Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Records 1 - 20 / 606

  • help
  • print

    Print search results

  • export
    A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
  • alert
    We will mail you new results for this query: q=Veld
Check title to add to marked list
Bodemerosie in en rond Natura 2000-gebieden in het Heuvelland : De herkenning en beoordeling van erosie- en sedimentatievormen
Waal, R.W. de; Bijlsma, R.J. ; Massop, H.T.L. - \ 2018
Natuurhistorisch Maandblad 107 (2018)9. - ISSN 0028-1107 - p. 158 - 165.
In de Natura 2000-gebieden in het Heuvelland worden habitattypen en andere natuurwaarden op hellingen in randzones grenzend aan landbouwpercelen negatief beïnvloed door de toestroom van voedselrijk water en sediment. Bij intensieve vormen van erosie kunnen natuurwaarden in de gebieden zelfs verdwijnen. In 2016 is vanuit het OBN (Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit) onderzoek uitgevoerd naar erosievormen nabij en in Natura 2000-gebieden en naar maatregelen waarmee negatieve effecten kunnen worden voorkomen of gestopt. Dankzij een periode met zware hoosbuien in de zomer van 2016 konden alle vormen van erosie in het veld goed bestudeerd en in samenhang beschreven worden. Dit artikel is een samenvatting van de gepubliceerde onderzoeksresultaten.
Nanotechnologie maakt lab-analyses in het veld mogelijk: ‘Internet of plants’
Velders, Aldrik - \ 2018
De perfecte chrysant teelt 1-4 : energiezuinige demonstratieteelten bij Delphy Improvement Centre
Raaphorst, M. ; Zwart, Feije de; Schuddebeurs, L. ; Veld, Paul de - \ 2018
Bleiswijk : Wageningen University & Research, BU Glastuinbouw (Rapport Wageningen Plant Research, Business unit Glastuinbouw WPR-752) - 46
With funding from ‘Kas als Energiebron’, ChrIP and suppliers, four chrysanthemums crops have been carried outat the Delphy Improvement Centre in 2017. These crops had the following targets:• A heat use up to 475 MJ/m2.yr.• This heat must be extracted from harvesting heat (cooling).• A CO2-use of 25 kg/m2.yr.• A yearly electricity usage for lighting of 121 kWh/m2.yr.• 5% more production than professional growers.The most important means to achieve this objective are hybrid lighting, diffuse glass with 2 AR-coatings, anextra energy screen, 8 air handling units, well pumps and a heat pump. The crops are run under the name ‘ThePerfect Chrysanthemum’ (DPC). The realised use of CO2 and heat turn out to be lower than the target. Theamount of heat (cooling) harvested is much higher and the amount of lighting is almost equal to the target.It is concluded that an investment in air handling units, heat pump and source pumps, an extra screen andLED lighting makes it technically possible to grow chrysanthemums without gas, if an alternative is found fordisinfection by steaming.
Kun je van badkamerschimmels voetschimmel krijgen?
Diepeningen, Anne van - \ 2018

Het is velen een doorn in het oog: schimmels in de badkamer. Maar kun je van die schimmels op de tegels en voegen ook voetschimmel oplopen, of gaat het dan om een andere soort schimmel?

Subsidence of organic dredged sediments in an upland deposit in Wormer- en Jisperveld : North Holland, the Netherlands
Oliveira, Bruna R.F. ; Smit, Martijn P.J. ; Veld, Harry ; Paassen, Leon A. van; Rijnaarts, Huub H.M. ; Grotenhuis, Tim - \ 2018
Environmental Earth Sciences 77 (2018)4. - ISSN 1866-6280
Dredged sediments - Lowlands - Organic matter oxidation - Peatlands - Shrinkage - Subsidence - Upland deposit
Land subsidence in low-lying peatlands can be caused by shrinkage and organic matter oxidation. When these areas have networks of ditches and canals for drainage purposes, the sediments that accumulate in the waterways can be used to reverse the process of land subsidence. The objective of this study is to understand how dredged sediments can be used to reverse the process of land subsidence by analysing the contribution of shrinkage and organic matter mineralization to the subsidence observed in an upland deposit. A deposit of dredged sediments in the Wormer- en Jisperveld—North Holland, the Netherlands—was characterized during 17 months in terms of subsidence of the sediments, subsidence of the soil underlying the deposit, geotechnical water content, organic matter content, type of organic matter and nutrients. The deposit was filled to a height of 195 cm, and after 17 months, the subsidence of the sediments was 88 cm. In addition, a subsidence of 19.5 cm of the underlying soil was observed. Subsidence could be attributed to shrinkage since no significant changes in the organic matter content and total organic carbon were observed. The type of organic matter changed in the direction of humification until winter 2014, stabilized from winter 2014 to spring 2015 and changed in the direction of mineralization after the spring of 2015. Subsidence of dredged sediments in upland deposits is caused by shrinkage during the first 17 months. The solution of spreading thinner layers of sediments over the land to decrease the subsidence rates should be explored since the pressure of the deposit on the underlying soil caused an extra subsidence of 19.5 cm.
Aanpassen beschermingsmechanisme kan grote consequenties hebben : Fotosynthese kan een stuk efficiënter
Kromdijk, W. ; Kierkels, T. ; Heuvelink, E. - \ 2017
Onder Glas 14 (2017)4. - p. 12 - 13.
Planten reageren traag op wisselingen in de lichtsterkte. Op het veld en in de kas leidt dat tot duidelijk productieverlies. Het is nu gelukt de reactiesnelheid te verbeteren. Weliswaar door genetische modificatie, maar de betreffende genen zitten in iedere plant, zodat veredelaars een goed aanknopingspunt hebben voor veel efficiënter assimilerende gewassen. Dit is een echte doorbraak.
One health-samenwerking in de aanpak van psittacose
Heijne, M. ; Hogerwerf, Lenny ; Dijkstra, Frederika ; Goot, J.A. van der; Heddema, Edou ; Kroneman, A. ; Notermans, D. ; Pannekoek, Yvonne ; Rosa, Mauro de; Wierik, M. te; Giessen, Joke van der; Roest, H.I.J. ; Hoek, Wim van der - \ 2017
Nederlands Tijdschrift voor Medische Microbiologie 25 (2017)2. - ISSN 0929-0176 - p. 43 - 48.
Psittacose is een zoönose veroorzaakt door de bacterie Chlamydia psittaci. In Nederland is psittacose bij mensen een meldingsplichtige en bij vogels (uitgezonderd pluimvee) een aangifteplichtige ziekte. Van 2011 tot 2015 werden 41 tot 70 humane meldingen per jaar gedaan, maar dit is een onderschatting. Het aantal pneumonieën veroorzaakt door C. psittaci wordt op 1500 per jaar geschat. In 2014 is het One Health-project Plat4m-2bt-Psittacosis gestart. In dit project wordt een onlineplatform ontwikkeld om uitwisseling van data te faciliteren en de samenwerking tussen het humane en veterinaire veld te verbeteren. Onderdeel van het project is het beter in kaart brengen van de aviaire bronnen van psittacose. Recent wordt, naast papegaaiachtigen en duiven, ook pluimvee als mogelijke bron van humane C. psittaci-infecties gezien. Op basis van de jaarlijkse humane psittacosemeldingen is, ook in Nederland, een link gelegd tussen psittacose en de aanwezigheid van kippenslachterijen en eendenbedrijven. Bij een Nederlandse studie op ongeveer 150 leghennenbedrijven is echter geen C. psittaci-DNA aangetoond, maar bij ongeveer de helft van de bedrijven wel een relatief nieuwe Chlamydia-soort: C. gallinacea. Het zoönotisch potentieel van C. gallinacea is nog onduidelijk. Met de ontwikkeling en toepassing van het onlineplatform wil het Platform-2bt-Psittacosis een voorbeeld vormen voor een structurele aanpak van de bestrijding van zoönosen.
Van gevoel naar cijfers voor grasland : Tools voor omweiden en standweiden getoetst in Amazing Grazing
Stienezen, M.W.J. ; Teune, Jonathan ; Neplenbroek, Maaike ; Quint, Max ; Groen, Paula ; Philipsen, Bert - \ 2017
V-focus 14 (2017)4. - ISSN 1574-1575 - p. 27 - 29.
De praktijktoets in het project Amazing Grazing bevestigt de ervaring uit het veld dat het gebruik van tools in het graslandmanagement niet vanzelfsprekend is. De wekelijkse tijdsinvestering, het meten van de grashoogte, doen veehouders pas wanneer ze hebben ervaren dat de informatie die de tools geven meerwaarde heeft. Maar juist het wekelijks meten is nodig om de informatie uit de tools te gebruiken. De veehouders die al voor de start van de praktijktoets wekelijks hun grashoogte maten, deden dat ook tijdens de praktijktoets. Hierdoor was het vooral op deze bedrijven mogelijk de bruikbaarheid van de informatie uit de tools te toetsen aan het graslandmanagement.
Smart Ziekzoeker werkt in veld pootaardappelen
Kamp, Jan - \ 2017
Detectie ziek pootgoed met Smart-zoeker getest in het veld
Kamp, Jan - \ 2017
Phytophtora terminalis sp. nov. and Phytophthora occultans sp. nov., two invasive pathogens of ornamental plants in Europe
Man in 't Veld, W.A. ; Rosendahl, K.C.H.M. ; Rijswick, P.C.J. van; Meffert, J.P. ; Westenberg, M. ; Vossenberg, B.T.L.H. van de; Denton, G. ; Kuik, A.J. van - \ 2017
Mycologia 107 (2017)1. - ISSN 0027-5514 - p. 54 - 65.
Objectives
To evaluate, among the elderly, the association of self-rated health (SRH) with mortality, and to identify determinants of self-rating health as “at-least-good”.

Study Design
Individual data on SRH and important covariates were obtained for 424,791 European and Unites States residents, ≥60 years at recruitment (1982-2008), in eight prospective studies in the Consortium on Health and Ageing: Network of Cohorts in Europe and the United States (CHANCES). In each study, adjusted mortality ratios (hazard ratios, HRs) in relation to SRH were calculated and subsequently combined with random-effect meta-analyses.

Main outcome measures
All-cause, cardiovascular and cancer mortality.

Results
Within the median 12.5 years of follow-up, 93,014 (22%) deaths occurred. SRH “fair” or “poor” vs. “at-least-good” was associated with increased mortality: HRs 1.46 (95% CI 1·23-1.74) and 2.31 (1.79-2.99), respectively. These associations were evident: for cardiovascular and, to a lesser extent, cancer mortality, and within-study, within-subgroup analyses. Accounting for lifestyle, sociodemographic, somatometric factors and, subsequently, for medical history explained only a modest amount of the unadjusted associations. Factors favourably associated with SRH were: sex (males), age (younger-old), education (high), marital status (married/cohabiting), physical activity (active), body mass index (non-obese), alcohol consumption (low to moderate) and previous morbidity (absence).

Conclusion
SRH provides a quick and simple tool for assessing health and identifying groups of elders at risk of early mortality that may be useful also in clinical settings. Modifying determinants of favourably rating health, e.g. by increasing physical activity and/or by eliminating obesity, may be important for older adults to “feel healthy” and “be healthy”.
Harvesting and cell disruption of microalgae
Lam, Gerard Pieter 't - \ 2017
University. Promotor(en): Rene Wijffels; Michel Eppink, co-promotor(en): Marian Vermue. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789463431736 - 206
algae - harvesting - flocculation - polymers - chlorella vulgaris - biorefinery - electric field - organelles - algen - oogsten - uitvlokking - polymeren - bioraffinage - elektrisch veld - organellen

Microalgae are a potential feedstock for various products. At the moment, they are already used as feedstock for high-valuable products (e.g. aquaculture and pigments).

Microalgae pre-dominantly consist out of proteins, lipids and carbohydrates. This makes algae an interesting feedstock for various bulk-commodities. To successfully produce bulk-commodities, a multi-product biorefinery should be adopted that aims on production of both bulk- and high value co-products. In the downstream process, however, harvesting- and cell disruption are technological hurdles for cost effective multi-product biorefinery.

Flocculation is considered as a low-cost harvesting process. Flocculating microalgae at high salinities used to be not feasible We demonstrated that marine microalgae can successfully be flocculated and harvested by using cationic polymers.

In the second part of this thesis we studied Pulsed Electric Field (PEF) as potential cheap and non-disruptive technology to open microalgae. PEF-treatment evokes openings/’holes’ in micro-organisms. PEF in combination with a pre-treatment to weaken the cell wall resulted in release of proteins from microalgae at low energy consumption.

Recent advances in technology development learned that harvesting of micro-algae is no longer a bottleneck. Future research and development should focus on cell disruption and mild extraction technologies. Costs for the biorefinery will decrease by process simplification. For that unit operations for cell disruption and extraction need to be integrated.

This project was part of a large public private partnership program AlgaePARC biorefinery (www.AlgaePARC.com). Objective of this program is to develop a more sustainable and economically feasible microalgae production process. For that all biomass components (e.g. proteins, lipids, carbohydrates) should be used at minimal energy requirements and minimal costs while keeping the functionality of the different biomass components. Biorefining of microalgae is very important for the selective separation and use of the different functional biomass components.

Het is waar maar het klopt niet
Turnhout, Esther ; Metze, Tamara - \ 2017

Hoogleraar aan de Universiteit Wageningen Esther Turnhout schrijft in haar essay Integere relaties in het dossier ‘De beroepstrots van academici’ dat dit ideaal ‘is gebaseerd op een strikte scheiding tussen enerzijds de productie van kennis in het domein van de wetenschap en anderzijds het gebruik van die kennis door beleid, politiek en andere maatschappelijke en private actoren’. Ze wijst erop dat dit ideaal van de wetenschap als autonoom en zelfregulerend ’veelvuldig is bekritiseerd’. Bijvoorbeeld door de Amerikaanse hoogleraar Daniel Sarewitz die betoogt dat ‘juist die autonomie van de wetenschap ervoor heeft gezorgd dat de wetenschap de relatie met de maatschappij uit het oog is verloren’. Sarewitz schrijft: ‘Afgeschermd van elke verantwoordingsplicht behalve die aan zichzelf, begint het “vrije spel van vrije intellectuelen” meer te lijken op een vrijbrief voor onverschilligheid en onverantwoordelijkheid. De tragische ironie is hier dat de geblokkeerde verbeelding van mainstream wetenschap een gevolg is van precies die autonomie waarvan wetenschappers zeggen dat het de kern is van hun succes.’ Elders schrijft hij zelfs: ‘De wetenschap is niet zelfreinigend, ze is zelfdestructief.’

Turnhout stelt dat ‘deze overmoed niet alleen binnen de wetenschap wordt gecultiveerd en in stand wordt gehouden. De maatschappij verlangt van wetenschappers dat ze problemen oplossen. (…) De financiering van onderzoek is in belangrijke mate gebaseerd op het principe van maatschappelijke impact. Zo houden wetenschap en samenleving elkaar gevangen in een onhoudbaar verhaal waarin feiten en waarden van elkaar te scheiden zijn en waarin wetenschappelijke kennis eenduidig kan worden vertaald in oplossingen. (…) Dit onhoudbare verhaal voedt steeds weer zowel de hoogmoed van de wetenschap als de verwachtingen van de maatschappij. Het leidt ook steeds tot teleurstelling bij de maatschappij over de niet ingeloste beloftes die zijn gedaan, en bij de wetenschap over de manier waarop maatschappelijke actoren in plaats van de feiten, interpretaties en opties van wetenschappers over te nemen hun eigen interpretaties verbinden aan kennis.’

Ondertussen wordt in de wetenschappelijke praktijk gewerkt aan nieuwe vormen van onderzoek die proberen los te breken uit dit ‘onhoudbare verhaal’. In hoeverre ziet het werk van wetenschappelijk onderzoeker Tamara Metze van de Universiteit Wageningen er anders uit dan dat van een traditioneel onderzoeker? ‘Ik laat me in mijn onderzoek uitvoerig informeren door zogenaamde communities of practice’, vertelt ze. ‘Dat betekent dat organisaties en mensen die betrokken zijn bij een bepaald probleem reflecteren op hun werk en op hun praktijken. Neem het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Dat loopt er in de vaccinatiediscussie tegenaan dat het niet meer als de onbetwiste expert wordt gezien. De mededeling “Onderzoek toont aan dat je kinderen moet laten vaccineren” blijkt niet meer genoeg te zijn. Door breed te kijken in het hele veld onderzoeken we wat de rol is van emoties in zo’n discussie. We zoeken naar oplossingen, proberen ze ook uit, waarvan we dan direct weer verder leren. Het is transdisciplinair, meteen relevant en leerzaam.’

Metze baseert zich op de verschillende rollen die de politicoloog Roger Pielke onderscheidt voor de wetenschapper. Ten eerste is er de traditionele wetenschapper die afstandelijk is en min of meer als scheidsrechter functioneert. Hij of zij doet fundamenteel onderzoek in een nauwkeurig afgebakende discipline. Maar daarnaast zijn er ook rollen die aan de uiteindelijke ontvangers van het onderzoek meer keuzes geven. Zo eindigt veel beleidsonderzoek met verschillende scenario’s. Beleidsmakers kunnen dan kiezen of ze inzetten op een laag, midden of hoog scenario. Dan heb je als derde rol van de wetenschapper de issue-advocate die echt een normatief standpunt inneemt. Denk aan Albert Jan Kruiter die over zichzelf inderdaad zegt dat hij ‘rete-normatief’ is (‘ik gá voor die kwetsbare groep’). Dat kan volgens Metze nog steeds best onafhankelijk onderzoek zijn, als je maar duidelijk maakt vanuit welk normatief uitgangspunt je bent begonnen. Ten slotte heb je als vierde rol de kennismakelaar die met allerlei verschillende belanghebbenden praat en die kennis vervolgens probeert te integreren. Die laatste rol neemt Metze veelal in.

Vitamin B12 intake and related biomarkers: associations in a Dutch elderly population
Wijngaarden, J.P. van; Dhonukshe-Rutten, R.A.M. ; Brouwer, E.M. ; Enneman, A.W. ; Swart, K.M.A. ; Dijk, S.C. van; Veld, P.H. in 't; Schoor, N.M. van; Velde, N. van der; Jonge, R. de; Lips, P. ; Uitterlinden, A.G. ; Groot, C.P.G.M. de - \ 2017
Journal of Nutrition, Health and Aging 21 (2017)10. - ISSN 1279-7707 - p. 1268 - 1276.
Background: Vitamin B12 status is measured by four plasma/serum biomarkers: total vitamin B12 (total B12), holotranscobalamin (holoTC), methylmalonic acid (MMA) and homocysteine (tHcy). Associations of B12 intake with holoTC and tHcy and associations between all four biomarkers have not been extensively studied. A better insight in these associations may contribute to an improved differentiation between vitamin B12 deficiency and a normal vitamin B12 status. Objective: This study investigates associations between vitamin B12 intake and biomarkers and associations between biomarkers. Design: In this cross-sectional observational study, levels of total B12, HoloTC, MMA and tHcy were determined in participants of the B-PROOF study: 2919 elderly people (≥65 years, with a mean age of 74.1 years, a mean BMI of 27.1 and 50% women) with elevated tHcy levels (≥12 μmol/L). B12 intake was assessed in a subsample. We assessed the association between intake and status with multivariate regression analysis. We explored the dose-response association between B12 intake and biomarkers and the association of total B12 and holoTC with tHcy and MMA with restricted cubic spline plots. Results: A doubling of B12 intake was associated with 9% higher total B12, 15% higher HoloTC, 9% lower MMA and 2% lower tHcy. Saturation of biomarkers occurs with dietary intakes of >5 μg B12. Spline regression showed that levels of MMA and tHcy started to rise when vitamin B12 levels fall below 330 pmol/L and with HoloTC levels below 100 pmol/L, with a sharp increase with levels of B12 and HoloTC below 220 and 50 pmol/L respectively. Conclusions: In this study we observed a significant association between vitamin B12 intake and vitamin B12 biomarkers and between the biomarkers. The observed inflections for total B12 and holoTC with MMA and tHcy could indicate cut-off levels for further testing for B12 deficiency and determining subclinical B12 deficiency.
Ecohydrologische systeemanalyse Liefstinghsbroek
Delft, S.P.J. van; Waal, R.W. de; Jansen, P.C. ; Bijlsma, R.J. ; Wegman, R.M.A. - \ 2017
Wageningen : Wageningen Environmental Research (Wageningen Environmental Research rapport 2790) - 133
ecohydrologie - hydrologie - vegetatie - natura 2000 - bossen - graslanden - historische geografie - groningen - ecohydrology - hydrology - vegetation - forests - grasslands - historical geography
Het Lieftinghsbroek in Oost-Groningen bestaat uit gevarieerd loofbos met enkele schraalgraslandjes in het dal van de Ruiten Aa. Het gebied is aangewezen voor Natura 2000 habitattypen bos en schraalland en is tevens bosreservaat. Om meer inzicht te krijgen in het effect van vernattingsmaatregelen in de directe omgeving van het gebied is een ecohydrologisch onderzoek uitgevoerd, waarbij geologisch/bodemkundige, hydrologische en vegetatiekundige gegevens verzameld zijn (uit literatuur en in het veld) en het historisch grondgebruik is beschreven. Voor de bossen is het gebied te nat geworden, of te zuur door het ontbreken van kwelinvloed. Ook voor Blauwgraslanden zijn de mogelijkheden beperkt. Er wordt aanbevolen aanvullende maatregelen te treffen om de sterke vernatting te verminderen door minder neerslagwater vast te houden in het gebied.
Folate and vitamin B12-related biomarkers in relation to brain volumes
Zwaluw, N.L. van der; Brouwer, E.M. ; Rest, O. van de; Wijngaarden, J.P. van; Veld, P.H. in 't; Smeets, P.A.M. ; Kok, F.J. ; Dhonukshe-Rutten, R.A.M. ; Groot, C.P.G.M. de - \ 2017
Nutrients 9 (2017)1. - ISSN 2072-6643 - 12 p.
Aim: We investigated cross-sectional associations between circulating homocysteine, folate, biomarkers of vitamin B12 status and brain volumes. We furthermore compared brain volumes of participants who received daily folic acid and vitamin B12 supplementation with participants who did not. Methods: Participants of the B-PROOF study (n = 2919) were assigned to 400 µg folic acid and 500 µg vitamin B12, or a placebo. After two years of intervention, T1-weighted magnetic resonance imaging (MRI) scans were made in a random subsample (n = 218) to obtain grey and white matter volume, and total brain volume (TBV). Plasma homocysteine, serum folate, vitamin B12, holotranscobalamin, and methylmalonic acid concentrations were measured. Results: Multiple linear regression analyses showed inverse associations between plasma homocysteine with TBV (β = −0.91, 95% CI −1.85–0.03; p = 0.06) and between serum folate and TBV (β = −0.20, 95% CI −0.38, −0.02; p = 0.03). No significant associations were observed for serum vitamin B12 and holotranscobalamin. Fully adjusted ANCOVA models showed that the group that received B-vitamins had a lower TBV (adjusted mean 1064, 95% CI 1058–1069 mL) than the non-supplemented group (1072, 95% CI 1067–1078 mL, p = 0.03). Conclusions: Results were contradictory, with higher Hcy levels associated with lower TBV, but also with higher folate levels associated with lower TBV. In addition, the lack of a baseline measurement withholds us from giving recommendations on whether folic acid and vitamin B12 supplementation will be beneficial above and beyond normal dietary intake for brain health.
Beauveria bassiana Genome sequencing and assembly
Valero Jimenez, C.A. ; Faino, L. ; Spring in 'T Veld, Daphne ; Smit, S. ; Zwaan, B.J. ; Kan, J.A.L. van - \ 2016
Beauveria bassiana - PRJNA260878
The virulence of the entompathogenic fungus, Beauveria bassiana, is being studied by comparative genomics of five isolates.
Het stimuleren van ondernemen met natuur: handelingsopties voor de overheid
Smits, M.J.W. ; Bos, E.J. - \ 2016
Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-technical report 83) - 90
natuur - ondernemingen - regering - overheidsbeleid - ondernemerschap - milieueconomie - nature - enterprises - government - government policy - entrepreneurship - environmental economics
De Rijksnatuurvisie wil ondernemers meer betrekken bij natuur. De ambitie is dat natuur altijd meegenomen wordt inhandelingen en beslissingen, ook van ondernemers. Dit wordt ‘natuurinclusief ondernemen’ genoemd. De vraag diecentraal staat in dit rapport is welke beleidsmaatregelen genomen kunnen worden om natuurinclusief ondernemen(verder) te stimuleren. Het antwoord op deze vraag wordt mede bepaald door de wisselwerking tussen publieke enprivate taken en verantwoordelijkheden voor natuur. Een tweede vraag is: in welke mate worden de kosten vannatuurinclusief ondernemen gedragen door de private sector en in welke mate door de publieke sector? Op basis vanvijftien interviews met personen uit het veld kwamen een aantal aandachtspunten en behoeften naar voren die vanbelang blijken voor het verder uitrollen van het concept ‘natuurinclusief ondernemen’. Zo is er behoefte aan duidelijkafgebakende experimenteerruimte om ondernemers het belang en de toepassing van natuurinclusief ondernemen telaten ervaren. Er leeft een gevoel van willekeur door verschillen in (lengte van) procedures tussen gemeenten enprovincies. Verder wordt een intermediair zoals voorheen de Dienst Landelijk Gebied wordt gemist voorgrondaanwerving, inrichting en voorfinanciering. Daarnaast is behoefte aan (ecologische) kennis bij ondernemers enaan ‘oplossingen’ voor de hoge grondprijs die natuurinclusieve landbouw belemmeren, en er werd gewezen op hetbelang van een gebiedsgerichte aanpak. En tot slot: natuurinclusief ondernemen impliceert vaak multifunctioneelgrondgebruik, maar dit stuit nogal eens op wetgeving gericht op bescherming van natuur. Hoewel aan de term‘natuurinclusief ondernemen’ het private belang ten grondslag ligt, blijkt een overheidsrol nog altijd onontbeerlijkhierbij. Zo wordt natuurinclusief ondernemen deels betaald met publiek geld, bijvoorbeeld via subsidies en fiscalevrijstelling. Ook al blijkt uit dit onderzoek de behoefte aan een overheidsrol, tegelijkertijd is duidelijkheid vereist.Wanneer kan natuur privaat opgepakt worden, en wanneer moet het publiek ondersteund worden? Een nieuwevenwicht tussen publieke en private inbreng bij beheer en behoud van natuur is nog niet gevonden---In its policy vision on nature, ‘The Natural Way Forward’ (2014), the government calls on entrepreneurs to take agreater interest in nature. The government’s ambition is for nature to be taken into account in all actions and decisions,including those by entrepreneurs. This is called ‘nature-inclusive enterprise’. The key research question in this report iswhich policy measures can be introduced to stimulate nature-inclusive enterprise. The answer to this question isdetermined in part by the interplay between public and private tasks and responsibilities for nature. A second questionis how the costs of nature-inclusive enterprise should be divided between the private and public sectors. Interviews with15 stakeholders revealed a number of issues and requirements that would help to roll out the concept of ‘natureinclusiveenterprise’ further. For example, there is a need for room to experiment, within clearly defined limits, to allowentrepreneurs to experience the value of nature-inclusive enterprise and how it can be put into practice. There is afeeling that the situation is somewhat arbitrary at the moment because of differences in the procedures, particularlytheir length, between municipalities and provinces. For land acquisition, landscape works and prefinancing, therespondents felt the need for an intermediary organisation like the former Government Service for Land and WaterManagement (DLG). In addition, entrepreneurs are in need of ecological expertise as well as ‘solutions’ to the high priceof land, which frustrates nature-inclusive farming. The importance of an area-based approach was also raised. Finally,nature-inclusive enterprise often implies multifunctional land use, but this tends to conflict with the nature conservationlegislation, which is geared more to protection. Although the term ‘nature-inclusive enterprise’ reflects the underlyingprivate sector interest, government still has an essential role to play. For one thing, nature-inclusive enterprise is stillpartly financed with public money, for example via grants and tax exemptions. The study also indicates that while thisgovernment intervention is welcomed, there is also a desire for certainty. When can nature be integrated into thebusiness case and when should it be supported by the public sector? A new balance between public and privateinvolvement in nature conservation has not yet been found.
Maatschappelijke Dialoog
Termeer, C.J.A.M. - \ 2016
Kennisbericht (2016). - p. 1 - 9.
Het kennisdocument Maatschappelijke dialoog dient twee doelen. Allereerst wordt in de veehouderij veel betekenis toegekend aan een maatschappelijke dialoog en is de dialoog in Brabant zelfs onderdeel van de vergunningverlening, maar tegelijkertijd leven in het veld ook veel vragen over status, impact en structuur van de dialoog. Dit kennisdocument biedt een overzicht van de kennis rondom de maatschappelijke dialoog. Het is geen direct stappenplan voor het organiseren van een dialoog, maar geeft wel inzicht in de diverse aspecten en achtergronden. Ten tweede speelt het kennisplatform Veehouderij en Humane Gezondheid als geheel een rol in de verschillende maatschappelijke dialogen rondom veehouderij en gezondheid door het ontsluiten, interpreteren en vertalen van recente wetenschappelijk onderzoek. Echter het organiseren van een maatschappelijke dialoog zelf behoort niet tot de taken van het kennisplatform, maar het ondersteunen daarvan met kennis wel.
Comparative genomics of Beauveria bassiana : Uncovering signatures of virulence against mosquitoes
Valero-Jiménez, Claudio A. ; Faino, Luigi ; Spring in 'T Veld, Daphne ; Smit, Sandra ; Zwaan, Bas J. ; Kan, Jan A.L. van - \ 2016
BMC Genomics 17 (2016). - ISSN 1471-2164
Beauveria bassiana - Comparative genomics - Genome sequencing - Virulence

Background: Entomopathogenic fungi such as Beauveria bassiana are promising biological agents for control of malaria mosquitoes. Indeed, infection with B. bassiana reduces the lifespan of mosquitoes in the laboratory and in the field. Natural isolates of B. bassiana show up to 10-fold differences in virulence between the most and the least virulent isolate. In this study, we sequenced the genomes of five isolates representing the extremes of low/high virulence and three RNA libraries, and applied a genome comparison approach to uncover genetic mechanisms underpinning virulence. Results: A high-quality, near-complete genome assembly was achieved for the highly virulent isolate Bb8028, which was compared to the assemblies of the four other isolates. Whole genome analysis showed a high level of genetic diversity between the five isolates (2.85-16.8 SNPs/kb), which grouped into two distinct phylogenetic clusters. Mating type gene analysis revealed the presence of either the MAT1-1-1 or the MAT1-2-1 gene. Moreover, a putative new MAT gene (MAT1-2-8) was detected in the MAT1-2 locus. Comparative genome analysis revealed that Bb8028 contains 163 genes exclusive for this isolate. These unique genes have a tendency to cluster in the genome and to be often located near the telomeres. Among the genes unique to Bb8028 are a Non-Ribosomal Peptide Synthetase (NRPS) secondary metabolite gene cluster, a polyketide synthase (PKS) gene, and five genes with homology to bacterial toxins. A survey of candidate virulence genes for B. bassiana is presented. Conclusions: Our results indicate several genes and molecular processes that may underpin virulence towards mosquitoes. Thus, the genome sequences of five isolates of B. bassiana provide a better understanding of the natural variation in virulence and will offer a major resource for future research on this important biological control agent.

Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.