Werkmethoden met de zelfgemaakte bijenkast.

Van onze volken met moeren van 1918 maken we een separator. Broedraam na broedraam wordt onderzocht. Zoolang we de koningin niet zien, plaatsen we de raampjes met bijen in de oorspronkelijke volgorde in een (hooge) opzet. Daar hebben we het raam met de moer; dit gaat terug in de oude kast, alle overige verhuizen nu vlug zonder inspectie in de opzet.

Het raam met de koningin komt beneden midden in het broedruim, verder worden aldaar negen raampjes bijgevoegd met voorbouw, naar de zijden steeds smaller wordende reepjes. Over het broedruim leg ik nu een asbest-plaat, die van voren flink uitsteekt en zoo een bovenste vliegplank vormt. (Men kan natuurlijk ook wel een houten plank gebruiken). Boven op deze plaat komt de opzet met de negen uitgenomen broedraten, plus één raampje met kunstraat. Door een drietal latjes onder aan links, rechts en van achteren, geven we deze opzet van voren een vlieggat. De oude bijen vliegen langzamerhand terug in de haar bekende onderste vliegopening, en vinden daar haar oude koningin, die doorgaat met eieren te leggen in de cellen, welke de bijen vlug in de negen bijgehangen raampjes bouwen.

In de bovenverdieping ontwikkelt zich een jonge koningin, die bevrucht wordt en daarna met leggen begint. Als er boven jonge larven zijn, wordt de oude koningin beneden weggenomen en gedurende een nacht leggen we in plaats van de asbest scheidingsplank een krant, waarin we met een potlood een gaatje prikken. Dien nacht krijgen de bijen dezelfde lucht, vereenigen zich zonder vechten en beginnen de krant kapot te bijten. Den volgenden morgen verwijderen we het beschadigde nieuwsblad, plaatsen de jonge koningin onderin, regelen de raten naar bevind van zaken en leggen een koninginnerooster op 't broedruim.

Onze oude moer van 1918 is vervangen door een jonge van 1920; ons volk zwermt niet meer en haalt spoedig alle tien z'n groote bovenramen vol honig, hopenlijk later nog meer.
Bij mijn volken met een koningin van 1919, pas ik de omhangmethode toe, als ik mijn aantal volken niet vermeerderen wil. Of wel ik maak een vlieger, indien ik mijn stand met nieuwe volken wil uitbreiden. Omhangmethode en het maken van een vlieger, beschouw ik als voldoende bekend.
Zoo raak ik dus in 1920 mijn koninginnen van 1918 alle kwijt en ga dit jaar den winter in met moeren van 1919 en 1920.

Het spreekt vanzelf, dat men goed doet bij het kweeken van jonge koninginnen teeltkeus toe te passen. Bevalt een volk niet heel erg, dan verwijdert men bij 't maken van een separator of vlieger de aanwezige koninginnecellen en vervangt deze door moerdoppen uit de beste volken. Darren van minder goede volken vangt men geregeld af met een darrenval. De darren uit de beste kasten laat ik kalm leven. Ze zorgen voor een flink nageslacht. Darren „koppen" vind ik een vieze, onnoodige bezigheid, ik mag wat gonzende mannetjes wel! Te veel darren krijgt men nooit, als men oordeelkundig met zijn kunstraat werkt.

Nu grijpt men bij het maken van zoo'n separator of vlieger toch eigenlijk, wel vrij ruw in het werk der bijen in. Ook de omhangmethode gooit hun arbeid raar in de war. Blijft het goed weer en is er flinke dracht, dan komt alles op zijn pootjes terecht en zwemmen we in overvloed. Maar ons lieve vaderland heeft zoo'n raar, wisselvallig klimaat, dat al dat bruusk ingrijpen in den rustigen gang der bijenzaken ons soms duur te staan kan komen. Daarom mag ik zoo graag eenige mijner bijenvolkjes zich geheel naar eigen believen laten ontwikkelen. En in sommige jaren leveren deze nog de beste resultaten.

Zoodra de broedramen beneden ongeveer bezet zijn en zich onder de toplatten de eerste verzegelde honingcellen beginnen te vertoonen, plaats ik op een koninginnerooster een lage honingkamer, vroeger beschreven. Zonder rooster en overkruis gezet gaat ook. Liefst geef ik uitgebouwde honingramen. Wat kunnen die alle tien soms gauw volgesleept worden! Dan komt een tweede leege honingkamer onder de bijna volle. En voort gaat de arbeid weder! Maar in die tweede honingkamer hang ik alleen in 't midden twee, drie uitgebouwde raten. De rest zijn ramen met voorbouw. Het groote volk moet raten bouwen en vergeet vaak 't zwermen. Zóó behandelde volken waren vaak mijn beste!

Als dan de lindedracht voorbij is, komt bij ons in Hilversum een slappe tijd tot aan de heide, die tusschen twee haakjes, in 't Gooi lang niet meer is, wat ze vroeger was; dank zij villapark-aanleg en militairisme!
En als dan na een slappe maand de hei begint te bloeien, hebben de bijen het werken in de honingkamer aardig verleerd. Bovendien is er meestal een regenperiode geweest, de temperatuur is gedaald, beneden in het broedruim komen heel wat cellen vrij, doordat de koningin al minder eieren legt dan in volzomer. Gevolg: komt er nog honing, dan wordt die in het broedruim gesleept, is dus niet gemakkelijk oogstbaar, vooral als het alleen heidehonig is.

Wat heb ik al over middelen zitten te piekeren en wat heb ik al een proeven gedaan, om in de broedkamer alleen broed en boven alleen den honing te krijgen. Een paar werkmethoden, die me nu al jaren lang heel goede resultaten geven, wil ik u ten slotte mededeelen. Wie ze eens toepassen wil heeft, hoop ik, hetzelfde succes.

Een paar mijner kasten heb ik voorzien van omkeerbare ramen. Daartoe moest ik aan die ramen een kleine verandering aanbrengen. Ik maakte gewone broedramen (zie vorig artikel), maar zonder nokken aan die toplat. Nu knipte ik voor ieder raampje twee stukjes stevig ijzerblik in den vorm van een kruis (zie fig. I). De breedte van het blik komt overeen met de breedte van een zijlatje van een broedraam. De strook blik bevestig ik nu met één spijkertje aan den zijkant van het raampje, door dit spijkertje door het blik te drijven, dicht bij den onderkant van het blikken kruis en ook door het zijlatje van het broedraam, precies op de halve hoogte daarvan.
De dwarsarmpjes van het blikken kruis buig ik om de dikte van het zijlatje heen; en het bovenste deel van het kruis buig ik buitenwaarts van het broedraam af. Zoo krijg ik boven aan mijn broedraam een nokje, niet van hout, maar van blik (zie fig. II). Ook aan den anderen kant van 't broedraam komt zoo'n installatie.
Iedereen ziet nu gemakkelijk in, dat ik het broedraam ineens onderste boven ophangen kan, zoodat de toplat onder komt. Daartoe buig ik de blikjes wat naar buiten, tuimel het raampje om de spijkertjes rond en duw de blikjes weer aan, nu tegen de onderste helft der zijlatjes.

Hoe kan men deze omkeerbare ramen nu met voordeel gebruiken?
Dit geschiedt het best bij die volken, die men „hun gang laat gaan"; waarbij men, zooals ik boven beschreef, zoo weinig mogelijk in het bijenwerk ingrijpt.
Heeft men de lage honingkamer geplaatst en zijn de bijen hierin aan het werk, dan inspecteert men toch iedere week de broedkamer beneden. Nu merkt men daar vaak twee dingen: de bijen hebben in de meeste broedraten beneden vlak onder de toplat een streep honig, én ... ze bouwen enkele koninginnecellen en willen dus bij gelegenheid zwermen. Den honig uit het broedruim heb ik liever in mijn opzet boven; en verder moest zoo'n honingvolk dat zwermen liever laten, want dan komt van den oogst niet veel terecht.

Nu grijp ik in als volgt. Ik keer, dank zij mijn blikken draaibare nokken, mijn broedramen ondersteboven. Tusschen de raat en de onderlat is meestal een open ruimte. Die komt nu bovenaan te hangen en wordt spoedig door de bijen, vol cellen gebouwd, die de raat weer aan de lat, die nu toplat is, bevestigen. Dat wint eenige honderden broedcellen per raat en maak de raat veel steviger in het raampje vast.

Vervolgens ligt de streep honig, die vroeger onder de toplat zat, nu, na het omkeeren der ramen, onder in de woning vlak bij het vlieggat. Denzelfden nacht nog verwijderen de bijen dezen kostbaren voorraad van die gevaarlijke plaats en sleepen den honig daarheen, waar alleen plaats is: naar de honingkamer. Juist, waar ik hem hebben wou!
En last not least: de aanwezige half voltooide koninginnecellen, die komende zwermen voorspellen, staan met de larven erin, precies ondersteboven na het omkeeren der ramen! De opening omhoog! Dat is geen stand voor een fatsoenlijke koninginnecel. Twee jaar achtereen nu al braken de bijen ze zelf na het omkeeren der ramen af; ik kreeg een broedkamer haast zonder één cel honing, een reuzenvolk en opzetten vol honig, zoolang de lindedracht aanhield.

Maar daarna, ik zei het al, kwam de slappe tijd, voordat de hei begon en dan wilden de bijen minder graag omhoog in de honingkamer. Dan paste ik het volgende middel toe.
Den heelen zomer hebben mijn broedramen gehangen in kouden bouw, dus evenwijdig aan de zijden der kast. Als de heide nu begint te honingen en er bijvoorbeeld nog vijf ramen zijn geheel gevuld met broed, hang ik deze in warmen bouw, dus evenwijdig aan de voorkant der kast, voorin de woning bij het vlieggat. Op die plaats blijft het broednest. Achteraan hang ik vijf ramen of met dunne, uitgebouwde raten, waarin nog nooit is gebroed, of met kunstraat. Hierin bergen de bijen, ver van 't vlieggat, hun honing op en vier, vijf geheel verzegelde ramen met heerlijken raathonig beloonen straks mijn goede zorgen. De prachtigste honing uit de broedkamer!

Ik kan afwisselend kouden en warmen bouw toepassen, omdat mijn kast vierkant is.
Bij den beschreven overgang van kouden in warmen bouw moet men oordeelkundig te werk gaan. Men bedenke, dat het broednest ongeveer bolvormig is, bij kouden bouw in het midden van de tien ramen ligt vóóraan, en dat men dezen stand ongeveer moet zien te behouden bij het omzetten in warmen bouw. Trouwens in Augustus is het meestal nog zoo warm, dat de bijen haar broednest na de omzetting best kunnen warm houden. Minder aan te raden is het, in den herfst nog weer eens de ramen in den stand van kouden bouw terug te zetten.

Hilversum, Februari 1920,
CHR.H.J. RAAD

Terugverwijzingen

  • Er zijn momenteel geen terugverwijzingen.