Bijenteelt in Indië.
Prof. VETH wist in 1876 den toenmaligen Minister van Koloniën VAN GOLTSTEIN te bewegen den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië te verzoeken of de invoering van onze gewone honingbij Apis mellifica in Indië al dan niet gewenscht was. Ik heb dat antwoord niet onder de oogen gehad, maar 't zou mij niets verwonderen, als 't de immigratie van onze bij, zoo al niet ontraden, dan toch geenszins aangemoedigd had. Prof. VETH althans was van den beginne aan op zulk een antwoord voorbereid, omdat volgens hem, en hij kon 't weten, beter dan wellicht een, Indië voldoende honing en was voor zich zelf produceerde. Niet dus met Apis mellifica, maar wel met verschillende andere soorten van 't geslacht Apis en ook nog met vliesvleugeligen, die niet tot 't geslacht Apis, maar tot Trigona behooren. Waar JUNGHUHN in zijn werk over Java over Meliponen schrijft, bedoelt hij stellig Trigona, daar de Meliponen in Zuid-Amerika thuis behooren.
In Europa is voor 't eerst in de wereld der bijenhouders de aandacht op de Indische bijen gevestigd door E. CORI te Brün, die, ik meen in 1875, in den eersten jaargang van "Bienenvater aus Böhmen" een artikel publiceerde "Over edele bijenrassen en over de veredeling van onze inheemsche bij." Dit artikel gaf aanleiding tot een correspondentie van den redacteur RUDOLF MAYERHOFFER met onzen Prof. VETH, uit welke briefwisseling weer 't bovengenoemde verzoek van onzen Minister van Koloniën aan den Indischen landvoogd voortvloeide.
Hoe weinig intusschen in dien tijd van de Indische bijenteelt onder de ijmkers bekend was, blijkt uit 't volgende: In 1879 ondernam D.A. JONES, destijds redacteur van de "Canadian Bee-Journal", een reis van Canada naar Europa, met 't stellige voornemen om eerst de bijenrassen aan de Middellandsche Zee en vervolgens die in Indië te onderzoeken. Bepaald wetenschappelijk was zijn opzet niet, wat hij zocht was een ras, dat meer en beter honing inzamelde. Hij bracht 't echter niet verder dan tot Cyprus en liet de Indische reis over aan zijn metgezel FRANK BENTON, naar ik meen, toen verbonden aan 't Departement van Landbouw te Washington, thans de bekende Amerikaansche kweeker van Krainer bijen. Wat BENTON in de eerste plaats in Indië zocht, was Apis dorsata en daar deze bij stellig door bovengenoemd artikel van CORI bekend was als "de groote bij van Java", bezocht hij allereerst dat eiland om haar machtig te worden. Maar niet alleen tot zijn teleurstelling of die van JONES, maar stellig tot spijt van alle ijmkers, die gunstige resultaten van deze groote reis, eenig in de geschiedenis der apicultuur, verwachtten, hij leerde ten koste van veel geld en moeite, dat Apis dorsata slechts zeldzaam op Java voorkomt. Hij vernam echter, dat zij tamelijk algemeen was op Ceylon, in Hindostan en Achter-Indië, op Sumatra, Borneo en Timor. In Hindostan wist BENTON met groote moeite vier koloniën te bemachtigen.
BENTON's beschrijving van Apis dorsata luidt in 't kort als volgt: De raten zijn groot, ze meten 180 X 120 c.M. en hangen aan horizontale boomtakken of aan overhangende rotspunten, in 't laatste geval zij aan zij, ongeveer 4 c.M. van elkaar. In een geval vond hij een nest in een bijna geheel gesloten rotsspleet, waaruit hij afleidt, dat deze bijen in een korf kunnen worden gehouden. Hij heeft de proef niet kunnen nemen, want van de vier volken stierven er tengevolge van zijn ziekte drie onderweg, terwijl 't laatste hem in Klein-Azië ontvloog. De toppen der raten, welke den honing bevatten, zijn 7/15 c.M. dik, terwijl de gedeelten, welke als broedraat dienen, een dikte van ongeveer 4 c.M. hebben. Darren en werkbijen worden in gelijke cellen geboren, die ongeveer de grootte van onze darrencellen bezitten. De werkbijen gelijken opgeprikt in grootte en algemeen voorkomen op de Italiaansche bij, alleen is 't geel meer overheerschend. Inderdaad zijn zij zoo wat zoo groot als onze darren en komen zij in houding en vlucht veel met de wespen overeen. De lengte bedraagt nog niet volkomen 2 c.M. Met behulp van rook worden zij gemakkelijk behandeld. Zij zijn zeer onhandig in 't toebrengen van haar steken. Haar angel is niet grooter dan die van de gewone bij. De steek is minder pijnlijk. De darren zijn donkerbruin en werden door BENTON vliegend alleen na zonsondergang waargenomen. De koningin is lederkleurig en verschilt naar verhouding minder met haar werkbij dan dit bij Apis mellifica 't geval is. Terwijl de werkbijen onder de behandeling tamelijk rustig zijn, vertoont de koningin grooter onrust.
Apis dorsata komt stellig voor in Mindostan en op Ceylon, volgens SMITH'S "Catalogue of the aculeate Hymenoptera of India and the Eastern Archipelago", ook op Java, Sumatra, Borneo, Flores en Timor. Een exemplaar in 't Leidsche museum voor Natuurlijke Historie is van Timor af komstig.
WALLACE, de bekende Engelsche natuurkundige, die onze geheele Archipel doorkruiste, onderscheidt naast A. dorsata nog A. testacea. Volgens SMITH is de laatste slechts een jonger exemplaar van de eerste. Vaak schijnt A.dorsata verwisseld te worden met A. zonata Sm., die grooter en stellig de grootste bij is. Zij is geheel zwart, behalve, dat de basis van 't derde lid en de volgende segmenten met een smalle witte streep omgord is. Te Leiden is een exemplaar aanwezig van Celebes. Volgens SMITH komt zij behalve op dat eiland ook op de Philippijnen voor.
A.L. van HASSELT deelt in zijn volksbeschrijving van Midden-Sumatra ook een en ander over de bijenteelt mee en heeft volgens 't geen wij boven meedeelden, klaarblijkelijk A. dorsata op 't oog.
Feitelijk zijn deze Sumatranen geen bijenhouders, maar bijenjagers, "bee-hunters", "zeidler." De bijenboomen zijn zeldzaam, maar de weinige, die er zijn, hebben meestal meerdere nesten. Ongelukkig kiezen de bijen steeds een boom uit met hoogen, gladden stam en horizontale takken. Al zijn er 30 à 40 bijennesten in één boom, 't laagste hangt toch nog 30 à 50 M. van den grond. Deze nesten zijn groot, 1 M. breed en 1/2 M. lang en 3 c.M. dik. De oogst heeft plaats in December, Januari en Februari. Zij geschiedt om bijgeloovige redenen nooit vóór 7 uur 's avonds en wordt daardoor des te gevaarlijker, daar de tijger omstreeks dien tijd bij de bijenboomen rondsluipt. Op de plaats zelf wordt een ladder vervaardigd, waarmee de boom wordt beklommen, een olielampje wordt ontstoken, misschien om booze geesten te verdrijven, bepaalde formulieren worden uitgesproken en ten slotte de bijen door den rook van ontstoken fakkels verdreven. Zoodra dit alles heeft plaats gehad, worden de raten neergeslagen. De honing, die dunner moet zijn dan de onze, maar even zoet en geuriger is, wordt in bamboestokken verzameld, terwijl 't was om zijn groote handelswaarde wordt meegenomen.
In de Lampongsche districten onderscheidt de bevolking 5 bijensoorten. Van twee, waaronder stellig A. dorsata, verzamelt ze den honing, die, dit vergat ik nog te zeggen, gewoonlijk slechts in geringe hoeveelheid aanwezig is.
De labak rajo van Midden-Sumatra is waarschijnlijk A. dorsata, die in de Palembangsche bovenlanden madoe of medoe heet. Op Borneo bestaat een dergelijke ruwe honingoogst, als boven geschetst, waarschijnlijk eveneens bij A. dorsata.
Huisdier schijnt de bij alleen op Java geworden te zijn, maar de cultuur is er nog in haar kindsheid. A. dorsata wordt er waarschijnlijk, zelfs bij de woningen, aangetroffen. Deze is dan tawon dowan op West-Java, maar de gewone bij is tawon glodog, A. indica F. Volgens SMITH is A. Peronii Latr. dezelfde en Apis socialis Latr., misschien een variëteit daarvan. A. indica schijnt door den geheelen archipel voor te komen. In de Palembangsche bovenlanden heet zij dan repoo of niwan. Volgens SMITH komt zij ook voor op Malakka, in sommige deelen van Hindostan en op Ceylon.
Op dit laatste eiland trof FRANK BENTON haar aan. De raat is zeer broos. De cellen hebben slechts een doorsnede van 4 m.M. De werkbijen halen nog geen 12 m.M. Ze zijn bruin van kleur. 't Achterlijf is bruin en geel geringd. De darren zijn zwart en zeer klein, 3 m.M. kleiner dan de werkbijen. De koninginnen zijn lederkleurig en in vergelijking niet de arbeidsters groot. Ze zijn even lang als onze gewone koninginnen. Ze zijn vlug in haar bewegingen. De angel is zeer klein. Tot zoover de beschrijving van Prof. A.J. COOK. Volgens Prof. VETH zijn de werksters donker oranjegeel, wat met 't bovenstaande klopt, en zijn de twee eerste achterlijfs-segmenten sterk variabel in kleur. Soms werd A. indica dan ook gedetermineerd als A. unicolor, die echter alleen in Afrika voorkomt.
Wat de teelt zelf betreft, merken wij in de eerste plaats op, dat A. indica veel honing verzamelt, maar dat deze dun en flauw van smaak is.
Op West-Java worden deze bijen gehouden in stukken boomstam, die eerst gespleten, dan uitgehold en vervolgens met twee plankjes aan de vlakke einden weer dicht gemaakt worden. 't Zijn als 't ware staande "klotzbeuten". Ze meten 1 ½ à 2 voet in de lengte en ½ à 1 voet in de dikte en worden paroengpoeng genoemd. Ze worden bevolkt door ze zoo lang in 't bosch op te hangen tot ze door een zwerm in bezit genomen worden. Dan gaat de korf naar 't erf en wordt aan den pagger (schutting of heg) opgehangen.
Op Oost-Java gaat de cultuur van A. indica met grof bijgeloof gepaard. De korf, een uitgeholde boomstam, moet zoo geplaatst worden, dat 't ondereinde van den stam, werkelijk onder is. 't Vlieggat moet steeds naar 't oosten of westen gericht zijn. De oogst heeft altijd gedurende de volle maan plaats. Vóór onze bruine ijmker daar echter toe overgaat, vast hij eerst 24 uur, smeert zijn lichaam met sap van een sirih-pruim in, ontsteekt de onmisbare lont, steekt een strootje in den mond, spreekt een voor niemand verstaanbare, van den priester voor duur geld gekochte tooverformule uit en trekt dan eindelijk aan den slag. Kan de hand niet aan de noord- of zuidzijde binnen den korf gebracht worden, dan moet dit 's morgens aan de westzijde, 's avonds aan de oostzijde geschieden.
't Was wordt met de hand uitgeknepen en aldus van den honing bevrijd. 't Broed en de jonge bijen worden geroosterd en als toespijs bij de rijst gebruikt.
Volgens BENTON wordt als grootste opbrengst van een korf, bevolkt door Apis indica, 10 à 12 pond vermeld. Van Apis dorsata beweren alle waarnemers, dat zij minder honing binnen brengt dan A. indica.
Op Ceylon vond BENTON naast A. indica nog Apis gorea (floralis), die ook veelvuldig op Borneo en Celebes voorkomt. SMITH geeft haar, evenmin als Apis nigrotincta, op voor Java. Volgens VETH is haar bestaan en haar cultuur daar echter vrij zeker, 't Gaat met de bijen echter als met de klassieken. Zij worden meer geprezen dan gelezen! 't Is dus geen wonder, dat wij ons zoo dikwijls onderstellender wijze moeten uitdrukken.
Volgens Prof. COOK is A. florea op dezelfde wijze geringd als A. indica, maar over 't geheel schooner van kleur. De bijen zijn zeer klein, blauwzwart van kleur, met een oranjekleurig borststuk aan 't derde achterlijfsegment. De raten zijn niet grooter dan een manshand. Honderd cellen beslaan een oppervlak van ongeveer 6 c.M2. Volgens BENTON, die een kolonie mee naar Klein Azië nam, waar zij wegvloog, worden de raten aan boomtakken gehangen, waaruit volgt, dat slechts een raat aanwezig is. Is de veronderstelling van Prof. VETH juist, dat zij op Java half getemd en dus in korven voorkomen, dan bouwen zij stellig evenals A. dorsata in dat geval meer raten naast elkaar.
Gelijk wij in den beginne opmerkten, worden op Java ook andere Hymenoptera getemd dan Apidae, en wel bepaaldelijk die, welke tot 't geslacht Trigona behooren. Dit zijn geen Aculeaten en hebben dan ook geen angel.
Trigona minuta, in de landstaal selemprang, leeft in holen en gaten van kalkrotsen. Zij bouwt onregelmatige raten van zwart was, die veel overeenkomst met poreuze stukken lava hebben.
In 't regentschap Soekapoera (Residentie der Preanger regentschappen) leeft zij in gemeenschap met de bevolking in uit bamboes vervaardigde korven. 't Zwarte was wordt, vooral bij ‘t batikken gebruikt.
Ook Trigona vidua schijnt op Java voor te komen. In den geheelen Archipel bestaat een bijenrecht, een recht op bijenboomen b.v., geheel afgescheiden van 't recht op den grond, waarop deze boomen voorkomen. 't "Zeidel" bedrijf schijnt er beter ontwikkeld te zijn dan de eigenlijke bijenteelt.
F.C. van Brussel, Santpoort , 18-4-03.
De bovenstaande bijdrage en het artikel "Bijenteelt in Indië" van den heer TH. Mollen in het nummer van Mei l.l. bevestigen voor een deel het daarin meegedeelde en vullen elkaar aan, nog meer vinden we in het rapport "Bijenteelt in Nederlandsch Oost- en West-Indië", dat door den HoogEdelGestr. Heer G.E.V.L. van ZUIJLEN op het Internationaal Congres te 's Bosch werd ingediend, waarvan beide medewerkers, ofschoon leden van het congres, geen exemplaren hadden ontvangen, de inhoud daarvan was hun onbekend. De redactie verwijst ook nog naar dit met zooveel zorg samengestelde rapport, een en ander leert ons wel wat op 't oogenblik van de bijenteelt in Indië te boek is gesteld.
't Is hier de plaats niet om over het laatst genoemde rapport in beschouwingen te treden, maar toch meent de redactie ernstig de aandacht te moeten vestigen op de cijfers, die daarin vermeld worden, omtrent den invoer van was. Wij kunnen niet beoordeelen of van die cijfers geldt, wat op heden 't geval is met het was, dat in Indië wordt ingevoerd, hetwelk namenlijk, mogelijk uitsluitend, mineraal was is. Wij verwijzen nog naar de mededeeling daaromtrent in het "Maandschrift" van Oct. 1901, bladz. 150.
DE REDACTIE.
Terugverwijzingen
- Er zijn momenteel geen terugverwijzingen.