Iets over Nectar.


De bestudeering van nectar is voor iedere imker van belang, omdat door de bijen hieruit de honing wordt gevormd. Nectar zelf is een vloeistof, die door bepaalde organen van de plant „honingklieren" wordt afgescheiden. Het is nu eenmaal gewoonte van honingklieren te spreken, juister zou zijn nectarklieren: want honing zondert de plant niet af.
Nectar bestaat vooral uit water, 80, 90 soms zelfs 95 procent water, en uit suikerachtige stoffen. Het wordt door de bijen opgenomen in de zoogenaamde honingmaag, ondergaat daarin een chemische verandering en wordt als honing door de bij terug gegeven en in de raten gelegd.

Het afscheidingsproces van nectar door de honingklieren is een levensverschijnsel van de plant, waarop hier niet verder kan worden ingegaan. Praktisch zien wij, dat die afscheiding niet altijd even groot is. Vooral H. Bonnier heeft zich beziggehouden met de studie van de honingklieren en haar verrichtingen. Het is mijn doel de belangrijkste feiten mede te deelen, die deze geleerde onderzoeker heeft waargenomen.

Hoezeer de honingklieren meestal in de onmiddellijke nabijheid van de bloemen worden gevonden, zijn hierbij ook afwijkingen. De bladsteel bij pruimen, de bladeren van de witte Meidoorn, de bladaanhangsels bij wikken enz. scheiden een suikerhoudende vloeistof af, die onder bepaalde omstandigheden ook door bijen worden geoogst.
Het onderzoek van H. Bonnier heeft aangetoond, dat uitwendige omstandigheden invloed uitoefenen op de hoeveelheid nectar, die door dezelfde plant wordt afgescheiden.

1e. Veranderingen gedurende één dag.
Met een daarvoor geschikt gemaakt instrument werd de nectar verzameld uit bloemen van denzelfden leeftijd en van dezelfde soort op een warmen helderen zomerdag. Het resultaat er van was:

Zooals men ziet, is er een groot verschil in de hoeveelheid nectar; 's morgens vroeg is deze het grootste, neemt dan af tot 3 uur namiddags, om daarna weer te stijgen. Deze proeven zijn op groote schaal genomen en gaven altijd hetzelfde resultaat. De hoeveelheid afgescheiden nectar houdt blijkbaar verband met de uitwendige temperatuur en 't vochtgehalte der atmosfeer.

Dit resultaat wordt bevestigd door de waarneming van bijen. Worden ieder uur de bijen geteld, die den korf binnenkomen, dan vindt men het grootste getal 's morgens en 's avonds, terwijl dit aantal in de middaguren het kleinste is, een waarneming, die overeenstemt met de gevonden resultaten der afscheiding van nectar.

Verder werd door weging dit probleem nader bevestigd: bij sterke dracht en goed weer werd gevonden: 10 bijen wogen zonder pollen om 9 uur voormiddags 1,21 gram; 10 bijen wogen zonder pollen om l uur namiddags 1,01 gram. Hierdoor wordt verklaard, hoe het komt, dat sommige bloemen wel in de morgenuren worden bezocht, maar zoodra het warm wordt, geen bezoek van bijen meer krijgen.
Zelfs ziet men in een warm, droog klimaat (Algiers, Provenu) de bijen alleen in de morgenuren uitvliegen en 's middags thuis blijven.

Wordt de nectar voor verdamping beschut, omdat de honingklieren in een lange bloembuis gelegen zijn, dan vermindert de hoeveelheid door stijging van de temperatuur niet zoo sterk als bij bloot liggende honingklieren. De laatste zijn zonder moeite door de bijen te bereiken, zij zoeken deze dus vooral op in de morgenuren. Vermindert door toenemende warmte de nectarbron, dan worden zij als 't ware gedwongen de bloemen met verborgen honingklieren te bezoeken.

Eindelijk kan ieder waarnemer zien, hoe de bij gevoelig is voor het weder. Bij veranderlijk weer moet het opvallen, dat het aantal bijen, dat den korf verlaat, vermindert zoodra de lucht betrekt of regen begint te vallen; het aantal bijen, dat thuis komt, neemt dan toe. Omgekeerd wordt het uitvliegen sterker en het binnenkomen geringer, zoodra de lucht weer opklaart en de zon doorbreekt.

2e. Veranderingen gedurende opvolgende dagen.
Het onderzoek vond plaats bij bloemen van dezelfde soort en op hetzelfde uur gedurende 6 opvolgende dagen.

Het weer was van 9 tot 13 Juli veranderlijk of regenachtig geweest. Hieruit volgt, dat na ongunstig weer de afscheiding van nectar toeneemt, wanneer er weer zonnige dagen komen. De grootste afscheiding heeft na den 2den of 3den dag van het warme weer plaats. Het verschijnsel is minder opvallend bij bloemen met verborgen honingklieren, omdat hier de verdamping wordt tegengegaan.
In overeenstemming hiermede is de controle van het gewicht.
Worden een bepaald aantal bijen gewogen op de eerste dagen van mooi weer na een periode van regenweer, dan blijkt hun gewicht op den 2den of 3den dag van het zonnige weer het grootste te zijn. De toename bij mooi weer van de nectar-afscheiding is niet onmiddellijk; er moet eenigen tijd verloopen eer dit zijn hoogtepunt bereikt.

3e. Veranderingen door geografische breedte.
In 't algemeen kan men zeggen, dat de aardrijkskundige breedtegraad invloed uitoefent op de afscheiding van nectar; dit geldt alleen voor inheemsche planten. Planten, die bijvoorbeeld in Noorwegen nectar geven, doen dat in Frankrijk weinig of niet, o.a. soorten van het geslacht Gentiaan enz.

4e. Veranderingen door de hoogte boven den zeespiegel.
Hierbij ziet men hetzelfde verschijnsel als bij den breedtegraad. Planten, die in de lage landen (Nederland) geen nectar voortbrengen, doen dit wel als zij in bergstreken leven. Zoo is de hennepnetel, de silene weinig nectar gevend in lage streken, daarentegen overvloedig nectar gevend op 1500 M. hoogte. Het schijnt zelfs, dat de hoogte invloed uitoefent op de kwaliteit van den nectar, het aroma is fijner, zoodat door fijnproevers aan honing gewonnen in bergstreken, de voorkeur wordt gegeven.

5e. Veranderingen door 't vochtgehalte van den bodem.
Er is een normaal vochtgehalte van den bodem, dat de afscheiding van nectar doet toenemen, dit is werkelijk de gunstigste verhouding. Valt er te veel regen, dan vermindert de nectar-afscheiding. Praktisch zien wij ook, dat plaatselijke regenbuien in de eene streek weinig dracht geven, terwijl dezelfde planten in een streek, waar minder regen is gevallen, een goede dracht geven.

6e. Veranderingen door 't vochtgehalte van de lucht.
Wanneer de omstandigheden gelijk zijn, bevordert een vochtige lucht de nectar-afscheiding.
Westenwinden bevorderen de afscheiding, terwijl Noorden-, Zuiden- en Oostenwinden in den regel opdrogend werken en die afscheiding doen verminderen. Enkele planten hebben de eigenschap juist bij droog weer overvloedig nectar af te scheiden, o.a. de vetkruiden, 't wilgenroosje, enz.

7e. Veranderingen door den warmtegraad.
Een zekere warmtegraad is voor de nectar-afscheiding noodzakelijk, een lage temperatuur en koude nachten geven in het algemeen de daaropvolgende dagen een geringe afscheiding van nectar. Er zijn echter enkele uitzonderingen, o.a. het nieskruid geeft bij 4 graden temperatuur nog overvloedige afscheiding van nectar.

8e. Veranderingen door invloed van het licht.
Het licht schijnt geen invloed uit te oefenen op de afscheiding van nectar. De dracht is bij bewolkte lucht, als er onweer dreigt te komen, nog zeer sterk. Sommigen beweren zelfs, dat de honinggevende gewassen, die meer of minder in de schaduw groeien, ook meer nectar geven.

9e. Veranderingen door de samenstelling van den bodem.
De samenstelling van den grond, heeft grooten invloed op de nectar-afscheiding. De gele mosterd geeft op kalkhoudende gronden overvloedig nectar, weinig op zandgrond; de Phacelia geeft alleen op kalkhoudende gronden enz. De bemesting van den grond is evengoed voordeelig voor den plantengroei als voor het honinggewin.

10e. Veranderingen door het klimaat.
Het klimaat heeft een overwegenden invloed op de nectar-afscheiding. Er zijn planten, die in het eene land absoluut geen nectar geven en in een ander land juist wel nectar geven. De meeste soorten van ganzerik geven in Frankrijk weinig of geen nectar, terwijl diezelfde planten in Noord-Duitschland veel nectar geven; de leeuwentand wordt in Frankrijk zelden door bijen bezocht, daarentegen in ons land overvloedig enz.

11e. Veranderingen door den ouderdom der honingklieren.
In 't algemeen begint de nectar-afscheiding niet voordat het stuifmeel rijp is. Het hoogtepunt van de afscheiding wordt bereikt, als de bloem volkomen ontwikkeld is en geschikt is om bevrucht te worden.
Heeft bevruchting plaats gehad en begint de vruchtvorming, dan houdt de afscheiding spoedig op.

Zooals uit het bovenstaande blijkt, zijn er verschillende omstandigheden, die invloed uitoefenen op het honinggewin, alleen wanneer weer, bodem en klimaat gunstig zijn, kan het honinggewin goed zijn.
De nectar der bloemen is niet altijd van dezelfde samenstelling.
Het gehalte aan water en suiker verschilt niet alleen bij verschillende planten, maar verandert ook bij hetzelfde gewas in één dag. Het suikergehalte is 't kleinste bij veel nectar-afscheiding en stijgt naarmate er minder wordt afgescheiden. Praktisch is aangetoond, dat nectar om 2 uur namiddags onderzocht, meer suiker bevatte, dan een 10-maal grootere hoeveelheid nectar van de morgenuren. Eindelijk toonen bijen een merkwaardige voorkeur voor sommige soorten van nectar, hetzij dat de smaak hen meer bekoort, of dat de nectar gemakkelijker te bereiken is.

Nauwlettende waarneming doet ons zien, dat sommige planten meer, andere minder bezocht worden. Het is alsof de bijen als de dracht in de morgenuren begint, onmiddellijk den weg weten, die voor hun oogst het gunstigste is. Geven bloemen alleen in de morgenuren nectar, dan worden deze het eerste bezocht, om in de middaguren naar die bloemen te vliegen, die dan nog nectar geven. De bij regelt haar arbeid naar de plaatselijke toestanden in haar omgeving.
Zoolang nectar van bloemen verkrijgbaar is, heeft deze de voorkeur. De zoete stof, afgescheiden door bladluizen, ook wel door bladeren enz. van planten, wordt alleen in uitersten nood door hen verzameld.

Een opvallende kleur of reuk is geen bewijs voor de aanwezigheid van nectar, o.a. de lupinen, vele gekweekte rozen enz., hebben geen honigklieren. Daartegenover staan bloemen, die weinig opvallen en zonder veel geur zijn, en die juist voor 't honiggewin voordeelig zijn.

Het is een gecompliceerd vraagstuk, omdat klimaat, bodem, hoogte enz. ook invloed uitoefenen. Het 1/3 deel der verschillende planten draagt bij tot den honingoogst, voor een bepaalde streek van ongeveer 3 kilometer omtrek is het aantal planten hoogstens 50, misschien wordt dit getal in bergstreken wat grooter. Een opgave van honinggevende planten moet dus samengaan met de aanduiding van de streek, waarin zij voorkomen.

April 1920,
L.J. VAN RHIJN

Terugverwijzingen

  • Er zijn momenteel geen terugverwijzingen.