrip etniciteit de gedragspatronen van de verschillende deelgroepen te isoleren, dan loopt men het gevaar in contradicties te vervallen. Ik geef daarom de voorkeur aan een instrumentele analyse, die onderzoekt in welke contexten het begrip etniciteit gebruikt wordt en waarom.

Onder de ideologie van etnische groepsidentiteit versta ik het samenstel van tendenties om door middel van racistische metaforen zoals "Blut- und Bodenmythen", afstammingsideologieën en dergelijke, de solidariteit van bepaalde deelgroepen te bevorderen. Hiermee moet ook de aanspraak op het machtsmonopolie van de Bahimatuisi, de groep die sinds 1966 aan de macht is, gelegitimeerd worden. De Bahimatuisi zijn een deelgroep van de Batutsi. In de pre-koloniale periode werden zij door de toenmalige monarchie gemarginaliseerd. De bevordering van dergelijke solidariteiten dient er met name toe verhoudingsgewijs eenvoudige eenheden te smeden (alle Bahutu, alle Batutsi), waarmee de macht van het bureaucratisch staatsapparaat gelegitimeerd kan worden. Tegelijkertijd dienen dergelijke etnische ideologieën er ook toe het actuele legitimiteitsprobleem te verhullen. Want met de formele afschaffing van de monarchie en de moord op de troonopvolger Ntare III is de band van de boeren met de koning natuurlijk nog niet verdwenen. Met deze ideologie kunnen, afhankelijk van het perspectief dat men kiest alle Bahutu dan wel alle Batutsi voor bepaalde ongewenste maatschappelijke ontwikkelingen verantwoordelijk gesteld worden. Maar deze ideologie biedt de elkaar bestrijdende groepen eveneens de mogelijkheid de doorgaans passieve boeren te mobiliseren, te meer daar hun afstammingsideologieën die in sterke mate op feodale denkbeelden stoelen, zich zeer goed lenen voor de verdediging van machtspolitieke belangen. De daarmee gepaard gaande permanente trivialisering van politieke gebeurtenissen, zoals juist in het jongste verleden weer duidelijk is geworden, is bijzonder geëigend om de verscheidenheid die onder boeren te vinden is, in een strak keurslijf te persen, waarbij de meest uiteenlopende politieke, sociale, economische en juridische conflicten vervangen worden door een eenvoudige "unité de doctrine (ethnique)".

Het is daarbij interessant en tegelijkertijd ook ergerlijk te zien dat de huidige discussie over etniciteit in Burundi slechts zijdelings ingaat op het hier geschetste probleem van de legitimering van macht. Belangrijker schijnt de vraag te zijn of de verschillende deelgroepen inderdaad als etnische groepen aangemerkt kunnen worden. Een van de problemen daarbij is dat de hiervoor gehanteerde analysekaders veel te grofmazig zijn en dat het onderzoek niet op een voldoende laag niveau is aangezet, hetzij doordat slechts de geschiedenis van de (pre-koloniale) politieke structuren wordt onderzocht, hetzij doordat van meet af aan wordt uitgegaan van een fundamentele tegenstelling tussen de verschillende deelgroepen. Maar daardoor kunnen de sociale conflicten die juist het gevolg zijn van de etnische ideologie niet worden onderzocht. Kijkt men naar de meest recente politieke geschiedenis van de bestuurlijke organen, dan valt niet slechts op dat deze sinds de onafhankelijkheid in een permanente staat van verandering verkeren, maar vooral ook dat de door de centrale staat nagestreefde verandering voornamelijk beperkt blijft tot normatieve sturingsmechanismen. Maar ook al kunnen normen op korte termijn met geweld worden afgedwongen, op den duur kunnen zij alleen veranderingen teweeg brengen als zij sociaal worden geaccepteerd en als mensen in hun effectiviteit geloven. Pogingen om alleen door middel van geldigheids- en ongeldigheidstoetsing greep te krijgen op de sociale verandering blijven twijfelachtig zolang niet ingezien wordt dat er in Burundi een grote discrepantie is tussen het sociaal-culturele en het statelijke rechtsgevoel.

Met betrekking tot de conflictregulering door de statelijke rechtbanken is daarom de eerste vraag, hoe het recht veranderde in de overgang van de voormalige sacrale monarchie naar een bureaucratische staat naar westers model, en hoe het nog bestaande gewoonterecht in de statelijke instituties wordt opgenomen. De tweede vraag is hoe in de huidige tijd de verschillende normstelsels in lokale contexten worden toegepast. Ten derde interesseert ons de vraag, welke bevolkingsgroepen het meest met de rechtbanken te maken hebben, en tegenover welke bevolkingsgroepen de rechtbanken zich het gemakkelijkst kunnen doorzetten. Tenslotte rijst de vraag welke beleveniswaarde rechtbankprocedures hebben voor de betrokkenen (rechters en partijen).

Methodisch is het boek gebaseerd op een tweedeling, waarmee een institutioneelanalytische benadering wordt verweven met een benadering, gericht op een specifiek handelingsdomein, de gebeurtenissen tijdens de gerechtelijke processen en de setting van de rechtbanken. De institutioneel-analytische benadering vertrekt vanuit de normatieve verhouding tussen de onderzochte rechtbanken tot het gehele juridische bestel. Dat leidt tot de studie van de rechtsgeschiedenis en vervolgens tot de vraag hoe rechtbanken en de daar toegepaste normen ingebed zijn in de sociale, lokale, regionale en nationale context. In dit gedeelte staat een omvangrijk statistisch onderzoek centraal over de mobilisering van rechtbanken en de tenuitvoerlegging van alle beslissingen van provinciale rechtbanken in Burundi van de jaren 1979 tot en met 1988. Omdat in meer dan 80% van de totaal 20.229 gevallen informatie over de toegepaste normen, het type conflict, de plaats van het conflict en de tenuitvoerlegging van beslissingen kon worden verzameld, kon een 'geografie van gevallen' worden geconstrueerd. Deze geografie verschaft een goed inzicht in de heterogeniteit van het gebruik dat boeren van rechtbanken maken, en in het naar regio variërende vermogen van rechtbanken om hun beslissingen ten uitvoer te leggen. Ook konden deze gegevens worden gecorreleerd met structurele gegevens over de bevolking. Daaronder vallen in eerste instantie regionaal variërende gegevens over bevolkingsdichtheid en alfabetisering, alsmede de sex ratio. Daarnaast werden de pre-koloniale invloedsferen van de vorst en zijn prinsen op de huidige districtgrenzen geprojecteerd. Tenslotte werd de doorsnee neerslag, bepalend voor de bodemvruchtbaarheid, per conflictlocatie afgezet tegen gebruik van rechtbanken en tenuitvoerlegging van beslissingen. Dat maakte het mogelijk het aantal gevallen per rechtbank te verklaren vanuit algemene maatschappelijke factoren, die niet uit de studie van individuele gevallen kunnen worden afgelezen. Daarnaast zijn algemene kenmerken van rechters verzameld met behulp van een gestandaardiseerde vragenlijst.

De analyses van processen zijn gebaseerd op 29 case studies aan geselecteerde rechtbanken. Daarnaast werden met drie personen elk 25 psychoanalytische gesprekken gevoerd. De interpretatie van dit materiaal berust op een vervlechting van een
normatieve benadering (Analyse van de rechtsnormen die in het proces een rol) met een processtrategische benadering (Analyse van de manier waarop de cognitieve kennis over rechtbanken en rechtsnormen door actoren wordt gebruikt), en met een psychodynamische benadering (Analyse van de verhouding tussen onbewuste conflictpatronen en procesgedrag).

Formeel bestaat het boek uit vier tekstdelen en een appendix met het statistische materiaal. In het eerste deel worden de processen onderzocht die tot de formatie van het pre-koloniale, het koloniale en postkoloniale paradigma van macht leidden.Uit die paradigma's kan telkenmale worden afgeleid welke aanspraak de centrale politieke instantie maakt op 'juridisering' van maatschappelijke verhoudingen. Om de mate van het succes van tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te kunnen bepalen moet allereerst geschetst worden welke maatstaven er dienaangaande in een bepaalde historische periode vigeerden en welke compromissen er werden gemaakt. Uitgangspunt is daarbij Gerd Spittler's hypothese dat het despotisme van een staatsbestuur, dat niet in staat is zijn beslissingen in de praktijk van alledag ten uitvoer te leggen, geweld en onmacht in zich bergt. Ik analyseer enkele kenmerkende gezagsproblemen, die de overgang van een sacrale monarchie naar een bureaucratisch georganiseerd bestuursapparaat begeleiden, en behandel de betekenis van de mate van integratie van gezagsdragers in dat apparaat, met name van rechters. De afsluitende bespreking van de huidige etniciteitsdiscussie dient er toe de recente politieke en juridische geschiedenis los van haar 'ideologisch gewaad' te analyseren.

In het tweede deel worden de resultaten van het statistisch onderzoek behandeld. Daaruit komt een dubbele aanpassing naar voren, welke kenmerkend is voor de wijze waarop politiek gezag gevestigd werd: Aan de ene kant lichten boeren zich tot de
rechtbanken en houden de staat daarmee aan haar belofte via haar rechtspraak problemen op te lossen. Aan de andere kant eisen de rechtbanken een monopolie op conflict behandeling op, om daarmee de sturingsmaatregelen die in rechtsnormen vervat zijn in concrete gevallen te kunnen uitvoeren. Daaruit vloeit een zekere ambivalentie voort met betrekking tot de interpretatie van gegevens, omdat zowel de mobilisering van recht als de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen twee kanten van het probleem van tenuitvoerlegging weerspiegelen en verschillende economische, sociale en historische oorzaken bloot leggen. De gegevens over de frequentie van het gebruik van rechtbanken en de lange termijn ontwikkeling van het volume van gevallen bij rechtbanken in eerste aanleg maken eerste hypothesen mogelijk over de invloed van de daarachter liggende sociaal-politieke context.

Tussen mobilisering van rechtbanken en de tenuitvoerlegging van beslissingen ligt een gelaagd transformatieproces dat veelal beslissend is voor de vraag of de procedure tot een bevredigend einde voert, dan wel of het onderliggende conflict en het juridische geschil elk een eigen weg gaan. Er bestaan allerlei juridische regelingen omtrent de wijze waarop normatieve voorstelling van verschillende actoren in het concrete proces een rol kunnen spelen en welke delen van het onderliggende conflict onder een juridische norm kunnen worden gebracht. Cases vallen in zekere zin uiteen in twee delen. Enerzijds wordt onderhandeld over expliciete cultureel-normatieve opvattingen en strategische oogmerken. Aan de andere kant koesteren zowel rechters als partijen onbewuste "Übertragungsphantasien" en de daarmee gepaard gaande wensen en angsten. Beide processen zijn voor het succes van de te nemen beslissing even relevant. In het derde deel behandel ik, aan de hand van een selectie van bijzonder sprekende gevallen, de cultureel- normatieve en de proces-strategische aspecten van die processen. Verder onderzoek ik enkele vormen van interactie tussen rechters en partijen die typerend zijn voor hun cultuur.

In het vierde deel, tenslotte, behandel ik de "phantasmagorisch-unbewusste" kant van de gerechtelijke processen en kom daarmee op een centrale tekortkoming van de rechtsantropologische theorie te spreken. Zolang de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen wordt gereduceerd tot een orde probleem dat langs cognitieve moet worden opgelost, kan de vraag naar de aan het proces ten grondslag liggende autoriteit niet worden beantwoord, omdat wij niet weten wat het recht bij de betrokken personen teweeg brengt. Aan de hand van een psychoanalytische benadering en een aantal relevante cases laat ik zien welke onbewuste fantasieën de juridische processen in Burundi binnendringen, hoe zij de mobilisering van recht en de besluitvorming van rechters bepalen, en welke functie zij in het algemeen bij de oplossing van conflicten hebben.

In de conclusies worden de centrale gedachten van het boek nog eens opgenomen en geplaatst in de rechtsantropologische discussie over de plaats van de bureaucratische leviathan en het debat over etniciteit in Burundi met zijn gangbare dichotomisering van Hutus en Tutsis.

Check title to add to marked list

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.