Paring.
Mijnheer de Redacteur!Vergun me s.v.p. een paar opmerkingen naar aanleiding van het schrijven van den heer Stamps op bldz. 31. (mrt 1909)
De proeven van genoemden heer zijn zeker interessant en ik zelf ondervond iets dergelijks in den zomer van het jaar 1907. In de maand Juni had ik een 25tal jonge nazwermen staan.
Het weer was zoowat 14 dagen achtereen voortdurend ongunstig, zoodat ik bedoelde zwermen geregeld moest voederen. Er werd door die zwermen bijna niets gebouwd en er was ook geen gelegenheid voor uitvluchten en nog minder voor paring enz. Toch kwamen ongeveer de helft dier zwermen (met jonge onbevruchte moer) na 8—10 dagen in ‘t broed, wat me verwonderde.
Nu wil ik echter volstrekt niet beweren, dat de moeders dier volken in de woning bevrucht zouden zijn. Me dunkt voor dit geval en zelfs voor de proeven van den heer Stamps blijven twee dingen mogelijk.
Eerstens zou zoo’n jonge koningin bevrucht kunnen zijn vóór het zwermen daar het toch vrij vast staat dat een endeling slechts zwermt met eene moer; de andere zijn meevliegers. Die eene moer mogelijk bevrucht bij ‘t voorspelen
Tweedens valt de drukke zwermtijd der endelingen altijd samen met de paringsuitvluchten van andere reeds afgezette koninginnen, die zooals de ervaring leert niet altijd en alle in eigen woning terugkomen. Zoo’n op haar bruidsvlucht verdwaalde moer kan bijv. ook in een aanvliegenden jongen zwerm verzeild geraken en zo daar m.i. eventueel bevrucht zijnde, met zekere voorliefde worden aangenomen. In elk geval blijft het feit, dat in gewone en gelijke omstandigheden, de eene endeling werkelijk eerder in ‘t broed komt dan de andere.
Nog iets.
Mij en anderen verrastte de jongste aflevering van ‘t Maandschr. met het portret van onzen geachten Voorzitter. Moge de Redactie in staat gesteld worden nog meer portretten van leden van ‘t Hoofdbestuur enz. te kunnen geven en later eventueel kiekjes van eenige flinke Nederl. bijenstanden. Ook van typische of gewestelijk-karakteristieken.
Het zou de aantrekkelijkheid van ons vakschrift zeker zeer verhoogen.
W.A. OTTEN.
Typische of gewestelijke karakteristieken, dat is het wat wij ook gaarne in ons ,,Maandschrift” zouden afgebeeld zien.
Hoe daaraan echter te komen. Het is toch zeker niet mogelijk dat de red. zelf er op uit gaat om zulke karakteristieken op te nemen, dan bij uitzondering. Maar als de leden medewerken willen kan dit zeer goed. Er zijn tegenwoordig overal menschen, die graag eens een kiekje nemen, vooral wanneer iets bijzonders te kieken is. Wanneer men nu zulk een goed geslaagde foto aan de red. opzendt, kan deze beoordeelen of er een cliché van gemaakt zal worden voor ’t Maandschrift.
Om eens voorbeelden te noemen van geschikte foto’s noem ik een bijenmarkt, op reis met de bijen, een typische bijenstand, enz enz.
H. Stienstra.
Terugverwijzingen
- Er zijn momenteel geen terugverwijzingen.