De stikstofkringloop: keten of vergiet?

J.J. Schröder (1) en J. Vos (2)

1 DLO-Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek (AB-DLO), Postbus 14, 6700 AA Wageningen/Haren

2 LUW-vakgroep Agronomie, Haarweg 333, 6709 RZ Wageningen

Samenvatting

In de Nederlandse landbouw wordt jaarlijks ruim 400 kg meer stikstof (N) per ha aangevoerd dan afgevoerd in de vorm van produkten. Dit overschot op de N balans leidt tot een ongewenste milieubelasting. Hoewel N-verliezen onlosmakelijk met iedere vorm van landbouw verbonden zijn, is de omvang van het huidige N-overschot en de daaraan verbonden milieubelasting, in technische zin, niet onvermijdelijk. Tussen bedrijven bestaan grote verschillen in N-overschot. Deze verschillen zijn deels terug te voeren op bodem- en klimaatsomstandigheden, deels op de produktietak, de gewassenkeuze en de wijze van bemesting. Diverse maatregelen om het N-overschot en daarmee de N-verliezen in de akkerbouw te beperken, worden op hun perspectief beoordeeld. Bij gebruik van kunstmest zijn de verliezen per kg gegeven N geringer dan bij gebruik van organische meststoffen. Een akkerbouw die kunstmest om deze reden verkiest, draagt niet bij aan een nuttig hergebruik van bij- en afvalprodukten uit andere sectoren. De ecologische akkerbouw doet dat wel, met als prijs een groter verlies per kg gegeven N. Om de N-verliezen op ecologische bedrijven in absolute zin niet groter te laten zijn dan op gangbare bedrijven, moet op ecologische bedrijven terughoudender worden bemest.

INLEIDING

Stikstof (N) in de biosfeer is voor het overgrote deel aanwezig als organisch gebonden N in de bodem en in vegetaties; in de atmosfeer komt N voornamelijk voor als gasvormige N2. Via biologische en industriële binding, het gebruik van fossiele brandstoffen en bliksem wordt op wereldschaal naar schatting jaarlijks 241-433 miljoen ton N in de vorm van NOx en NHx in de biosfeer gebracht, voor een groot deel gerelateerd aan landbouwkundige activiteiten (Isermann, 1993). Vooralsnog is niet bekend in welke mate deze toevoer in de biosfeer, de afvoer naar de atmosfeer als gevolg van denitrificatie overtreft. Op een lager aggregatieniveau liggen de relaties tussen aanvoer en afvoer veel duidelijker. In Nederland worden de veelvuldige overschrijdingen van de concentratiedoelstellingen voor nitraat in het bovenste grondwater (11,3 mg NO3-N per liter) en totaal-N in zogenaamde stagnante, eutrofiëringsgevoelige oppervlaktewateren (2,2 mg N per liter), in direct verband gebracht met landbouwkundige activiteiten (Van Eck, 1995). Daarnaast wordt de landbouw medeverantwoordelijk gehouden voor de aantasting van de ozonlaag en het broeikaseffect ten gevolge van N2O-emissie en de verzuring en eutrofiëring van voedselarme terrestrische en aquatische ecosystemen tengevolge van NH3-emissie. N2O wordt gevormd als bijprodukt bij de denitrificatie van nitraat tot N2. NH3 komt voornamelijk vrij bij de produktie, de opslag en het gebruik van dierlijke mest. Deze belasting van het milieu leidt in toenemende mate tot een appèl aan de landbouw om het N-gebruik aan een kritische blik te onderwerpen


Figuur 1a


Figuur 1b

in een (A) rurale en in een (B) geïndustrialiseerde samenleving

In landbouwproduktiesystemen is N één van de opbrengstbeperkende factoren. Als tekorten niet worden aangevuld heeft dat vroeg of laat een negatief gevolg voor de ontwikkeling en produktie van gewassen. Met name bladvorming en fotosynthese blijven bij N-tekorten achter (Sinclair, 1990; Van Keulen & Stol, 1991). Naast dit directe effect op de opbrengst heeft N ook invloed op de wisselwerking tussen het gewas en ziekten, plagen en onkruiden. In sommige gevallen versterkt N het negatieve effect van schadelijke organismen, in andere gevallen, echter, verhoogt N de concurrentiepositie van het gewas.

Evenals bij fosfor (P), wordt bij N veelal van een kringkoop gesproken. Het woord kringloop kan associaties oproepen dat één en ander 'vanzelf' verloopt en dat sprake is van een cirkelgang. De juistheid van dit beeld hangt in sterke mate af van de systeemgrenzen. Naarmate ruimtelijke grenzen enger gekozen worden (land> regio> bedrijf> perceel/stal> gewas/dier> produkt), is hiervan minder sprake. Zo bestaat er op stalniveau een groot verschil tussen de N-aanvoer in de vorm van voer en de N-afvoer in de vorm van melk, vlees of eieren. De kringloop wordt al meer benaderd als het overschot (voornamelijk mest en urine) op bedrijfs- of regioniveau wordt gebruikt voor de bemesting van gewassen en deze gewassen worden geconsumeerd door mens en dier. Nog sterker kan gesproken worden van een werkelijke kringloop als op regio- of landelijk niveau getracht wordt om industrieel afval (bierbostel, schuimaarde, schroten) of urbaan afval (rioolslib, GFT-compost) zoveel mogelijk opnieuw in de landbouw te benutten.

Ook in temporele zin kan meer gesproken worden van een cirkelgang naarmate de schaal groter is. Zo worden sommige gewassen gekenmerkt door de eigenschap een relatief gering deel van de N-aanvoer in oogstbare produkten om te zetten als gevolg van vastlegging in oogstresten. Bij een juiste behandeling van deze resten, kunnen volgteelten de N in oogstresten alsnog voor een deel benutten en kan de N-afvoer in oogstbare produkten de N-aanvoer, in dat specifieke deel van de rotatie, zelfs overtreffen. Zodoende kan op het niveau van rotaties vaak eerder van een kringloop gesproken worden dan op het niveau van individuele teelten. Figuur 1 geeft een beeld van de veelheid aan N-stromen in een landbouwproduktiesysteem. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de oorspronkelijke situatie (Fig. 1A) waarin landbouw een redelijk gesloten systeem vormde (weliswaar verbonden met natuurlijke systemen via strooiselwinning en begrazing) en de huidige situatie (Fig. 1B) waarin verwerking en consumptie voor een groot deel buiten de eigenlijke landbouwsector plaatsvinden.

Het woord kringloop kan ook een beeld oproepen van een zekere geslotenheid ofwel de afwezigheid van lekkage. Zelfs bij ruim gekozen grenzen, waarbij Nederland als één groot landbouwbedrijf wordt opgevat, blijkt de N-aanvoer, de N-afvoer ruimschoots te overtreffen (Tabel 1). Het overschot van ruim 400 kg per ha steekt schril af bij dat van andere Noordwest-Europese landen. In Noorwegen, Zweden, Denemarken en Duitsland bedraagt het N-overschot, respectievelijk, 126, 103, 185 en 126 kg per ha (Isermann, 1993). Minder dan een kwart van de totale N-aanvoer wordt afgevoerd in de vorm van produkten. De grote bijdrage van krachtvoer in de nationale N-aanvoer verleidt velen tot de stelling dat het nationale overschot daalt als 'Nederland meer eigen krachtvoer zou telen'. Als dergelijke teelten zich zouden uitbreiden ten koste van het areaal gewassen waarvan het te oogsten deel het nationale systeem thans verlaat of toch al in het diervoer terechtkomt (granen, gras), is het vermeende positieve effect van 'krachtvoer van eigen bodem' twijfelachtig. 'Krachtvoer van eigen bodem' verlaagt het nationale N-overschot bovendien alleen als dat hand in hand gaat met hergebruik van dierlijke mest ten koste van het gebruik van kunstmest (Meijer et al., 1991). De in dit kader relevante nutriëntenstromen worden zichtbaar gemaakt in Figuur 2.


Figuur 2

Bij dit alles dient wel te worden opgemerkt dat het Nederlandse landbouwareaal allesbehalve toereikend is om alle landbouwhuisdieren te kunnen voeden. Omgekeerd kan de in Nederland geproduceerde mest (in 1995 bevatte deze 196 miljoen kg fosfaat (Baltussen et al., 1994)), zelfs bij een precieze verdeling over alle beschikbare cultuurgrond (ca. 2 miljoen ha), onmogelijk milieukundig verantwoord gebruikt worden (Oenema & Van Dijk, 1994).

Balansoverschotten kunnen duiden op voorraadswijzigingen (voornamelijk ophoping in de bodem) of op verliezen naar de omgeving. Beide zijn tot op zekere hoogte ongewenst. Bij een voortdurende ophoping van N in de bodem (voornamelijk in organische vorm) komt men vroeg of laat in een situatie terecht waarin N in te grote mate op ongewenste momenten vrijkomt. Daarbij kan gedacht worden aan de nawerking van hoge mestgiften op maïsland (Whitmore & Schröder, 1995) of de N-mineralisatie die optreedt na het scheuren van oud, intensief beheerd grasland (Whitehead et al., 1990; Whitmore et al., 1992). In beide gevallen zal slechts een deel van de vrijkomende N voor plantaardige produktie kunnen worden benut en gaat de rest verloren. N-verliezen zijn behalve vanuit een economisch oogpunt, ook milieukundig ongewenst vanwege de eerder besproken negatieve gevolgen op de omgeving. Verlies van N uit landbouwproduktiesystemen vraagt bovendien om compensatie in de vorm van (extra) bemesting. Daarvoor is industriële of biologisch N-binding nodig hetgeen een energievergend proces is. Resteert de vraag of N-verliezen, en daarmee N-overschotten, onvermijdelijk zijn of te beïnvloeden door aanpassingen van het nutriëntenmanagement.

N-OVERSCHOT IN DE AKKERBOUW

Inmiddels zijn er ook diverse N-balansen beschikbaar voor de akkerbouw als aparte sector (Tabel 2). De overschotten per ha zijn in dat geval geringer dan bleek uit de balans waarbij Nederland als een groot landbouwbedrijf, inclusief de veehouderijsector, werd opgevat.

Dit vloeit voor een deel voort uit het feit dat de omzetting van meststoffen in plantaardige produkten principieel doelmatiger verloopt dan de omzetting van plantaardige produkten in dierprodukten. Dat betekent dat een plantenteler uit de aard van de processen met geringere overschotten te maken heeft dan bijvoorbeeld een varkenshouder. Nog groter zijn de overschotten voor een melkveehouder. Deze wordt immers geconfronteerd met verliezen tijdens de omzetting van meststoffen in plantaardige produkten en met verliezen tijdens de omzetting van plantaardige produkten in dierprodukten (Fig. 3).

Een tweede verklaring voor de relatief geringe overschotten in de akkerbouw ligt in het feit dat niet-ecologische akkerbouwbedrijven gebruik maken van minerale meststoffen die met een hogere doelmatigheid kunnen worden omgezet in produkten dan mogelijk zou zijn bij gebruik van organische mest of N die door vlinderbloemigen is gebonden. Analoog, hebben intensieve veehouderijbedrijven soms een relatief gering overschot omdat ze de dieren alleen hoogverteerbare plantfracties voeren en overschotten die gepaard gaan met de teelt van krachtvoer, het voeren van (industriële) bijprodukten en het hergebruik van dierlijke mest, voor een deel afwentelen op bedrijven elders. Zo hebben grondloze veebedrijven, voor zover sprake is van ammoniakdichte stallen, alleen met de conversie van voer-N als maat voor hun doelmatigheid te maken. Deze kan tot 35-40 % worden verhoogd (pers. med. S. Tamminga). Sectoraal wordt dus soms doelmatig geproduceerd ten koste van (extra) verliezen in andere sectoren.

_____________________________________________________________________________
Tabel 1. Stikstofbalans (in kg N per ha per jaar) en N-benutting (%) van de
Nederlandse landbouw (naar Van der Meer, 1991)
_____________________________________________________________________________
  N-drager                                           kg N per ha per jaar
                                          Bijdragen
                                                     Totaal
 Aanvoer:
           Kunstmest                      249
           Krachtvoer                     254
           Biologisch binding, zaaizaad,
           industrieel/urbaan afval        13
           Depositie                       44
           TOTAAL                                    560
 Afvoer:
           Produkten                                 133
 Overschot                                           427
 Benutting                                            24
_____________________________________________________________________________
______________________________________________________________________________
Tabel 2. Stikstofbalans (in kg N per ha per jaar) en N-benutting (%) 
van Nederlandse akkerbouwbedrijven
_______________________________________________________________________________
 Bron(a):                      1             2                    3         
 Periode:                   '86-'88       '90-'93              '86-'90                    
 Regio(b):                 noz    fle    noz   fle      noz   noz   fle    fle    
 Systeem(c):               G      G      I     I        G     I     G      I    
_______________________________________________________________________________
 Aanvoer:  Kunstmest       144    169    85    93       162   52    120    44 
           Org. mest       59     39     92    76       90    126   88     102
           N-fixatie (d)   14     8      1     4        0     36    21     19
           Zaaizaad        -      -      4     4        -     -     -      - 
           Depositie       38     35     39    35       35    35    35     35

           TOTAAL          255    251    221   212      287   249   264    200 
 Afvoer:   Produkten       115    120    95    141      137   116   152    131
 Benutting                 45     48     43    67       48    47    58     66
_______________________________________________________________________________

 Bron(a):                       4        5     6         7  
 Periode:                    '88-'91        '92-'94   '90-'91
 Regio(b):                  fle   fle    fle   fle      diversen
 Systeem(c):                G     I      E     E        E
_______________________________________________________________________________
 Aanvoer:  Kunstmest        181   103    0     0        14
           Org.mest         0     65     90    77       143
           N-fixatie (d)    0     0      90    -        -
           Zaaizaad         3     3      3     -        -
           Depositie        1     18     49    35       -

           TOTAAL           202   189    232   112      157
 Afvoer:   Produkten        146   125    147   83       94
 Overschot                  56    64     85    29       63
 Benutting                  73    66     63    74       60
_______________________________________________________________________________

(a) 1 = Stouthart & Leferi 1994; 5=Begrote balans van Ecologisch 
Proefbedrijf 'De Lovinkhoeve'; 6 = ongepubliceerde gegevens van het 
Innovatieprojekt Ecologische Akkerbouw en Groenteteelt verstrekt door R.
Visser; 7=LEI-boekhoudnet, geciteerd in Soorsma (1994)

(b) noz = Noordoostelijke zandgebied; fle=Flevoland

(c) G = gangbaar; I=geïntegreerd; E=ecologisch

(d) Biologische N-binding door vlinderbloemigen
______________________________________________________________________________

Tussen de akkerbouwbedrijven uit de diverse studies bestaan grote verschillen in N-overschot. Voor een deel wordt dit veroorzaakt doordat in sommige balansen geen rekening gehouden wordt met de aanvoer door depositie, zaaizaad en pootgoed. Verder kan het niet-opnemen van de post biologische N-binding door vlinderbloemigen, met name op ecologische bedrijven waar het aandeel vlinderbloemigen relatief hoog is, tot een onderschatting van het N-overschot leiden.

Zelfs bij een uniforme berekeningswijze blijven er verschillen bestaan tussen bedrijven. Dit roept de vraag op of deze variatie toevallig is of aan managementsbeslissingen is toe te schrijven.

STUURBAARHEID VAN HET N-OVERSCHOT

Het N-overschot wordt door zowel de aan- als de afvoerposten op de balans beïnvloed. Gewassen verschillen sterk in de mate waarin aangeboden N wordt opgenomen ('de N recovery'). Greenwood et al. (1989) maken onderscheid tussen gewassen waarvan de N recovery min of meer constant is tot aan de economisch optimale N-gift en gewassen waarvan de N-recovery stijgt naarmate de N-gift lager is. Tot de eerstgenoemde gewassen, met een recovery van circa 70 %, behoren granen en (gemaaid) grasland (Greenwood et al., 1989), suikerbieten (Prins et al., 1988; Schröder & Ten Holte, 1995) en de meeste koolsoorten (Smit & Van der Werf, 1992), tot de tweede groep behoren een aantal groenten (Greenwood et al., 1989; Smit & Van der Werf, 1992), en wellicht aardappelen (Vos, 1995b; Schröder & Ten Holte, 1995), uien (Smit & Van der Werf, 1992) en maïs (Schröder & Ten Holte, 1992). Nader onderzoek is nodig om na te gaan of deze verschijnselen een fysiologische achter

_________________________________________________________________
Tabel 3. N-overschot (kg per ha) per gewas bij optimale bemesting
_________________________________________________________________

met kunstmest-N (naar Soorsma, 1994)

                     N-overschot
 Gewas
                     (kg/ha)

 Graszaad            170

 Zomergerst          32

 Wintertarwe         71

 Suikerbieten        82

 Consumptieaardappel 101

 Pootaardappel       45

 Fabrieksaardappel   76

 Snijmaïs            31

 Korrelmaïs          71

 Spruitkool          148

 Knolselderij        140

 Prei                125

 Tulpen              77

_________________________________________________________________

grond hebben (Smit & Van der Werf, 1992), toe te schrijven zijn aan de heterogeniteit van het gewas (Greenwood et al., 1989) of de bodem (De Willigen et al., 1992) of een gevolg zijn van een aangepast bewortelingspatroon bij een geringe aanwezigheid van N (Schröder et al., 1993c). Voor beide door Greenwood onderscheiden gewastypen geldt, uiteraard, dat recoveries dalen bij overmatige N-giften. Daarom dient kritisch te worden nagegaan of de soms geobserveerde stijging van de N-recovery bij sub-optimale giften, geen artefact is van het gebruik van regressiemodellen die een te hoge optimale N-gift voorspellen (Cerrato & Blackmer, 1990). Naast de verschillen in N-recovery, onderscheiden gewassen zich van elkaar door de mate waarin opgenomen N wordt omgezet in oogstbare produkten ('de N-harvest-index'). Suikerbieten en korrelmaïs hebben bijvoorbeeld een lage N-harvestindex vergeleken met aardappelen en wintertarwe. Tabel 3 geeft weer welke consequenties dit heeft voor het N-overschot van optimaal bemeste gewassen. Een vollediger overzicht van de Nrecovery (onder een enigszins aangepaste definitie) en de N-harvest-index bij diverse gewassen wordt gegeven door Smit (1994).

Omdat gewassen zo verschillen in het N-overschot waarmee hun teelt gepaard gaat, heeft het bouwplan een grote invloed op het N-overschot op bedrijfsniveau. Verder oefent ook de meststoffenkeuze invloed op het overschot uit. Organische meststoffen zijn namelijk meer dan minerale meststoffen met een aantal onvermijdelijke verliezen behept. Organische mest bevat naast gebonden N dikwijls ammonium-N waarvan een deel vervluchtigt, ook bij onmiddellijk inwerken of injectie. Bovendien wordt organische mest op kleigrond meestal in het najaar uitgebracht teneinde structuurschade (en daarmee een verminderde N-afvoer door de gewassen) te voorkomen. Dit heeft tot gevolg dat een deel van de minerale N in de mest gedurende de winter aan afspoelings-, uitspoelings- en denitrificatieverliezen blootstaat. Ook bij voorjaarstoediening van organische mest, echter, is slechts een deel van de aanvoer daadwerkelijk voor het gewas beschikbaar. Een deel van de mest is namelijk moeilijk afbreekbaar en komt pas beschikbaar aan het einde van het groeiseizoen (Wadman & Ehlert, 1989) of op langere termijn (Dilz et al., 1990; Whitmore & Schröder, 1995). Bovendien kan de toediening van verse organische mest denitrificatieverliezen vergroten (Guenzi et al., 1978). Eén en ander heeft tot gevolg dat de N-werkingscoëfficiënt van dunne mestsoorten, ook bij injectie, in de regel niet hoger is dan 50-70 % bij voorjaarstoediening en 10-30 % bij najaarstoediening (Lammers, 1983). De korte-termijnwerking van GFT zal zelfs niet hoger zijn dan 10 % (Van Lune et al., 1993).

Ook de N die vlinderbloemigen binden wordt onvollediger benut dan een vergelijkbare hoeveelheid kunstmest-N. Dat heeft, evenals bij organische mest, te maken met het feit dat de synchronisatie van de mineralisatie en opname door volgteelten moeilijk te sturen is. Het tijdstip en de wijze waarop het materiaal ingewerkt wordt, spelen daarbij naar verwachting een belangrijke rol.

Bij jarenlang gebruik van organische mest (van dierlijke oorsprong of in de vorm van gewasresten) kan de benutbaarheid toenemen door een geaccumuleerde nawerking van de diverse bronnen van organische stof die in de voorafgaande jaren aan de bodem zijn toegevoegd. Een benutbaarheid als die van kunstmest-N zal echter nooit helemaal bereikt worden zoals eerder is aangegeven.

Schröder et al. (1993a) verkenden de gevolgen van bouwplansamenstelling en meststoffenkeuze op het N-overschot van akkerbouwbedrijven bij optimale bemesting. De berekende N-overschotten op bedrijfsniveau varieerden daarbij van 81-159 kg N per ha (Tabel 4). De in de N-deskstudie (Van Eck, 1995) vermelde waarde van 150 kg N per ha (inclusief depositie) bij 'goed landbouwkundig gebruik' en met gebruik van organische mest, valt binnen dit bereik. In diezelfde studie werd ook geconcludeerd dat de meeste intensieve vollegrondsgroentebedrijven en bollenbedrijven onder vergelijkbare omstandigheden een N-overschot van circa 190 kg per ha kunnen bereiken.

Hoewel er consensus bestaat over het feit dat overmatige N-giften in de vorm van kunstmest of organische mest, het N-overschot en de N-verliezen onnodig vergroten, lijkt er een blinde vlek te zijn voor het feit dat sub-optimale N-giften het N-overschot kunnen verlagen. Ook in de N-deskstudie (Van Eck, 1995) wordt hierop, met uitzondering van grasland, niet ingegaan. Uit een verkenning van Schröder et al. (1993a) bleek dat een reductie van de N-gift met 40 kg per ha beneden het optimum, het N-overschot van een akkerbouwbedrijf met circa 30 kg per ha deed dalen. Vos (1995a) kwam tot een vergelijkbare conclusie.

____________________________________________________________________________
Tabel 4. N-overschot (kg per ha) en N-benutting (%) op bedrijfsniveau in
relatie tot het bouwplan en de wijze waarop aardappelen en suikerbieten
bemest worden
____________________________________________________________________________
(Schröder et al., 1993)

 Gewasaandeel (%):*    Mestscenario: **
___________________    _______________ 
 wt sb  aa             KM V66  H66  H33

 50 25  25  Overschot  81 108  159  112

 25 25  50             90 148  ***  ***

 50 25  25  Benutting  65 58   49   58

 25 25  50             63 51   ***  ***

* wt = wintertarwe, sb = suikerbieten, aa = aardappelen

** KM = volledig kunstmest, V66 = N-gift aan aardappelen en suikerbieten
(op basis van N-totaal) voor 66 % ontleend aan drijfmest die in voorjaar is
toegediend, H66 = idem, maar najaarstoediening, H33 = idem, maar voor 33 %
ontleend aan drijfmest die in najaar is toegediend.

*** herfsttoediening van dierlijke mest niet toegestaan op zandgrond waar
bouwplannen met 50 % aardappelen worden aangetroffen.
____________________________________________________________________________

In zijn onderzoek leidde een reductie van de N-gift met 53 kg per ha, tot een verlaging van het overschot met 37 kg per ha. Genoemde verkenningen zijn wel met onzekerheden omgeven omdat de lange-termijneffecten van een suboptimale bemesting op de opbrengst en N-afvoer onzeker zijn (zie bijvoorbeeld Motavalli et al., 1992). Om diezelfde reden verdienen de N-balansen van bedrijven die recent op een lager bemestingsniveau zijn overgestapt, blijvende aandacht. Dit kan in het bijzonder gelden voor ecologische bedrijven in Flevoland waar de bodem een groot naleveringsvermogen heeft. In balanstermen is er dan immers sprake van een voorraadswijziging. Deze zijn op korte termijn lastig te detecteren omdat alleen de bouwvoor al 4000-8000 kg organisch gebonden N per ha kan bevatten.

Rekenmodellen kunnen uiterst behulpzaam zijn bij het doorrekenen van de lange-termijngevolgen van een bepaalde bemestingsstrategie (Wolf et al., 1989; Groot & Verberne, 1990; Bradbury et al., 1993; Whitmore & Schröder, 1995).

In het voorgaande is aangegeven dat N-overschotten in sterke mate stuurbaar zijn. Toch resteren er bij constant management ook verschillen tussen jaren. Zo varieerde de berekende N-afvoer door aardappelen onder deelnemers aan het vierjarige Introduktieprojekt Geïntegreerde Akkerbouw in het Noordoostelijk Zandgebied, van 138 kg per ha in 1992 tot 172 kg per ha in 1990. Voor hun collega's in Flevoland bewoog de afvoer zich tussen 174 kg N per ha in 1990 en 193 kg N per ha in 1992 (Schröder et al., 1994).

DE MILIEUBELASTING DOOR AKKERBOUWBEDRIJVEN

Grondwatermeetnet

Het N-overschot is een indirecte maat voor de milieubelasting omdat het voorbijgaat aan de aard van de verliezen. Meer directe metingen van de belasting van het grondwater op akkerbouwbedrijven zijn schaars maar geven aan dat er reden voor bezorgdheid is. Het gemiddelde nitraatgehalte van het bovenste grondwater onder bouwland op zandgrond bedroeg in 1992 circa 30 mg NO3-N per liter (Van Eck, 1995). Dit komt goed overeen met metingen in eerdere jaren (Steenvoorden & Van Duijvenbooden, 1991). Een dergelijke concentratie is bijna driemaal zo hoog als de doelstelling.

Drainwater

Metingen van de nitraatconcentratie van het drainwater op de akkerbouwbedrijven van de OBS in Nagele en het Innovatieprojekt Ecologische Akkerbouw en Groenteteelt, wijzen op grote verschillen tussen gewassen. Probleemgewassen in dit opzicht zijn aardappelen, uien en vlinderbloemigen, terwijl na maaiweiden, granen en suikerbieten in het algemeen lage nitraatgehalten worden gevonden. Evenals bij het N-overschot, heeft het bouwplan daarom een sterke invloed op de bedrijfsgemiddelde emissie via drains. Op bedrijfsniveau werden tussen 1986 en 1990 op de OBS drainwaterconcentraties gevonden van circa 10, 7 en 4 mg NO3-N per liter op, respectievelijk, het gangbare, het geïntegreerde en het ecologisch bedrijf (Wijnands et al., 1992). Op de Innovatiebedrijven Ecologische Akkerbouw en Groenteteelt werden in 1992 bedrijfsgemiddelde waarden tussen 9 en 25 mg NO3-N per liter aangetroffen (Vereijken et al., 1994). In alle gevallen wordt doelstelling van stagnant, eutrofiëringsgevoelig oppervlaktewater (2,2 mg totaal-N per liter) daarmee ruimschoots overschreden.


Figuur 4


Figuur 5

Residuaire N

De hoeveelheid minerale bodem-N na de oogst ('residuaire N'), geeft een indicatie van verliezen die in de daarop volgende winter kunnen optreden. Gewassen nemen gedurende het winterhalfjaar niet of nauwelijks N op waardoor residuaire N, afhankelijk van de grondsoort en het neerslagoverschot, voor een deel zal uit- en afspoelen. Veelzeggend is dat van aanvankelijke verschillen bij de oogst in het volgende voorjaar doorgaans weinig meer is terug te vinden (zie bijvoorbeeld Hengsdijk, 1992). Met name op kleigrond bestaat er onzekerheid over de mate waarin dit verlies moet worden geboekt op de posten denitrificatie dan wel uitspoeling. Dit heeft te maken met methodologische problemen om N-uitspoeling (anders dan via de drains) op kleigrond nauwkeurig te meten. Op zandbouwland, echter, is het duidelijk dat N-verliezen gedurende de winter aan uitspoeling zijn toe te schrijven (Schröder & Dilz, 1987; Schröder et al., 1993b; Van Dijk et al., 1995). Ter bepaling van de gedachte: bij een grondwatervoeding van 300 mm per jaar, kan grondwater bij een inspoeling van meer dan 34 kg N per ha niet langer aan de doelstelling van 11,3 mg NO3-N per liter voldoen. Overigens blijkt uit balansstudies dat N bij gewassen als aardappelen en maïs al tijdens het groeiseizoen zoek kan raken. Een geringe hoeveelheid residuaire N is dan ook niet altijd synoniem met de afwezigheid van verliezen. Ook bij normale weersomstandigheden wordt dikwijls een veel geringer deel van het saldo van aan- en afgevoerde N als residuaire N teruggevonden dan verklaard kan worden uit de vastlegging in wortels en stoppels (zie bijvoorbeeld Schröder & Ten Holte, 1992; J. Vos, ongepubliceerd).

Metingen van de hoeveelheid residuaire N zijn aanmerkelijk talrijker dan drainwatermetingen en hebben zowel in proeven als op praktijkpercelen plaatsgevonden. Proefresultaten geven aan dat na granen en suikerbieten bij optimale bemesting 20-40 kg N per ha achterblijft in de bovenste 100 cm van het profiel. Na aardappelen, uien, vlinderbloemigen en maïs kunnen deze hoeveelheden oplopen tot 60-100 kg per ha (Prins et al., 1988; Neeteson, 1990; -, 1994; -, 1995; Schröder et al., 1993b). Suboptimaal bemesten leidt bij de eerstgenoemde gewassen nauwelijks tot een verdere verlaging van de hoeveelheid residuaire N. Bij aardappelen en maïs, echter, is er wel een verband gevonden tussen de

N-gift en residuaire N. De variatie is daarbij overigens groot (Fig. 4). De Commissie Stikstof (Goossensen & Meeuwissen, 1990) stelde voor dat in eerste instantie naar een hoeveelheid residuaire N van maximaal 70 kg per ha (0-100 cm) gestreefd zou moeten worden om grondwater op regionale schaal aan de EG-richtlijn voor drinkwater (11,3 mg NO3-N per liter) te laten voldoen. Voorts werd aannemelijk gemaakt dat dit voor het merendeel van de akkerbouwbedrijven haalbaar zou zijn zonder suboptimaal te hoeven bemesten.

Metingen op bedrijven die deelnamen aan het Introduktieprojekt Geïntegreerde Akkerbouw, gaven aan dat dit in de praktijk lastiger kan zijn dan op basis van proefresultaten werd verondersteld (Schröder et al., 1994). Weliswaar was de rangorde van gewassen identiek aan die in proeven, het niveau van de hoeveelheid residuaire N lag echter gemiddeld tweemaal zo hoog (Fig. 5). Hiervoor bestaan diverse verklaringen. De verzamelde gegevens suggereerden dat op aardappelpercelen in sommige gevallen meer N was gegeven dan nodig volgens het advies.


Figuur 6

Ook hebben de droge zomers van 1991 en 1992 wellicht bijgedragen aan een verhoging van de hoeveelheid residuaire N. Na natte zomers, zoals in 1993, werden, overeenkomstig ervaringen bij maïs (Schröder et al., 1993b; Van Dijk et al., 1995), juist lagere hoeveelheden gevonden. Dit verschijnsel lijkt zowel toe te schrijven aan directe verliezen tijdens het groeiseizoen als aan het positieve effect van zomerneerslag op de opbrengst en onttrekking (Schröder et al., 1993b en 1994). Voorts toonden De Willigen et al. (1992) aan dat op praktijkpercelen vanwege de, in vergelijking met proefpercelen grotere heterogeniteit, bij eenzelfde N-gift meer residuaire N achterblijft. Het is overigens opvallend dat de hoeveelheid residuaire N bij deelnemers van het Innovatieproject Ecologische Akkerbouw en Groenteteelt (Vereijken et al., 1994), vergelijkbaar was met die bij deelnemers van het Introduktieprojekt Geïntegreerde Akkerbouw (Schröder et al., 1994).

Van verschillende zijden is getwijfeld aan de doelmatigheid, billijkheid en controleerbaarheid van de hoeveelheid residuaire N als maat voor het beoordelen van het nutriëntenbeheer van ondernemers en werd residuaire N als indicator voor emissies in eerste instantie verworpen (Van Dijk, 1991; Corré, 1994). Daarbij is in de eerste plaats gewezen op de variatie tussen jaren en binnen percelen. Oorzaak hiervoor zijn behalve eerdergenoemde effecten van zomerneerslag en bodemheterogeniteit, mogelijk ook de gewasheterogeniteit; de gevonden ruimtelijke variatie van residuaire N kan soms namelijk in verband gebracht worden met de afstand tussen de voormalige gewasrij en de plaats van bemonstering (Aufhammer et al., 1991; Schröder et al.,1995; Clay et al., 1995). Verder richtte de kritiek zich op het ontbreken van een éénduidig verband tussen residuaire N en nitraatconcentraties van het bovenste grondwater. Dit manco hangt behalve van de bodem en het weer, ook af van het beheer van het desbetreffende perceel na de oogst. Daarbij kan gedacht worden aan het effect van grondbewerking (Stokes et al., 1992), het gebruik van meststoffen in nazomer en herfst, het mineralisatiegedrag van gewasresten (Van Erp et al., 1993) en de teelt van een groenbemester (Steffens & Vetter, 1984; Martinez & Guiraud, 1990). Na sommige gewassen die veel residuaire N achterlaten (aardappelen, uien, maïs) zijn de mogelijkheden voor het telen van een groenbemester echter geringer dan na granen die relatief vroeg het veld ruimen. Figuur 6 geeft weer dat de N-opbrengst van een groenbemester na graan aan de beschikbaarheid van N gerelateerd is, maar die na maïs vooral aan de temperatuur. Hoewel granen gewoonlijk weinig residuaire N achterlaten, bestaat er ook na granen aanleiding een groenbemester te telen. Organische mest wordt op kleigrond namelijk bij voorkeur op graanstoppels toegediend. Overigens is het inmiddels de gewoonte om groenbemesters die hun N-behoefte volledig vanuit residuaire bodem-N dekken, vanggewassen te noemen.

Nu meer kennis beschikbaar is over de oorzaken van de variatie van de hoeveelheid residuaire N en over de effecten van het na-oogstbeheer op de mate waarin deze N leidt tot af- en uitspoeling, lijkt het niet terecht om residuaire N nu reeds definitief als één van de mogelijke indicatoren voor emissies te verwerpen.

Toelaatbaar N-overschot

De afgelopen jaren is de aandacht op beleidsniveau verschoven van residuaire bodem-N naar de mineralenboekhouding en de N-overschotten. In de N-deskstudie (Van Eck, 1995) is geconcludeerd dat kwaliteitsdoelstellingen voor grond- en oppervlaktewater op zandbouwland en kleibouwland niet gehaald zullen worden als het N-overschot (inclusief de aanvoer met depositie), meer dan respectievelijk, 10-115 en 35-200 kg per ha bedraagt.

De vermelde spreiding hangt af van de grondwaterstand (met name van belang op zandbouwland) en de arbitraire keuze of de norm voor oppervlaktewater (met name van belang op kleibouwland) al in de kavelsloot of pas in het afwateringskanaal bereikt dient te zijn.

Beide aspecten beïnvloeden namelijk het optreden van denitrificatie. De in de voorgaande paragraaf gepresenteerde balansen geven aan dat de jaarlijkse N-overschotten op akkerbouwbedrijven tussen 50 en 150 kg N per ha varieren, afhankelijk van bouwplan en mestgebruik. Daaruit kan worden opgemaakt dat met name intensieve akkerbouwbedrijven op zandgrond een probleem krijgen bij een diepe grondwaterstand en akkerbouwbedrijven op kleigrond in conflict met milieudoelstellingen kunnen komen bij gebruik van organische mest. Hierbij moet worden benadrukt dat een dergelijk conflict speelt bij de huidige opzet van bedrijven en voortvloeit uit de, voorshands gebruikelijke, maximalisering van het saldo.

MAATREGELEN OM HET N-OVERSCHOT TE VERLAGEN

Om het conflict tussen economie en milieu te verkleinen kunnen onder meer maatregelen op het niveau van de bouwplansamenstelling genomen worden. Daarnaast zijn er maatregelen die binnen gewassen kunnen worden genomen. Al eerder is aangegeven dat een reductie van de N-gift een zeer doeltreffende maatregel is om het N-overschot te beperken, zelfs als dit tot enige opbrengstderving leidt. Dat laatste moet uiteraard zoveel mogelijk worden voorkomen door de (beperkte) hoeveelheid meststoffen zo doelmatig mogelijk te gebruiken en lekken in het bedrijfssysteem, waar mogelijk, te dichten. Hiervoor bestaan diverse gereedschappen die nog niet alle benut worden. Voor een deel is dat het gevolg van ontbrekende kennis. In een aantal gevallen, echter, is de kennis voorhanden maar worden de maatregelen te duur gevonden.

Zelfs als alle denkbare maatregelen genomen worden zal er altijd een N-overschot blijven omdat verliezen, ingeval van N, onvermijdelijk zijn en, met andere woorden, de benutting van N nooit 100 % is. Boekhoudkundig kan het N-overschot in enig jaar nihil zijn (en de benutting 100 %), maar dit betekent wel dat er in dat jaar een wissel getrokken is op de lange-termijn bodemvruchtbaarheid.

Fijnregeling van de N-gift

In plaats van standaardgiften zou gestreefd moeten worden naar jaars- en perceelspecifieke giften. In dat kader zijn voor de belangrijkste akkerbouwgewassen bemestingsrichtlijnen opgesteld die rekening houden met de hoeveelheid minerale bodem-N in het vroege voorjaar (Neeteson, 1995). In de bemestingsrichtlijnen wordt in beperkte mate rekening gehouden met de voorgeschiedenis van het perceel. Voorbeelden hiervan zijn een korting op de N-gift na het onderwerken van een groenbemester bij suikerbieten of het regelmatig gebruik van dierlijke mest op maïsland (Sieling, 1992).

In sommige landen is dit verder uitgewerkt in rekenregels die recht doen aan alle mogelijke bronnen van N (Rémy & Viaux, 1982; Machet et al., 1990). In dat kader zou het aantrekkelijk zijn om het mineraliserend vermogen van een bodem te karakteriseren. Hassink (1995) verbeterde de voorspelling van mineralisatie op graslandgronden door organische stof te fraktioneren en het vermogen van een bodem om organische stof tegen mineralisatie te beschermen, nader te definiëren. Mogelijk biedt dit werk ook voor de akkerbouw aangrijpingspunten. Smit (1994), echter, relativeerde het belang van kennis van de mineralisatiesnelheid voor gewassen met een korte groeiduur.

In buitenlandse adviezen wordt soms rekening gehouden met de opbrengstverwachting. Daarbij wordt geredeneerd dat de N-gift geringer mag zijn bij lagere opbrengsten. Recente studies geven aan dat deze benadering de plank kan misslaan als niet tevens rekening wordt gehouden met de mate waarin een gewas N uit de bodem kan opnemen (Vanotti & Bundy, 1994a en b; Neeteson, 1995) of het mineralisatiepotentieel van een perceel (Stecker et al., 1995; Neeteson, 1995). Lage opbrengsten zijn soms namelijk gekoppeld aan een geringe benutbaarheid van minerale bodem-N (bijvoorbeeld in een nat klimaat en een ondiep bewortelbaar profiel) en een geringe mineralisatie. De analyse van gegevens van bemestingsproeven met driekwadrantenfiguren (Van Keulen, 1982), vormt een nuttig hulpmiddel bij het begrijpen van de gewasreacties.

In de ecologische landbouw is bijsturen lastiger dan in landbouwsystemen die van kunstmest gebruik maken omdat meststoffen (organische mest, vlinderbloemigen) noodzakelijkerwijs vaak ruim van te voren worden aangeboden. Dat betekent dat al in een vroeg stadium nauwkeurige schattingen van het N-leverend vermogen moeten worden gemaakt (Habets & Oomen, 1994). Dit neemt niet weg dat een regelmatige bepaling van de hoeveelheid minerale bodem-N op ecologische bedrijven zinvol is. Daarmee kan immers beoordeeld worden in hoeverre de bedrijfsvoering in volgende teelten moet worden aangepast.

In het kader van fijnregeling dienen er op ecologische bedrijven ook beslissingen te worden genomen over de mate waarin met organische mest dan wel met vlinderbloemigen in de N-aanvoer moet worden voorzien (Vereijken, 1994). Zonder kunstmest kan de gewasbehoefte namelijk onmogelijk alleen met organische mest worden gedekt. De verhouding van N, P2O5 en kali (K2O) in oogstprodukten bedraagt namelijk ongeveer 3:1:3, terwijl de verhouding van effectief beschikbare N, P2O5 en K2O in organische mest hooguit 3:2:6 is (en wel bij voorjaarstoediening van rundveedrijfmest). Bij gebruik van andere mestsoorten, bij najaarstoediening van organische mest of bij fosfaat- en kalitoestanden die om afbouw vragen, wordt de noodzaak om met vlinderbloemigen in de N-aanvoer te voorzien nog groter. Als aan dit soort overwegingen voorbijgegaan wordt, kan dit tot een ongewenste verrijking van de bodem met fosfaat en kali leiden.

Verbeteren van temporele afstemming

- toedieningstijdstip organische mest

Op gronden waar de hoofdgrondbewerking in het voorjaar kan plaatsvinden dient de toediening van organische mest tot na de winter te worden uitgesteld. Dit komt de recovery van N ten goede en verkleint de uitspoelingsverliezen (Schröder et al., 1993b). Op zandgronden is dan ook wettelijk voorgeschreven dat organische mest niet tussen 1 september en 1 februari mag worden toegediend. Bij laatgezaaide gewassen is het echter twijfelachtig of toediening in februari of begin maart voldoende garantie biedt voor een hoge recovery. Om N-verliezen in de vorm van denitrificatie of uitspoeling naar onbewortelde lagen te voorkomen, verdient uitstel van mesttoediening naar een later tijdstip de voorkeur. Op kleigrond is men huiverig voor voorjaarstoediening van organische mest en verkiest men najaarstoediening. In lopend onderzoek wordt bevestigd dat aan voorjaarstoediening risico's van structuurschade verbonden zijn. De eerste resultaten van een proef met maïs op rivierklei geven aan dat de recovery van N door voorjaarstoediening niet verbeterd wordt (Tabel 5). Daarbij kan een rol gespeeld hebben dat het voorjaar van 1994 extreem nat was.

- gebruik van groenbemesters

Uit onderzoeksgegevens van Hengsdijk (1992) en Postma (1995) blijkt dat de N-recovery van mest die in het najaar wordt toegediend vaak niet hoger is dan 20 %. Toevoeging van nitrificatieremmers heeft geen of slechts een gering effect (Van Enckevoort, 1988) en ook toevoeging van stro of het gebruik van groenbemesters draagt maar in beperkte mate bij aan een verbetering van de recovery (Hengsdijk, 1992; Postma, 1995). Dit wordt bevestigd door onderzoeksgegevens van Schröder & Ten Holte (1995). Zij vonden dat tijdig gezaaide grasgroenbemesters weliswaar in staat waren om circa 70 % van de minerale N die in het najaar is toegediend, op te nemen, maar dat van de N die in de bovengrondse delen van de groenbemester was opgeslagen (gemiddeld 96 kg per ha) door onbemeste suikerbieten en aardappel gemiddeld niet meer dan, respectievelijk, 40 en 30 % werd opgenomen.

De recovery van kunstmest-N (circa 100 kg per ha, voorjaarstoediening) bedroeg in diezelfde proeven circa 65 % en 45 % voor, respectievelijk, suikerbieten en aardappelen. Vermoedelijk speelt het te vroege inwerktijdstip (op kleigrond gewoonlijk november) daarbij een belangrijk rol (Thorup-Kristensen, 1994 en 1995).

De recovery van groenbemester-N kan hoger zijn wanneer het materiaal niet mineraliseert gedurende de winter. Zo vonden Van Dijk et al. (1995) dat maïs gemiddeld 70 en 50 % van de N uit, respectievelijk, ondergeploegde rogge en Italiaans raaigras opnam. Deze proef vond plaats op zandgrond waar het tijdstip van de hoofdgrondbewerking toelaat dat groenbemesters gedurende de winter intact blijven. Overigens kan het te lang intact laten van groenbemesters eveneens een negatief effect hebben op de N-beschikbaarheid voor volggewassen (Scott et al., 1987; Wagger, 1989a en b; Wyland et al., 1995). Dit is toe te schrijven aan het feit dat C-N quotienten in het voorjaar snel kunnen toenemen. Dergelijk materiaal mineraliseert traag en kan, per saldo, zelfs tot tijdelijke N-immobilisatie leiden.

______________________________________________________________________________
Tabel 5. Effecten van het uitstel van de hoofdgrondbewerking en de
toediening van organische mest (RDM) van herfst naar voorjaar op de
N-recovery en het N-overschot bij maïs op kleigrond (ongepubliceerde
gegevens van Ten Holte; De Bouwing, 1994)
_______________________________________________________________________________
 Tijdstip van             RDM           Kunstmest    N-recovery  N-overschot
________________________
 Ploegen  Mesttoediening  (kg N per ha) (kg N / ha)   (%)        (kg N / ha)

 Herfst   -               0             150           41        -14

 Herfst   Herfst          151           0             0          50

 Herfst   Voorjaar        172           0             5          61

 Voorjaar -               0             150           18         27

 Voorjaar Herfst          151           0             7          44

 Voorjaar Voorjaar        172           0             4          69
_______________________________________________________________________________


Figuur 7

Uit het voorgaande blijkt dat de onderschepping van N door groenbemesters niet zonder meer synoniem is met N-overdracht naar een volgende seizoen.

Uit Figuur 7 blijkt dat winterharde groenbemesters een gunstig effect op de nitraatuitspoeling kunnen hebben maar dat daar wel grenzen aan zijn; de uitspoeling onder matig bemeste maïs zònder groenbemester was geringer dan die onder overbemeste maïs mèt groenbemester.

Op korte termijn kan de teelt van een groenbemester ook zonder overdracht van N naar het volgende seizoen, de uitspoeling van nitraat verlagen. Er bestaan aanwijzingen dat dit niet per se alleen een gevolg is van een tijdelijke opslag als organisch gebonden N, maar dat de aanwezigheid van een gewas als zodanig, de denitrificatie kan vergroten (Scaglia et al., 1985; Vos et al., 1994)

- gedeelde N-giften

Volledig of gedeeltelijk uitstel van N-giften tot na opkomst van het gewas, kan de temporele afstemming tussen aanbod en behoefte in beginsel verder verbeteren. Bovendien kan de gift op die manier beter worden afgestemd op perceels- en jaarsspecifieke omstandigheden (Vos & Struik, 1992). De netto-mineralisatie in het vroege voorjaar kan namelijk sterk wisselen (Laurenz, 1994). Om de wenselijkheid van een aanvullende mestgift vast te stellen zijn diverse criteria in omloop waaronder bodemanalyse (bijvoorbeeld in de vorm van een Stikstofbijmestsysteem (Lorenz et al., 1985; Titulaer, 1994) en gewasanalyse. Dat laatste kan bijvoorbeeld met de bladsteeltjesmethode (Van Loon & Houwing, 1989) of met een recent beschikbaar gekomen draagbare chlorofylmeter (Vos & Bom, 1993). De aanleg van N-vensters, kleine onbemeste vakken binnen een perceel, is eveneens een vorm van gewasanalyse. Voorts zou onderzocht moeten worden of het gebruik van zogenaamde

N-verdunningscurven (Greenwood et al., 1990) een rol kunnen spelen bij de diagnose van N-tekorten.

Uitstel van de N-gift heeft niet alleen maar voordelen. Er zijn aanwijzingen dat met name rijenculturen met een aanvankelijk matig ontwikkeld wortelstelsel voor een optimale groei al vroeg in het seizoen over een hoge N-concentratie in het bodemvocht moeten kunnen beschikken (Greenwood et al., 1989). Bovendien bestaat het gevaar dat aanvullende Ngiften onder bepaalde bodem- en weersomstandigheden te laat voor de plant ter beschikking komen. Uitgestelde giften kunnen in dat geval leiden tot meer residuaire N (Jokela & Randall, 1989). Beregeningsmogelijkheden kunnen de doelmatigheid van uitgestelde giften dan ook aanmerkelijk vergroten.

Bij gewassen en bedrijfssystemen waarin slechts van organische mest gebruik gemaakt wordt, kan toediening van meststoffen na opkomst bovendien gewasschade veroorzaken. Doorgaans wordt namelijk gebruik gemaakt van zwaardere apparatuur en moet de mest worden ingewerkt om ammoniakverliezen te voorkomen.

- uitstel van de zaaitijd

Akkerbouwers hebben de gewoonte hun gewassen te zaaien zodra de grond dat toelaat. Dit komt de opbrengst en een tijdige oogst ten goede. Als gevolg hiervan zijn gewassen in een jong stadium vaak blootgesteld aan koude en natte weersomstandigheden en is de snelheid waarmee N wordt opgenomen, aanvankelijk gering. Uitstel van het zaaitijdstip (en daarmee van het toedieningsmoment van meststoffen) zou een bijzondere vorm van een betere temporele afstemming kunnen bieden. Gewassen zouden dan immers beter in staat zijn om aangeboden N te benutten omdat deze minder bloot staat aan verliezen, temeer omdat wortels de bodem sneller doorgroeien naarmate de bodemtemperatuur hoger is. Bovendien valt niet uit te sluiten dat het tijdsverloop van de opname van N bij uitgestelde zaai beter aansluit bij het mineralisatiepatroon van de bodem (Smit, 1994) zodat met een geringere N-gift kan worden volstaan. Onderzoek hiernaar vertoont tegenstrijdige resultaten. In tegenstelling tot Schröder et al. (1995) vonden Van der Schans et al. (1995) dat maïs bij verlate zaai geen geringere behoefte aan een aanvullende N-gift had.

- beheer van gewasresten

In de niet-geoogste delen blijft bij sommige gewassen meer dan 100 kg N per ha achter (Smit, 1994; Neeteson, 1994). Afhankelijk van de C-N-quotiënten, de bodem, de behandeling (verkleinen, mengen, wijze en tijdstip van inwerken) en in mindere mate het weer (Whitmore, 1994), kan hiervan een groot deel verloren gaan. Een zorgvuldig beheer van gewasresten kan bewerkstelligen dat de N-mineralisatie zo goed mogelijk aansluit bij de opname van N door volgteelten. Volgteelten kunnen in dat geval bestaan uit een hoofdgewas of een groenbemester. Ook kan overwogen worden om de gewasresten te verwijderen en deze te composteren of te vervoederen.

Ruimtelijke afstemming

De geringe bewegelijkheid van P verklaart waarom de groei van planten vaak positief reageert op de toediening van P naast de rij (Arnold & Ten Hag, 1982). Gewassen waarvan de zijdelingse beworteling aanvankelijk beperkt is, reageren soms ook gunstig op de plaatsing van N. Dit komt vanzelfsprekend alleen tot uiting bij een beperkte beschikbaarheid van N. Bij maïs bestaan hierover uitgebreide gegevens (Schröder & Ten Holte, 1992). N blijkt aanvankelijk met name uit bodemcompartimenten vlak onder de plantrij te worden opgenomen. De horizontale concentratiegradiënt die als gevolg hiervan ontstaat, wordt niet steeds instantaan genivelleeerd ondanks de spreekwoordelijke bewegelijkheid van N. Droogte kan daarbij een rol spelen (De Willigen, 1994).

Minerale meststoffen zijn vanuit een technisch oogpunt aanmerkelijk eenvoudiger als rijenbemesting toe te dienen dan organische mest. Om na te gaan of ook organische mest niet toch als rijenbemesting kan worden gegeven, heeft de afgelopen twee jaar onderzoek plaatsgevonden bij maïs (Schröder et al., 1995). Vooral bij lage mestgiften en een beperkte P-voorziening had rijenbemesting een gunstig effect op de opbrengst. Hoewel deze resultaten meer op een P- dan op een N-effect wijzen, had rijenbemesting ook een gunstig effect op de N-recovery. De gangbare teeltwijze van maïs (dat wil zeggen breedwerpig gegeven organische mest in combinatie met een rijenbemesting met kunstmestfosfaat), ging gepaard met een relatief gering N-overschot maar een ruim fosfaatoverschot. Afzien van de kunstmestfosfaat verlaagde het P-overschot maar verhoogde het N-overschot (als gevolg van een geringere N-afvoer). Werd organische mest in plaats van breedwerpig als rijenbemesting gegeven, dan werd een deel van de opbrengstderving teniet gedaan en was het N-overschot vergelijkbaar met dat van de gangbare teeltwijze. De N-recovery van de mest verbeterde eveneens (Tabel 6). Dit gunstige effect van een verbeterde P-voorziening op de benutting van N werd ook door Schlegel & Havlin (1995) gevonden. Het spiegelbeeld van dit verschijnsel is wel dat de eerder bepleite reductie van de N-aanvoer, de P-benutting onder druk kan zetten.

__________________________________________________________________________
Tabel 6. Relatieve drogestofopbrengst van maïs, de recovery van mest-N (%)
en het overschot van N (kg N/ha) en fosfaat (kg P2O5/ha) in relatie tot de
wijze van mesttoediening (Schröder et al., 1995)
__________________________________________________________________________
 Mestgift P-kunstmest  Toedieningswijze  Relatieve  N-recovery Overschot
 (m3/ha) (kg P2O5/ha)                    drogestof-            ___________
                                         opbrengst              N    P2O5

 25      30            breedwerpig     100          26         -33   20

 25      0             breedwerpig     89           23         -18   -5
 25      0             rijenbemesting  97           37         -33   -7
_________________________________________________________________________

CONCLUSIE

In deze bijdrage is besproken dat verliezen van N uit landbouwproduktiesystemen onvermijdelijk zijn en dat een regelmatige aanvulling in de vorm van meststoffen en biologische binding daarom noodzakelijk is. Aangegeven is echter, dat de omvang van het huidige Noverschot en de daaraan verbonden verliezen, allerminst vastliggen. De in het beleid gehanteerde term 'onvermijdbaar verlies' suggereert dan ook ten onrechte dat sprake zou zijn van een natuurwet met een unieke getalswaarde. Maatregelen om de verliezen te verlagen worden echter maar in beperkte mate genomen omdat de kennis daarover onvoldoende toepasbaar is of de economische stimulans vooralsnog ontbreekt.

Ontmenging van de landbouw in sterk gespecialiseerde bedrijven kan tot gevolg hebben dat afzonderlijke sectoren zich niet langer hoeven in te spannen voor een nuttig hergebruik van bij- en afvalprodukten. Gebruik van kunstmest door akkerbouwers en hoogverteerbare voeders door veehouders zijn in die zin analoge verschijnselen. In beide gevallen wordt daarmee sectoraal doelmatig geproduceerd, zij het ten koste van extra verliezen elders. Ogenschijnlijk ontdoen sectoren zich daarmee van het, in de titel van deze bijdrage aangehaalde beeld van een vergiet. Van een keten is echter niet langer sprake.

Een streven naar minimale N-verliezen hoeft niet te betekenen dat bij een zware financiële belasting van N-overschotten, het gebruik van dierlijke mest, slib en GFT in de akkerbouw definitief tot het verleden zal behoren en dat kringlopen daarmee ongesloten blijven. Immers, als akkerbouwers organische mest accepteren in ruil voor een toeslag op het door veehouders af te nemen graan ('graan voor mest-contracten') of de door huishoudens af te nemen groenten ('groente voor GFT-contracten'), kan het economisch aantrekkelijker zijn om organische mest te gebruiken, eventueel in combinatie met een suboptimale N-bemesting, dan om met kunstmest in de N-aanvoer te voorzien. Deze nieuwe 'gemengde' bedrijven verdienen dan ook alle aandacht. Op die manier krijgt de stikstofkringloop weer meer het karakter van een keten.

Ontegenzeggelijk stelt het gebruik van organische mest hoge eisen aan het vakmanschap van de gebruiker als men verliezen wil beperken en het beeld van een vergiet wil vermijden. Dat beeld wordt mede bepaald door de hoogte van de N-aanvoer ofwel de mate waarin men het vergiet tot de rand toe vol wil hebben.

REFERENTIES

Arnold, G.H. & B.A. ten Hag (1982)
Rijenbemesting met fosfaat bij snijmaïs. Bedrijfsontwikkeling 13: 403-408.

Aufhammer, W., E. Kübler & H.W. Becker (1991)
Stickstoffaufnahme von und Stickstoffverlagerungspotential unter Maisbeständen. Mais-DMK 4: 30-32.

Baltussen, W.H.M, R. Hoste, P.H. Hotsma & B.A. ten Hag (1994)
Produktie van dierlijke mest en de waarde ervan voor de akkerbouw.
In: L.A. den Hartog & J.A.M. Voermans (Eds), Naar veehouderij en milieu in balans: varkens, FOMA-DLO, Wageningen, 63-70.

Bradbury, N.J., A.P. Whitmore, P.B.S. Hart & D.S. Jenkinson (1993)
Modelling the fate of nitrogen in crop and soil in the years following application of 15N-labelled fertilizer to winter wheat. Journal of Agricultural Science (Cambridge) 363-379.

Cerrato, M.E. & A.M. Blackmer (1990)
Comparison of models for describing corn yield response to nitrogen fertilizer. Agronomy Journal 82: 138-143.

Clay, D.E., C.C. Carlson, P.W. Holman, T.E. Schumacher & S.A. Clay (1995)
Banding nitrogen fertilizer influence on inorganic nitrogen distribution. Journal of Plant Nutrition 18: 331-341.

Corré, W.J. (1994)
Bepaling van de hoeveelheid minerale stikstof in de bodem in het najaar als instrument voor het te voeren stikstofbeleid. Rapport 21, AB-DLO, Haren, 39 pp.

Dilz, K., J. Postmus & W.H. Prins (1990)
Residual effect of long-term application of farmyard manure to silage maize. Fertilizer Research 26: 249-252.

Dijk, W. van, J.J. Schröder, L. ten Holte & W.J.M. de Groot (1995)
Effecten van wintergewassen op verliezen en N-benutting bij de teelt van snijmaïs. Verslag 201, PAGV, Lelystad, 112 pp.

Dijk, T.A. (1991)
Naar geïntegreerde bemesting op bedrijfsniveau. NMI, Wageningen, 60 pp.

Eck, G. van (1995)
Stikstofverliezen en stikstofoverschotten in de Nederlandse landbouw. Rapport van de technische werkgroep toelaatbaar stikstofoverschot. LNV, VROM, V&W, Landbouwschap en Centrale Landbouworganisaties, Den Haag, 115 pp.

Enckevoort, P. van (1988)
Nitrificatieremmers en nitraatuitspoeling bij toediening van dierlijke mest. III Werking van nitrificatieremmers en hun effect op de N-huishouding van de bodem. Nota 193, IB-DLO, Haren, 58 pp.

Erp, P. van, A.P. Whitmore & P. Wilting (1993)
Mineralisatie van stikstof uit gewasresten van suikerbieten na de oogst. Meststoffen 1993: 64-70.

Faassen, H.G. van & G. Lebbink (1994)
Organic matter and nitrogen dynamics in conventional versus integrated arable farms. Agriculture, Ecosystems and Environment 51: 209-226.

Goossensen, F.R. & P.C. Meeuwissen (1990)
Advies van de Commissie Stikstof in opdracht van de ministeries van LNV, V&W, VROM. DLO, Wageningen, 93 pp.

Greenwood, D.J., K. Kubo, I.G. Burns & A. Draycott (1989)
Apparent recovery of fertilizer-N by vegetable crops. Soil Sci. Plant Nutr. 35: 367-381.

Greenwood, D.J., G. Lemaire, G. Gosse, P. Cruz, A. Draycott & J.J. Neeteson (1990)
Decline in percentage N of C3 and C4 crops with increasing plant mass. Annals of Botany 66: 425-436.

Groot, J.J.R. & E.L.J. Verberne (1990)
Lange-termijn effecten van verlaagde stikstofbemesting op bodemvruchtbaarheid en gewasopbrengst. Meststoffen 1/2, 14-19.

Guenzi, W.D., Beard, W.E., Watanabe, F.S., Olsen, S.R. & L.K. Porter (1978)
Nitrification and denitrification in cattle manure amended soil. Journal of Environmental Quality 7: 196-202.

Habets, A.S.J. & G.J.M. Oomen (1994)
Modeling nitrogen dynamics in crop rotations in ecological agriculture.
In: J.J. Neeteson & J. Hassink (Eds), Nitrogen mineralization in agricultural soils.
AB-DLO Thema's 1, Wageningen, 255-268.

Hassink, J. (1995)
Organic matter dynamics and N mineralization in grassland soils. Proefschrift LUW, Wageningen, 250 pp.

Hengsdijk, H. (1992)
Najaarstoediening van dierlijke mest op kleigrond. Verslag 149, PAGV, Lelystad, 111 pp.

Isermann, K. (1993)
Territorial, continental and global aspects of C, N, P and S emissions from agricultural ecosystems.
In: R. Wollast, F.T. Mackenzie & L. Chou (Eds), Interactions of C, N, P and S Biochemical Cycles and global change. Springer-Verlag, Berlin, Heidelberg, 79-121.

Jokela, W.E. & G.W. Randall (1989)
Corn yield and residual nitrate as affected by time and rate of nitrogen application. Agronomy Journal 81: 720-726.

Keulen, H. van (1982)
Graphical analyses of annual crop response to fertilizer application. Agricultural Systems 9: 113-126.

Keulen, H. van & W. Stol (1991)
Quantitative aspects of nitrogen nutrition in crops. Fertilizer Research 27: 151-160.

Lammers, H.W. (1983)
Gevolgen van het gebruik van organische mest op bouwland Wageningen, Consulentschap voor Bodemaangelegenheden in de landbouw, 44 pp.

Laurenz, L. (1994)
Stickstoffdüngung zu Mais mit Hilfe der Nmin-Methode -Umweltschonend und Kostensparend.
In: Versuchsergebnisse 1994, Landwirtschaftskammer Westfalen Lippe Kreisstelle Coesfeld, 29-39.

Loon, C.D. van & J.F. Houwing (1989)
Optimalisering van de stikstofvoeding van consumptie-aardappelen. PAGV-publicatie 42, PAGV, Lelystad, 90 pp.

Lorenz, H.J., J. Schlaghecken & G. Engl (1985)
Gezielte Stickstoffversorgung. Das kulturbegleitende Nmin Sollwerte System. Deutscher Gartenbau 13: 646-648.

Lune, P. van, J. Hassink, B. van Luit & K.W. Smilde (1993)
Onderzoek naar de landbouwkundige waarde van VAM GFT-landbouwcomposts.
N- en P-werking en afbraak organische stof. Nota DLO-Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 81 pp.

Machet, J.M., P. Dubrulle & P. Louis (1990)
Azobil: a computer program for fertilizer N recommendation based on a predictive balance sheet method.
In: A. Scaife (Ed.), Proceedings of First Congress of the European Society of Agronomy. Paris, 5-7 December 1990. ESA, Comar, 2, S2-P21.

Martinez, J. & G. Guiraud (1990)
A lysimeter study of the effects of a ryegrass catch crop, during a winter wheat/maize rotation, on nitrate leaching and on the following crop. Journal of Soil Science 94: 5-16.

Meer, H.G. van der (1991)
Stikstofbalansen.
In: H.G. van der Meer (Ed.), Stikstofbenutting en -verliezen van gras- en maïsland. Onderzoek inzake de mest- en ammoniakproblematiek in de veehouderij 10, DLO, Wageningen, 5-12.

Meijer, W.J.M., J.J. Schröder & H. F.M. Aarts (1991)
Uitwisseling van veevoer en mest biedt nieuwe kansen aan de akkerbouw en de veehouderij. Spil 95-98: 95-97.

Motavalli, P.P., L.G. Bundy, T.W. Andraski & A.E. Peterson (1992)
Residual effects of long term nirogen fertilization on nitrogen availability to corn. Journal of Production Agriculture 5: 363-368.

Neeteson, J.J. (1990)
Development of nitrogen fertilizer recommendations for arable crops in the Netherlands in relation to nitrate leaching. Fertilizer Research 26: 291-298.

Neeteson, J.J. (1994)
Residual soil nitrate after application of nitrogen fertilizers to crops.
In: D.C. Adriano, A.K. Iskandar & I.P. Murarka (Eds), Contamination of groundwaters. Advances in Environmental Science. Science Reviews, Norhtwood, United Kingdom, 347-365.

Neeteson, J.J. (1995)
Nitrogen management for intensively grown arable crops and field vegetables.
In: P.E. Bacon (Ed.), Nitrogen fertilization in the environment. Marcel Dekker, New York, 295-325.

Oenema, O. & T.A. van Dijk (1994)
Fosfaatverliezen en fosfaatoverschotten in de Nederlandse Landbouw. Rapport van de technische werkgroep P-deskstudie. LNV, VROM, V&W, Landbouwschap en Centrale Landbouworganisaties, Den Haag, 102 pp.

Postma, S. (1995)
Toediening van dierlijke mest op loess, dal- en lichte zavelgrond. Verslag 197, PAGV, Lelystad, 111 pp.

Prins, W.H., K. Dilz & J.J. Neeteson (1988)
Current recommendations for nitrogen fertilisation within the E.E.C. in relation to nitrate leaching. Proceedings 276 of the Fertiliser Society, 27 pp.

Rémy, J.-C. & Ph. Viaux (1982)
The use of nitrogen fertilizers in intensive wheat growing in France. Proceedings of the Fertiliser Society 211: 67-92.

Scaglia, J., R. Lensi & A. Chalamet (1985)
Relationship between photosynthesis and denitrification in planted soil. Plant & Soil 84: 37-43.

Scott, T.W., J. Mt. Pleasant, R.F. Burt & D.J. Otis (1987)
Contributions of ground cover, dry matter and nitrogen from intercrops and cover crops in a corn polyculture system. Agronomy Journal 79: 792-798.

Schans, D.A. van der, W. van Dijk & O. Dolstra (1995)
Invloed van plantverdeling, zaaitijdstip en koude-tolerantie op de stikstofbenutting door maïs tijdens de jeugdgroei. Verslag 191, PAGV, Lelystad, 105 pp.

Schlegel, A.J. & J.L. Havlin (1995)
Corn response to long-term nitrogen and phosphorus fertilization. Journal of Production Agriculture 8: 181-185.

Schröder, J.J. & K. Dilz (1987)
Cattle slurry and farmyard manure as fertilizers for forage maize.
In: H.G. van der Meer, R.J. Unwin, T.A. van Dijk & G.C. Ennik (Eds), Animal manure on grassland and fodder crops. Martinus Nijhoff Publishers, Dordrecht, The Netherlands, 137-156.

Schröder, J.J. & L. ten Holte (1992)
Stikstofbenutting en -verliezen in maïsteeltsystemen.
In: H.G. van der Meer & J.H.J. Spiertz (Eds), Stikstofstromen in agro-ecosystemen, CABO-DLO, Wageningen, 71-85.

Schröder, J.J., P. van Asperen, G.J.M. van Dongen, & F.G. Wijnands (1993a)
Nutriëntenbenutting en -verlies bij akkerbouwgewassen: een theoretische verkenning. Rapport 186, CABO-DLO, Wageningen, 25 pp.

Schröder, J.J., L. ten Holte, H. van Keulen & J.H.A.M. Steenvoorden (1993b)
Effects of nitrification inhibitors and time and rate of slurry and fertilizer N application on silage maize yield and losses to the environment. Fertilizer Research 34: 267-277.

Schröder, J., J. Groenwold & T. Zaharieva (1993c)
Root growth and development of maize during the juvenile stage -rhizolab experiments in 1992 and 1993-. Rapport 20, AB-DLO, Wageningen, 64 pp.

Schröder, J.J., P. van Asperen, G.J.M. van Dongen, & F.G. Wijnands (1994)
Nutriëntenbenutting en -verlies bij akkerbouwgewassen: resultaten 1990-1993. Rapport 26, AB-DLO, Wageningen, 47 pp.

Schröder, J.J. & L. ten Holte (1995)
Effects of cover crops on the yield of potatoes and sugar beets.
In: J.J. Schröder (Ed.), Long term reduction of nitrate leaching by cover crops. Proceedings of 1st Workshop of EU Concerted Action 2108, AB-DLO, Wageningen (in prep.)

Schröder, J.J., L. ten Holte & G. Brouwer (1995)
Rijenbemesting met drijfmest. Rapport 44, AB-DLO, Wageningen, 46 pp.

Sinclair, T.R. (1990)
Nitrogen influence on the physiology of the crop.
In: R. Rabbinge, J. Goudriaan, H. van Keulen, F.W.T. Penning de Vries & H.H. van Laar (Eds), Theoretical Production Ecology: reflections and prospects. Simulation Monographs 34, Pudoc Wageningen, 41-55.

Sieling, E.R.M. (1992)
Stikstofbemestingsrichtlijnen voor de akkerbouw en de groenteteelt in de vollegrond, Lelystad, Informatie- en Kenniscentrum-Akker- en Tuinbouw, 30 pp.

Smit, A.L. & A. van der Werf (1992)
Fysiologie van stikstofopname en -benutting: gewas- en bewortelingskarakteristieken.
In: H.G. van der Meer & J.H.J. Spiertz (Eds), Stikstofstromen in agro-ecosystemen, CABO-DLO, Wageningen, 51-70.

Smit, A.L. (1994)
Stikstofbenutting.
In: A.J. Haverkort, K.B. Zwart, P.C. Struik & P.H.M. Dekker (Eds), Stikstofstromen in de Vollegrondsgroenteteelt. Themaboekje 18, PAGV, Lelystad, 9-22.

Soorsma, H. (1994)
Bandbreedte stikstofeindnormen 2000 cluster AT; werkdocument Technische Projectgroep Toelaatbaar Stikstofoverschot N-desk studie. IKC-AT, Lelystad, 75 pp.

Stecker, J.A., D.D. Buchholz, R.G. Hanson, N.C. Wollenhaupt & K.A. McVay (1995)
Tillage and rotation effects on corn yield response to fertilizer nitrogen on aqualf soils. Agronomy Journal 87: 409-415.

Steenvoorden, J.H.A.M. & W. van Duijvenbooden (1991)
Nitraatuitspoeling.
In: H.G. van der Meer (Ed.), Stikstofbenutting en -verliezen van gras- en maïsland. DLO-reeks Onderzoek inzake de mest- en ammoniakproblematiek in de veehouderij (10). DLO, Wageningen, 105-123.

Steffens, G. & H. Vetter (1984)
Stickstoffverlagerung nach Gülledüngung mit und ohne Zwischenfruchtanbau. Landw. Forsch. Sonderheft 40: 355-362.

Stokes, D.T., R.K. Scott, C.H. Tilston, G. Cowie & R. Sylvester-Bradley (1992)
The effect of time of soil disturbance on nitrate mineralisation.
In: J.R. Archer, K.W.T. Goulding, S.C. Jarvis, C.M. Knott., E. Lord, S.E. Ogilvy, J. Orson, K.A. Smith and B. Wilson (Eds), Nitrate and Farming Systems. Aspects of Applied Biology 30: 279-282.

Stouthart, F. & J. Leferink (1992)
Mineralenboekhouding (incl. werkboeken voor begeleider en deelnemer), CLM, Utrecht, 20+33+57 pp.

Thorup-Kristensen, K. (1994)
The effect of nitrogen catch crop species on the nitrogen nutrition of succeeding crops. Fertilizer Research 37, 227-234.

Thorup-Kristensen, K. (1995)
Effect of catch crop incorporation time on N availability for a succeeding crop.
In: J.J. Schröder (Ed.), Long term reduction of nitrate leaching by cover crops. Proceedings of 1st Workshop of EU Concerted Action 2108, AB-DLO, Wageningen (in prep.)

Titulaer, H.H.H. (1994)
Stikstofbijmestsysteem.
In: A.J. Haverkort, K.B. Zwart, P.C. Struik & P.H.M. Dekker (Eds), Stikstofstromen in de Vollegrondsgroenteteelt. Themaboekje 18, PAGV, Lelystad, 89-102.

Vanotti, M.B. & L.G. Bundy (1994a)
An alternative rationale for corn nitrogen fertilizer recommendations. Journal of Production Agriculture 7, 243-249.

Vanotti, M.B. & L.G. Bundy (1994b)
Corn nitrogen recommendations based on yield response data. Journal of Production Agriculture 7, 248-256.

Vereijken, P., H. Kloen & R. Visser (1994)
Innovatieproject Ecologische Akkerbouw en Groenteteelt. Eerste Voortgangsrapport. Rapport 28, AB-DLO, Wageningen, 95 pp.

Vos, G.J.M., I.M.J. Bergevoet, J.C Védy & J.A. Neyroud (1994)
The fate of spring applied fertilizer N during the autumn-winter period: comparison between winter-fallow and green manure cropped soil. Plant & Soil 160, 201-213.

Vos, J. & P.C. Struik (1992)
Crop response to nitrogen.
In: J.L. Meulenbroek (Ed.), Agriculture and environment in Eastern Europe and the Netherlands, Wageningen Agricultural University, Wageningen, 195-205.

Vos, J. & M. Bom (1993)
Hand-held chlorophyll meter: a promising tool to assess the nitrogen status of potato foliage. Potato Research 36: 301-308.

Vos, J. (1995a)
Nitrogen cycle related to crop production in cool and wet climates. Workshop Proceedings of COST 814 'Crop development for the cool and wet regions of Europe', 7-9 September 1995, Tromsö, Noorwegen (in prep.)

Vos, J. (1995b)
Nitrogen and the growth of potato crops.
In: A.J. Haverkort & D.K.L. MacKerrion (Eds), Potato Ecology and modelling of crops under conditions limiting growth. Current Issues in Production Ecology Vol. 3. Kluwer Academic Publishers, Dordrecht, 115-128.

Wadman, W.P. & P.A.I. Ehlert (1989)
Environmental effects of organic manures in sugar beet production. IIRB Proceedings 1989, 52nd Winter Congress, Bruxelles. 93-101.

Wagger, M.G. (1989a)
Time of desiccation effects on residue composition and subsequent nitrogen release from several winter annual cover crops. Agronomy Journal 81: 236-241.

Wagger, M.G. (1989a)
Cover crop management and nitrogen rate in relation to growth and yield of no-till corn. Agronomy Journal 81: 533-538.

Whitehead, D.C., A.W. Bristow & D.R. Lockyer (1990)
Organic matter and nitrogen in the unharvested fractions of grass swards in relation to the potential of nitrate leaching after ploughing. Plant & Soil 123, 39-49.

Whitmore, A.P., N.J. Bradbury & P.A. Johnson (1992)
The potential contribution of ploughed grassland to nitrate leaching. Agriculture, Ecosystems and Environment 39: 221-233.

Whitmore, A.P. (1994)
Modellering van stikstofverliezen na de oogst.
In: A.J. Haverkort, K.B. Zwart, P.C. Struik & P.H.M. Dekker (Eds), Stikstofstromen in de Vollegrondsgroenteteelt. Themaboekje 18, PAGV, Lelystad, 70-79.

Whitmore, A.P. & J.J. Schröder (1995)
Modelling the change in soil organic C and N in response to applications of slurry manure. Submitted to Plant & Soil.

Wijnands, F.G., B.M.A. Kroonen-Backbier, Y. Hofmeester, W.K. van Leeuwen-Haagsma,
J. Boerma & G.J.M. van Dongen (1992)
Ontwikkeling van geïntegreerde bedrijfssystemen.
In: Themadag Bedrijfssystemen voor een akkerbouw met toekomst. PAGV-Themaboekje 14, PAGV, Lelystad, 216 pp.

Willigen, P. de, W.P. Wadman & M. van Noordwijk (1992)
Modelberekeningen omtrent de risico's aan minerale stikstofophoping in het najaar bij enige akkerbouwgewassen en vollegrondsgroenten.
In: H.G. van der Meer & J.H.J. Spiertz (Eds), Stikstofstromen in agro-ecosystemen, CABO-DLO, Wageningen, 87-101.

Willigen, P. de (1994)
Een model voor de opname en uitspoeling van stikstof in de teelt van spruitkool en prei.
In: A.J. Haverkort, K.B. Zwart, P.C. Struik & P.H.M. Dekker (Eds), Stikstofstromen in de Vollegrondsgroenteteelt. Themaboekje 18, PAGV, Lelystad, 58-69.

Wolf, J., C.T. de Wit & H. van Keulen (1989)
Modeling long-term crop response to fertilizer and soil nitrogen. I. The model. Plant & Soil 120, 11-22.

Wyland, L.J., L.E. Jackson & K.F. Schulbach (1995)
Soil-plant nitrogen dynamics following incorporation of a mature rye cover crop in a lettuce production system. Journal of Agricultural Science (Cambridge) 124, 17-25.

Appendix

DEFINITIES:

minerale N (kg per ha) : NO3-N en NH4-N in de bodem of NH3-N in organische mest.

N-aanvoer (kg per ha) : som van N in meststoffen, biologisch gebonden N, N in diervoeders, zaaizaad en pootgoed en atmosferische N-depositie die het bedrijf of perceel binnenkomt.

N-afvoer (kg per ha) : N die het bedrijf of perceel in de vorm van produkten verlaat.

N-overschot (kg per ha) : verschil tussen N-aanvoer en N-afvoer.

N-balans (-) : boekhouding van aan- en afvoerposten.

N-benutting (kg per kg) : N-afvoer uitgedrukt als percentage van de N-aanvoer.

N-opbrengst (kg per ha) : N opgenomen in het gewas (inclusief de oogstbare gewasrest, maar doorgaans exclusief onoogstbare gewasrest zoals afgevallen blad, stoppels, wortels).

N-harvest-index (-) : met het gewas afgevoerde N uitgedrukt als percentage van de N-opbrengst.

N-gift (kg per ha) : N gegeven in de vorm van kunstmest of organische mest.

N-recovery (kg per kg) : het verschil in N-opbrengst tussen een bemest en onbemest gewas, uitgedrukt als percentage van de N die verstrekt is als meststof (op basis van de totale N-inhoud) of als groenbemester (doorgaans alleen de N in bovengrondse delen).

N-verlies (kg per ha) : N die het landbouwproduktiesysteem verlaat als N2, NOx of NH3.

N-immobilisatie (kg per ha) : N tijdelijk vastgelegd in micro-organismen.

N-mineralisatie (kg per ha) : omzetting van organisch gebonden N in minerale N.

N-vastlegging (kg per ha) : N tijdelijk vastgelegd in micro-organismen en/of groenbemesters.

N-binding (kg per ha) : N gebonden door vrijlevende organismen en vlinderbloemigen.

N-denitrificatie (kg per ha) : minerale N omgezet in N2, NO of N2O.

N-vervluchtiging (kg per ha) : gasvormig verlies van NH3.

N-depositie (kg per ha) : droge en natte atmosferische depositie van NH3

beschikbare N (kg per ha) : hier (Fig. 4): som van minerale N (vóór bemesting), kunstmest-N en NH3-N in organische mest.

residuaire N (kg per ha) : minerale N aanwezig in de bodem na de oogst

N-werkingscoëfficiënt (-) : het effect van een organische meststof op de (N-)opbrengst uitgedrukt als percentage van een kunstmestgift met eenzelfde N-inhoud.

N-nalevering (kg per ha) : omzetting van organisch gebonden N in minerale N vanuit een in of na (een) eerdere teelt(en) aangelegde voorraad (organische mest, groenbemester, gewasrest).

Vorige artikel Volgende artikel Inhoudsopgave
Last updated on 1995-12-22 by Hugo Besemer