Oud en Nieuw.

Vergun mij ook eens iets in het Maandschrift te mogen plaatsen.
Als men de jaargangen van het Maandschrift nog eens naziet, doet zich telkenmale hetzelfde verschijnsel voor, ontevredenheid onder de Imkers. Nu komt de wind eens uit den eenen dan weer uit den anderen hoek waaien, maar de meeste klagers zijn het een opzicht roerend eens, en dan betreft het veelal een klacht tegenover het Hoofdbestuur.

Het is eigenlijk wel opmerkelijk, in die tien jaren, dat ik lid van de Vereeniging tot bevordering der Bijenteelt ben geweest, dat er altijd verkeerd gehandeld is, en zich nooit of zelden eens een stem verheft, en zich tevreden betoont, met hetgeen door het Bestuur gedaan is. Zoo oppervlakkig, zou men zeggen, is de Vereeniging der Bijenteelt altijd in verkeerde handen geweest, en daardoor in verkeerde banen geleid. Nu is mijn plan niet, om het vorige Hoofdbestuur nog eens een pluimpje na te geven, maar er zal toch zeker wel iets goeds tot stand gekomen zijn, wat de meeste leden onopgemerkt voorbij gegaan is, ik weet wel, dat ook het beste wat een Bestuur presteert, ten slotte toch maar stukwerk is, maar toch gaat er kracht van uit.

Nu is de vereeniging dan in andere banen geleid, het reglement is voor de zooveelste maal gewijzigd, en er heeft een groepverdeeling plaats gehad, waar uit iedere groep een Hoofdbestuurslid gekozen is, voor onze groep de Heer Joh. Schaafsma te Wester-zand. B.g. Bestuurslid heeft in Nov. l.l. een vergadering uitgeschreven, welke te Groningen gehouden is, met het doel om met de afdeelingen een bespreking te houden, en een groep of ringbestuur te kiezen, en te bespreken in welke richting ons schip, de Vereeniging betreffende, gestuurd moet worden, om de belangen zoo mogelijk van alle Imkers te behartigen.

Nu zou men denken, dat er van iedere afdeeling wel minstens een persoon vertegenwoordigd zou zijn. En wat blijkt nu het geval te zijn, dat er van de tien afdeelingen, welke in onze groep ingedeeld zijn, slechts door vier afdeelingen aan b.g. vergadering werd deelgenomen en zes, zegge 6, dus het grootste aantal der afdeelingen schitterde door hun afwezigheid. Is het nu niet allerdroevigst met de meeste afdeelingen gesteld? Willen de wegblijvers verder zelf maar invullen . . .

Wat zijn wij Imkers over het geheel genomen, toch wonderlijke en lakse menschen, men moet zich ten slotte schamen voor zijn eigen bijen, die geen werk en moeite te groot achten, om alles te doen wat in hun vermogen is, om den nektar per druppel, uit de bloemen te halen, en in de kast brengen, en wij blijven maar bij de pakken neerzitten, liefst tot een ander het maar voor ons kauwt, en ook nog een stootje achterna geeft, dan behoeft men enkel maar te slikken, en als het dan niet naar den zin is, geeft men nog op of aanmerkingen voor dessert aan het bestuur terug.

Ja Imkers het is niet anders en het ontzegelmes moet maar eens in de wondeplek gezet worden. Is het geen schande en schade voor ons zelf, dat als wij honig van onze bijen oogsten, wij niet weten waar we er mee heen moeten, en tevreden moeten zijn met elken prijs, die ons er voor geboden wordt. Zou het niet mogelijk zijn in de steden, zooals den Haag, Amsterdam en Rotterdam enz. verkoophuizen van bijenproducten te kunnen stichten, die onzen honig voor een waardigen prijs verkopen? Maar dan is in de eerste plaats noodig, dat ons tegenwoordig Bestuur niet alleen staat, zooals tot nog toe het geval geweest is, doch dat het Bestuur en de Imkers te zamen hand aan hand de zaak in ons belang aanpakken en tot een goed verloop weten te brengen, zoo dat ieder onzer in de gelegenheid wordt gesteld, zijn honig en was naar een aan te wijzen plaats kan zenden, en een vasten prijs, voor zijn geleverde waar kan ontvangen.

Ik vraag U allen medeimkers, wat kracht kan er van een Bestuur uitgaan, dat steeds de tegenwerking van de leden moet ondervinden? Ik heb het genoegen gehad onzen afgevaardigde eenmaal te spreken, en ik geloof en vertrouw ten volle, dat de Heer Joh. Schaafsma een man is en dat zullen de andere Bestuursleden evengoed zijn, die de zaak onzer Imkers wel in goede en rechte banen weten te leiden. Maar dan rust van onzen kant, op een ieder, niet één uitgezonderd de verplichting om met het Bestuur samen te werken, tot het welzijn, van de Imkerij in Nederland. Daarom nogmaals bij een eventueele oproeping tot het houden van een groepvergadering, laat onzen afgevaardigde niet met een enkeling alleen, door te zeggen of te denken "laat maar waaien". Dit systeem is al veel te lang en te dikwijls gevolgd. Ik geef U de vaste verzekering, dat wij nooit verder zullen komen, als er niet aangepakt wordt. Kunt U nog doodender voorbeeld noemen, voor een Bestuur, wanneer geen medewerking van de leden keer op keer wordt ondervonden.

Tot mijn blijdschap las ik in het Maandschrift van Dec. dat er in groep 8 een bestuur gekozen is; dat is een voorbeeld, dat navolging verdient, dus de oude leuze laten varen en de handen aan den ploeg, dit laatste is ons aller roeping.
Hoogachtend,
Parallelstraat 93, Uithuizen, Groningen.
O. SCHRIKKEMA.


Terugverwijzingen

  • Er zijn momenteel geen terugverwijzingen.