Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 51 - 100 / 130

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Community perspectives of individual plant-soil interactions
    Voorde, T.F.J. van de - \ 2011
    Wageningen University. Promotor(en): Wim van der Putten, co-promotor(en): T.M. Bezemer. - [S.l.] : S.n. - ISBN 9789085858560 - 175
    senecio jacobaea - bodem-plant relaties - landbouwgronden - plantensuccessie - plantengemeenschappen - populatiedynamica - bodemflora - natuurbeheer - senecio jacobaea - soil plant relationships - agricultural soils - plant succession - plant communities - population dynamics - soil flora - nature management
    Het doel van dit onderzoek was 1. het begrijpen van het belang van plant-bodeminteracties voor de populatiedynamiek van een vroege successie-soort gedurende secundaire successie in oude landbouwgronden; 2. Daarnaast bestudering van samenstelling van de plantengemeenschap in relatie tot bodemsymbionten in de plantengemeenschap. Voor dit onderzoek is de plantensoort Jakobskruiskruid, Jacobaea vulgaris ssp. vulgaris gebruikt, omdat deze plant een groot effect kan hebben op vroege-successie plantengemeenschappen in Nederland.
    Is bodembiodiversiteit van belang voor herstel van beekdalvegetaties?
    Kemmers, R.H. ; Brinkman, E.P. ; Bloem, J. ; Faber, J.H. ; Putten, W.H. van der - \ 2011
    De Levende Natuur 112 (2011)1. - ISSN 0024-1520 - p. 4 - 9.
    bodemecologie - bodem-plant relaties - ecologisch herstel - beekdalen - soil ecology - soil plant relationships - ecological restoration - brook valleys
    Effectgerichte maatregelen voor vegetaties richten zich doorgaans op het herstel van abiotische factoren in de bodem, zoals nutriënten- en waterhuishouding en tegengaan van verzuring. Lang niet altijd heeft dat het gewenste effect. Het is aannemelijk dat deze milieustress ook tot verstoring van het bodemleven kan leiden. De vraag is in hoeverre een goed functionerend bodemleven van belang is voor het herstel van de vegetatie. Het onderzoek richtte zich op blauwgraslanden en heischrale graslanden, vanwege hun gevoeligheid voor milieustress.
    Spatiotemporal variability in soil acidity, the role of micro topography and plant-soil interactions in wet meadow habitats
    Cirkel, D.G. ; Witte, J.P.M. ; Zee, S.E.A.T.M. van der - \ 2010
    bodemaciditeit - bodem-plant relaties - ruimtelijke variatie - veenweiden - ecohydrologie - soil acidity - soil plant relationships - spatial variation - peat grasslands - ecohydrology
    Poster presentation for the Latsis 2010 International Symposium on Ecohydrology, Lausanne, Switserland.
    Leaf habit and woodiness regulate different leaf economy traits at a given nutrient supply
    Ordonez, J.C. ; Bodegom, P.M. van; Witte, J.P.M. ; Bartholomeus, R.P. ; Dobben, H.F. van; Aerts, R. - \ 2010
    Ecology 91 (2010)11. - ISSN 0012-9658 - p. 3218 - 3228.
    bodem-plant relaties - bodemchemie - vegetatietypen - stikstof - fosfor - natuurgebieden - soil plant relationships - soil chemistry - vegetation types - nitrogen - phosphorus - natural areas - functional traits - global patterns - plant-growth - wide-range - seed size - climate - strategies - worldwide - soils - area
    The large variation in the relationships between environmental factors and plant traits observed in natural communities exemplifies the alternative solutions that plants have developed in response to the same environmental limitations. Qualitative attributes, such as growth form, woodiness, and leaf habit can be used to approximate these alternative solutions. Here, we quantified the extent to which these attributes affect leaf trait values at a given resource supply level, using measured plant traits from 105 different species (254 observations) distributed across 50 sites in mesic to wet plant communities in The Netherlands. For each site, soil total N, soil total P, and water supply estimates were obtained by field measurements and modeling. Effects of growth forms, woodiness, and leaf habit on relations between leaf traits (SLA, specific leaf area; LNC, leaf nitrogen concentration; and LPC, leaf phosphorus concentration) vs. nutrient and water supply were quantified using maximum-likelihood methods and Bonferroni post hoc tests. The qualitative attributes explained 8-23% of the variance within sites in leaf traits vs. soil fertility relationships, and therefore they can potentially be used to make better predictions of global patterns of leaf traits in relation to nutrient supply. However, at a given soil fertility, the strength of the effect of each qualitative attribute was not the same for all leaf traits. These differences may imply a differential regulation of the leaf economy traits at a given nutrient supply, in which SLA and LPC seem to be regulated in accordance to changes in plant size and architecture while LNC seems to be primarily regulated at the leaf level by factors related to leaf longevity.
    Lange-termijn effecten van bekalking op bosvegetatie : bruikbaarheid van oude experimenten
    Dobben, H.F. van - \ 2010
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 2098) - 36
    bossen - bemesting - bodemchemie - bodem-plant relaties - bosecologie - forests - fertilizer application - soil chemistry - soil plant relationships - forest ecology
    In de periode 1985 - 1990 zijn veel bosopstanden bekalkt als tegenmaatregel tegen verzuring. In dit project zijn een aantal bekalkte bosopstanden bezocht en is gekeken naar hun bruikbaarheid voor onderzoek naar de effecten van bekalking op de langere termijn. Er is een selectie gemaakt van de plots die zich het meest hiervoor lenen. Hierbij is gelet op de mate van verstoring, zichtbaarheid van effecten op de vegetatie, toegepaste behandelingen en boomsoort. Voorgesteld wordt in een aantal van deze plots vervolgonderzoek te doen naar de volgende aspecten: bodem, vegetatie, paddenstoelen en fauna.
    Mogelijkheden voor herstelbeheer in hellingbossen op kalkrijke bodem in Zuid-Limburg. : Resultaten eerste onderzoekfase
    Hommel, P.W.F.M. ; Bijlsma, R.J. ; Eichhorn, K. ; Kemmers, R.H. ; Ouden, J. den; Schaminee, J.H.J. ; Waal, R.W. de; Wallis de Vries, M.F. ; Willers, B. - \ 2010
    Ede : Directie Kennis en Innovatie, Ministerie van Landbouw (Rapport DKI nr. 2010/dk 140-O) - 90
    heuvels - bossen - bodem - herstel - krijtgronden - nederland - diversiteit - soortendiversiteit - herstelbeheer - bodem-plant relaties - zuid-limburg - natura 2000 - hill land - forests - soil - rehabilitation - chalk soils - netherlands - diversity - species diversity - restoration management - soil plant relationships - zuid-limburg - natura 2000
    De Zuid-Limburgse hellingbossen zijn van oudsher opvallend rijk aan bijzondere planten- en diersoorten, en bij velen bekend om hun uitbundige voorjaarsflora. Het gaat hierbij zowel om bossoorten als om soorten van bosranden en kapvlakten. Het meest befaamd zijn de bossen op ondiepe kalkrijke bodem, waarin – vooral in de struweelfase na periodieke kap – een aantal in ons land zeer zeldzame orchideeënsoorten voorkomt. Dergelijke situaties zijn, gegeven de geologie, slechts lokaal in een deel van het Zuid-Limburgse heuvelland aanwezig, waarbij ze deel uitmaken van een gecompliceerde hellinggradiënt
    Iron fertilization with FeEDDHA : the fate and effectiveness of FeEDDHA chelates in soil-plant systems
    Schenkeveld, W.D.C. - \ 2010
    Wageningen University. Promotor(en): Willem van Riemsdijk, co-promotor(en): Erwin Temminghoff. - [S.l. : S.n. - ISBN 9789085857983 - 270
    bodemvruchtbaarheid - chelaten - meststofdragers - ijzerhoudende meststoffen - toedieningshoeveelheden - groeieffecten - bodem-plant relaties - soil fertility - chelates - fertilizer carriers - iron fertilizers - application rates - growth effects - soil plant relationships
    Iron deficiency chlorosis is a nutritional disorder in plants which reduces crop yields both quantitatively and qualitatively, and causes large economic losses. It occurs world-wide, predominantly in plants grown on calcareous soils, as a result of a limited bioavailability of iron related to the poor solubility of iron at high soil-pH (7.5-8.5). Iron fertilizers based on FeEDDHA (iron ethylene diamine-N,N'-bis(hydroxy phenyl acetic acid)) chelates are among the most efficient in preventing and remedying iron deficiency in soil-grown plants. FeEDDHA based fertilizers comprise mixtures of FeEDDHA components which can be divided into racemic o,o-FeEDDHA, meso o,o-FeEDDHA, o,p-FeEDDHA and rest-FeEDDHA. Both the composition of FeEDDHA based fertilizers and the properties of the FeEDDHA components differ considerably. The fate and effectiveness of FeEDDHA chelates in soil-plant systems were examined in order to facilitate a more efficient use of FeEDDHA fertilizer. Upon interaction with soils, racemic and meso o,o-FeEDDHA largely remained in solution, whereas o,p-FeEDDHA and rest-FeEDDHA were largely removed. In plant experiments it was found that, on soils in which plants from the blank treatment became chlorotic, the iron concentration in soil solution, governed by racemic and meso o,o-FeEDDHA, determined iron uptake by plants. When introduced into soil-plant systems, the concentration of racemic and meso o,o-FeEDDHA underwent an initial concentration drop due to adsorption, and gradually declined further. In particular for meso o,o-FeEDDHA, this gradual decline was not related to iron uptake by plants. The gradual decline could not be explained by biodegradation, which did not significantly affect the concentration of FeEDDHA components. From mechanistic multi surface modeling and batch interaction experiments it was concluded that there is a basis for assuming that under soil conditions iron can be displaced from o,o-FeEDDHA components by copper. This displacement reaction was closer examined in goethite suspensions, and it was found to predominantly take place on reactive surfaces rather than in solution. Factors enhancing adsorption also enhanced the rate of the displacement reactions. The observed concentration behaviour of meso o,o-FeEDDHA in soil-plant systems could be explained from the displacement reaction. Furthermore, the effectiveness of EDDHA ligands in chelating and mobilizing iron from soil, after delivering iron at the plant root (the so-called “shuttle mechanism”) was examined. Plant experiments provided experimental support for a re-chelation mechanism, but results from batch interaction experiments indicated that the efficiency in chelating iron from soil is probably low as a result of complexation of other cations, in particular copper. In conclusion a conceptual model for the behaviour of FeEDDHA components in soil-plant systems was composed. The essence of the model consists of three processes: 1) FeEDDHA adsorption, 2) iron displacement from FeEDDHA by copper on a soil reactive surface followed by release of CuEDDHA into soil solution, and 3) re-adsorption of CuEDDHA. Clay content, iron(hydr)oxide content and copper content were identified as soil characteristics substantially compromising the effectiveness of FeEDDHA components.
    Bos op arme gronden
    Kint, Vincent ; Geudens, Guy ; Ouden, J. den - \ 2010
    In: Bosecologie en Bosbeheer / den Ouden, J., Muys, B., Mohren, G.M.J., Verheyen, K., Leuven : ACCO - ISBN 9789033477829 - p. 511 - 526.
    zandgronden - bossen - relaties - eolische afzettingen - bodem-plant relaties - vlaanderen - sandy soils - forests - relationships - aeolian deposits - soil plant relationships - flanders
    Onder arme groeiplaatsen worden vooral de zandgronden verstaan. In Nederland liggen ze in het oosten en het zuiden van het land en ze lopen door naar de zandgronden in het noorden van Vlaanderen. De duinengordel langs de Noordzeekust behoort ook tot deze categorie. Zandgronden kunnen verder ingedeeld worden volgens hun geologische ontstaanswijze. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen afzettingen door zee, rivieren of de wind, die bovendien uit het tertiair of het quartair tijdvak kunnen dateren. Zowel in Vlaanderen als Nederland ligt het grootste deel van het huidige bosareaal op de arme zandgronden: in Vlaanderen is het 60% van het totale areaal (90.000 ha) en in Nederland 86% (270.000 ha).
    Een verkennende studie naar de bodemkwaliteit van Gelderse habitatgebieden
    Wamelink, G.W.W. ; Adrichem, M.H.C. van; Dobben, H.F. van - \ 2010
    De Levende Natuur 111 (2010)4. - ISSN 0024-1520 - p. 160 - 165.
    vegetatie - bodemchemie - grondwaterstand - bodemkwaliteit - bodem-plant relaties - gelderland - vegetation - soil chemistry - groundwater level - soil quality - soil plant relationships - gelderland
    Voor het bereiken van de natuurdoelen in habitatgebieden is het van belang informatie te hebben over milieukwaliteit. Daarmee kan beoordeeld worden in hoeverre de gestelde doelen realistisch zijn, en kan een schatting gemaakt worden van de investeringen die het vergt om de milieukwaliteit op orde te brengen. Die informatie kan worden verkregen door het nemen en analyseren van een groot aantal bodemmonsters. Dat is echter kostbaar. Voor de provincie Gelderland is nu een alternatieve methode ontwikkeld. Dit artikel informeert hierover, maar wil tevens een discussie starten over de methode. Achtergronden bij dit artikel zijn te vinden in Alterra rapporten 1781, 1836 en 1892.
    Beheer van duinbossen : verslag veldwerkplaats - duin en kust, PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland, Castricum, 4 juni 2010
    Hommel, P.W.F.M. ; Siepel, H. ; Slings, R. - \ 2010
    [S.l.] : S.n. - 7
    duinplanten - bomen - bodem-plant relaties - ecohydrologie - kennemerland - natuurbeheer - duneland plants - trees - soil plant relationships - ecohydrology - kennemerland - nature management
    De variatie in bostypen wordt in het jonge duinlandschap vooral bepaald door twee belangrijke factoren: water en kalk, zo vertelt Patrick Hommel (Alterra). Natte bossen die permanent onder invloed staan van het grondwater (broekbossen) zijn altijd erg zeldzaam geweest in de duinstreek. Vochtige bossen die in het winterhalfjaar regelmatig onder water lopen, waren vroeger - vooral in het middenduin - veel algemener. Het waren lage bossen (of hoge struwelen!) met veel zachte berk in de boomlaag en een zeer soortenrijke kruidlaag met veelal een hoog aandeel van watermunt. Door verdroging en de daarop volgende verzuring zijn deze bossen sterk van karakter veranderd en de oorspronkelijke soortenrijkdom krijg je waarschijnlijk ook niet meer terug
    Humus- en vegetatiereeksen als hulpmiddel voor natuurbeheer : enkele voorbeelden op basis van de SBB-referentiepunten
    Waal, R.W. de; Hommel, P.W.F.M. - \ 2010
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 2049) - 53
    bodemchemie - humushorizonten - vegetatietypen - indicatoren - duingebieden - veengebieden - hoogveengebieden - klei - bodem-plant relaties - beekdalen - natuurgebieden - soil chemistry - humus horizons - vegetation types - indicators - duneland - peatlands - moorlands - clay - soil plant relationships - brook valleys - natural areas
    In dit rapport zijn voor enkele belangrijke fysiotopen (standplaatstypen) de humusgegevens aan de vegetatiegegevens gekoppeld in de vorm van enkele karakteristieke vegetatie-humusreeksen. Het betreft hier fysiotopen in duinvalleien, laagvenen, beekdalen, zeekleigebieden en hoogvenen. De gegevens zijn afkomstig van het Staatsbosbeheer-project Terreincondities, het z.g. referentieproject. Door vegetatie- en humusgegevens van natuurterreinen, aangevuld met enkele eenvoudig veldkenmerken van de standplaats, naast de reeks te leggen wordt het mogelijk om meer inzicht te krijgen in de toekomstige ontwikkelingen van de vegetatie. Door dit inzicht kan een effectiever beheer in deze natuurterreinen gevoerd worden.
    Restoration of nutrient-poor grasslands in Southern Limburg : vegetation development and the role of soil processes = Herstel van hellingschraallanden in Zuid-Limburg : vegetatieontwikkeling en de rol van bodemprocessen
    Smits, N.A.C. - \ 2010
    Utrecht University. Promotor(en): J.T.A. Verhoeven; Joop Schaminee, co-promotor(en): R. Bobbink; M.M. Hefting; J.H. Willems. - [S.l.] : S.n. - ISBN 9789032703868 - 148
    vegetatie - bodem - graslanden - flora - fauna - kalkgronden - bodem-plant relaties - ecologisch herstel - zuid-limburg - vegetation - soil - grasslands - flora - fauna - limestone soils - soil plant relationships - ecological restoration - zuid-limburg
    The results of this thesis and additional results of the OBN research show that two approaches are needed to ensure optimal conservation and restoration. Firstly, the management in the reserves should be optimalized to ensure more nutrient removal. Secondly, the dispersal opportunities for species should be increased by enlarging and connecting the remaining grasslands, therefore reducing fragmentation and isolation. On the short term, sod-cutting in combination with the transfer of mown material seems to be a useful first step towards restoration on former agriculturally used grasslands. Additional research on the found repressed nitrification should reveal if this effect has a negative effect on the biodiversity in these grasslands and how this can be counterbalanced
    Bodembiota en stikstofstromen in schraalgraslanden : effecten op de vegetatie
    Kemmers, R.H. ; Bloem, J. ; Faber, J.H. - \ 2010
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1979) - 44
    graslanden - vegetatie - bodemchemie - bodembiologie - bodem-plant relaties - natuurgebieden - grasslands - vegetation - soil chemistry - soil biology - soil plant relationships - natural areas
    In verschillende kwaliteitstypen blauwgrasland en heischraal grasland werd bodemchemisch, bodembiologisch en vegetatiekundig onderzoek uitgevoerd om te toetsen of er een relatie bestaat tussen bovengrondse en ondergrondse biodiversiteit. Hoewel verschillen tussen diverse kwaliteitstypen grasland in veel gevallen niet significant aantoonbaar zijn geven de resultaten voldoende evidentie dat het bodemleven een essentiële factor is voor de kwaliteit van de vegetatie; aantasting van onderdelen van het bodemvoedselweb leidt tot een versterkte bodemproductiviteit, maar een verminderde diversiteit en specificiteit van de vegetatie in schraalgraslanden. Effectgerichte maatregelen zouden zich daarom tevens moeten richten op het bodemvoedselweb.
    Use of dynamic soil–vegetation models to assess impacts of nitrogen deposition on plant species composition: an overview
    Vries, W. de; Wamelink, G.W.W. ; Dobben, H.F. van; Kros, J. ; Reinds, G.J. ; Mol-Dijkstra, J.P. ; Smart, S.M. ; Evans, D.R. ; Rowe, E. ; Belyazid, S. ; Sverdrup, H. ; Hinsberg, A. van; Posch, M. ; Hettelingh, J.P. ; Spranger, T. ; Bobbink, R. - \ 2010
    Ecological Applications 20 (2010)1. - ISSN 1051-0761 - p. 60 - 79.
    bodemchemie - emissie - stikstof - modellen - bodem-plant relaties - soil chemistry - emission - nitrogen - models - soil plant relationships - ellenberg indicator values - need phytosociological classes - field-measurements - acid deposition - critical loads - netherlands - resilience - prediction - regression - reduction
    Field observations and experimental data of effects of nitrogen (N) deposition on plant species diversity have been used to derive empirical critical N loads for various ecosystems. The great advantage of such an approach is the inclusion of field evidence, but there are also restrictions, such as the absence of explicit criteria regarding significant effects on the vegetation, and the impossibility to predict future impacts when N deposition changes. Model approaches can account for this. In this paper, we review the possibilities of static and dynamic multispecies models in combination with dynamic soil–vegetation models to (1) predict plant species composition as a function of atmospheric N deposition and (2) calculate critical N loads in relation to a prescribed protection level of the species composition. The similarities between the models are presented, but also several important differences, including the use of different indicators for N and acidity and the prediction of individual plant species vs. plant communities. A summary of the strengths and weaknesses of the various models, including their validation status, is given. Furthermore, examples are given of critical load calculations with the model chains and their comparison with empirical critical N loads. We show that linked biogeochemistry–biodiversity models for N have potential for applications to support European policy to reduce N input, but the definition of damage thresholds for terrestrial biodiversity represents a major challenge. There is also a clear need for further testing and validation of the models against long-term monitoring or long-term experimental data sets and against large-scale survey data. This requires a focused data collection in Europe, combing vegetation descriptions with variables affecting the species diversity, such as soil acidity, nutrient status and water availability. Finally, there is a need for adaptation and upscaling of the models beyond the regions for which dose–response relationships have been parameterized, to make them generally applicable
    Behoefte en haalbaarheid vervanging HELP-tabellen
    Hack-ten Broeke, M.J.D. - \ 2010
    Wageningen : Alterra - 25
    bodemwater - hydrologie - landbouwgronden - opbrengsten - bodem-plant relaties - agrohydrologie - natuurgebieden - gebiedsgericht beleid - soil water - hydrology - agricultural soils - yields - soil plant relationships - agrohydrology - natural areas - integrated spatial planning policy
    In dit document vatten we samen wat de LNV-helpdeskvraag getiteld ‘Plan van aanpak; behoefte en haalbaarheid vervanging HELP-tabellen’ heeft opgeleverd. Vanuit de praktijk van landbouw en waterbeheer wordt steeds meer gevoeld dat de HELPtabellen verouderd zijn. De HELP- en TCGB-tabellen houden geen rekening met moderne bedrijfsvoering, mest- en milieuwetgeving, melkquota, flexibel peilbeheer en extreme weersomstandigheden. Daardoor ontstaat minder draagvlak voor de afwegingen in gebiedsprocessen en schadebeoordelingen. Het is niet op voorhand duidelijk of en hoe de vervanging van HELP-tabellen door nieuwe tabellen (of door een ander systeem) realiseerbaar is.
    Weerbare bodem in het kader van functionele agrobiodiversiteit (FAB): Inventarisatie van bestaande methoden en werkplan 2009
    Zaanen, M. ; Bos, M. ; Korthals, G.W. ; Molendijk, L.P.G. - \ 2009
    Driebergen : Louis Bolk Instituut - 62
    bodembiologie - plagenbestrijding - bodem-plant relaties - bodemkwaliteit - bodemweerbaarheid - soil biology - pest control - soil plant relationships - soil quality - soil suppressiveness
    Positieve en negatieve bodemorganismen, zoals aaltjes en schimmels, bepalen voor een deel de gezondheid van de bodem en de risico’s wat betreft opbrengstderving. Een belangrijke vraag vanuit de sector is hoe de huidige gezondheidstoestand van de bodem is vast te stellen en hoe de effecten van maatregelen op de ontwikkeling van bodemgezondheid te meten zijn.
    User documentation MOVE4 v 1.0
    Wamelink, G.W.W. ; Winkler, R.M. ; Wortelboer, F.G. - \ 2009
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 154) - 69
    planten - milieufactoren - bodem - modellen - nederland - bodem-plant relaties - plants - environmental factors - soil - models - netherlands - soil plant relationships
    The model MOVE4 calculates the chance of occurrence of over 900 Dutch plant species for abiotic soil conditions and physical geographical region. In this report we describe how the model can be run (technical documentation). This includes metainformation of the model, borders applications of the model in projects etc. This document is produced within the framework of the quality status (i.e. quality assurance) of the model MOVE4
    De ecologische eisen van Natura 2000
    Runhaar, J. ; Jalink, M.H. ; Fellinger, M. ; Hennekens, S.M. - \ 2009
    Vakblad Natuur Bos Landschap 6 (2009)4. - ISSN 1572-7610 - p. 12 - 13.
    habitats - bodemwater - bodemchemie - ecologie - vegetatie - bodem-plant relaties - ecohydrologie - habitats - soil water - soil chemistry - ecology - vegetation - soil plant relationships - ecohydrology
    Vanwege de Habitatrichtlijn zijn in Nederland een groot aantal natuurgebieden aangewezen waar habitattypen voorkomen die op Europese schaal bedreigd zijn en extra bescherming behoeven. Voor het beheer van deze gebieden is inzicht nodig in de eisen die de habitattypen stellen aan de milieucondities. Daarom heeft Directie Kennis (LNV) aan onderzoeksinstelling KWR gevraagd aan te geven wat deze ecologische vereisten zijn. Dit artikel gaat in op hoe de ecologische vereisten bepaald zijn en laat zien hoe ze kunnen worden geraadpleegd op de Natura 2000-website die Alterra heeft ontwikeld
    Preadvies Beekdalen Heuvellandschap
    Schaminée, J.H.J. ; Aggenbach, C.A. ; Crombaghs, B. ; Haan, M. de; Hommel, P.W.F.M. ; Smolders, A. ; Verberk, W. ; Waal, R.W. de; Wallis de Vries, M.F. ; Weeda, E.J. - \ 2009
    Ede : Ministerie van LNV, Directie Kennis (Rapport DK nr. 2009/dk108-O) - 110
    flora - fauna - natuurbescherming - bodem - nederland - bodem-plant relaties - beekdalen - zuid-limburg - natura 2000 - flora - fauna - nature conservation - soil - netherlands - soil plant relationships - brook valleys - zuid-limburg - natura 2000
    Het Heuvelland neemt door zijn afwijkende geologie en bodemgesteldheid in ons land een bijzondere positie in. Hierdoor heeft het gebied meer gemeen met het aansluitende Midden-Europese heuvellandschap dan met de rest van ons land. Het Zuid-Limburgse Heuvellandschap kent dan ook voor ons land bijzondere soorten flora en fauna. Deze komen voor in: kalkgraslanden, hellingbossen, beekdalhooilanden, kalkmoerassen, bronnen en beekbegeleidende bossen. De grote betekenis van de Zuid-Limburgse beekdalen komt tot uitdrukking in de aanmelding van een 6 tal Natura gebieden in het beekdallandschap. In het kader van OBN is aan het Zuid-Limburgse Heuvelland een 'status aparte' verleend. In dit rapport komen achtereenvolgens aan bod: De Zuid-Limburgse beekdalen in historisch perspectief; Sleutelfactoren en sleutelprocessen in de beekdalen van het Heuvelland; Natuurwaarden in de beekdalen in het Heuvelland; Aantastingen en bedreigingen (verdroging, eutrofiëring, toxische stoffen, veranderingen in de hydrodynamiek, veranderend landgebruik en versnippering)
    Zoekgebieden voor heide, stuifzand en heischraal grasland op de Veluwe (Natura 2000) : inventarisatie van geschikte gebieden voor uitbreiding en verbinding
    Koomen, A.J.M. ; Maas, G.J. ; Bijlsma, R.J. - \ 2009
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1800) - 181
    eolische gronden - zandgronden - landschap - vegetatie - bodem-landschap relaties - bodem-plant relaties - natuurontwikkeling - veluwe - aeolian soils - sandy soils - landscape - vegetation - soil-landscape relationships - soil plant relationships - nature development - veluwe
    Heideterreinen en stuifzanden vormen sinds de Middeleeuwen karakteristieke ecosystemen op de Veluwe waarvoor niet alleen doelstellingen voor instandhouding in het kader van Natura 2000 zijn geformuleerd (herstel en verbetering), maar ook uitbreiding van deze arealen. Voor behoud, herstel, verbetering en uitbreiding van (onder andere) heide, schraalgrasland en stuifzand wordt door de provincie Gelderland een beheerplan Natura 2000 opgesteld waarin de te nemen maatregelen van een goede onderbouwing moeten zijn voorzien. Deze onderbouwing vormt de basis voor dit project waarbij twee vragen centraal staan: 1) Waar liggen specifiek geschikte zoekgebieden voor uitbreiding en verbinding van heide, stuifzand en heischrale graslanden? En 2) Waar liggen de belangrijke cultuurhistorische en aardkundige relicten en waarden (CLAN waarden) in het Natura 2000 Veluwe gebied (en waarmee bij de ontwikkeling van nieuwe heide, schraalgrasland en stuifzandgebieden rekening gehouden dient te worden)?
    Ecologische vereisten habitattypen
    Runhaar, J. ; Jalink, M.H. ; Hunneman, H. ; Witte, J.P.M. ; Hennekes, S.M. - \ 2009
    Nieuwegein : KWR Watercycle Research Institute (KWR Report 09.018) - 93
    habitats - ecologie - bodem - bodemwater - bodem-plant relaties - ecohydrologie - natura 2000 - habitats - ecology - soil - soil water - soil plant relationships - ecohydrology - natura 2000
    In dit rapport wordt aangegeven welke bronnen zijn gebruikt om de ecologische vereisten van habitattypen te bepalen, en welke methode is gevolgd. De resultaten van het project zijn verwerkt in de beschrijvingen van de habitattypen in de zogenaamde habitatprofielen, en in een webapplicatie die onderdeel uitmaakt van de Natura 2000 website met informatie over de habitattypen.
    Casus. Herstel van jeneverbesstruwelen
    Hommel, P.W.F.M. ; Griek, M. ; Haveman, R. ; Ouden, J. den; Waal, R.W. de; Verberk, W. - \ 2009
    De Levende Natuur 110 (2009)3. - ISSN 0024-1520 - p. 135 - 137.
    juniperus communis - flora - habitats - bodem-plant relaties - natura 2000 - juniperus communis - flora - habitats - soil plant relationships - natura 2000
    Jeneverbesstruwelen komen in Europa voor op heel verschillende soorten bodem, variërend van zure, voedselarme zandgronden tot kalksteenrotsen met een leemdekje. Het gaat echter altijd om plekken waar in het verleden gedurende lange tijd, met wisselende intensiteit, begrazing heeft plaats gevonden. In Nederland zijn dat vooral de heide- en stuifzandgebieden op de pleistocene zandgronden. De jeneverbesstruwelen hebben daar een belangrijke landschappelijke en cultuurhistorische betekenis, maar ook de natuurwaarde is verrassend hoog. Het gaat echter al decennialang niet goed met de jeneverbesstruwelen in Nederland
    Sleutelfactoren en toekomstperspectief voor herstel van het Limburgse heuvelland
    Smits, N.A.C. ; Bobbink, R. ; Kuiters, A.T. ; Noordwijk, T. van; Schaminée, J.H.J. ; Verberk, W. - \ 2009
    De Levende Natuur 110 (2009)3. - ISSN 0024-1520 - p. 111 - 115.
    bossen - graslanden - hellingen - flora - fauna - zuid-limburg - bodem-plant relaties - natura 2000 - forests - grasslands - slopes - flora - fauna - zuid-limburg - soil plant relationships - natura 2000
    De hellinggraslanden, hellingbossen en beekdalen van het heuvelland zijn van oudsher zeer soortenrijk en herbergen een groot aantal soorten planten en dieren die vrijwel nergens anders in Nederland voorkomen. Deze drie systemen zijn onderwerp van studie in het kader van OBN. Aan de hellingraslanden wordt al enkele jaren (veld)onderzoek verricht. Voor de hellingbossen en beekdalen zijn dit jaar preadviezen geschreven. In deze bijdrage wordt verslag gedaan van enkele resultaten van het onderzoek aan de hellinggraslanden. Tevens worden voor de hellingbossen en beekdalen op basis van bestaande kennis de belangrijkste knelpunten in beeld gebracht.
    Een onsje wormen graag
    Kemmers, R.H. ; Hendriks, C.M.A. - \ 2008
    Nature Today 2008 (2008)17-7-2008.
    bodemchemie - luchtkwaliteit - bodem-plant relaties - soil chemistry - air quality - soil plant relationships
    De natuur in Nederland herstelt zich de laatste jaren enigszins door de gunstige effecten van eerder genomen milieumaatregelen. Zo is bijvoorbeeld de luchtverontreiniging met zwavel afgenomen waardoor de zuurgraad van de bodem in natuurgebieden zich lijkt te herstellen. Dat is belangrijk voor allerlei zuurgevoelige planten en dieren.
    Plants on the move: plant-soil interactions in poleward shifting plant species
    Grunsven, R.H.A. van - \ 2008
    Wageningen University. Promotor(en): Frank Berendse; Wim van der Putten, co-promotor(en): Elmar Veenendaal. - [S.l.] : S.n. - ISBN 9789085852513 - 140
    planten - plantenecologie - plantensuccessie - invasies - soorten - bodem - interacties - rizosfeer - bodemflora - bodemfauna - klimaatverandering - bodem-plant relaties - plants - plant ecology - plant succession - invasions - species - soil - interactions - rhizosphere - soil flora - soil fauna - climatic change - soil plant relationships
    As a result of recent global climate change, areas that have previously been climatically unsuitable for species have now become suitable new habitats. Many plant-species are expanding their range polewards, colonizing these newly available areas. If these species are able to expand their range faster than their natural enemies they can become released from these limiting factors. A similar mechanism has been reported for invasive plant species, introduced into foreign continent, which are often found to be released from natural enemies.
    An example of an invasive plant species that is introduced into a foreing contintinent is Carpobrotus edulis. This species was found to be negatively affected by the soil community collected in the native range, while the soil communities from the invaded range did not have an effect on plant performance compared to a sterilized control. I hypothesized that a similar reduction of the negative effects of the soil community can occur when plant species shift their range. This hypothesis was tested in a greenhouse experiment. I compared plant-soil feedbacks of three plant species that have recently expanded their range into The Netherlands, with three related native species. The non-native species experienced a significantly less negative effect of plant-soil feedback than the native plant species.
    Concurrently with these range shifts local climate is changing and this might affect plant-soil feedback as well. In order to test this plant-soil feedbacks of six range expanding and six related native species were compared at two temperatures, 20°C and 25°C daytime temperature. While again native species showed a more negative plant-soil feedback than the non-native species, temperature did not affect the strength or direction of plant-soil feedback.
    Besides pair wise comparisons between native and non-native species in the invaded range, comparisons between the native and non-native range of a range expanding plant can be used to test for effects of range shifts on plant-soil interactions. Rhizosphere soil was collected from populations of Tragopogon dubius in both the native and the recently colonized range. The soil communities from the native range had a more negative effect on plant performance than the soil communities from the invaded range as compared to sterilized controls. T. pratensis, which is native to the entire studied range, did not show this pattern.
    As plant-soil interactions are the net effect of many positive and negative factors the less negative effect of plant-soil feedback can be either a result of more positive or less negative effects of the soil community. One of the mutualistic groups of organisms, the arbuscular mycorrhizal fungi (AMF) are known to be a major factor contributing to ecosystem functioning and to the maintenance of plant biodiversity and the most important soil-borne mutualists for many plants. I therefore focus on this group of soil organisms. I compared the association of T.dubius with AMF in the new part of its range with T. pratensis native to this area. Three measures for plant-fungal affinity were compared between these two plant species; the density of AMF propagules able to colonize the plant, the percentage of root length colonized by arbuscular mycorrhiza, and the composition of the resulting AMF community in the roots. This was done for four replicate soil inocula from different sites in The Netherlands. The two plant species did not differ in any of the tested factors. As there are no differences in the association with the most important mutualist the observed differences in plant-soil interaction are likely an effect of release from negative components in the soil community, e.g. soil pathogens, but further studies are needed to test this.
    Alterations in biotic interactions, through climate change and range shifts, such as a release of soil-borne natural enemies, can have significant effects on the performance of plants. Predictions of future ranges and impact of range expanding plant species on invaded ecosystems can therefore not be accurately made without a thorough understanding of its biotic interactions and the way these interactions are changed by the range shifts.

    Interactie tussen boven- en ondergrondse organismen
    Ruijven, J. van; Deyn, G.B. de - \ 2008
    Landschap : tijdschrift voor landschapsecologie en milieukunde 25 (2008)3. - ISSN 0169-6300 - p. 118 - 119.
    biodiversiteit - ecologie - bodemecologie - bodem-plant relaties - biodiversity - ecology - soil ecology - soil plant relationships
    Herstel van biodiversiteit is een moeilijk proces aangezien lang niet alle onderliggende mechanismen bekend zijn. Zo is niet bekend hoe boven- en ondergronds levende organismen elkaar beïnvloeden in hun interacties met planten en wat het effect daarvan is op de plantendiversiteit. Met behulp van een 'realistische' proefopstelling hebben we daar meer zicht op gekregen
    Verzuring: oorzaken, effecten, kritische belastingen en monitoring van de gevolgen van ingezet beleid
    Vries, W. de - \ 2008
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1699) - 88
    bodemchemie - verzuring - zure depositie - zure regen - monitoring - nadelige gevolgen - effecten - nederland - bodem-plant relaties - soil chemistry - acidification - acid deposition - acid rain - monitoring - adverse effects - effects - netherlands - soil plant relationships
    Het milieuthema ‘verzuring’ heeft zich sinds de negentiger echter ontwikkeld van een ‘single issue’, zure regen, naar het integraal aanpakken van grootschalige luchtverontreiniging. Dit rapport geeft antwoord op een tiental relevante vragen over dit onderwerp, te weten: 1 Wat wordt precies verstaan onder verzuring en wat zijn de oorzaken daarvan? 2 Wat is de bijdrage van zure depositie aan de verzuring van de bodem? 3 Wat zijn de effecten van verzuring 4 Wat zijn de monitoring systemen waarmee de uitstoot, depositie en effecten van verzuring in beeld worden gebracht 5 Wat zijn de trends in de emissie en depositie van verzurende stoffen 6 Wat zijn de trends in de effecten van verzuring op de abiotische kwaliteit: bodem, bodemvocht en grondwater 7 Wat zijn de trends in de effecten van verzuring op de ecologische kwaliteit: 8 Wat zijn kritische depositieniveaus voor verzurende stoffen en hun overschrijding? 9 Wat zijn de beleidsdoelen voor verzuring en de beleidsinstrumenten waarmee de verzuring wordt aangepakt 10 Hoe haalbaar en noodzakelijk zijn de lange termijn depositiedoelstellingen
    Critical soil conditions for oxygen stress to plant roots: substituting the Fedds-function by a process-based model
    Bartholomeus, R.P. ; Witte, J.P.M. ; Bodegom, P.M. van; Dam, J.C. van; Aerts, R. - \ 2008
    Journal of Hydrology 360 (2008)1-4. - ISSN 0022-1694 - p. 147 - 165.
    bodemporiënsysteem - bodemlucht - wateropname (planten) - plant-water relaties - transpiratie - waterverzadiging - modellen - oxidatieve stress - bodem-plant relaties - soil pore system - soil air - water uptake - plant water relations - transpiration - waterlogging - models - oxidative stress - soil plant relationships - use systems-analysis - crop growth-models - physical-properties - water-uptake - diffusion - respiration - aeration - compaction - transport - conductivity
    Effects of insufficient soil aeration on the functioning of plants form an important field of research. A well-known and frequently used utility to express oxygen stress experienced by plants is the Feddes-function. This function reduces root water uptake linearly between two constant pressure heads, representing threshold values for minimum and maximum oxygen deficiency. However, the correctness of this expression has never been evaluated and constant critical values for oxygen stress are likely to be inappropriate. In this paper, we propose a fundamentally different approach to assess oxygen stress: we built a plant physiological and soil physical process-based model to calculate the minimum gas filled porosity of the soil at which oxygen stress occurs.
    Effects of insufficient soil aeration on the functioning of plants form an important field of research. A well-known and frequently used utility to express oxygen stress experienced by plants is the Feddes-function. This function reduces root water uptake linearly between two constant pressure heads, representing threshold values for minimum and maximum oxygen deficiency. However, the correctness of this expression has never been evaluated and constant critical values for oxygen stress are likely to be inappropriate. On theoretical grounds it is expected that oxygen stress depends on various abiotic and biotic factors. In this paper, we propose a fundamentally different approach to assess oxygen stress: we built a plant physiological and soil physical process-based model to calculate the minimum gas filled porosity of the soil (phi gas_min) at which oxygen stress occurs. First, we calculated the minimum oxygen concentration in the gas phase of the soil needed to sustain the roots through (micro-scale) diffusion with just enough oxygen to respire. Subsequently, phi gas_min that corresponds to this minimum oxygen concentration was calculated from diffusion from the atmosphere through the soil (macro-scale). We analyzed the validity of constant critical values to represent oxygen stress in terms Of phi gas_min, based on model simulations in which we distinguished different soil types and in which we varied temperature, organic matter content, soil depth and plant characteristics. Furthermore, in order to compare our model results with the Feddes-function, we linked root oxygen stress to root water uptake (through the sink term variable F, which is the ratio of actual and potential uptake). The simulations showed that phi gas-min is especially sensitive to soil temperature, plant characteristics (root dry weight and maintenance respiration coefficient) and soil depth but hardly to soil organic matter content. Moreover, phi gas-min varied considerably between soil types and was larger in sandy soils than in clayey soils. We demonstrated that F of the Feddes-function indeed decreases approximately linearly, but that actual oxygen stress already starts at drier conditions than according to the Feddes-function. How much drier is depended on the factors indicated above. Thus, the Feddes-function might cause large errors in the prediction of transpiration reduction and growth reduction through oxygen stress. We made our method easily accessible to others by implementing it in SWAP, a user-friendly soil water model that is coupled to plant growth. Since constant values for phi gas_min in plant and hydrological modeling appeared to be inappropriate, an integrated approach, including both physiological and physical processes, should be used instead. Therefore, we advocate using our method in all situations where oxygen stress could occur. (C) 2008 Elsevier B.V. All rights reserved.
    Macroscopic root water uptake distribution using a matric flux potential approach
    Jong van Lier, Q. de; Dam, J.C. van; Metselaar, K. ; Jong, R. de; Duijnisveld, W.H.M. - \ 2008
    Vadose Zone Journal 7 (2008)3. - ISSN 1539-1663 - p. 1065 - 1078.
    bodemwater - bodem-plant relaties - wateropname (planten) - modellen - soil water - soil plant relationships - water uptake - models - soil-water - extraction patterns - numerical-simulation - stomatal conductance - gas-exchange - sap flow - stress - photosynthesis - transpiration - recovery
    Hydrological models featuring root water uptake usually do not include compensation mechanisms such that reductions in uptake from dry layers are compensated by an increase in uptake from wetter layers. We developed a physically based root water uptake model with an implicit compensation mechanism.
    Hydrological models featuring root water uptake usually do not include compensation mechanisms such that reductions in uptake from dry layers are compensated by an increase in uptake from wetter layers. We developed a physically based root water uptake model with an implicit compensation mechanism. Based on an expression for the matric flux potential (M) as a function of the distance to the root, and assuming a depth-independent value of M at the root surface, uptake per layer is shown to be a function of layer bulk M, root surface M, and a weighting factor that depends on root length density and root radius. Actual transpiration can be calculated from the sum of layer uptake rates. The proposed reduction function (PRF) was built into the SWAP model, and predictions were compared to those made with the Feddes reduction function (FRF). Simulation results were tested against data from Canada (continuous spring wheat [(Triticum aestivum L.]) and Germany (spring wheat, winter barley [Hordeum vulgare L.], sugarbeet [Beta vulgaris L.], winter wheat rotation). For the Canadian data, the root mean square error of prediction (RMSEP) for water content in the upper soil layers was very similar for FRF and PRF; for the deeper layers, RMSEP was smaller for PRF. For the German data, RMSEP was lower for PRF in the upper layers and was similar for both models in the deeper layers. In conclusion, but dependent on the properties of the data sets available for testing,the incorporation of the new reduction function into SWAP was successful, providing new capabilities for simulating compensated root water uptake without increasing the number of input parameters or degrading model performance.
    Integrating the production functions of Liebig, Michaelis-Menten, Mitscherlich and Liebscher into one system dynamics model
    Nijland, G.O. ; Schouls, J. ; Goudriaan, J. - \ 2008
    NJAS Wageningen Journal of Life Sciences 55 (2008)2. - ISSN 1573-5214 - p. 199 - 224.
    gewasproductie - voedingsstoffenbalans - stikstofgehalte - fosfor - emissie - dynamische modellen - nutriëntenuitspoeling - dynamisch modelleren - bodem-plant relaties - crop production - nutrient balance - nitrogen content - phosphorus - emission - dynamic models - nutrient leaching - dynamic modeling - soil plant relationships
    Any agricultural production process is characterized by input¿output relations. In this paper we show that the production functions of Liebig, Mitscherlich and Liebscher for the relation between nutrient supply and crop production can be regarded as special variants of one 'integrated model'. The model is elaborated for two nutrients, nitrogen and phosphorus, and is based on the Michaelis-Menten hyperbolic equation. This basic equation has two main terms and one multiplicative interaction term. The parameter values determine which one of the aforementioned functions is generated. 'Greenwood's variant of the Michaelis-Menten function' is approached if the main terms dominate. 'De Wit's variant of the Mitscherlich function' is approached if the multiplicative term dominates. Liebig's function emerges from any of these variants if nutrient supply is constrained to such an extent that nutrient uptake continually exhausts the nutrient stock. The 'Liebscher variant' - considered the most appropriate for most empirical situations - is intermediate between those of Liebig, Michaelis-Menten and 'De Wit's Mitscherlich', and can be obtained by parameter calibration. Generally, these functions result in 'decreasing marginal returns' with increasing nutrient supply. However, if interacting nutrients are supplied in precisely the required proportion, the variant with a multiplicative term does show 'increasing marginal returns', but only in conditions of low nutrient supply rates, low nutrient affinities and / or high nutrient losses
    Gevoeligheids- en onzekerheidsanalyse van SUMO
    Wamelink, G.W.W. - \ 2008
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 98) - 50
    vegetatietypen - bodemtypen - modellen - groeiplaatsen - bodem-plant relaties - vegetation types - soil types - models - sites - soil plant relationships
    Het model SUMO2 simuleert de vegetatieontwikkeling en biomassa-ontwikkeling voor de meeste vegetatietypen die in Nederland voorkomen. Het is geïntegreerd in het model SMART2, dat bodemprocessen simuleert. Beide modellen doen op jaarbasis uitspraken over de vegetatieontwikkeling, waarbij ook - eveneens op jaarbasis - gegevens worden uitgewisseld.
    Onderbouwing LAC-2006 waarden en overzicht van bodem-plant relaties ten behoeve van de Risicotoolbox : een overzicht van gebruikte data en toegepaste methoden
    Romkens, P.F.A.M. ; Groenenberg, J.E. ; Rietra, R.P.J.J. ; Vries, W. de - \ 2007
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1442) - 103
    bodem - bodemeigenschappen - bodemverontreiniging - zware metalen - diergezondheid - gewasproductie - gewaskwaliteit - kwaliteitsnormen - normen - toxische stoffen - voedingsmiddelenwetgeving - nederland - risico - bodem-plant relaties - kwaliteit na de oogst - risicobeheersing - soil - soil properties - soil pollution - heavy metals - animal health - crop production - crop quality - quality standards - standards - toxic substances - food legislation - netherlands - risk - soil plant relationships - postharvest quality - risk management
    Op basis van velddata zijn bodem – plant relaties afgeleid voor cadmium, zink, koper en lood. Voor de overige metalen zijn geen significante relaties gevonden. Met behulp van de bodem – plant relatie en, voor veeteelt, overdrachtcoëfficiënten naar dier, zijn grenswaarden voor de bodem bepaald die aangeven bij welk niveau in de bodem de geldende gewas-, en of orgaan normen niet meer gerealiseerd kunnen worden. Deze bodem – plant relaties dienen als hulpmiddel bij het afleiden van LAC2006 waarden (het voorstel daartoe
    The effects of vegetation changes in peat bogs on long-term carbon sequestration rates
    Heijmans, M.M.P.D. ; Breeuwer, A.J.G. ; Linden, M. van der; Berendse, F. - \ 2007
    In: Proceedings of the First International Symposium on Carbon in Peatlands, Wageningen, The Netherlands, 15 - 18 April 2007. - Wageningen : Wageningen University - p. 47 - 47.
    vegetatie - bodemchemie - kooldioxide - veengronden - bodem-plant relaties - koolstofvastlegging in de bodem - vegetation - soil chemistry - carbon dioxide - peat soils - soil plant relationships - soil carbon sequestration
    The analysis of long term effects of climate change on the vegetation composition and carbon sequestration in peat bogs requires a model that includes competition between plant species and feedbacks between vegetation, soil and hydrology
    The shape of the transpiration reduction function under plant water stress
    Metselaar, K. ; Jong van Lier, Q. de - \ 2007
    Vadose Zone Journal 6 (2007)1. - ISSN 1539-1663 - p. 124 - 139.
    bodemwater - bodem-plant relaties - transpiratie - modellen - soil water - soil plant relationships - transpiration - models - available soil-water - leaf-area - balance model - root-system - crop growth - transport - wheat - evaporation - irrigation - responses
    Assuming transpiration to be reduced after a critical pressure head (usually chosen as −1.5 MPa or −150 m) at the root surface has been reached, transpiration rates in this so-called falling-rate phase were analyzed numerically for soils described by the van Genuchten–Mualem equations (numerical soils). The analysis was based on the differential equation describing radial flow to a single root.
    Assuming transpiration to be reduced after a critical pressure head ( usually chosen as -1.5 MPa or -150 m) at the root surface has been reached, transpiration rates in this so-called falling-rate phase were analyzed numerically for soils described by the van Genuchten-Mualem equations ( numerical soils). The analysis was based on the differential equation describing radial flow to a single root. Numerically, the system was simulated by an implicit scheme. It is shown that, at limiting hydraulic conditions, relative transpiration ( ratio between actual and potential transpiration) is equal to relative matric flux potential ( ratio between actual matric flux potential and matric flux potential at the onset of limiting hydraulic conditions). Given this equality, transpiration reduction functions as a function of soil water content and as a function of time are presented for five types of analytical soils: a constant diffusivity, Green and Ampt, Brooks and Corey, versatile nonlinear, and exponential soil. While in the case of constant diffusivity, relative transpiration decreases as a linear function of water content, for the remaining four cases the decrease is a concave function of soil water content. Numerical simulations also result in a concave shape, unless the difference between water content at the onset of limiting hydraulic conditions and at permanent wilting is very small, for example, at high root densities. These discrepancies may be explained by the relative importance of a transition period between the constant- and falling-rate phases.
    Interactions between plants and soil nutrient cycling under elevated CO2
    Graaff, M.A. de - \ 2007
    Wageningen University. Promotor(en): N. van Breemen, co-promotor(en): C. van Kessel; J. Six. - [S.l.] : S.n. - ISBN 9789085047865 - 149
    bodem - voedingsstoffen - kringlopen - kooldioxide - broeikasgassen - koolstofsekwestratie - koolstof - planten - koolstofvastlegging in de bodem - bodem-plant relaties - soil - nutrients - cycling - carbon dioxide - greenhouse gases - carbon sequestration - carbon - plants - soil carbon sequestration - soil plant relationships
    The atmospheric concentration of the greenhouse gas CO2 is rising and may stimulate plant production and soil C input. If soil C input rates exceed soil C respiration rates under elevated CO2, global warming may be mitigated by long-term soil C sequestration. However, whether soils will serve as CO2 sinks is still debated, since it is uncertain how elevated CO2 will affect the interactions between plant growth and soil nutrient cycling. In the first part of this dissertation, I explored how long-term elevated CO2 affects soil C inputs versus SOM decomposition, and how these changes ultimately feedback to soil C sequestration. This research was carried out in a Free Air Carbon dioxide Experiment (FACE) in Switzerland that had been exposed to elevated CO2 and N fertilization treatments for 10 years. The isotopic label of the applied CO2 and N allowed for tracing new C and N dynamics in the system. In addition, I summarized available data related to plant growth and soil nutrient cycling from long-term CO2-enrichment experiments using the statistical tool Meta analysis. By incubating litter and soil derived from Swiss FACE, I concluded that the impact of elevated CO2 on litter quality and litter decomposition rates was minor. Therefore, elevated CO2 is not expected to affect soil C contents through its impact on litter quality and decomposition. The Meta analysis showed that the main driver of soil C sequestration is not SOC decomposition, but soil C input through plant growth, which is strongly controlled by nutrient availability. If soil nutrient availability was high, soil C input outweighed C decomposition leading to net C sequestration. However, if soil nutrient availability was low, soil C input rates lagged behind soil C decomposition rates due to CO2-induced nutrient immobilization, which had reduced plant growth. Thus, for soil C sequestration under elevated CO2 ample soil nutrient availability is required. In the Swiss FACE experiment however, soil C sequestration did not increase under elevated CO2, despite high fertilization rates, concurrent increases in plant growth, and relatively low decomposition rates. This may be due to frequent harvests and shows that the potential for soil C sequestration in individual agro-ecosystems is still uncertain, due to management practices that can affect soil C input and/ or soil C decomposition. The potential for soil C sequestration in individual unfertilized/ natural ecosystems is also unclear, since unexplained processes appear to prevent N limitation in some of these FACE systems. These processes may occur in the rhizosphere, which is often overlooked, but plays a vital role in mechanistically coupling plant production and soil nutrient cycling. In the second part of this dissertation I focused on how rhizodeposition affects microbial regulation of soil N availability. Elevated CO2 stimulated the amounts of root-derived C and N substrates entering the soil, but without specific exudation of amino acids. Enhanced rhizodeposition was accompanied by a proportional increase in root production, suggesting that rhizodeposition under elevated CO2 only increases when root biomass production is stimulated. The increase in rhizodeposition of N under elevated CO2 comprised a significant portion of the plant assimilated N, and was quickly immobilized by microbes upon entering the soil. This shows another pathway by which elevated CO2 may enhance nutrient limitation in low N-input systems. Alternatively, elevated CO2 may alleviate N limitation by stimulating rhizodeposition induced decomposition, leading to the release of N retained in stable SOM pools. This dissertation shows that increased rhizodeposition of C under elevated CO2 may be responsible for sustained plant growth in low nutrient input FACE systems. Since this mechanism did not increase plant tissue N concentrations, and does not contribute to a net gain of ecosystem N, however, it is not expected to offset nutrient limitation under elevated CO2 in the future (i.e. decades to centuries). A third aim of this dissertation was to increase the understanding of plant specific responses to elevated CO2. Therefore, I compared the responses of plants with genetic similarity but contrasting C allocation patterns, so reducing the number of plant traits that can explain a plants’ response to elevated CO2. In addition, C allocation to roots is a key plant trait for explaining differential responses in C and N cycling as it affects both rhizodeposition and nutrient uptake. I showed that agronomic selection has resulted in a morphological tradeoff, where C allocation to organs associated with C assimilation compared to organs associated with nutrient uptake is favoured in modern cultivars. As a result modern cultivars are more likely to increase shoot biomass production under elevated CO2 than their wild relatives in fertilized ecosystems. On the other hand, greater root production and N uptake rates indicate a greater potential for sustained plant growth and soil C sequestration under elevated CO2 for the wild compared to the cultivated genotypes in low N-input systems. These data showed that sink strength is an important trait for controlling plant responses to elevated CO2. In conclusion, elevated CO2 can increase soil C sequestration when sufficient nutrients are available. The extent of the increase however is still unclear in agro-ecosystems, due to a set of management practices that affect soil C decomposition and soil C input. In unfertilized ecosystems, simultaneous increases in N demands of microbes and plants reduce nutrient availability. Increased C allocation to roots under elevated CO2 will benefit nutrient acquisition and C sequestration in low N systems but this mechanism is expected to be transient. Therefore, in natural ecosystems soil C sequestration is likely to be constrained in the future (i.e. decades to centuries) by progressive nutrient limitation.
    Importance of root depth distribution for modeling of the interactions between water, soil, vegetation and atmosphere
    Metselaar, K. ; Feddes, R.A. ; Zee, S.E.A.T.M. van der - \ 2006
    bodemwater - bodem-plant relaties - klimaatverandering - soil water - soil plant relationships - climatic change
    Large scale modeling as in GCM, commonly disregards much complexity to avoid high numerical demands. The simplifications affect model outcome and for a number of these, we assess the errors that may be involved
    Boshavikskruiden in Twente
    Haveman, R. ; Weeda, E.J. - \ 2006
    Excursieverslagen / Plantensociologische Kring Nederland 2006 (2006)12 sept. - p. 61 - 63.
    vegetatie - hieracium - vegetatietypen - bodem-plant relaties - twente - vegetation - hieracium - vegetation types - soil plant relationships - twente
    De Hieracium-excursie van september was speciaal gericht op de Boshavikskruid-groep (Hieracium sabaudum sensu lato), die in Twente een van haar bolwerken in Nederland heeft. Over de standplaats van ‘Hieracium sabaudum’ bestond enig verschil van inzicht. Volgens de Oecologische Flora staat Boshavikskruid in houtwallen, verder aan bosranden op lemige, vochthoudende, min of meer kalkarme maar niet sterk zure grond, en op oeverwallen van bosbeken (Weeda et al., 1991). De Vegetatie van Nederland zegt echter dat de bodem op de standplaats van het Hieracio-Holcetum mollis minder lemig en/of minder humeus is dan bij het Hyperico pulchri-Melampyretum pratensis. Wel of niet lemig?
    Root water extraction and limiting soil hydraulic conditions estimated by numerical simulation
    Jong van Lier, Q. de; Metselaar, K. ; Dam, J.C. van - \ 2006
    Vadose Zone Journal 5 (2006)4. - ISSN 1539-1663 - p. 1264 - 1277.
    bodem-plant relaties - bodemwater - watergeleidingsvermogen van de wortel - modellen - soil plant relationships - soil water - root hydraulic conductivity - models - unsaturated soils - uptake parameters - stomatal control - use efficiency - scale model - resistance - growth - l. - dynamics - equation
    Root density, soil hydraulic functions, and hydraulic head gradients play an important role in the determination of transpiration-rate-limiting soil water contents. We developed an implicit numerical root water extraction model to solve the Richards equation for the modeling of radial root water extraction. The average soil water content at the moment root water potential dropped below a defined critical value was then estimated. The dependence of average water content at the onset of plant water stress on potential transpiration and root density was compared with an analytical solution for hydraulic conditions in the root sphere. The critical value was a function of potential transpiration rate, soil hydraulic properties, and root density. Matric flux potential appears to be a convenient hydraulic property to determine the onset of limiting hydraulic conditions, as numerical simulations showed that, at onset, matric flux potential vs. distance from the root surface is independent of soil type. This was also determined analytically under the constant-rate assumption. Mean water content occurs at about 0.53 times the half-distance between roots. This allows calculation of the mean limiting soil water content and pressure head from the matric flux potential at this distance, which is a function of transpiration rate and root density only. A nomogram was developed that¿given the transpiration rate, the root density, and the soil hydraulic functions¿allows determination of the values of mean water content and mean pressure head that occur at the onset of transpiration reduction
    De lichenenrijke stuifzandvegetatie met IJslands mos aan de voet van de Lemelerberg (Ov.) in de periode 1965-2005
    Ketner-Oostra, H.G.M. ; Tweel-Groot, L. van; Sparrius, L.B. - \ 2005
    Buxbaumiella 72 (2005). - ISSN 0166-5405 - p. 48 - 59.
    korstmossen - bodem-plant relaties - vegetatiebeheer - herstelbeheer - natuurreservaten - monitoring - salland - lichens - soil plant relationships - vegetation management - restoration management - nature reserves - monitoring - salland
    Aan de voet van de Lemelerberg ligt een zandverstuiving, een natuurreservaat dat beheerd wordt door Landschap Overijssel. In 2004 vond hier een vooronderzoek plaats om herstelmaatregelen te onderbouwen die tot doel hebben hier het stuifzandlandschap en de daarbij behorende biodiversiteit voor de toekomst veilig te stellen (Van den Ancker e.a., 2004). De lichenenrijkdom van dit gebied is al sedert 1965 bekend - met veel zeldzame en bedreigde licheensoorten waaronder een van de laatste vindplaatsen van IJslands mos (Cetraria islandica) in Nederland (Aptroot e.a., 1998). Thans ligt in dit terrein een meetpunt van het Landelijk Meetnet Korstmossen (Sparrius e.a., 2000). In genoemd vooronderzoek was literatuuronderzoek over de ontwikkeling van die lichenenrijkdom sedert 1965 een onderdeel van het vegetatie-onderzoek - en wordt hierbij gepresenteerd.
    Diversiteit uit zand; de ontwikkeling van bosstructuur, vegetatie, bodem en humusvorm in bosreservaten op stuifzand
    Bijlsma, R.J. ; Clerkx, A.P.P.M. ; Waal, R.W. de - \ 2005
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1223) - 134
    bossen - beschermde bossen - vegetatie - zandgronden - plantensuccessie - humus - bosecologie - nederland - eolisch zand - bodem-plant relaties - forests - reserved forests - vegetation - sandy soils - plant succession - humus - forest ecology - netherlands - aeolian sands - soil plant relationships
    In dit rapport wordt de ontwikkeling van bosstructuur, vegetatie, bodem en humusvorm in bosreservaten op stuifzand geanalyseerd. Uitgangspunt vormt de indeling in fysiotopen: landduinen, forten en overstoven plateaus en uitgestoven laagten. De bosontwikkeling wordt beschreven met fasen die gekenmerkt worden door humusvorm en de samenstelling van de struiken kruidlaag. De fasen zijn genoemd naar de dominante groeivorm in deze lagen: grassen, dwergstruiken, kruiden en struiken. De volgorde van de fasen en de tijdsduur van bosontwikkeling per fase zijn afhankelijk van graasdruk en de aanwezigheid van bronpopulaties. De fasen doen zich ook voor buiten het opgaande bos. Er worden twee ontwikkelingslijnen onderscheiden: 1) op landduinen en overstoven plateaus en forten en 2) in uitgestoven laagten. Enkele varianten van deze lijnen worden verder uitgewerkt
    Representation of soil moisture and root water uptake in climate models
    Dam, J.C. van - \ 2004
    klimaatverandering - bodemwater - bodem-plant relaties - onderzoeksprojecten - climatic change - soil water - soil plant relationships - research projects
    The previous generation of climate models predicts too high temperatures for dry summers for certain regions in Europe. The main reason is the desiccation of the soil during summer when transport of moist air from the Atlantic is blocked.
    Veranderingen van de mos- en licheenvegetatie in de droge duinen van Terschelling sinds 1970
    Ketner-Oostra, H.G.M. - \ 2004
    Buxbaumiella 68 (2004). - ISSN 0166-5405 - p. 2 - 6.
    duingebieden - nederlandse waddeneilanden - mossen - korstmossen - inventarisaties - bodem-plant relaties - duneland - dutch wadden islands - mosses - lichens - inventories - soil plant relationships
    Hierbij volgen enkele aanvullingen over wat er de laatste decennia in de van oorsprong kalkarme duinen van Terschelling is veranderd. Dit in aanvulling op het artikel 'Mossen van Terschelling', dat verscheen in dit blad na een mossen-weekend eind 2000 en na een intensieve inventarisatie in de periode 2000-2001 (Van Tooren et al. 2002).
    Veranderingen in de korstmos-vegetatie van het Wekeromse Zand (II): een vergelijking tussen 1994 en 2004
    Ketner-Oostra, H.G.M. - \ 2004
    Buxbaumiella 67 (2004). - ISSN 0166-5405 - p. 49 - 56.
    korstmossen - achteruitgang (deterioration) - vegetatiekartering - bodem-plant relaties - eolisch zand - veluwe - lichens - deterioration - vegetation mapping - soil plant relationships - aeolian sands - veluwe
    In the previous review (period 1984-1994) the subject of discussion was a decrease of the quantity of lichens in the nature reserve of 190 ha inland sand-dune landscape in the Veluwe region of Gelderland, while the species diversity remained high. In 1992- 1993 management measures in this reserve, such as the cutting and removing of 35 ha pine-trees and sod-cutting, were implemented in order to regain an open inland sand-dune landscape. In 2003 it became apparent that too much erosion had harmed the lichen-steppe in the northern part, which had changed into a pioneer vegetation with the moss Polytrichum piliferum. In the southern part with fewer dynamics, the influence was visible of the aerial nitrogen deposition. For the reserve as a whole the lichen diversity remained high, but since 1994 the quantity has decreased even more.
    Bodem, humus en vegetatie onder verschillende loofboomsoorten op de stuwwal bij Doorwerth
    Hommel, P.W.F.M. ; Waal, R.W. de - \ 2004
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 920) - 66
    bossen - vegetatie - humus - tilia - ligstro - bosgronden - plantensuccessie - nederland - relaties - veluwe - bodem-plant relaties - natuurgebieden - forests - vegetation - humus - tilia - litter - forest soils - plant succession - netherlands - relationships - veluwe - soil plant relationships - natural areas
    Dit rapport gaat in op de relatie tussen loofboomsoort, humus en ondergroei op een zwak lemige stuwwalbodem bij Doorwerth (Gelderland). Er werden opstanden vergeleken van linde, esdoorn, haagbeuk, eik en beuk. Onder invloed van het `rijke¿, goed verterende bladstrooisel van linde, esdoorn en haagbeuk bleek een ontwikkeling in de richting van een `rijker¿ bostype op gang te zijn gekomen. Alleen onder linde was echter binnen 40 jaar een goed ontwikkelde, soortenrijke Carpinion-vegetatie met meerdere oud-bossoorten ontstaan. De vegetatieontwikkeling onder linde lijkt wel sterk afhankelijk te zijn van de hoeveelheid licht die tot de bosbodem weet door te dringen.
    Pannenhoef: de Lokker en de Flesch
    Beers, P.W.M. van; Weeda, E.J. - \ 2003
    Excursieverslagen / Plantensociologische Kring Nederland 2003 (2003)29 aug. - p. 44 - 56.
    vegetatietypen - landgoederen - natuurgebieden - historische geografie - bodemgeschiktheid - ecohydrologie - bodem-plant relaties - veengronden - noord-brabant - vegetation types - estates - natural areas - historical geography - soil suitability - ecohydrology - soil plant relationships - peat soils - noord-brabant
    In de reeks ‘minder bekende West-Brabantse natuurterreinen’ die we in PKN-excursieverband de afgelopen jaren met een bezoek hebben vereerd, was in 2003 de Pannenhoef aan de beurt. Dit is een bijna 600 ha groot landgoed, dat sinds 1970 eigendom is van het Brabants Landschap. De Pannenhoef ligt in het grensgebied van een drietal Brabantse gemeenten – Zundert, Etten-Leur en Rucphen (voorheen ook nog Rijsbergen) – en bestaat uit een afwisseling van naaldbos, loofbos, grasland, heide en vennen. Het jaar 2003 was uitzonderlijk warm en droog, zodat terreindelen die doorgaans onder water staan, nu droog lagen. Voor een goed begrip van de huidige bodemgesteldheid en de landschapsopbouw van de Pannenhoef en omgeving is een terugblik in de geschiedenis noodzakelijk.
    Duurzaam bodemleven : literatuurstudie voor composteren bij bloembollenbedrijven
    Riet, S.M. van 't; Dam, A.M. van - \ 2003
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 40
    compostering - duurzaam bodemgebruik - bodem-plant relaties - bloembollen - landbouwbedrijven - composting - sustainable land use - soil plant relationships - ornamental bulbs - farms
    Ieder bedrijf produceert afval. Bij bloembollenbedrijven is een groot deel van het afval plantaardig, zoals pelafval, maaisel, stro. Dit afval kan afgevoerd worden, wat een uitstroom van nutriënten en organische stof van het bedrijf tot gevolg heeft en aanzienlijke kosten met zich meebrengt. Het materiaal kan ook op het eigen bedrijf gecomposteerd worden. Sommige bedrijven met open teelt, met name in de bloembollensector, composteren het eigen organisch restmateriaal. Hierdoor worden kosten van afvoer van het materiaal bespaard en kan het materiaal, na compostering, bijdragen aan de organische bemesting van de grond. Uit milieuoogpunt is deze praktijk gunstig, doordat transport van organische rest- en meststoffen beperkt wordt. Naar composteren in het algemeen wordt veel onderzoek gedaan, vooral in het buitenland, en er zijn een aantal tijdschriften die speciaal gewijd zijn aan compost. Een algemeen probleem van compostproeven is echter dat ze of in de kassen plaatsvinden of eenmalig in het veld. Vertaling naar lange termijn effecten en de praktijk zijn daarom vaak moeilijk. Duidelijk is wel dat compost niet de ultieme oplossing is voor bodemproblemen, maar eerder een onderdeel is van de oplossing. Binnen de gehele bedrijfsvoering heeft compost zeker zijn plaats, maar als de bedrijfsvoering in zijn geheel te wensen over laat zal compost weinig effect sorteren. Verder zal het voornamelijk op lange termijn effect zal hebben. Het één keer in één jaar aanbrengen zal dus weinig invloed hebben. In dit rapport wordt dieper in gegaan op het proces van composteren en de betekenis voor de bloembollensector. In hoofdstuk 2 wordt daartoe aandacht besteed aan de materialen waaruit de composthoop opgebouwd is en welke materialen nodig zijn voor een goede opbouw. Waar mogelijk is dit toegespitst op bloembollenbedrijven. In hoofdstuk 3 worden een aantal methoden van composteren behandeld en de randvoorwaarden voor een goed composteringsproces, waarna in hoofdstuk 4 dieper in gegaan wordt op bacteriepreparaten. In hoofdstuk 5 wordt de ziektewering aangestipt, waarbij ook het belang van bodemleven aan bod komt en de relevante proefresultaten. Vervolgens wordt er in hoofdstuk 6 ingegaan op de toediening van compost waarbij het organische stofgehalte van de bodem ter sprake komt en stuifbestrijding. Hoofdstuk 7 gaat in op een aantal analysemethoden die bij de bepaling van bodem en compost gebruikt worden en ten slotte zal in hoofdstuk 8 ingegaan worden op de regelgeving rond compost.
    Bossen van de keileemgronden; betekenis van stagnerend grondwater voor de ontwikkeling van humusprofiel en vegetatie
    Waal, R.W. de; Bijlsma, R.J. - \ 2003
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 804) - 70
    bossen - keileemgronden - grondwater - humus - vegetatie - bosecologie - nederland - bodem-plant relaties - ecohydrologie - twente - overijssel - natuurgebieden - forests - boulder clay soils - groundwater - humus - vegetation - forest ecology - netherlands - soil plant relationships - ecohydrology - twente - overijssel - natural areas
    De keileembossen behoren tot de soortenrijkste bossen in Nederland. Aan de hand van eigenschappen van de humusprofielen, het grondwater en de vegetatie en hun onderlinge relaties zijn drie keileembossen beschreven: Smoddebos, Grevenmaat en Achter de Voort. Het grondwater is voor het grootste gedeelte niet afkomstig van grote kwelsystemen maar bestaat uit door het keileem aangerijkt regenwater De drie keileembossen verschillen in soortensamenstelling, en in mate van verdroging en in mesoreliëf. In het Smoddebos en de Grevenmaat is de gradiënt gebonden een de terreinhelling en het voorkomen van greppels. In Achter de Voort zijn de gradiënten te vinden op de overgang van de eilandjes naar de slenken. Deze eilandstructuur zo blijkt in vergelijking met buitenlandse referentiebeelden typerend te zijn voor min of meer natuurlijke keileembossen.
    Boomsoort, strooiselkwaliteit en ondergroei in loofbossen op verzuringsgevoelige bodem; een verkennend literatuur- en veldonderzoek
    Hommel, P.W.F.M. ; Spek, T. ; Waal, R.W. de - \ 2002
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 509) - 112
    tilia - loofverliezende bossen - vegetatie - soortendiversiteit - plantengemeenschappen - bosecologie - humusvormen - bosstrooisel - nederland - literatuuroverzichten - bodem-plant relaties - bodemchemie - bosbeheer - historische ecologie - humus - loofbos - tilia - deciduous forests - vegetation - species diversity - plant communities - forest ecology - humus forms - forest litter - netherlands - literature reviews - soil plant relationships
    Dit rapport gaat in op de vraag in hoeverre de boomsoort in loofbossen op matig voedselrijke, verzuringsgevoelige bodem bepalend is voor de soortensamenstelling van de ondergroei. Om deze vraag te kunnen beantwoorden werd veld- en literatuuronderzoek verricht. Tijdens het veldonderzoek werden in zes bosgebieden de ondergroei en humusvorm onder verschillende boomsoorten maar op vergelijkbare bodem beschreven. Het literatuuronderzoek richtte zich op het Atlantisch lindewoud als historische referentie en op bestaande kennis met betrekking tot de relaties tussen boomsoort, strooiselkwaliteit en ondergroei. Geconcludeerd werd dat op bovengenoemde gronden onder bomen met rijk strooisel (o.a. linde, es en esdoorn) een gemiddeld hogere soortenrijkdom en eengroter aantal oudbossoorten voorkomt dan onder bomen met arm strooisel (o.a. eik en beuk).
    Ontwikkeling van bos en bodem in een beplantingsproef van 1970 op sterk verontreinigde baggerspecie
    Oosterbaan, A. ; Berg, C.A. van den - \ 2002
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 438) - 31
    bomen - standplaatsfactoren - bodemverontreiniging - baggerspeciedepots - bodemchemie - bodem-plant relaties - baggerspecie - beplanting - bodemkwaliteit - bos - zware metalen - trees - site factors - soil pollution - spoil banks - soil chemistry - soil plant relationships
    In een beplantingsproef op sterk verontreinigde baggerspecie wordt sinds de aanleg in 1970 de ontwikkeling van bos en bodem gevolgd. De beplantingen ontwikkelen zich weinig verschillend van vergelijkbare beplantingen op niet-verontreinigde klei. De chemische samenstelling van de toplaag van de bodem vertoont opvallende verschillen onder de verschillende boomsoorten
    Abiotische randvoorwaarden voor natuurdoeltypen
    Wamelink, G.W.W. ; Runhaar, J. - \ 2001
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 181)
    bodem-plant relaties - plantengemeenschappen - voedingsstoffen - bodemaciditeit - grondwaterstand - bodemwater - natuurbescherming - ecohydrologie - bodemtypen - vegetatietypen - soil plant relationships - plant communities - nutrients - soil acidity - groundwater level - soil water - nature conservation - nature - soil types - vegetation types
    Ten bate van de inrichting en de evaluatie van de ecologische hoofdstructuur is het natuurdoeltypesysteem ontwikkeld en gepubliceerd in het Handboek natuurdoeltypen. Dit handboek wordt herschreven en onder andere uitgebreid met een nadere invulling van de abiotische randvoorwaarden. In dit rapport wordt beschreven hoe de abiotische randvoorwaarden voor de natuurdoeltypen zijn vastgesteld. De abiotische randvoorwaarden zijn omschreven met behulp van vijf abiotische factoren: vocht, zuurgraad, nutriënten, zoutgehalte en bodemtype. De factor vocht wordt beschreven door middel van de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand en aantal dagen droogtestress, de grondwaterstandfluctuatie, en de overvloedingsfrequentie. Er zijn gegevens verzameld uit de literatuuren uit de database KENNAT. Deze laatste bevat gegevens over veldmetingen. De gegevens zijn verzameld voor 139 associaties en subassociaties. Op basis van de verzamelde literatuurgegevens is het bereik waarin een associatie voor kan komen, per abiotische factor vastgesteld. Deze bereiken zijn voorgelegd aan vier deskundigen. Na verwerking van hun commentaar zijn de definitieve bereiken per associatie en per abiotische factor vastgesteld. De gegevens over de associaties zijn toegekend aan de natuurdoeltypen, waarbij bij de aanwezigheid van meerdere associaties per natuurdoeltype het bereik van voorkomen gemiddeld is. Hierdoor ontstaat een gradatie in de preferentie van voorkomen van een natuurdoeltype. De resultaten zullen worden opgenomen in het nieuwe Handboek natuurdoeltypen
    Check title to add to marked list

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.