Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Records 1 - 20 / 25

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: metisnummer==1018040
Check title to add to marked list
Uncertainty analysis of SMART2-SUMO2-P2E-MOVE4 : the nature planner soil and vegetation model chain
Wamelink, G.W.W. ; Akkermans, L.M.W. ; Brus, D.J. ; Heuvelink, G.B.M. ; Mol, J.P. ; Schouwenberg, E.P.A.G. - \ 2011
Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-rapport 108)
bodemwater - vegetatie - simulatiemodellen - onzekerheidsanalyse - bodemgeschiktheid - natuurbeheer - soil water - vegetation - simulation models - uncertainty analysis - soil suitability - nature management
Models and model chains can provide a powerful tool to evaluate government policies regarding, e.g., nitrogen deposition or climate change. Since decisions based on model simulations can have a major impact on society, it is important to know the accuracy and uncertainty of the model simulations. This report offers an account of the uncertainty in the heart of the model chain of ‘Nature Planner’. This chain consists of a soil model (SMART2), a vegetation succession model (SUMO2) and a plant species prediction model (MOVE4). Uncertainty was introduced in the most important model parameters, as well as two important input maps; a soil map and a groundwater map.
Klimaatbestendigheid van de EHS 1 : simulatieruns met de modellen SMART2-SUMO2 voor stikstof scenario's
Wamelink, G.W.W. ; Wieggers, H.J.J. ; Mol-Dijkstra, J.P. ; Voogd, J.C.H. ; Kros, J. ; Schouwenberg, E.P.A.G. - \ 2009
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1918) - 32
bodemchemie - stikstof - simulatiemodellen - modellen - simulatie - uitspoelen - vegetatie - ecologische hoofdstructuur - scenario-analyse - soil chemistry - nitrogen - simulation models - models - simulation - leaching - vegetation - ecological network - scenario analysis
In de eerste fase van het project zijn de klimaatbestendige modellen SMART2-SUMO2 gedraaid voor 4 verschillende stikstofscenario's. De verschillen tussen de gebruikte scenario's zijn niet groot, maximaal 10% verschil in depositie. Voor bodem pH worden nauwelijks verschillen gesimuleerd. De verschillen in stikstofbeschikbaarheid zijn wel redelijk groot. Deze verschillen komen ook tot uiting in de hoeveelheid stikstof die uitspoelt, maar niet in de biomassa van de aanwezige vegetatie. De vegetatie blijkt voor alle sites in de EHS de maximale hoeveelheid stikstof op te nemen, de rest spoelt uit.
Kosten voor habitattypen in Natura 2000-gebieden : toepassing van de methode Kosteneffectiviteit natuurbeleid
Oltmer, K. ; Bommel, K.H.M. van; Clement, J. ; Jong, J.J. de; Rudrum, D.P. ; Schouwenberg, E.P.A.G. - \ 2009
Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 152) - 65
natuurbescherming - cost effective analysis - kosten - habitats - ecotypen - nederland - natuur - natuurbeheer - nature conservation - cost effectiveness analysis - costs - ecotypes - netherlands - nature - nature management
Deze studie beschrijft de berekening van de kosten voor het natuurbeleid in de Natura 2000-gebieden, gebaseerd op de aanwezige habitattypen. De kosten zijn afgeleid van het benodigde beheer en de milieutekorten rond vermesting en verdroging. De ligging van de habitattypen is bepaald op basis van het koppelingsbestand ´ecotopen en habitattypen´ en op basis van de stikstofdepositie. In totaal gaat het om een areaal van 56.922 ha. De gemiddelde kosten voor het realiseren van de habitattypen liggen bij 800 euro/ha/jaar, variërend van ruim 100 euro/ha/jaar in Groningen tot 3.250 euro/ha/jaar in Utrecht. Door een andere manier van toewijzing van de habitattypen verschillen de in de huidige studie berekende kosten en arealen met milieutekorten van die uit de eerdere studie naar de kosten van de Natura 2000-gebieden.
Effect of nitrogen deposition reduction on biodiversity and carbon sequestration
Wamelink, G.W.W. ; Dobben, H.F. van; Mol-Dijkstra, J.P. ; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Kros, J. ; Vries, W. de; Berendse, F. - \ 2009
Forest Ecology and Management 258 (2009)8. - ISSN 0378-1127 - p. 1774 - 1779.
climate-change - terrestrial ecosystems - changing biodiversity - species-diversity - migration rates - plant diversity - elevated co2 - forest - impact - fertilization
Global warming and loss of biodiversity are among the most prominent environmental issues of our time. Large sums are spent to reduce their causes, the emission of CO2 and nitrogen compounds. However, the results of such measures are potentially conflicting, as the reduction of nitrogen deposition may hamper carbon sequestration and thus increase global warming. Moreover, it is uncertain whether a lower nitrogen deposition will lead to a higher biodiversity. We applied a dynamic soil model, a vegetation dynamic model and a biodiversity regression model to investigate the effect of nitrogen deposition reduction on the carbon sequestration and plant species diversity. The soil and vegetation models simulate the carbon sequestration as a result of nitrogen deposition and they provide the biodiversity model with information on the soil conditions groundwater table, pH and nitrogen availability. The plant diversity index resulting from the biodiversity model is based on the occurrence of `red list¿ species for the tree soil conditions. Based on the model runs we forecast that a gradual decrease in nitrogen deposition from 40 to 10 kg N ha¿1 y¿1 in the next 25 years will cause a drop in the net carbon sequestration of forest in The Netherlands to 27% of the present amount, while biodiversity remains constant in forest, but may increase in heathland and grassland.
Spatial planning for lowland-stream basins using a bioeconomic model
Walsum, P.E.V. van; Helming, J. ; Stuyt, L.C.P.M. ; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Groenendijk, P. - \ 2008
Environmental Modelling & Software 23 (2008)5. - ISSN 1364-8152 - p. 569 - 578.
waterbeheer - landgebruiksplanning - simulatiemodellen - hydrologie - watersystemen - delta's - kaderrichtlijn water - water management - land use planning - simulation models - hydrology - water systems - deltas - water framework directive - decision-support-system - management - integration - framework - pollution - land
Most lowland stream drainage-basins have a high population density and the land use is very intensive. The permeable subsoil acts as an integrating medium, thus providing a widespread dispersal of leached nutrients and transmission of water-table lowering. This leads to eutrophication and desiccation of stream ecosystems. For providing suggestions with respect to cost-effective and sustainable spatial planning solutions, the `Waterwise¿ bioeconomic model has been developed. It combines the accuracy of simulation models with the versatility of optimization techniques to generate land-use patterns along with the appropriate water management, taking into account the preferences of stakeholders with respect to peak discharges, nutrient loading on groundwater and surface water, the biological value of nature areas, and the revenue from agriculture. Computational experiments with the model show, for instance, that a certain goal for the nitrogen load on surface water can be reached at a 40% lower cost if the measures are `tailored¿ to the region instead of using generic-style measures towards the same end.
Leven met zout water : deelrapport: zouttolerantie van zoetwaterafhankelijke natuurdoeltypen; verkenning en kennislacunes
Paulissen, M.P.C.P. ; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Wamelink, G.W.W. - \ 2007
Wageningen : Alterra (Alterra-document 2) - 70
verzilting - zouttolerantie - zoet water - natuurbescherming - chloriden - nederland - flora - halofyten - fauna - habitatrichtlijn - salinization - salt tolerance - fresh water - nature conservation - chlorides - netherlands - halophytes - habitats directive
Overzicht van de zouttolerantie van zoetwaterafhankelijke natuurdoeltypen en habitatrichtlijnsoorten in Laag Nederland. Er zijn kennistabellen opgesteld over chlorideranges en gevoeligheid voor verzilting. Voor bijna alle onderzochte natuurdoeltypen ligt de optimale chlorideconcentratie in het zeer zoete en de norm in het zoete tot licht brakke bereik. Dit geldt ook voor de beschouwde plantensoorten. Voor de fauna zijn de resultaten variabeler. Hoe natter een natuurdoeltype, hoe meer zoutindicerende plantensoorten er in voorkomen. De resultaten voor chloriderange contrasteren met die voor gevoeligheid voor verzilting. Vooral op laatstgenoemd gebied is veel gewerkt met aannamen. Een lage gevoeligheid betekent niet automatisch dat de hersteltijd na het optreden van zoutschade kort is. De meeste onderzochte habitatrichtlijnsoorten zijn relatief ongevoelig voor verzilting. Er zijn kennislacunes en oplossingsrichtingen geformuleerd
Zouttolerantie van zoetwatergevoede natuurdoeltypen : verkenning en kennislacunes
Paulissen, M.P.C.P. ; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Wamelink, G.W.W. - \ 2007
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1545) - 76
zouttolerantie - zoutgehalte - verzilting - habitats - natuurbescherming - ecosystemen - ecologie - monitoring - chloriden - soorten - natuur - habitatrichtlijn - salt tolerance - salinity - salinization - nature conservation - ecosystems - ecology - chlorides - species - nature - habitats directive
Overzicht van de zouttolerantie van natuurdoeltypen en habitatrichtlijnsoorten. Er zijn kennistabellen opgesteld over chlorideranges en gevoeligheid voor verzilting. Voor bijna alle onderzochte natuurdoeltypen ligt de optimale chlorideconcentratie in het zeer zoete en de norm in het zoete tot licht brakke bereik. Dit geldt ook voor de beschouwde plantensoorten. Voor de fauna zijn de resultaten variabeler. Hoe natter een natuurdoeltype, hoe meer zoutindicerende plantensoorten er in voorkomen. De resultaten voor chloriderange contrasteren met die voor gevoeligheid voor verzilting. Vooral op laatstgenoemd gebied is veel gewerkt met aannamen. Een lage gevoeligheid betekent niet automatisch dat de hersteltijd na het optreden van zoutschade kort is. De meeste onderzochte habitatrichtlijnsoorten zijn relatief ongevoelig voor verzilting. Er zijn kennislacunes en oplossingsrichtingen geformuleerd
Hoe gevoelig is de Nederlandse natuur voor verzilting
Paulissen, M.P.C.P. ; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Velstra, J. ; Wamelink, G.W.W. - \ 2007
H2O : tijdschrift voor watervoorziening en afvalwaterbehandeling 2007 (2007)18. - ISSN 0166-8439 - p. 40 - 44.
ecologie - vegetatie - zouttolerantie - natuurbescherming - brakwater - verzilting - chloride - grondwater - ecology - vegetation - salt tolerance - nature conservation - brackish water - salinization - chloride - groundwater
Door klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en veranderingen in het waterbeleid zal verzilting van grond- en oppervlaktewater toenemen. Vormt zilt water een bedreiging of biedt het mogelijkheden voor hoogwaardige natuur? Dit artikel geeft de resultaten weer van een verkennende studie naar de gevoeligheid voor verzilting van natuur in laag-Nederland. Gegevens over zouttolerantie van soorten en levensgemeenschappen blijken schaars. Vaak gaat het om (kwalitatief) deskundigenoordeel. Een robuuste normering voor het water- en natuurbeheer, die rekening houdt met de gevoeligheid van levensgemeenschappen voor verzilting, is wenselijk. Het systeem van zoutgetallen volgens Ellenberg biedt een basis om de gevoeligheid van vegetatietypen voor verzilting te kwantificeren en chloridenormen voor natuurdoeltypen af te leiden
Huidige en toekomstige stikstofbelasting op de Natura 2000-gebieden : achtergronddocument ex ante evaluatie van de Vogel- en Habitatrichtlijnen in Nederland
Schouwenberg, E.P.A.G. - \ 2007
Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 59) - 36
natuurreservaten - natuurbescherming - stikstof - emissie - depositie - habitats - heidegebieden - beschermingsgebieden - duingebieden - nederland - natuur - habitatrichtlijn - nature reserves - nature conservation - nitrogen - emission - deposition - heathlands - conservation areas - duneland - netherlands - nature - habitats directive
De duinen steken relatief gunstig af wat betreft stikstofdepositie. Een groot deel van de duinen bevindt zich op afstand van belangrijke stikstof-emissiebronnen als de landbouw. Graslanden en bossen profiteren het eerst van een afname van de stikstofdeposities. Heide en moeras (met name trilvenen) hebben een lagere kritische stikstofbelasting en hebben belang bij een verder gaande daling van de stikstofdepositie dan nu gerealiseerd wordt binnen alle vier de scenario’s
Synergie Ecologische Hoofdstructuur en Natura 2000-gebieden; wat stuurt het beheer?
Broekmeyer, M.E.A. ; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Sanders, M.E. ; Pouwels, R. - \ 2007
Wageningen : WOT Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 54) - 36
natuurbescherming - overheidsbeleid - nederland - europa - ecologische hoofdstructuur - habitatrichtlijn - nature conservation - government policy - netherlands - europe - ecological network - habitats directive
Nederland moet in 2007 aan de Europese Unie rapporteren over de implementatie en effectiviteit van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (VHR). Daarvoor heeft LNV aan het Milieu- en Natuurplanbureau gevraagd een ex-ante evaluatie uit te voeren: hoe pakken huidig beleid en toekomstige ontwikkelingen uit voor doelen van de VHR Dit rapport gaat specifiek in op de vraag, of het Nederlandse natuurbeleid bijdraagr aan het Europese beleid
Simulation of critical loads for nitrogen for terrestrial plant communities in the Netherlands
Dobben, H.F. van; Hinsberg, A. van; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Jansen, M.J.W. ; Mol-Dijkstra, J.P. ; Wieggers, H.J.J. ; Kros, J. ; Vries, W. de - \ 2006
Ecosystems 9 (2006)1. - ISSN 1432-9840 - p. 32 - 45.
ellenberg indicator values - field-measurements - input variables - acidity
This paper describes a new method to derive nitrogen critical loads for vegetation, and its application to The Netherlands. An 'inverted' form of the soil chemical model SMART2 was used to estimate atmospheric nitrogen deposition at the critical conditions for 139 terrestrial vegetation types (associations) occurring in northwestern Europe, using an iterative search procedure. The critical conditions are the lower end of the pH range, and the upper end of the nitrogen availability range for each vegetation type. The critical load is assumed to be the nitrogen deposition that results in the critical conditions. The critical load values were subjected to a sensitivity and uncertainty analysis. Sensitivity analysis showed that the estimated critical N load mainly depends on the vegetation type and to a lesser extent on the soil type and the critical N availability. Of these variables N availability, which was estimated from Ellenberg's indicator scale, contributes most to the uncertainty. The critical load averaged over all vegetation types and soil types is estimated to be 23 +/- 7 kg N ha(-1) y(-1). This is a rather reliable value because its uncertainty is small and it is in agreement with empirical estimates of critical loads. Critical loads per vegetation type are less reliable because they are not correlated to empirical values, although the ranges of simulated and empirical values usually overlap. At the site level, uncertainty becomes very large and it is not possible to determine critical loads with any practical significance. The uncertainties can only be reduced if more data become available on the abiotic response per species under field conditions, at least to nitrogen availability and soil pH.
Hotspots floristische biodiversiteit
Runhaar, J. ; Clement, J. ; Jansen, P.C. ; Hennekens, S.M. ; Weeda, E.J. ; Wamelink, G.W.W. ; Schouwenberg, E.P.A.G. - \ 2005
Wageningen : WOT Natuur & Milieu (WOt-rapport 9) - 223
habitats - natuurbescherming - vegetatie - flora - cartografie - nederland - nature conservation - vegetation - mapping - netherlands
Doel van deze studie was om de ligging en kenmerken van floristische hotspots in kaart te brengen. In het onderzoek is ook aandacht besteed aan de vraag op welke manier de Hotspotskaarten kunnen worden toegepast binnen het werk van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP), waarbij allereerst is gekeken of en hoe de informatie gebruikt kan worden binnen de huidige voorspellingsmodellen (Natuurplanner). Hotspots zijn gedefinieerd als locaties met goed ontwikkelde vegetaties waarin relatief veel kenmerkende plantensoorten voorkomen. De studie heeft zich gericht op de floristisch meest waardevolle systemen: natte schraallanden, trilvenen, duinvalleien, gebufferde vennen, broekbossen, kalkgraslanden en hellingbossen. Uitgangspunt van deze studie is informatie over het voorkomen van soorten in Nederland per kilometerhok uit FLORBASE, geïnterpreteerd in termen van ecotooptypen. Deze informatie is gekoppeld aan gedetailleerdere informatie over bodem, hydrologie en beheer om de ligging en abiotische kenmerken van de floristische hotspots te bepalen. Deze gegevens kunnen gebruikt worden voor invoer of validatie van de Natuurplanner. Daarnaast zijn kaarten met de ligging van de Hotspots en overige bestanden die nodig waren om de ligging van de Hotspots te kunnen bepalen ook in andere studies toepasbaar. Bijvoorbeeld de kaarten met de ligging van natuurgebieden en de kaarten met de kansrijkdom voor de ontwikkeling van ecosysteemtypen. Trefwoorden: biodiversiteit, flora, hotspots
Effectenindicator Natura 2000-gebieden: achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren
Broekmeyer, M.E.A. ; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Veen, M. van der; Prins, D. ; Vos, C.C. - \ 2005
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1375) - 51
ecologie - natuurbescherming - effecten - milieuwetgeving - habitats - wetgeving - indicatoren - nederland - habitatrichtlijn - ecology - nature conservation - effects - environmental legislation - habitats - legislation - indicators - netherlands - habitats directive
In opdracht van de Directie Natuur van het ministerie van LNV ontwikkelde Alterra een indicator als hulpmiddel voor initiatiefnemers tijdens de voortoets van een vergunningverlening Natuurbeschermingswet. De indicator is geschikt voor het op voorhand en op generiek niveau inschatten van effecten van diverse activiteiten via storende factoren. De effectenindicator is interactief te gebruiken via de website van het ministerie van LNV
Natuur in het veenweidegebied, een kwestie van kiezen ...
Ottburg, F.G.W.A. ; Schouwenberg, E.P.A.G. - \ 2005
In: Veenweide 25x belicht; een bloemlezing van het onderzoek van Wageningen UR / Rienks, W.A., Gerritsen, A.L., Wageningen : Alterra - p. 56 - 57.
NTM - Een model voor de voorspelling van potentiële biodiversiteit en kans op voorkomen van vegetatietypen
Schouwenberg, E.P.A.G. - \ 2004
biodiversiteit - waarden - vegetatie - zuurgraad - vocht - voorspelling - verzuring - beslissingsmodellen - natuur - verdroging (milieu) - biodiversity - values - vegetation - acidity - moisture - prediction - acidification - decision models - nature - groundwater depletion
Het model NTM, NatuurTechnisch Model, is ontwikkeld voor de voorspelling van (potentiële) biodiversiteit en kans op voorkomen van vegetatietypen op basis van de hydrologie en de bodemkenmerken zuurgraad en stikstofbeschikbaarheid. Het model doet voorspellingen in termen van 'potentiële natuurwaarde' of de kans op voorkomen van vegetatietypen
Effecten van eilandvarianten in de Noordzee op de ecologie van strand en duin
Sanders, M.E. ; Slim, P.A. ; Dobben, H.F. van; Wegman, R.M.A. ; Schouwenberg, E.P.A.G. - \ 2004
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1092) - 100
plantensuccessie - plantenecologie - vegetatie - duinen - stranden - luchthavens - natuurbescherming - noordzee - invloeden - plant succession - plant ecology - vegetation - dunes - beaches - airports - nature conservation - north sea - influences
Door de toenemende groei in de internationale luchtvaartsector, ziet Schiphol zich genoodzaakt om uit te breiden. Gezien de ruimteclaims en de milieuwetgeving zal voor de lange termijn een verdere uitbreiding van Schiphol op de huidige locatie moeilijker worden. Een alternatief voor de locatie Schiphol is het aanleggen van een eiland in de Noordzee. Dit rapport beschrijft en waar mogelijk kwanitificeert de effecten van de aanleg van een luchthaveneiland in de Noordzee op de ecologie van strand en duin. De belangrijkste effecten van een eiland in de Noordzee op strand en duin, zijn gelegen in veranderingen in kustmorfologie en saltspray. Veranderingen in de morfologie hebben het grootste effect op het strand (en zeereep) en veranderingen in saltspray op de vegetatie in de duinen. Voor strand en zeereep geeft een aanwaskust in de luwte van het eiland mogelijkheden voor natuurontwikkeling, maar voor de duinen betekent de afname van saltspray een achteruitgang in natuurbehoudswaarde van deze internationaal beschermde gebieden.
Effectgerichte maatregelen tegen verdroging, verzuring en stikstofdepositie op trilvenen (Noord-Hollland, Utrecht en Noordwest- Overijsssel)
Barendregt, A. ; Beltman, B. ; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Wirdum, G. van - \ 2004
Ede : Expertisecentrum LNV (Rapport / EC-LNV nr. 2004/281-O) - 65
herstel - hydrologie - verzuring - verdroging - zure depositie - moerassen - veengronden - nederland - ecohydrologie - noord-holland - utrecht - overijssel - noordwest-overijssel - rehabilitation - hydrology - acidification - desiccation - acid deposition - marshes - peat soils - netherlands - ecohydrology - noord-holland - utrecht - overijssel - noordwest-overijssel
De centrale probleemstelling van het obn onderzoek is of het mogelijk is met lokale maatregelen de natuur, zich manifesterend in soortensamenstelling, soortenrijkdom en bedekking van plantengemeenschappen te herstellen in laagvenen?
Veenweidegebied in Fryslân - de effecten van vier peilstrategieëen
Rienks, W.A. ; Gerritsen, A.L. ; Meulenkamp, W.J.H. ; Ottburg, F.G.W.A. ; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Akker, J.J.H. van den; Hendriks, R.F.A. - \ 2004
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 989) - 205
landschap - veengronden - hoogveengebieden - graslanden - grondwaterstand - regulatie - waterbeheer - economische analyse - nederland - peilbeheer - natuur - friesland - landscape - peat soils - moorlands - grasslands - groundwater level - regulation - water management - economic analysis - netherlands - water level management - nature
Voor het veenweidegebied in Fryslan zijn de gevolgen van vier strategieën van peilbeheer beoordeeld. Het gaat om de strategieën plas dras (drooglegging 0-20), natuurlijk peilbeheer (25-55), hoog zomerpeil (90-60) en vast peil (90-90) die zijn beoordeeld ten aanzien van de gevolgen voor bodemdaling, waterkwaliteit, waterkwantiteit, broeikasgassen, landschap en cultuurhistorie, natuur, visstand, landbouw, recreatie en kosten en baten. Dit resulteert in een schema met een totaal overzicht van de effecten van peilverandering in het veenweidegebied. Er is een ruimtelijke uitwerking gemaakt op basis waarvan geschikte gebieden voor een strategie kunnen worden afgeleid. Tenslotte is een aantal discussiepunten aangeroerd ten behoeve van de te voeren discussie over de toekomst van het Friese veenweidegebied.
Identificatie van geschikt leefgebied voor de grote vuurvlinder; een ecohydrologisch effectvoorspellingsmodel
Sanders, M.E. ; Prins, A.H. ; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Wegman, R.M.A. - \ 2004
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1073) - 72
rumex hydrolapathum - lepidoptera - habitats - natuurbescherming - bescherming - vegetatiebeheer - waterbeheer - nederland - ecohydrologie - nature conservation - protection - vegetation management - water management - netherlands - ecohydrology
De Grote vuurvlinder is momenteel een van de meest bedreigde diersoorten in Nederland. Internationaal wordt de soort beschermd via de regelgeving in de EU-Habitatrichtlijn. Doel van dit project is het identificeren van geschikt habitat voor de Grote vuurvlinder door de verspreiding van de vlinder (eieren en rupsen) en de Waterzuring (waardplant) direct te koppelen aan reeds bekende gegevens over beheer van vegetatie en hydrologie en waterkwaliteit met behulp van een ecohydrologisch effectvoorspellingsmodel. Het resultaat geeft inzicht op welke wijze hydrologische ingrepen (bemaling, graven van sloten, peilbeheer), ingrepen in het successiestadium (petgaten graven, bos kappen en plaggen) en vegetatiebeheer (maaien) kunnen worden ingezet voor de realisatie van meer leefgebied voor de Grote vuurvlinder.
Simulation of critical loads for nitrogen for terrestrial plant communities in the Netherlands
Dobben, H.F. van; Schouwenberg, E.P.A.G. ; Mol-Dijkstra, J.P. ; Wieggers, H.J.J. ; Jansen, M.J.W. ; Kros, J. ; Vries, W. de - \ 2004
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 953) - 84
vegetatie - plantengemeenschappen - bodemchemie - depositie - nitraten - modellen - vegetation - plant communities - soil chemistry - deposition - nitrates - models
An iterative search procedure was used to 'invert' the soil chemical model SMART2. This 'inverted' form of SMART2 was used to estimate atmospheric nitrogen deposition at the critical conditions for 139 terrestrial vegetation associations. The critical conditions are the lower end of the pH range, and the upper end of the nitrogen availability range for each association, estimated on the basis of Ellenberg values of vegetation relevees. The resulting critical load values were subjected to an uncertainty analysis. The estimation of nitrogen availability on the basis of Ellenberg's indicator for N has the largest contribution to the uncertainty. The critical load over all vegetation types and soil types is estimated to be 22 + 8 kg N ha-1.y-1. This is a rather 'hard' value, however critical loads per vegetation type are less 'hard', and it is not possible to determine critical load values per site. The uncertainties can only be reduced if more data become available on the abiotic response per species under field conditions. The critical loads found in this study were compared to the 'herijking' and 'SMB' critical loads and to empirically derived values. The 'SMB' critical loads appeared to be far lower than all other critical loads, which were in the same order of magnitude
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.