Het bijenjaar 1818.

Dit jaar staat in de Nederlanden (ons land was nog één met België) zeer verschillend aangeschreven in de geschiedenis van de bijenteelt.
Men was in 't Noordelijk deel zeer voorspoedig geweest met 't honing-gewin op de boekweit en heide, vooral in Overijsel, Utrecht en om Breda. Uit Gelderland, de Meierij van den Bosch, en uit 't land van Kuik kwamen echter vele klachten. Hoewel het voorjaar daar ook zeer gunstig was, bedierf de koude Meimaand veel; de boekweit honingde niet. Over de prijzen wordt niet geklaagd; die van was bedroeg ongeveer ƒ 110,-- de 100 oude Ned. pond (is Kilogram); van honing slechts ƒ 22,50 de 100 pond, dus 22 en een halve cent per Kilogram.

In onze Zuideliike provinciën wordt uit de Ardennen en langs het Maasdal een goede opbrengst van de heide gemeld. In 't Oostelijk deel van Vlaanderen was de toestand zeer ongunstig. Men moest het daar vooral van de zomerdracht hebben. Tot half April was alles voortreffelijk, maar hoe sterk het koolzaad, de boekweit en andere gewassen ook bloeiden, de bijen konden er geen druppel honing uit trekken, evenmin als in Noord-Brabant; door de sterke droogte aasden de bijen nutteloos. In 't laatst van Juni kwamen er nog enkele zwermen, wat slechts tot verzwakking der stokken aanleiding gaf.

Dit was wel heel jammer, want men legde zich juist in deze streek met zijn gunstige zomerdracht sterk toe op volksvermeerdering, vooral door de zeer geoefende landbouwers.
De Fransche geleerde Huber had hen hierin door zijn uitgebreide studie over de bijenteelt veel geleerd. In een belangrijke zaak had hij zich, gelukkig maar, vergist.
Huber meende, dat, als de bijen uit een wormpje of rupsje van de werkbijen, dat drie dagen oud was, een koningin hadden doen voortkomen, deze ongeschikt zou zijn en ook niet voor een zwerm kon dienen.
Daar men kunstmatig de volken trachtte te vermeerderen, vond men proefondervindelijk, dat dit gelukkig niet opging. Als men uit een goed van broed voorziene korf een gedwongene zwerm, waarin de oude koningin was, afnam, kwam alles vanzelf terecht. De werkbijen, die in den ouden korf waren achtergebleven, deden het noodige om als het ware kunstmatig koninginnen voort te brengen (uit werkbijenbroed). Deze koninginnen kwamen na 14 of 15 dagen te voorschijn en spoedig kwam er weer een zwerm.

Door deze ontdekking was men nu in staat het aantal volken naar welgevallen te vermeerderen.
K.

Terugverwijzingen

  • Er zijn momenteel geen terugverwijzingen.