Ervaringen van een beginnend ijmker.

Nu het bijenjaar 1919 reeds sinds enige maanden verstreken is en het kalenderjaar ten einde spoedt, bied ik der redaksie enige mijner ervaringen ter publisering aan, in de hoop, dat er iets ter lering voor de leden in zit en in de verwachting, dat deze regelen meer ervarenen naar de pen doen grijpen om mij en anderen als leerling te doen luisteren naar wat zij hebben op te merken over mijn doen en laten als amateur-ijmker.

Uit de aard der zaak mag geen aaneengesloten geheel verwacht worden, waar de bevindingen vaak los naast elkaar staan. Dit voorop gezet zijnde, wil ik beginnen met in herinnering te brengen, hoe het voorjaar kil en guur, zonloos en regenachtig was tot 2 Mei. Op de 5de dier maand besloeg het broednest in een mijner Simplex-kasten de ramen 3 tot en met 7. De ramen 8 en 9 waren nog niet half uitgebouwd; ik had ze half April ingehangen, in de hoop op fijne uitbouw; raam 10 was een volledig uitgebouwd raam met 'n hoekje darrenraat onderaan.

Gegeven dit matig-grote broednest en de grote afstand tussen dat nest en het 10de raam, keek ik verwonderd op, toen ik op genoemde datum in een groot aantal darrencellen eieren vond. De moer had dus 't broednest voor 'n poos de rug toegedraaid, om ergens ver daarbuiten darreneieren te deponeren. De woorden van den heer van Giersbergen kwamen me in herinnering: darrenraat schijnt mama aan te trekken! Eén onzer mindere goden op 't gebied der ijmkerij, verwacht 14 dagen na de eerste darreneieren 't eerste koninginnenei — maar dat was er na een maand nog niet. Hun, die de vraag zouden willen stellen, of de moer wel gezond was enz., antwoord ik bij voorbaat, dat ze de gehele zomer door uitstekend werk verricht heeft en ik haar zelfs waardig gekeurd heb, Mei 1920 ook te beleven.

Bij 'n ijmkervriend werd mij gelegenheid gegeven te zien, hoe een moer in Maart eieren had gelegd, voor werkbijen zoowel als voor darren (de bijen waren n.l. ingewinterd op raat met allerlei cellenbouw dooreen), terwijl begin Mei geen enkel ei of open broed was te zien. Toch was de koningin aanwezig; ze zat, onder een troepje bijen, op hetzelfde raam als de vorige dag. Ogenschijnlik deerde haar niets. Misschien was ze wat oud, ofschoon de leveransier haar 't vorige jaar als geboortig in dat jaar had afgeleverd. Zou hier verwonding in 't spel zijn geweest of...... toch ouderdom?

Afkerig van raat voor inwintering met grof werk er tussen heb ik, in navolging van onze zuinige huismoeders, stukken ingezet. Met 'n zekere wellust, heb ik elk stukje darrenraat, 't zij onder of boven, uitgesneden en vervangen door 'n stuk fijn werk. De wasbouwers hebben m'n wenk begrepen en zorgden voor de nodige bevestiging.

'n Andere uiting van mijn gezindheid jegens darren moge blijken uit 't volgende:
Na de omhangerij met tussenvoeging van rooster, ontwikkelen zich nog darren in de tot honigkamer gepromoveerde broedkamer; uitvliegen kunnen ze niet; dat ze zich zelf onthoofden door het rooster geloof ik niet, omdat ik zelden of nooit 'n koploos darrenlijk boven de rooster gevonden heb. Ik maak daarom 'n opening in de zoldering, die de honigkamer dekt, ter lengte en breedte van de entree van een darrenval. De opening, die in voor- en najaar dienst doet bij de voedering, is gemakkelik tijdelijk tot genoemde afmetingen terug te brengen door enige latjes.

Op die opening zet ik bij warm weer de darrenval in vertikale stand, gesteund door enige klinkers. Enige malen loopt de val tjokvol. Met een emmer water, waarin de val geheel onder gaat, is de dood der darren spoedig ingetreden. Beter nog is een scheut benzine. Stukken darrenraat gebruikte ik ter inzetting bij de halfraampjes van de honigkamer. De bijen gaven de voorkeur aan de kleine cellen, dat bleek duidelijk, toen ze nog weinig hadden gehaald, maar aan 't einde van 't seizoen waren alle cellen gelijkelijk vol.

Buiten het inzetten van allerlei stukken raat, heb ik ook dit jaar nog gehele platen kunstraat ingezet. Ik gebruikte daarvoor raat van de handelskamer, begin 1918 gekocht. In 2 K.G. gingen 39 platen; ze voldeden me goed; ik vermeld dit alleen hierom, omdat sommigen platen van dat gewicht wegens te geringe dikte afkeuren als te licht breekbaar. Volledigheidshalve voeg ik hieraan toe, dat ik niet reis met m'n bijen. Bij 't inzetten laat ik het warme wielspoor ook even over de wasplaat in de gleuf lopen; dat bevordert het hechten aan 't hout.

Bijna algemeen hier ter stede werd zeer donkere honig geoogst. 't Verwondert me, hierover nog niets in 't Maandblaadje gelezen te hebben. Ik hoop, dat de meest deskundige hier te lande ons eens in een artikel wat meer daar omtrent vertelt, dan wat ik per briefkaart van hem mocht vernemen. Of wacht hij daarmede liever tot deze honig verdwenen is uit flakon en pot?

Wie wil mij ondertussen een werk opgeven, waar ik een uitvoerige verhandeling kan vinden over 't verband tussen honigafscheidende(?) bladeren, bladluis en bij? Waar 't seizoen, ekonomies gesproken, eindigt met het slingeren, wil ik dit schrijven ook besluiten met twee ervaringen, dit jaar toevallig opgedaan, door voor een tweetal ijmkervrienden te slingeren. De raten van de een gaven 'n vieze vislucht af, terwijl de honig normaal was: zijn stand bevindt zich in de duinen en wel in de nabijheid dier vlakten, waar viswant te drogen wordt gelegd; in dit feit ligt waarschijnlijk de verklaring, al is daarmede, ik erken het dadelik, nog niets verklaard. Waarom stonk wel de raat, en niet de honig?
Hebben de bijen water opgenomen uit de netten en hoe is 't dan verder met de stank van dat water gegaan?

En wat de tweede ijmkervriend betreft, die had in één half raampje ruim een pond roodachtige honig. Van dezelfde honig kwam in de andere ramen hier en daar wat voor. (Kleur, geur en smaak zeiden me stellig, dat ik met limonade te doen had) En wat bleek bij informatie? De bijen waren in de onmiddellijke nabijheid te gast geweest op een partij afgekeurde limonade, waar de keuringsdienst z'n vonnis over had uitgesproken, tot welks voltrekking emmers vol limonade uitgestort waren in een riool. De lege emmers nu waren door onze nijvere vriendjes nog eens nader aan een ernstig onderzoek onderworpen.
Of die limonade ook goed was! Mijn vriend eet honig met 5 procent limonade.

Eenmaal aan 't slingeren, kan ik niet nalaten nog een vergelijking te maken tussen 1918 en '19. Beide jaren waren weinig zonrijk. Voor 1919 onderscheidde zich de Meimaand door veel zon — echter tevens door droogte en kou. Voorts bood Augustus een veertien dagen lang mooi, warm weer. Maar overigens! Kil weer! 1918 was minder kil, al liet ook toen de zon zich weinig zien. Waar m'n oogst dit jaar 20 pond per kast bedroeg en in 1918 juist tweemaal zoveel, maak ik voor mij de gevolgtrekking, dat de honigproduksie bevredigend kan zijn, ook wanneer de zon weinig schijnt, als 't maar niet koud is en af en toe wat regen de plantenwereld verfrist, zoals in 1918.

P. HANSEMA, Den Haag.

Terugverwijzingen

  • Er zijn momenteel geen terugverwijzingen.