Maart.


Februari is voorbij en nog steeds zwaait wintervorst de heerschersstaf. De landen zijn voor de spade ondoordringbaar. Boomen en heesters zijn nog werkeloos. Waartoe zouden dus onze bijen korf of kast verlaten.
Dicht opeengedrongen zitten ze ‘s nachts, om zoo weinig mogelijk warmte te verspelen, wachtende op de warmte, die tot het leven terugroept.

Ik zeide ‘s nachts zitten ze dicht opeen, want Februari verloochende zich toch niet geheel. De op het Zuiden staande bijen werden enkele malen door de heldere zonnestralen naar buiten gelokt en bij een thermometerstand in de schaduw van ruim 40 (5°C.) vlogen ze ‘s middags en speelden voor, zonder dat men het een eigenlijke reinigingsvlucht kon noemen.
Toch maakte ik van deze gelegenheid gebruik om onder de korven te zien en ze met het unster te wegen. Ik vond weinig doode bijen en mij viel het gewicht mede.
Van 5 opzetters, die half Sept. van 23 tot 27 pond wogen, was thans het gewicht 18 tot 28 pond, een bewijs dat ze na half Sept. nog heel wat opgehaald hadden. Dit is mogelijk, omdat de bijenstand zich bevindt in een tuin, waarin allerlei bloemen en heesters worden gekweekt, waaronder er waren, die tot laat in den herfst bloeiden, bovendien had elk volk ruim 1 K.G. suikerstroop mede gekregen.

Toen de zon flink scheen, heb ik gewaagd even in enkele kasten te zien, en deze hadden nog voorraad genoeg, waarvan ik trouwens wel verzekerd was.
Broed kon ik niet vinden, maar ik deed me ook geen tijd om nauwkeurig toe te zien. Of het gewenscht is, dat er zoo vroeg broed aanwezig is, geloof ik niet. Het is een geruststelling, men weet dat de koningin goed is; maar ik heb meermalen opgemerkt, dat volken, die betrekkelijk laat begonnen broed aan te zetten, het ‘t verst brachten.
Heeft ze plaats, dan zal men opmerken, dat de bijen vooral vliegen op lichtgekleurde voorwerpen. Bijv. op nieuwe, nog ongeverfde kasten, op witte muren, op het aan de lijn hangende waschgoed, wat ze dan leelijk bemorsen.
Tijdens de uitvlucht worden de vlieggaten geopend, de korven een weinig opgelicht om de bedompte lucht door versche te doen vervangen.
De vraag is wel eens gedaan of men bij mooi weer de bijen tot een uitvlucht moet noodzaken, door bijv. warme lucht in te blazen, of aan de woningen te schudden. Bij gezonde volken moet men dit nooit doen; volken, die aan roer lijden of niet sterk zijn echter kan men gerust, als goed weer wordt verwacht, tot een uitvlucht aanzetten, anders beginnen ze er vaak te laat op den dag mede.

Na de reinigingsuitvlucht zullen volken, welke in orde zijn, rustig in de woning terugkeeren. Is dit niet het geval, maar blijven enkele bijen rondom het vlieggat loopen en hoort men een sterk bruisen, in ‘t algemeen ontbreekt er iets aan de rust, dan is het met zoo’n volk niet in orde, en deze moeten bij het eerstvolgende onderzoek het eerst onder handen worden genomen.
Wanneer de bijen, nadat men tegen de woning heeft getikt, met een kort en krachtig bruisen antwoorden, is alles in orde.
Aangaande het voederen der bijen is reeds de vorige maal bericht en vindt men in dit nummer een artikel van den heer Kelting.

Wij willen thans nog spreken over een bijzonder geval, dat zich wel eens voordoet, nl. dat de bijen na de reinigingsvlucht verstijfd op de bodemplank liggen. Dit ontstaat bij gebrek aan voedsel. Het is daarom niet altijd gezegd, dat de voorraad is uitgeput. Het kan best wezen dat er nog voorraad genoeg is, maar dat deze ongunstig voor de bijen zit. Dit ligt vaak aan eene verkeerde broedinrichting bij kasten en hiervoor levert een gedeelde broedruimte ernstig gevaar. De bijen komen dan niet over de deellatjes. Ook bij lange lage raampjes kan dit voorkomen, als de bijen vanaf het midden naar voren of achteren teren, er kan dan een heel stuk voorraad afgezonderd worden, waarvan ze door de koude gescheiden blijven.
Ik voor mij geef daarom de voorkeur aan een hoog raampje, waarin het bijen-lichaam den voorraad boven zich heeft en daarin al terende langzaam optrekt, zooals dit ook gaat bij den strookorf.
Wanneer men nu het ongeluk heeft zulk een verstijfd volk te hebben, dan is het daarom nog niet verloren. Men hangt het in een verwarmd vertrek. Zoodra de bijen leven vertoonen, besproeit men ze met warm honigwater. Men laat ze zoo lang in de warmte, dat ze weer geheel zijn bijgekomen en waren ze in lossen bouw, dan geeft men ze voorraad mede op de plaats waar ze zitten.
Bij vasten bouw kan men geen voorraad inhangen. Zoo’n volk laat men den nacht in het warme vertrek en voert ze zooveel mogelijk met honig. Wanneer ook bijna alle bijen omgekomen zijn, vindt men de koningin nog levend. Het laatste voedsel, waarover de bijen beschikken, is voor haar.


Bijenstand “DE BREE” te Amerongen.

Wij kunnen thans een afbeelding geven van een Hollandsch bijenpark. De heer W. van Os Nz, eigenaar van Bijenstand ,,De Bree” te Amerongen, stelde ons daartoe in staat. Wij stellen ons voor, van verschillende bijenstanden in ons land beschrijvingen te geven of te laten geven en zullen een volgende maal aanvangen met eene beschrijving van ,,De Bree”, thans ontbreekt daarvoor de ruimte.

H. Stienstra.

Terugverwijzingen

  • Er zijn momenteel geen terugverwijzingen.