De Amerikaansche bijenteelt.

In den laatsten tijd is mij, van verschillende zijden verzocht, om eens iets over Amerikaansche bijenteelt mede te deelen, want, zeggen ze dan, wij kunnen ons geen denkbeeld vormen van de honigopbrengsten en bedrijfswijzen, die ze daar hebben. Dit is geen wonder ook, want ze zijn ons daar over den Oceaan verre voor, wat aangaat bedrijf en hulpmiddelen.

De bijenteelt in de Vereenigde Staten is geheel wat anders dan bij ons, omdat de Amerikaan een open oog heeft voor nieuwe uitvindingen en deze dadelijk in praktijk brengt. Hierdoor zijn zij in de laatste jaren met reuzenschreden vooruitgegaan. Ook hebben mannen van wetenschap en onderzoek er zich voor gespannen en geen kapitaal is ontzien om te bereiken, wat te bereiken was, en nog worden die onderzoekingen voortgezet. Om een voorbeeld te noemen, zij hier medegedeeld, dat Frank Benton 3 jaar op reis is geweest om het beste soort bijen, wat er op aarde was te vinden, en die in Amerika in te voeren, wat een kapitaal heeft gekost van 30.000 Dollar, zegge dertig duizend Dollar of 75 duizend gulden Hollandsch geld. Waar zulke sommen besteed worden, is het daar wonder, dat er wat goeds tot stand komt? Mij dunkt van neen.

Laten we nu overgaan hoe in Amerika de bijenteelt bedreven wordt, om daarna de resultaten daar bereikt, te beschouwen, en, of de ijmker zijn honig, voor den lagen prijs, waarvoor ze daar verkocht wordt, geven kan.
Een bijenstand van 100 wintervolken is daar evenveel in waarde als b.v. hier een stand van 5 of 10. Om daar als ijmker in aanmerking te komen, moet men eigenaar van 500 of meer volken zijn; er zijn er zelfs, die er 2000 of meer hebben. Deze mannen wijden hun gansche energie aan hunne bijen en zoeken de hoogst mogelijke opbrengsten te verkrijgen, door alle hun ten dienste staande middelen.

Vooreerst zoeken zij door selectie (teeltkeus) de soort te verbeteren; zij kweeken jonge koninginnen alleen van die koninginnen, die zich boven de andere onderscheiden, door dat hare nakomelingen zijn: goede overwinteraars, mooie ratenbouwsters, weinig steeklustig, weinig zwermlustig, beste honigverzamelaarsters en zij zelve zeer vruchtbaar. Hoe hoog zij zulk een koningin schatten, kan hier uit blijken, dat ik dezer dagen nog las van iemand, die zijne beste koningin voor geen geld wilde verkoopen; dat wil nog al wat zeggen; als men weet, dat er daar wel eens koninginnen verkocht worden voor 100 Dollar per stuk. Als een ijmker zulk een koningin heeft, kweekt hij al zijn jonge koninginnen van deze; degenen, die niet aan de gestelde eisenen voldoen, worden in den loop van 't jaar of 't andere voorjaar door andere vervangen en dit wordt steeds voortgezet. Hieruit kan men zien, dat ze er steeds op werken om verbetering aan te brengen. Niet alleen voor koninginnen, doch ook voor 't veredelen van darren wordt gezorgd.

Het zwermen is sedert jaren het groote struikelblok geweest voor de ontwikkeling van de moderne bijenteelt; want ieder, die eenigszins met bijen bekend is, weet wel, dat men zonder nadeel geen 500 of 600 volken op één plaats kan zetten, en dat bij de hooge arbeidsloonen op iederen stand geen man geplaatst kan worden. Dan zou er weinig voordeel te verkrijgen zijn. Daarom moesten er bedrijfswijzen gevonden worden, die deze bezwaren uit den weg ruimden. De Amerikaan houdt niet van geheimen, en zoodoende als iemand wat ontdekt had en hij dacht, dat het waarde had voor de praktijk, schreef hij daarover een artikel voor 't eene of andere tijdschrift voor bijenteelt en werd het op deze wijze gemeengoed. Uit al deze gegevens ontstond weldra een meer vastere bedrijfswijze en heeft men het zoover gebracht, dat één man verschillende standen verzorgen kan, zonder dat er ooit een zwerm wegvliegt. Van welke groote waarde dit is, kan alleen hij beoordeelen, die daarmede praktisch werkt en nu is het dan ook zeer goed mogelijk, dat één man 300 kasten het geheele jaar door verzorgen kan.

De opbrengst.
Die is gewoonlijk niet gering, want door de goede verzorging in 't voorjaar en den zomer, heeft men bij 't begin der beste dracht een kolossale hoeveelheid bijen in de kasten, en juist in zulk een verhouding, dat het getal van de honigdraagsters verreweg het grootste is; dan juist ontstaat niet spoedig zwermlust ; vooral het laatste is van 't grootste belang, want zoodra er in een volk zwermlust ontstaat, is het beste verzamelen voorbij. Een volk dan in bovengenoemden toestand, haalt niet zelden 6 à 8 pond honig per dag en zoodoende kan de Amerikaan bij een eenigszins aanhoudende dracht gemakkelijk een opbrengst van 60 tot 100 pond per volk verkrijgen.

Enkele dagen geleden nog, las ik van 2 ijmkers, die een opbrengst aan honig van hunne bijen hadden van respectievelijk 50.000 en 60.000 ponden, zoowel secties als slinger, 't Is niets geen bijzonderheid als men per volk 100 pond oogst. Doolittle had bij een middelmatig seizoen een opbrengst van 114½ pond sectiehonig per volk. De prijzen variëeren voor secties van 11 tot 16 cent en de slingerhonig van 6 tot 9 cent per pond. Deze prijzen ontvangt de ijmker. Het publiek betaalt, als zij ze niet direct van den ijmker betrekken, bijna het dubbele. Nu kan iedereen wel eenigszins beoordeelen of de ijmker een loonend bedrijf heeft in Amerika.

Hulpmiddelen.
Toen vader Langstroht de losse bouw uitgevonden had, was de weg tot de moderne bijenteelt ontsloten. 't Ging eerst langzaam, doch 't werd allengs beter, tot, door verschillende verbeteringen, een bijenwoning in den handel in gebruik is gekomen, die bijna onverbeterlijk is en daarbij zeer goedkoop. Jaarlijks worden er duizenden, in fabrieken, vervaardigd tot een prijs, waarvan wij ons geen denkbeeld kunnen vormen, hoe 't mogelijk is, dat ze zoo goedkoop geleverd kunnen worden.

Zoodra Johannes Mehring de kunstraat uitgevonden had, waren de Amerikanen niet tevreden met wat wij noemen de Rietsche pers. Zij gingen aan 't zoeken en denken en brachten zoo eindelijk het walswerk tot stand, waarmede men een fabrikaat verkrijgt, zoo mooi en dun als wij ze hier niet kennen. En of er in Amerika kunstraat gebruikt wordt, kan men nagaan als men weet, dat de grootste fabrikanten daar jaarlijks 100.000 pond fabriceeren. Daarbij komen nog vele kleinere fabrieken en zoovelen, die in hun eigen behoeften voorzien. Het grootste gedeelte van deze wordt gebruikt voor honig in de raat (secties).

Evenzoo de slingermachine; die heeft daar eene volmaaktheid verkregen, waar niet gemakkelijk meer verbeteringen in zijn aan te brengen. Men heeft daar onderscheidene bijenstanden, waar dezelve door middel van een motor van 1 of 2 paardekrachten in beweging wordt gebracht, zoodat de ijmker zijne raten ontzegelt, terwijl de motor dezelve ledig draait. 't Gebeurt dan ook wel, dat op een stand in één dag 3000 pond geslingerd wordt.

Pijpen om te rooken, worden daar niet gebruikt; men heeft daar smokers, zoo zij ze noemen, die ze vullen met spanen, zaagsel, krullen of ander materiaal en die ze bij 't begin van den arbeid vullen en aanmaken en er dan 50 of 60 volken mede kunnen bewerken. Zoo is het met alle andere hulpmiddelen eveneens. Men ziet hieruit, dat de Amerikanen, èn de veredeling, de bedrijfswijzen, en het gebruik en de vervaardiging van de hulpmiddelen, tot eene hoogte gebracht hebben, die niet zoo gemakkelijk te overtreffen zullen zijn. Er zullen nog tientallen jaren voorbijgaan, voor wij onze bijenteelt tot het peil, waarop de Amerikanen thans staan, gebracht hebben.

De Amerikanen hebben twee leuzen, die heeten "Keep your colony's strong" (Houdt uw volken sterk) en „Keep more bee's" (Houdt meer bijen), waarvan ik de eerste ook vooral die ijmkers ter harte geef, die van 1 volk op 4 of 5 volken, komen; deze kleinen kunnen nooit geven wat 2 beste kunnen doen.
Hilversum.
R. TUKKER Jr.

Terugverwijzingen

  • Er zijn momenteel geen terugverwijzingen.