Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 20 / 122

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Wat deze bijzonder zachte en natte winter aanrichtte en opleverde
    Hal, Ralf van; Vliet, Arnold van - \ 2020
    Migration of silver eel, Anguilla anguilla, through three water pumping stations in The Netherlands
    Keeken, Olvin Alior van; Hal, Ralf van; Winter, Hendrik Volken ; Wilkes, Tony ; Griffioen, Arie Benjamin - \ 2020
    Fisheries Management and Ecology (2020). - ISSN 0969-997X
    Anguilla - barriers - conservation - fish behaviour - fish migration - telemetry
    European eel, Anguilla anguilla (L.), migrating to sea encounter many man-made structures that can hamper and delay migration or induce mortality. Three pumping stations in Friesland, the Netherlands, were covered with acoustic receivers. Ninety-three silver eels tagged with acoustic transmitters were released in the polders upstream of the stations and 89% were detected passing a pumping station. The majority of silver eels passed the stations within a day after arriving at the station. Four silver eels stayed for longer than 2 weeks before passage, and 18 were detected at the receiver downstream the pumping station for more than one day, with detections up to several weeks. These detections probably indicated a dead eel, but could also indicate a live eel remaining at the site. Most of the silver eels passed the pumping stations within a day after release, so fish-friendly pumps will benefit the migrating population most. In the Netherlands, there are several thousand pumping stations. Installing fish passages near these stations is not feasible due to high costs. Prioritising all these sites in relation to the degree of blockage, mortality rates and its relative importance for migratory fish, can maximise the effectiveness of measures and mitigation taken.
    Kreeftachtigen in het Haringvliet : Deskstudie: voor en na de opening van de kier
    Couperus, B. ; Beier, U. ; Boonstra, M. ; Hal, R. van - \ 2020
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C012/20) - 38
    Reisverslag kustsurvey Natuurlijk Veilig : juni 2020
    Vrooman, Jip ; Dijkman-Dulkes, Andre ; Hal, Ralf van - \ 2020
    IJmuiden : Wageningen Marine Research) (Wageningen Marine Research rapport C071/20) - 23
    In de periode van 16 tot 23 juni 2020 heeft Wageningen Marine Research in opdracht van Rijkswaterstaat in het kader van Natuurlijk Veilig opnieuw een kustlangse survey uitgevoerd in de vooroever. Dit jaar is bemonsterd vanaf IJmuiden tot aan Texel en aanvullend in de westelijke Waddenzee (Balgzand). De survey is opgezet om de verspreiding en abundantie van (plat)vis in de vooroever te bepalen en gegevens te verzamelen over (a)biotische factoren die deze verspreiding bepalen. Het doel van de bemonstering is om mogelijke effecten van zandsuppleties in de vooroever op vis in kaart te brengen. De dit jaar uitgevoerde bemonsteringen zijn, ondanks een gedeeltelijk andere opzet, bedoeld als aanvulling op eerdere werkzaamheden binnen het Natuurlijk Veilig project, welke zijn uitgevoerd in 2017, 2018 en 2019. Vanaf IJmuiden naar het noorden toe en in de westelijke Waddenzee zijn er om de paar kilometer op verschillende waterdieptes in totaal 81 locaties succesvol bemonsterd. Iedere locatie is bemonsterd voor vis met een 3 meter boomkor (het DFS-tuig). Daarnaast is op iedere locatie (m.u.v. 3 locaties) een sedimentmonster genomen en zijn er gegevens verzameld over doorzicht, watertemperatuur en saliniteit. In totaal zijn in de 81 vistrekken 90.796 vissen gevangen verdeeld over 36 soorten. Daarnaast zijn er 37 overige soorten (o.a. benthos) geregistreerd. De meest gevangen vissoorten waren haring (incl. clupeidae), zandspiering en schol en voor de overige soorten waren dit gewone garnaal, gewone zwemkrab en strandkrab.
    Meetrapport verzamelen van plastics van MSC Zoe: zeevogels, vissen, zeebodem, stranden : Beknopt verslag van werkzaamheden in 2019
    Baptist, Martin ; Volwater, Joey ; Hal, Ralf van; Zwol, Jetze van; Troost, Karin ; Franeker, Jan Andries van; Kühn, Suse ; Strietman, Wouter Jan - \ 2020
    Den Helder : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C009/20) - 25
    In de nacht van 1 op 2 januari 2019 raakte het containerschip MSC Zoe ter hoogte van Terschelling de zeebodem waardoor in totaal 342 containers overboord geslagen zijn en verspreid geraakt over het gebied tussen Terschelling en Schiermonnikoog. Rijkswaterstaat heeft Wageningen University & Research opdracht gegeven onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de containerramp op het ecosysteem van de Noordzee en Waddenzee. De doelstelling van dit onderzoek is het in 2019 geregistreerd verzamelen van plastics en organismen die plastics kunnen hebben ingenomen, aansluitend bij bestaande monitoringprogramma’s. In 2019 is in het kader van deze opdracht zwerfvuil verzameld bij monitoring, en daarnaast zijn vissen, vismagen en vogels verzameld en veiliggesteld voor analyse op aanwezigheid van (micro)plastics. Zwerfvuil: Het registreren van zwerfvuil van de zeebodem is een reguliere activiteit tijdens visbestandsopnames met bodemtrawl netten in het IBTS-programma. Volgens hetzelfde protocol is aanvullend zwerfvuil op de zeebodem geregistreerd tijdens twee andere vissurveys en tijdens schelpdierinventarisaties. Ook is er een analyse gedaan naar zwerfvuil verzameld op Griend. Het zwerfvuilonderzoek richt zich op grotere objecten dan microplastics. Vogels: er zijn ten minste 43 dood gevonden Noordse Stormvogels verzameld, waarvan verreweg het grootste deel op de Waddeneilanden en de Fries-Groninger waddenkust. Daarnaast zijn ten minste 14 Zwarte Zee-eenden, 1 Grote Zee-eend en 4 Drieteenmeeuwen verzameld, allen dood aangetroffen in het Waddengebied. Vissen: er zijn tijdens reguliere visbestandsopnames in het gebied boven de Nederlandse eilanden tot aan Helgoland 211 magen van vissen uit de vangsten verzameld, en 4856 vissen uit de gehele Noordzee tijdens het reguliere onderzoek naar bijvangsten van de visserij. Begin 2020 gaf RWS opdracht aan WMR om (een deel van) de biologische monsters in 2020 te analyseren.
    Natuurlijk veilig: Meetplan kustsurvey 2020
    Volwater, Joey ; Hal, Ralf van - \ 2020
    Den Helder : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C044/20) - 18
    Suppleties van zand op vooroever of strand worden in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd om de Nederlandse kust tegen erosie te beschermen en om voldoende zand in het kustfundament te houden. Een groot deel van de suppleties vindt plaats in of nabij de kuststrook die binnen de Natura2000 regelgeving wordt beschermd, de Noordzeekustzone. Het is dus van belang de eventuele effecten van deze praktijk op de natuur zorgvuldig te bestuderen, zodat dit effect kan worden afgezet tegenover het algemene nut voor de maatschappij. Betere kennis van de effecten kan leiden tot beperking van eventuele schade aan- en mogelijk zelfs tot versterking van- gewenste natuurwaarden en ecosysteemdiensten. Tot nog toe is er in vergelijking met benthos relatief weinig aandacht geweest voor de gevolgen van suppleren op vispopulaties, terwijl de kinderkamerfunctie van de ondiepe kustzone voor vis een zeer belangrijke economische ecosysteemdienst levert. Kennis van de omgevingsfactoren die het voorkomen van juveniele vis in de ondiepe kustzone bepalen, leidt tot een verbeterd inzicht in de gevolgen van suppleties op vispopulaties en daarvan afhankelijk overig zeeleven. In overleg met natuurorganisaties en de kennisinstituten Deltares en Wageningen Marine Research is in 2016 het document `Ecologische effecten van zandsuppleties’ (Herman et al., 2016) geschreven met als doel onderzoek te formuleren naar ecologische effecten van zandsuppleties. In het onderdeel ‘uitvoeringsplan’ (deel C in Herman et al. 2016) zijn 3 onderzoekslijnen (ook wel Krachtlijnen genoemd) gedefinieerd, te weten: Vooroever, Duinen en Waddenzee. Het hier beschreven meetplan voor een survey in 2020 valt onder de onderzoekslijn Vooroever. De onderzoeksvraag luidt: “Wat zijn de cumulatieve gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de ondiepe vooroever van de Nederlandse kust?” Deze volgt uit de prioritering van de krachtlijn Vooroever: (cumulatieve) gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de vooroever. Het onderdeel dat in onze monitoring de hoogste prioriteit heeft gekregen is vis en dan met name de bodemgebonden (plat)vis omdat hier het meest directe effect van een verandering in sedimentsamenstelling door suppleties is te verwachten. Om de verspreiding en abundantie van deze vis in relatie tot omgevingsvariabelen zoals sedimentsamenstelling beter te begrijpen is er in 2017, 2018 en 2019 bemonsterd in de ondiepe vooroever (<10m) waarbij verschillende omgevings-variabelen zijn bepaald. In 2017 en 2018 is dit gedaan voor specifieke gebieden met een experimentele opzet. Vanwege de beperkt beschikbare tijd (en de noodzaak van goede weersomstandigheden binnen dit tijdsbestek) leverde dit minder resultaten op dan vooraf verwacht. Vandaar dat in 2019 besloten is een andere opzet te kiezen waarbij de experimentele opzet minder van belang was. Er werd toen uitgebreider gekeken naar het ruimtelijke beeld langs de gehele Nederlandse kustzone. In navolging van 2019 wordt er voor 2020 opnieuw een kustlangse survey voorgesteld. Gedurende een week wordt er vanaf het onderzoeksschip de Luctor met een 3 m boomkor gevist en wordt er op dezelfde locaties een sedimentmonster genomen. Voorlopige analyses van de eerder verzamelde gegevens laten zien dat de vangsten van schol in de kustzone vele malen lager zijn dan die in publicaties over de Waddenzee. Dit zou een werkelijk verschil in aanwezigheid van schol kunnen zijn, maar waarschijnlijk speelt de vangstefficiëntie van de gebruikte vistuigen hierin ook een rol. Om hier zicht op te krijgen, is er voor 2020 voorgesteld om in beide gebieden te bemonsteren met hetzelfde tuig. Om deze aanpassing op de kustlangse bemonstering zoals uitgevoerd in 2019 mogelijk te maken, is ervoor gekozen om het meest zuidelijke transect, langs de Zandmotor, uit de 2019 bemonstering te laten vervallen. Hiervoor in de plaats wordt een dag gebruikt om een transect op het Balgzand in de Waddenzee te bemonsteren. In 2020 gaat er vanuit IJmuiden tot aan Texel langs de kust op een diepte tussen 4-5 m bemonsterd worden, aangevuld met bemonsteringen op het Balgzand. In 2019 zijn twee raaien naar dieper water (12m) bemonsterd om inzicht te krijgen of de verspreiding van jonge schol zich enkel beperkt tot de 4-5m diepte zone, of dat ze in het voorjaar ook al aanwezig zijn in diepere wateren. Om meer inzicht op deze ruimtelijke verspreiding te krijgen zal er langs de kust in 2020 opnieuw geprobeerd worden een aantal raaien naar dieper water (12m) te bemonsteren.
    Dutch seafloor litter monitoring in the North Sea : International Bottom Trawl Survey 2020
    Volwater, Joey ; Hal, Ralf van - \ 2020
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research report C049/20) - 51
    The Marine Strategy Framework Directive (MSFD) requires EU Member States to develop programmes of measures that aim to achieve or maintain Good Environmental Status (GES) in European Seas. In order to be able to evaluate the quality state of marine waters on a regular basis and the effects of the measures taken, monitoring programs for MSFD descriptors and indicators have been established by the Member States. GES is defined by 11 descriptors, including Marine Litter (D10). The Dutch monitoring program for this descriptor includes the collection of data on the presence, abundance and distribution of macro litter on the seafloor. According to the Dutch program, the data on seafloor litter must be collected during statutory task fish surveys using a standardised GOV (Grand Ouverture Verticale) fishing net as part of the International Bottom Trawl Survey (IBTS), which is carried out yearly in the North Sea. This report presents the results of the seafloor litter monitoring during the IBTS of Quarter 1, 2020. Seafloor litter data have been collected annually since 2013, and the new data are presented and compared to the data collected in previous years. This is done for both the composition and the spatial distribution of the seafloor litter. The allocation of rectangles was the same as in 2019, however owing to permit issues of participating countries and extremely bad weather conditions during the survey period, the area covered by the Dutch IBTS 2020 was not as planned and deviates from the covered area in 2019 and earlier years. These deviations in the spatial coverage hampers comparisons over the years. In 2020, litter was caught in 83% of the hauls. The composition of this litter was similar to that of previous years, more than 90% of the 155 items recorded was plastic and these were mainly monofilament lines and plastic sheets. The majority of these items was, as in previous years, small (<25 cm2). The haul with the highest amount of litter items was in the south-east part of the North Sea towards the Dutch coast, with 19 separate items recorded. Due to the spatial deviation of the surveyed area in each year, and the semi-random sampling in a grid cell, it is difficult to compare the data between years. Bearing this in mind, mean and median values from this year were nearly the same as those of the previous two years, but lower than those of earlier years since recording began in 2013. It should be noted that the net used during the IBTS (GOV) is not designed to catch litter, therefore, it probably has a small chance of catching a litter item when it is present in the trawl path. Thus, the fact that these items are caught indicates that it is likely that there are many more items in the trawl path and that current values are a large underestimation of the actual litter present. Consequently, the degree of litter pollution on the seafloor is probably much larger than presented in this report. The Dutch seafloor litter monitoring results are uploaded to the ICES DATRAS database, and are used in OSPAR assessments of seafloor litter in the North Sea. Due to this aggregation of many ICES seafloor litter surveys of the North Sea, an assessment of the presence/absence and total count of seafloor litter items can probably be made in the near future for the whole North Sea area.
    Behavioural responses of eel (Anguilla anguilla) approaching a large pumping station with trash rack using an acoustic camera (DIDSON)
    Keeken, Olvin Alior ; Hal, Ralf ; Volken Winter, Hendrik ; Tulp, Ingrid ; Griffioen, Arie Benjamin - \ 2020
    Fisheries Management and Ecology 27 (2020)5. - ISSN 0969-997X - p. 464 - 471.
    conservation - Fish behaviour - fish migration - imaging sonar - migration barriers
    European eel, Anguilla anguilla L., migrating to the sea encounter many man-made structures that can hamper and delay migration or induce mortality. Studying smallscale behavioural movements in front of these man-made structures could provide insight in further mitigating adverse effects. The behaviour of eel approaching a trash rack in front of a large pumping station was investigated using a dual-frequency identification sonar (DIDSON). Eels approaching the trash rack swam through the rack (40.5%) but also showed turning behaviour at (44.7%) or in front of the rack (14.7%). Eels approaching the rack had varying body positions, predominantly head or tail first, but also curled up into a ball or drifted sideways. After turning in front or at the trash rack, eels showed upstream and downwards swimming towards the canal bottom. The results suggest a stepwise response to potential cues, when firstly the body position is changed in such a way that secondly, later on, enhances eventual fast
    upstream escapement when perceived necessary. Implications for management of these behavioural observations are discussed.
    Reisverslag IBTS-Q1 2020
    Hal, R. van - \ 2020
    Centrum voor Visserijonderzoek (Rapport / Centrum voor Visserijonderzoek CVO rapport 20.010) - 31 p.
    First evidence of a new spawning stock of Illex coindetii in the North Sea (NE-Atlantic)
    Oesterwind, Daniel ; Bobowski, Bianca T.C. ; Brunsch, Anika ; Laptikhovsky, Vladimir ; Hal, Ralf Van; Sell, Anne F. ; Pierce, Graham J. - \ 2020
    Fisheries Research 221 (2020). - ISSN 0165-7836
    North Sea - ommastrephidae - illex - reproduction - distribution - Life cycle
    Global changes drive abundance and distribution of species worldwide. It seems that at least some cephalopodstocks profit from global changes as indicated by increases in biomass and/or expansion of their geographicaldistribution, as appears to be the case for the commercially important ommastrephid squidIllexcoindetii, in theNorth Sea. Based on the recently increased abundance of this species seen in research trawl hauls, here wepresent the first evidence of a summer spawning stock ofIllexcoindetiiin the North Sea and derive a descriptionof its life cycle. Neither mated females nor spent males were reported from the area previously. In quarter 1 themajority ofIllexcoindetiiwere immature (maturity stage 0) and maturing (maturity stage 1–3) while in quarter 3almost exclusively mature and spent individuals (maturity stage 4–6) were caught. We observed up to threespermatangia bundles attached to females in quarter 3, indicating that spawning and reproduction takes place inthe North Sea and that the species is already established in this area. Estimated egg hatching dates suggest aprolonged hatching period and therefore likely a long spawning season, although cold temperature seems tolimit year round reproduction. The intensity of individual migrations from adjacent waters into the North Sea isunknown and therefore the number of individuals staying permanently in the North Sea could not be estimated.It is consequently still unclear whether the North Sea individuals ofI. coindetiiconstitute a new separate stock
    Monitoring zeebodemafval in de Noordzee en Waddenzee naar aanleiding van de containerramp met de MSC Zoe : Beam trawl survey en Demersal Fish survey 2019
    Volwater, Joey ; Hal, Ralf van - \ 2019
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C102/19) - 19

    Zandspiering in het Amelander Zeegat : T1-meting voorjaar 2019
    Hal, Ralf van; Volwater, Joey - \ 2019
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C105/19) - 33
    Sinds 2017 loopt het onderzoeksprogramma Kustgenese 2.0 met het doel ‘Het genereren van kennis om vanaf 2020 goed onderbouwd besluiten te kunnen nemen over beleid en beheer van het Nederlandse zandige kustsysteem’. Onderdeel van dit programma is de van maart 2018 tot februari 2019 uitgevoerde pilotsuppletie in het Amelander Zeegat. Rondom deze suppletie is er onderzoek verricht binnen de onderzoekslijnen morfologie en ecologie. Voor de onderzoekslijn ecologie is o.a. in september 2017 en juni 2018 een bemonstering van zandspiering uitgevoerd om een basisbeeld en uitgangssituatie (T0-situatie), te krijgen van deze soortsgroep in het Amelander Zeegat. Als vervolg hierop is in juni 2019 een bemonstering (T1-situatie) uitgevoerd welke in het voorliggende rapport wordt beschreven. Met behulp van de zandspieringkor is in de nachten van 3 – 5 juni 2019 gevist op 39 locaties. Deze locaties waren vergelijkbaar met die tijdens de bemonstering in september 2017 en juni 2018 aangevuld met vijf locaties op de uitgevoerde pilotsuppletie. Aanvullend is op 37 van deze locaties een sedimentmonster genomen met een Van Veenhapper waarvan de korrelgroottesamenstelling is bepaald. In totaal zijn er 678 zandspieringen gevangen, waarvan 580 gedetermineerd als kleine zandspiering (Ammodytes tobianus), 59 als Noorse zandspiering (Ammodytes marinus) en 39 als smelt (Hyperoplus lanceolatus). Deze waren gevangen in 25 van de 39 trekken, met de hoogste aantallen op de suppletie en de direct ten zuiden en oosten liggende gebieden. De concentratie in dit gebied, met maar beperkte aantallen in zuidelijkere locaties dichter bij het Borndiep is opvallend ten opzichte van de eerdere bemonsteringen. Naast zandspieren werden er ook platvissen gevangen. Schol (Pleuronectes platessa) werd in 38 van 39 trekken gevangen en was in hoge aantallen aanwezig, ook op de suppletie. Schelpdieren werden in lagere aantallen aangetroffen in vergelijking met de eerdere bemonsteringen. Schelpdieren werden ook gevangen op de suppletie. De sedimentsamenstelling liet een vergelijkbaar beeld zien als in september 2017 met fijn zand (125–250 μm) in het grootste deel van de buitendelta, en medium zand (250-500 μm) op enkele locaties in het zuiden. De suppletie wijkt in korrelgrootte niet af van het omliggende gebied. Omdat de korrelgrootte niet onderscheidend is lijkt dit ook geen verklaring voor de hogere aanwezigheid van zandspiering op de suppletie. Eerder in het gebied aangetroffen soorten zijn ook op de suppletielocatie aangetroffen. In het geval van zandspiering zelfs in hoge aantallen. Het aanleggen van de suppletie lijkt dus niet te hebben geleid tot een negatieve verandering in de bemonsterde visgemeenschap.
    Reisverslag kustsurvey Natuurlijk Veilig : Juni 2019
    Hal, Ralf van; Dijkman-Dulkes, Andre - \ 2019
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C093/19) - 22
    In de periode 17 tot 21 juni 2019 heeft Wageningen Marine Research in opdracht van Rijkswaterstaat in het kader van Natuurlijk Veilig een kustlangse survey uitgevoerd in de vooroever vanaf de tweede Maasvlakte tot aan Texel. De survey was opgezet om de verspreiding en abundantie van (plat)vis in de vooroever te bepalen en gegevens te verzamelen van (a)biotische factoren die deze verspreiding bepalen. Het doel is deze gegevens te gebruiken om mogelijke effecten van zandsuppleties in de vooroever op vis te voorspellen. De dit jaar uitgevoerde bemonsteringen zijn ondanks een andere opzet wel bedoeld als aanvulling op de werkzaamheden voor Natuurlijk Veilig uitgevoerd in 2017 en 2018. Vanaf de tweede Maasvlakte naar het noorden toe zijn er om de paar kilometer in het totaal 62 locaties bemonsterd op een waterdiepte van 4-6 m. Daarnaast zijn er zeven locaties, waarvan drie ter hoogte van Scheveningen en vier ter hoogte van Castricum, bemonsterd in water dieper dan 6 m tot maximaal 16 meter. Iedere locatie is bemonsterd voor vis met een 3 meter boomkor. Daarnaast is op iedere locatie een sedimentmonster genomen en zijn er gegevens verzameld over doorzicht, watertemperatuur en saliniteit.
    Vis in het Eems-estuarium
    Jager, Zwanette ; Leeuw, Joep de; Hal, Ralf van; Molla Gazi, Karolina ; Mulder, Ingeborg ; Sluis, Marieken van der - \ 2019
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C069/19) - 56
    De hier voorliggende korte rapportage betreft een bundeling van de resultaten van verschillende vismonitoring surveys, zoals deze worden uitgevoerd door Wageningen Marine Research en BioConsult in het Eems-estuarium. Deze rapportage is opgesteld in opdracht van Rijkswaterstaat WVL en zal door Rijkswaterstaat worden gebruikt bij het samenstellen van een jaarlijkse rapportage over het Eems-estuarium in het kader van het programma Eems-Dollard 2050 (ED2050).
    Dutch seafloor litter monitoring in the North Sea : International Bottom Trawl Survey 2019
    Hal, Ralf van - \ 2019
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research report C068/19A) - 68
    Ecologisch Gericht Suppleren: meetplan kustlangse survey 2019
    Hal, Ralf van - \ 2019
    Den Helder : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C052/19) - 18
    Suppleties van zand op vooroever of strand worden in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd om de Nederlandse kust tegen erosie te beschermen en om voldoende zand in het kustfundament te houden. Een groot deel van de suppleties vindt plaats in of nabij de kuststrook die binnen de Natura2000 regelgeving wordt beschermd, de Noordzeekustzone. Het is dus van belang de eventuele effecten van deze praktijk op de natuur zorgvuldig te bestuderen, zodat dit effect kan worden afgezet tegenover het algemene nut voor de maatschappij. Betere kennis van de effecten kan leiden tot beperking van eventuele schade aan- en mogelijk zelfs tot versterking van- gewenste natuurwaarden en ecosysteemdiensten. Tot nog toe is er in vergelijking met benthos relatief weinig aandacht geweest voor de gevolgen van suppleren op vispopulaties, terwijl de kinderkamerfunctie van de ondiepe kustzone voor vis een zeer belangrijke economische ecosysteemdienst levert. Kennis van de omgevingsfactoren die het voorkomen van juveniele vis in de ondiepe kustzone bepalen, leidt tot een verbeterd inzicht in de gevolgen van suppleties op vispopulaties en daarvan afhankelijk zeeleven. In overleg met natuurorganisaties en de kennisinstituten Deltares en Wageningen Marine Research is in 2016 het document `Ecologische effecten van zandsuppleties’ (Herman et al., 2016) geschreven met als doel onderzoek te formuleren naar ecologische effecten van zandsuppleties. In het onderdeel ‘uitvoeringsplan’ (deel C in Herman et al. 2016) zijn 3 onderzoekslijnen (ook wel Krachtlijnen genoemd) gedefinieerd, te weten: Vooroever, Duinen en Waddenzee. Het hier beschreven meetplan voor een survey in 2019 valt onder de onderzoekslijn Vooroever. De onderzoeksvraag luidt: “Wat zijn de cumulatieve gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de ondiepe vooroever van de Nederlandse kust?” Deze volgt uit de prioritering van de krachtlijn Vooroever: (cumulatieve) gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de vooroever. De werkzaamheden in 2019 zijn aanvullend op de gegevens verzameld in 2017 en 2018 in de ondiepe vooroever (<10m). In deze voorgaande jaren kon het programma niet in zijn geheel uitgevoerd worden vanwege de weersomstandigheden, met name de bemonstering van de ondiepste zone (<1m) was een probleem. De bemonstering van de ondiepste zone is nu een apart programma (van der Geest e.a., 2019). En voor de diepere zone wordt uitsluitend de bemonstering van demersale vis in relatie tot het sediment voorgesteld, waarbij een kustlangse bemonstering inzicht moet geven in de ruimtelijke verspreiding van demersale vis. Voor deze aanpak is het onderzoeksschip de Luctor één week beschikbaar in juni. In deze week zal er vanuit Stellendam gestart worden met het bemonsteren van vis op een diepte van 5-6 m, waarbij noordwaarts langs de kust gewerkt wordt en om de 1,5-2 km een locatie bemonsterd zal worden. Als de tijd het toelaat, zal er op een enkele locatie een aantal monsters naar dieper water genomen worden, wat inzicht moet geven in eventuele effecten van diepte op de samenstelling van de demersale vispopulatie.
    Ecologisch gericht suppleren: meetplan strandsurvey 2019
    Geest, Matthijs van der; Tulp, Ingrid ; Hal, Ralf van - \ 2019
    Den Helder : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C045/19) - 25
    Suppleties van zand op vooroever of strand worden in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd om de Nederlandse kust tegen erosie te beschermen en om voldoende zand in het kustfundament te houden. Een groot deel van de suppleties vindt plaats in of nabij de kuststrook die binnen de Natura2000 kaders wordt beschermd, de Noordzeekustzone. Het is dus van belang de eventuele effecten van deze praktijk op de natuur zorgvuldig te bestuderen, zodat dit effect kan worden afgezet tegen het algemene nut voor de maatschappij. Betere kennis van de effecten kan leiden tot beperking van eventuele schade aan en mogelijk zelfs tot versterking van gewenste natuurwaarden en ecosysteemdiensten. Tot nog toe is er vooral aandacht geweest voor de gevolgen van suppleren op benthos en weinig voor de mogelijke effecten op vispopulaties, terwijl de ondiepe kustzone als kinderkamer voor vis een zeer belangrijke economische ecosysteemdienst levert. Kennis van de habitatfactoren die het voorkomen van juveniele vis in kinderkamers bepalen leidt tot een verbeterd inzicht van de gevolgen van suppleties op vispopulaties en van de voedselketen van viseters in de ondiepe kustzone. De kennisinstituten Deltares en Wageningen Marine Research hebben te samen in overleg met natuurorganisaties in 2016 het document `Ecologische effecten van zandsuppleties’ (Herman et al. 2016) geschreven met als doel onderzoek te formuleren naar ecologische effecten van zandsuppleties. In het onderdeel ‘uitvoeringsplan’ (deel C in Herman et al. 2016) zijn 3 onderzoekslijnen (ook wel Krachtlijnen genoemd) gedefinieerd, te weten: Vooroever, Duinen en Waddenzee. Het hier beschreven meetplan voor een strandsurvey in 2019 valt onder de onderzoekslijn Vooroever. De onderzoeksvraag luidt: “Wat zijn de cumulatieve gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de ondiepe vooroever van de Nederlandse kust?”. Deze volgt uit de prioritering van de krachtlijn Vooroever: (cumulatieve) gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de vooroever. Conform het plan van aanpak voor dit programma (Herman et al. 2016) wordt voorgesteld om een strandsurvey uit te voeren in de brandingszone (<1 m diepte), waarbij vis, benthos en habitatkarakteristieken worden bemonsterd. Deze strandsurvey is daarmee een onderdeel van een groter pakket van geplande dataverzameling in het kader van Ecologisch Gericht Suppleren II/Natuurlijk Veilig. Het hoofddoel van de strandsurvey is om gedurende het voorjaar (maart-juni) iedere 2 à 3 weken op drie verschillende locaties data te verzamelen over aantallen, conditie, groei en dieet van juveniele platvis in de brandingszone in relatie tot relevante omgevingsvariabelen, zowel abiotisch als biotisch. De survey zal inzicht verschaffen wanneer en in welke mate de brandingszone in die periode gebruikt wordt als kinderkamer voor jonge platvis en in hoeverre dit gebruik en conditie, groei, en dieet afhangen van biotische en abiotische omgevingsvariabelen en of dit verschilt per platvissoort. Dit rapport beschrijft de meetstrategie, de meetmethoden, de te meten variabelen (vis, benthos en omgevingsvariabelen) en de bemonsteringslocaties voor de strandsurvey 2019.
    De ecologie van het Amelander Zeegat : Een inventarisatie naar kennis over het ecologische functioneren van het Amelander Zeegat
    Bogaart, Lisanne van den; Hal, Ralf van; Meijden, Mirte van der; Brasseur, Sophie ; Baptist, Martin ; Wijsman, Jeroen - \ 2019
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C032/19) - 60
    Reisverslag IBTS-Q1 2019
    Hal, R. van - \ 2019
    Wageningen Marine Research (Rapport / Wageningen Marine Research 19.006) - 28 p.
    Meetplan 2019 Amelander Zeegat : T1 Ecologie buitendelta
    Hal, Ralf van; Wijsman, Jeroen ; Bogaart, Lisanne van den; Baptist, Martin - \ 2018
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C108/18) - 39
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.