Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Current refinement(s):

Records 1 - 65 / 65

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: keywords==historical ecology
Check title to add to marked list
Environmental drivers interactively affect individual tree growth across temperate European forests
Maes, Sybryn L. ; Perring, Michael P. ; Vanhellemont, Margot ; Depauw, Leen ; Bulcke, Jan Van den; Brūmelis, Guntis ; Brunet, Jörg ; Decocq, Guillaume ; Ouden, Jan den; Härdtle, Werner ; Hédl, Radim ; Heinken, Thilo ; Heinrichs, Steffi ; Jaroszewicz, Bogdan ; Kopecký, Martin ; Máliš, František ; Wulf, Monika ; Verheyen, Kris - \ 2019
Global Change Biology 25 (2019)1. - ISSN 1354-1013 - p. 201 - 217.
basal area increment - climate change - Fagus - Fraxinus - historical ecology - nitrogen deposition - Quercus - tree-ring analysis

Forecasting the growth of tree species to future environmental changes requires a better understanding of its determinants. Tree growth is known to respond to global-change drivers such as climate change or atmospheric deposition, as well as to local land-use drivers such as forest management. Yet, large geographical scale studies examining interactive growth responses to multiple global-change drivers are relatively scarce and rarely consider management effects. Here, we assessed the interactive effects of three global-change drivers (temperature, precipitation and nitrogen deposition) on individual tree growth of three study species (Quercus robur/petraea, Fagus sylvatica and Fraxinus excelsior). We sampled trees along spatial environmental gradients across Europe and accounted for the effects of management for Quercus. We collected increment cores from 267 trees distributed over 151 plots in 19 forest regions and characterized their neighbouring environment to take into account potentially confounding factors such as tree size, competition, soil conditions and elevation. We demonstrate that growth responds interactively to global-change drivers, with species-specific sensitivities to the combined factors. Simultaneously high levels of precipitation and deposition benefited Fraxinus, but negatively affected Quercus’ growth, highlighting species-specific interactive tree growth responses to combined drivers. For Fagus, a stronger growth response to higher temperatures was found when precipitation was also higher, illustrating the potential negative effects of drought stress under warming for this species. Furthermore, we show that past forest management can modulate the effects of changing temperatures on Quercus’ growth; individuals in plots with a coppicing history showed stronger growth responses to higher temperatures. Overall, our findings highlight how tree growth can be interactively determined by global-change drivers, and how these growth responses might be modulated by past forest management. By showing future growth changes for scenarios of environmental change, we stress the importance of considering multiple drivers, including past management and their interactions, when predicting tree growth.

‘Force of Nature’ : climate shocks, food crises and conflict in Colonial Africa and Asia, 1880-1960
Papaioannou, Kostadis J. - \ 2017
Wageningen University. Promotor(en): E.H.P. Frankema; E.H. Bulte. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789463431668 - 238
climatic change - environmental degradation - environmental impact - agricultural development - agriculture - agriculture and environment - historical ecology - history - colonialism - colonization - africa - asia - nigeria - rainfed agriculture - rain - klimaatverandering - milieuafbraak - milieueffect - landbouwontwikkeling - landbouw - landbouw en milieu - historische ecologie - geschiedenis - kolonialisme - kolonisatie - afrika - azië - nigeria - regenafhankelijke landbouw - regen

“Global climate change poses one of the most urgent challenges of our age. The increasing frequency and intensity of weather shocks, such as heat waves, droughts, floods, and hurricanes, are all anticipated to adversely affect conditions of agricultural production, and jeopardize efforts to achieve global food security. In recent years, there has been a rapidly growing body of literature across multiple disciplines aiming to quantify and assess the adverse consequences of climate on relatively poor rural societies. Building entirely on original primary sources, this dissertation provides evidence that weather shocks raised property crime, triggered civil conflict and shaped patterns of human settlement in British colonial Africa and Asia during the first half of the twentieth century (~1880-1960). By merging the theoretical and empirical insights of several strands of literature (e.g. economics, history, geography), this dissertation has both academic and social merit. Its academic merit lies in its promise to disentangle the net effect of climate on societies from the many other contextual factors that may affect them. And its social merit lies in its capacity to reveal key factors that can mitigate the adverse consequences of weather shocks, enabling tailor-made policy interventions. In sum, the present dissertation contributes to a better understanding of long-term agrarian development in tropical Africa and Asia, offering fresh input to academic debates on how to mitigate the effects of weather extremes”

Bomen aan der einder : Onze bomen en bossen door de eeuwen heen (herziene versie)
Pistorius, R. ; Vries, S.M.G. de - \ 2017
Wageningen : Wageningen UR
bomen - soortendiversiteit - historische ecologie - genetische bronnen van plantensoorten - trees - species diversity - historical ecology - plant genetic resources
Pas in de laatste decennia hebben bossen hun voornaamste functie, houtproductie, verloren. Ons huidige, relatief weinig diverse, bosbestand getuigt nog van die verloren functie. Reden te meer het behoud van de biodiversiteit van onze bossen aandacht te geven. Deze brochure belicht ons nationaal bosbeheer door de eeuwen heen en staat stil bij de huidige bewaring van genetisch materiaal van autochtone bomen.
Insecten schadelijk voor naaldhout, vroeger en nu
Hoopen, Jan ten; Moraal, L.G. ; Smits, J. - \ 2015
Entomologische Berichten 75 (2015)3. - ISSN 0013-8827 - p. 86 - 96.
bosecologie - naaldbossen - insect-plant relaties - fauna - historische ecologie - forest ecology - coniferous forests - insect plant relations - historical ecology
In het eerste deel van de Entomologische Berichten besteedt Arie Brants in 1904 aandacht aan de door Staatsbosbeheer in 1903 uitgebrachte plaat 'Insecten schadelijk voor naaldhout'. Wij beschrijven in dit artikel hoe sommige van deze insecten nog steeds als de meest schadelijke in de Europese bosbouw worden beschouwd, maar in Nederland nauwelijks meer een rol spelen. Ook bespreken wij hoe veranderend bosbeheer en veranderend klimaat een verschuiving van plagen liet zien.
Historisch-ecologische samenhang tussen cultuurhistorie en vegetatie in het Nationale Park De Hoge Veluwe
Spek, Th. ; Bijlsma, R.J. ; Bokdam, J. ; Dam, Douwe van; Visser, Niko - \ 2014
De Levende Natuur 115 (2014)6. - ISSN 0024-1520 - p. 240 - 245.
ecosysteembeheer - historische ecologie - nationale parken - cultuurlandschap - veluwe - ecosystem management - historical ecology - national parks - cultural landscape - veluwe
Hoewel het landschap in het Nationale Park De Hoge Veluwe op het eerste gezicht grotendeels natuurlijk lijkt, blijkt bij nadere beschouwing dat de mens in vrijwel alle tijden van de geschiedenis grote invloed op de natuur van dit gebied heeft uitgeoefend. Juist de eeuwenlange wisselwerking tussen natuur en mens maakt De Hoge Veluwe tot een interessante staalkaart van historisch-ecologische landschappen. Kennis van de cultuurhistorische gelaagdheid en van het historisch ontstaan en beheer van lokale ecosystemen biedt belangrijke handvatten voor toekomstig beheer.
Het mooiste landgoed van Noord-Brabant; Verslag van de excursie op Landgoed Baest
Laar, J.N. van; Sande, G. van de - \ 2014
Vakblad Natuur Bos Landschap 11 (2014)10. - ISSN 1572-7610 - p. 24 - 25.
landgoederen - bosecologie - historische ecologie - noord-brabant - estates - forest ecology - historical ecology
Op 2 oktober 2014 vond de najaarsexcursie van de Commissie Bosgeschiedenis plaats op Landgoed Baest. Het thema betrof het maken van keuzes in het beheer van groene cultuurhistorische elementen in het bos. Ruim 25 personen waren op deze bijeenkomst afgekomen.
Veluwse malenbossen en het Gortelsche Bos; verslag van een lezing en een excursie
Laar, J.N. van; Sauren, P. - \ 2014
Vakblad Natuur Bos Landschap 11 (2014)109. - ISSN 1572-7610 - p. 28 - 29.
bossen - historisch grondgebruik - historische ecologie - veluwe - forests - land use history - historical ecology
Eerder dit jaar, op 24 april 2014, vond een door de Commissie Bosgeschiedenis georganiseerde excursie plaats in het Gortelsche Bos. Dit eeuwenoude bos is een onderdeel van het Kroondomein Het Loo. Zowel de respectabele ouderdom als de vroegere gemeenschappelijk bosbezitsvorm – het behoorde aan een maalschap - maakt het Gortelsche Bos bijzonder.
De bossen van Het Nationale Park De Hoge Veluwe
Ouden, J. den - \ 2014
De Levende Natuur 115 (2014)6. - ISSN 0024-1520 - p. 258 - 262.
bossen - bosbeheer - historische ecologie - nationale parken - veluwe - forests - forest administration - historical ecology - national parks
De bossen van Het Nationale Park De Hoge Veluwe vormen samen met heide en stuifzanden een gevarieerd landschap waarin cultuurhistorie en natuur doelbewust verweven zijn. Naast een klein aandeel oude bossen en landgoedbossen stamt het grootste deel van het bosoppervlak uit de afgelopen eeuw, en is met veel moeite ontwrocht aan het droge en arme landschap. De afgelopen 100 jaar is het bosbeheer van Het Park gericht op het landschappelijk aantrekkelijker, ecologisch stabieler en economisch rendabeler maken van de bossen. Dit artikel kijkt terug op de beheersgeschiedenis van de bossen in het Park.
Historie van bos, bosgebruik en bosbeheer in Nederland: recente thema's en uitdagingen, een overzicht.
Laar, J.N. van - \ 2013
In: Jaarboek voor Ecologische geschiedenis 2011. Bossen in de Lage Landen / van Cruyningen, P., Gent : Academia Press (VI ) - ISBN 9789087044015 - p. 1 - 17.
bossen - historische ecologie - bosbeheer - landgebruik - geschiedenis - forests - historical ecology - forest administration - land use - history
Dit artikel heeft tot doel om inzicht te geven in enkele recente ontwikkelingen in onderzoek, methoden en resultaten in het brede wetenschapsdomein van de Nederlandse bosgeschiedenis. Daarbij is gekeken vanuit verschillende disciplines en perspectieven. Het overzicht geeft een beeld van de thema's waarover met name in de laatste twee decennia in Nederland is gepubliceerd, maar ook van de wisselende aandacht die er is voor bosgeschiedenis.
Op zoek naar het Griensvenneke
Delft, B. van; Minderhout, L. - \ 2013
Dungense Historiën : onafhankelijk Tijdschrift voor de Geschiedenis van Den Dungen 7 (2013)22. - p. 5 - 16.
historische ecologie - vegetatietypen - geomorfologie - ouderdom van de bodem - noord-brabant - historical ecology - vegetation types - geomorphology - age of soil
Uit de bestudering van kaartmateriaal, toponiemen en archiefmateriaal zijn sterke aanwijzingen naar voren gekomen dat langs de Spekstraat in Den Dungen een ven gelegen moet hebben (Van Minderhout et al. 2011). Ook wordt de plaats genoemd in relatie tot turfwinning. Tot in de late Middeleeuwen was dit een heidegebied met een ven. Vermoedelijk is het ven tijdens of na het ontginnen van de heide in de 14e en 15e eeuw dichtgegroeid of dichtgewaaid. Bij een eerste verkenning met een grondboor door een van ons konden geen aanwijzingen gevonden worden voor het voorkomen van een venbodem.
Basisafvoer van de Baakse beek : onderzoek naar perspectieven voor aquatische natuur in een laaglandbeek
Jansen, P.C. ; Massop, H.T.L. ; Houten, G.J. van den; Klutman, W.A.J. ; Bakx, W. - \ 2013
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra rapport 2383) - 101
waterlopen - hydrologie van stroomgebieden - droogte - waterstroming - historische ecologie - hydrologie - achterhoek - streams - catchment hydrology - drought - water flow - historical ecology - hydrology
Een groot aantal van de oppervlaktewateren binnen het beheergebied van waterschap Rijn en IJssel heeft binnen de Kader Richtlijn Water de typering langzaam stromende midden- en benedenloop op zand (R5) gekregen. Vanuit ecologisch oogpunt houdt dat in dat er ook in droge perioden stroming in de waterloop moet plaatsvinden. Het waterschap wil weten hoe groot deze zogenaamde basisafvoer vroeger was en wat de invloed van latere antropogene ingrepen op de basisafvoer is geweest. Het moet antwoord geven op de vraag of een herstel van de basisafvoer een reële optie is. Het stroomgebied van de Baakse beek is door het waterschap aangewezen om daar onderzoek naar te doen.
Geboeid door het verleden: de Bocht van Barkman
Schaminee, J.H.J. ; Ozinga, W.A. - \ 2013
Stratiotes 2013 (2013)44. - ISSN 0928-2297 - p. 13 - 18.
plantengemeenschappen - vegetatietypen - historische ecologie - infrastructuur - constructie - structurele aanpassing - twente - plant communities - vegetation types - historical ecology - infrastructure - construction - structural adjustment
Geboeid door het verleden is de titel van een onlangs verschenen boek in de reeks 'Vegetatiekundige Monografieën', dat de historische ecologie tot onderwerp heeft. Onder deze titel willen we in Stratiotes op gezette tijden ruimte bieden aan min of meer vergeten of minder bekende maar interessante onderwerpen uit het rijke verleden van het vegetatieonderzoek in ons land. In deze bijdrage aandacht voor een gewijzigde tracé bij de aanleg van de snelweg A1. In de zeventiger jaren voerde prof. Barkman met succes actie tegen de aanvankelijk geplande route, dwars door een natuurreservaat met opvallende jenerbesstruwelen
Het mossencahier van J.L. Franquinet, een vroeg 19de eeuws herbarium uit Maastricht, 1. Franquinets botanische nalatenschap
Weeda, E.J. - \ 2013
Buxbaumiella 97 (2013)mei. - ISSN 0166-5405 - p. 22 - 36.
bryologie - historische ecologie - zuid-limburg - bryology - historical ecology
Dit artikel gaat over een bron van oude mosvondsten die tot dusver niet effectief ontsloten is. De gegevens hebben weliswaar tot tweemaal toe hun weg naar publicaties gevonden, maar zijn ook tweemaal weer in vergetelheid geraakt. Begin 2012 besloten Rienk-Jan Bijlsma, Henk Siebel en de auteur van dit verhaal de vergeten vondsten alsnog onder de aandacht van de Nederlandse bryofloristiek te brengen
Het mossencahier van J.L. Franquinet, een vroeg 19de-eeuws herbarium uit Maastricht. 2. Vindplaatsen en vondsten
Weeda, E.J. ; Bijlsma, R.J. ; Siebel, H.N. - \ 2013
Buxbaumiella 2013 (2013)98. - ISSN 0166-5405 - p. 1 - 14.
bryologie - historische ecologie - zuid-limburg - bryology - historical ecology
In dit tweede deel passeren de opgaven met een concrete vindplaatsomschrijving de revue, gesorteerd per locatie. Bij vondsten op Belgisch grondgebied of in de buurt van de grens wordt de positie zowel volgens het Nederlandse als volgens het Belgische grid aangegeven.
90 jaar bosbouwkundige experimenten op landgoed Middachten
Iersel, R. van; Laar, J.N. van - \ 2013
Vakblad Natuur Bos Landschap 10 (2013)1. - ISSN 1572-7610 - p. 4 - 7.
landgoederen - bosbouw - historische ecologie - bosbeheer - natuurbeheer - geïntegreerd bosbeheer - veluwe - gelderland - estates - forestry - historical ecology - forest administration - nature management - integrated forest management
De geschiedenis van landgoedbossen is voor de meeste bezoekers onbekend. Onder begeleiding van de Leerstoelgroep Bos- en Natuurbeleid is onderzocht hoe voormalige eigenaren en rentmeesters van landgoed Middachten het fraaie en afwisselende bos hebben gevormd, welke bosbouwkundige experimenten er zijn uitgevoerd en wat hiervan nog zichtbaar is
Amerikaanse vogelkers: hoe een exotisch houtgewas invasief kon worden
Simmelink, M. ; Weeda, E.J. - \ 2012
In: Geboeid door het verleden. Beschouwingen over historische ecologie / Schaminee, J.H.J., Janssen, J.A.M., Zeist : KNNV Uitgeverij (Vegetatiekundige monografieën 4) - ISBN 9789050114493 - p. 138 - 162.
historische ecologie - geïntroduceerde soorten - bosecologie - struiken - plagenbestrijding - historical ecology - introduced species - forest ecology - shrubs - pest control
Deze bijdrage handelt over bomen en struiken. Centraal staat de Amerikaanse vogelkers (Prunis serotina) die in het midden van de 18e eeuw in ons land is geïntroduceerd en in de eerste helft van de 20ste eeuw op grote schaal op de voedselarme zandgronden is aangeplant als vulhout en bodemverbeteraar. Nadien is het gewas verworden tot "bospest". Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw wordt zij intensief bestreden, maar beteugeld is de soort nog niet. Wat betekent de komst van nieuwe soorten voor de biodiversiteit en op grond van welke overwegingen moet worden besloten om tot bestrijding over te gaan
Een historische basis voor moderne herstelstrategieën in het heidelandschap
Kappert, O. ; Bijlsma, R.J. - \ 2012
In: Geboeid door het verleden. Beschouwingen over historische ecologie / Schaminée, J.H.J., Janssen, J.A.M., Zeist : KNNV Uitgeverij (Vegetatiekundige monografieën 4) - ISBN 9789050114493 - p. 72 - 89.
heidegebieden - historische ecologie - vegetatietypen - ecologisch herstel - veluwe - heathlands - historical ecology - vegetation types - ecological restoration - veluwe
In deze bijdrage komen de droge heiden van de Veluwe aan bod. Waarbij aan de hand van twee studiegebieden een nauwgezette analyse van het heidelandschap gepresenteerd wordt. Van de voormalig woeste gronden zijn eigenlijk alleen de allerarmste gronden bewaard gebleven. Voor twee gebieden in de Veluwerand wordt een analyse gegeven: regio Epe - Emst - Gortel - Tongeren - Woldberg (circa 8.000 ha) en Hoenderloo - Otterlo - Wekerom - Kootwijkerbroek - Harskamp (circa 6.500 ha).
Geboeid door het verleden. Beschouwingen over historische ecologie
Schaminee, J.H.J. ; Janssen, J.A.M. - \ 2012
Zeist : KNNV uitgeverij - ISBN 9789050114493 - 184
historische ecologie - veengebieden - heidegebieden - prunus serotina - ecologisch herstel - nederland - zuid-afrika - natuurbeheer - historical ecology - peatlands - heathlands - ecological restoration - netherlands - south africa - nature management
Geboeid door het verleden heeft de historische ecologie tot onderwerp, een vakgebied waaraan je steeds meer verslingerd raakt naarmate je dieper in de verhalen doordringt. De geschiedenis van natuur en landschap vormt de bakermat voor het bestaan en de identiteit van ieder mens, zo verwoordde Theo Spek (Rijksuniversiteit Groningen) onlangs in zijn inaugurele rede. In een achttal beschouwingen komt een geweldige verscheidenheid aan thema’s aan bod, vaak met verrassende inzichten en conclusies. Ieder hoofdstuk is geschreven door een student samen met een gerenommeerde vakge­noot. Hoe zag het Nederlandse landschap er uit aan het eind van de Middeleeuwen? Wat is de toekomst van de heiden in ons land? Hoe ontstonden onze vennen, de pelen op de grens van Brabant en Limburg, onze beemden in de uiterwaarden? In hoeverre is de natuur ons land eigenlijk wel maakbaar, en hoe kunnen we het beste omgaan om invasieve struiken in onze bossen. Allemaal vragen waarop getracht wordt een antwoord te vinden.
Een kaart van de oude bosgroeiplaatsen in Nederland : basisbestand voor de bepaling van de landelijke verspreiding van de habitattypen Beuken-eikenbos met hulst (H9120) en Oude eikenbossen (H9190)
Dorland, G.J. van; Bijlsma, R.J. ; Bal, D. ; Janssen, J.A.M. - \ 2012
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2376) - 26
bodem-plant relaties - bosecologie - quercus - fagus - habitats - groeiplaatsen - bosinventarisaties - historische ecologie - nederland - natura 2000 - soil plant relationships - forest ecology - sites - forest inventories - historical ecology - netherlands
De Habitatrichtlijn (artikel 17) vraagt om een periodieke landsdekkende rapportage over de status en trend van habitattypen en van onder de richtlijn vallende soorten. Voor de herkenning van de habitattypen Beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en Oude eikenbossen (H9190) gelden volgens het profielendocument naast vegetatiekundige criteria ook beperkende criteria voor bodemkenmerken en voor de ouderdom van de groeiplaats. Dit rapport documenteert een nieuw GIS-bestand dat ook buiten Natura 2000-gebieden een beoordeling van beperkende criteria mogelijk maakt. Het voorkomen van oude bosgroeiplaatsen is landsdekkend gescoord op de Topografische en Militaire Kaart (TMK) van ca. 1850 in een raster van hokken van 500x500 m. Per hok met bos is precies één punt gedigitaliseerd in het midden van het grootste bosoppervlak. Voor alle punten met bos op de hogere zandgronden en in het heuvelland zijn alle combinaties van bodemcode en grondwatertrap volgens de bodemkaart 1:50.000 beoordeeld als indicatie voor de habitattypen 9120 en 9190. Op grond van de combinatie van oude bosgroeiplaats en bodemindicatie zijn verspreidingskaartjes gemaakt van de potentiële verspreiding van beide habitattypen.
Het gemaakte land
Bout, A. ; Dirkx, G.H.P. - \ 2012
In: Geboeid door het verleden / Schaminee, J., Janssen, J., Zeist : KNNV uitgeverij - ISBN 9789050114493 - p. 117 - 137.
landschapselementen - landgebruik - historische ecologie - soortenrijkdom - landschap - herstel - landscape elements - land use - historical ecology - species richness - landscape - rehabilitation
In deze bijdrage komt aan bod hoe zeer de natuur van ons land gevormd is door menselijk handelen. De grote verscheidenheid die hert Nederlandse landschap kenmerkt is sterk bepaald door verschillen in landgebruik. Iedere streek kent zijn eigen boerderijen, gewassen, veerassen, verkavelingspatronen en mede daardoor is een heide in Drenthe anders van aard dan een heide in de Kempen en is een houtwal in Friesland anders dan die in Salland of Achterhoek. Het is een opgave om de ondertussen gehomogeniseerde landschappen via modern natuur- en landschapsbeheer weer divers te krijgen
Vennen in Nederland: gevormd, veranderd en hersteld door de mens
Gils, S. van; Arts, G.H.P. - \ 2012
In: Geboeid door het verleden : beschouwingen over historische ecologie / Schaminee, J., Janssen, J., Zeist : KNNV (Vegetatiekundige monografieen 944) - ISBN 9789050114493 - p. 90 - 114.
poelen - hoogveengebieden - ecologisch herstel - historische ecologie - habitats - midden-limburg - pools - moorlands - ecological restoration - historical ecology
In deze bijdrage staan vennen centraal. Bijzondere plantensoorten zijn met name te vinden in de zwak tot zeer zwak gebufferde vennen. Daarvoor draagt Nederland een grote internationale verantwoordelijkheid. Te vinden zijn daar voornamelijk de bijzondere soorten als Oeverkruid, Waterlobelia en Pilvaren. De standplaatseisen ten aanzien van voedingsstoffen en waterhuishouding worden besproken, waarna uitvoerig wordt ingegaan op het historisch gebruik van deze vennen. Toegelicht aan de twee vennen in Midden-Limburg, namelijk het Sarsven en de Banen. Vooral in de jaren zeventig vorige eeuw hebben de overdaad aan zwavel en stikstof een zware tol geëist
Analyses of four centuries of bounty hunting on seals in Zeeland, SW-Netherlands
Vooys, C.G.N. de; Brasseur, S.M.J.M. ; Meer, J. van der; Reijnders, P.J.H. - \ 2012
Lutra 55 (2012)1. - ISSN 0024-7634 - p. 55 - 65.
historische ecologie - zeehonden - zeeland - jagen - geschiedenis - zuidwest-nederland - historical ecology - seals - zeeland - hunting - history - south-west netherlands
Eeuwenlang vond in de Zeeuwse wateren premiejacht op zeehonden plaats. De uitbetaalde premies van de in de 16e tot in de 20e eeuw buitgemaakte dieren werden geregistreerd in Zeeuwse archieven. In deze studie worden die jachtstatistieken gebruikt om het aantal jaarlijks geschoten dieren te reconstrueren. Vervolgens wordt het effect van sociale en historische gebeurtenissen op het jachtsucces onderzocht.
De zwarte els in Nederland
Oosterbaan, A. ; Polman, J.E. - \ 2011
Groen : vakblad voor groen in stad en landschap 67 (2011)1. - ISSN 0166-3534 - p. 44 - 47.
alnus - alnus glutinosa - bomen - bosbomen - straatbomen - geschiedenis - twente - achterhoek - historische ecologie - trees - forest trees - street trees - history - historical ecology
De zwarte els is een belangrijke boomsoort voor ons landschap. Hij is zelfs bepalend voor het landschap van grote delen van ons land. Bijvoorbeeld in het van oudsher dichte singellandschap van de Friese Wouden, de kop van Overijssel, delen van Twente en de Achterhoek. Maar ook in het westelijke veenweidengebied kwamen van oorsprong veel elzensingels voor. Verder tref je de zwarte els aan in al of niet gemengde bomenrijen, als knotboom en als solitair.
Vijftienduizend jaar Elatine in Nederland, in het rivierengebied en daarbuiten
Weeda, E.J. ; Brinkkemper, O. - \ 2010
Stratiotes 40/41 (2010). - ISSN 0928-2297 - p. 6 - 26.
habitats - historische ecologie - beekdalen - paleobotanie - vegetatie - habitats - historical ecology - brook valleys - palaeobotany - vegetation
In dit artikel krijgt Elatine hydropiper verreweg de meeste aandacht, omdat over deze soort de rijkste historische documentatie beschikbaar is en omdat zij de grootste verscheidenheid in standplaats toont. Hoewel zij niet strikt tot het rivierengebied beperkt is, haar zwaartepunt gedurende het grootste deel van het Holoceen in de rivierdalen. Dit blijkt uit tientallen paleobotanische vondsten, die de kwalificatie 'best gedocumenteerde stroomdalplant van Nederland' wettigen.
Historische veranderingen in de droge stroomdalgraslanden in Nederland: het Medicagini-Avenetum en het Sedo-Thymetum
Schaffers, A.P. ; Sykora, K.V. ; Huiskes, H.P.J. ; Schaminee, J.H.J. ; Weeda, E.J. - \ 2010
Stratiotes 40/41 (2010). - ISSN 0928-2297 - p. 27 - 48.
graslanden - vegetatie - historische ecologie - stroomdalen - flora - grasslands - vegetation - historical ecology - stream valleys
Er bestond dringend behoefte aan een historisch referentiebeeld van de oorspronkelijke soortensamenstelling en verspeiding van deze graslanden in Nederland. Een dergelijke referentie is een belangrijk hulpmiddel bij de evaluatie en herstellen en ontwikkelingsbeheer en geeft door vergelijking inzicht in de kwaliteit van de huidige stroomdalgraslanden. Wij analyseerden in opdracht van het LNV (kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit; OBN) een grote verzameling historische vegetatieopnamen van Nederlandse stroomdalgraslanden (Schaffers et al. 2008). In dit artikel behandelen wij de belangrijkste resultaten.
Oude bossen en oude bosgroeiplaatsen : een referentie voor het karteren van de habitattypen beuken-eikenbossen met hulst en oude eikenbossen
Bijlsma, R.J. ; Dorland, G.J. van; Bal, D. ; Janssen, J.A.M. - \ 2010
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1967) - 43
bosecologie - bossen - quercus - fagus - habitats - cartografie - bosinventarisaties - indicatorsoorten - nederland - databanken - natura 2000 - historische ecologie - forest ecology - forests - quercus - fagus - habitats - mapping - forest inventories - indicator species - netherlands - databases - natura 2000 - historical ecology
Dit rapport beschrijft een referentiebestand waarmee wordt beoogd een standaard hulpmiddel aan te bieden om bij het karteren van deze habitattypen de beperkende criteria goed toe te passen. Dit referentiebestand bestaat uit twee GIS-bestanden. Het GIS-bestand 'n2tmkbos' geeft invulling aan het criterium 'oude bosgroeiplaats' door voor alle Natura 2000-gebieden op de Hogere zandgronden en in het Heuvelland zo exact mogelijk de locaties weer te geven waar in 1850 bos aanwezig was. Rond deze tijd kwam de eerste landsdekkende topografische kaart beschikbaar: de Topografische en Militaire Kaart van het Koninkrijk der Nederlanden (TMK). De oude bosgroeiplaatsen zijn overlegd met de digitale bodemkaart van Nederland 1:50.000 waarbij voor alle bodemcodes is aangegeven of ze voldoen aan het bodemkundig criterium voor habitattype Oude eikenbossen. Het GIS-bestand 'n2bosstat4' helpt bij de toepassing van het criterium 'honderdjarige bosopstand': het is een uitsnede van de Vierde bosstatistiek voor alle Natura 2000-gebieden op de Hogere zandgronden en in het Heuvelland. De bestanden zelf zijn als ESRI-shapefile beschikbaar.
Beheer van cultuur- en natuurhistorisch erfgoed
Ouden, J. den; Jansen, P. ; Verheyen, K. - \ 2010
In: Bosecologie en Bosbeheer / den Ouden, J., Muys, B., Mohren, G.M.J., Verheyen, K., Leuven : ACCO - ISBN 9789033477829 - p. 503 - 519.
bossen - plantengemeenschappen - historische ecologie - cultuurlandschap - forests - plant communities - historical ecology - cultural landscape
Kennis over het cultuurhistorisch erfgoed is voor het bosbeheer relevant vanuit verschillende invalshoeken. We kunnen onderscheid maken tussen immateriële en materiële elementen, waarbij de laatste weer kunnen worden onderverdeeld in biotische en abiotische elemententen. De verschillende beheerstrategieën worden verderop nader toegelicht.
Ontpolderen van groote Buitenlanden
Corporaal, A. - \ 2010
Wageningen : Alterra (Alterra-advies ) - 34
polders - vegetatie - hydrologie - bodem - graslanden - ecologisch herstel - historische ecologie - overijssel - natuurbeheer - vegetation - hydrology - soil - grasslands - ecological restoration - historical ecology - nature management
Natuurmonumenten stelt de vraag of ontpolderen van de Groote Buitenlanden (een 19 ha grote zomerpolder, die na 1960 niet meer geïnundeerd is) ecologisch gezien de juiste weg is om kievitsbloemgraslanden te ontwikkelen. Dit adviesrapport geeft informatie over historische geografie, bodem, hydrologie, vegetatie van het gebiedje, dat aan het Zwarte Meer ligt en vroeger onder de ruilverkaveling Blokzijl-Vollenhove viel
Den Treek Henschoten; fragmenten uit de bosbouwhistorie van een landgoed op de overgang van nat naar droog
Boosten, M. ; Laar, J.N. van; Schütz, P. - \ 2009
Wageningen : KNBV (Koninklijke Nederlandse Bosbouw Vereniging) Commissie Bosgeschiedenis (Excursiegids 25 september 2009) - 17
bosbouw - landgoederen - landgebruik - geschiedenis - historische ecologie - historische geografie - utrechtse heuvelrug - forestry - estates - land use - history - historical ecology - historical geography - utrechtse heuvelrug
Na een zeer geslaagde eerste excursie van de commissie bosgeschiedenis van de KNBV is een bezoek gebracht aan Den Treek- Henschoten, een particulier landgoed op de Utrechtse Heuvelrug met een rijke boshistorie. Het betreft de excursie van 25 september 2009. Voorafgaand aan de excursie is er een korte inleidende lezing over de historie van het landgoed door Willem de Beaufort, één van de eigenaren van het landgoed. Vervolgens worden tijdens een rondwandeling verschillende markante punten met historische fenomenen getoond en bediscussieerd. Deze excursiegids geeft een kenschets van het gebied en er zijn enkele fragmenten van oude kaarten opgenomen om het verleden zichtbaar te maken. Verder is de excursieroute toegevoegd en zijn per excursiepunt wetenswaardigheden vermeld
De Grebbeberg; een illustratie van bosgeschiedenis, cultuurhistorie en militaire geschiedenis
Boosten, M. ; Laar, J.N. van - \ 2009
Wageningen : KNBV (Koninklijke Nederlandse Bosbouw Vereniging) Commissie Bosgeschiedenis (Excursiegids 27 maart 2009) - 16
landschap - landgebruik - bossen - geschiedenis - historische ecologie - historische geografie - utrechtse heuvelrug - landscape - land use - forests - history - historical ecology - historical geography - utrechtse heuvelrug
De Commissie Bosgeschiedenis van de KNBV komt met een eerste activiteit, namelijk een excursie naar een interessant gebied met een bijzondere historie: de Grebbeberg bij Rhenen. Voorafgaand aan de excursie is er een korte inleidende lezing over de historie van de Grebbeberg door Henk Deijs, een bekend Rhenens historicus. Vervolgens worden tijdens een rondwandeling over de Grebbeberg verschillende markante punten getoond en wordt er gediscussieerd over de waar te nemen historische fenomenen. In deze gids wordt een kenschets gegeven van het excursiegebied en zijn fragmenten van oude kaarten en historische tekeningen opgenomen om het verleden zichtbaar te maken. Verder is de excursieroute opgenomen en zijn per excursiepunt de wetenswaardigheden vermeld.
Oude eikenbossen: nieuwe inzichten en kansen voor het beheer
Bijlsma, R.J. ; Ouden, J. den; Siebel, H.N. - \ 2009
De Levende Natuur 110 (2009)2. - ISSN 0024-1520 - p. 77 - 82.
bossen - oude bossen - habitats - historische ecologie - veluwe - forests - old-growth forests - habitats - historical ecology - veluwe
Met de komst van Natura 2000 heeft de aanduiding ‘oude eikenbossen’ een nieuwe betekenis gekregen voor de Nederlandse situatie. Hoe de eikenbossen kunnen worden onderscheiden in de habitattypen ‘Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur (H9190)’ of Beuken-eikenbossen met hulst (H9120) wordt in dit artikel beschreven. Hierbij worden typische voorbeelden gegeven van het habitattype Oude eikenbossen op de Veluwe. Recente inzichten in de historische achtergrond van strubbenbossen geven nieuwe aanknopingspunten voor het beheer van dit habitattype
Urban Green Space and Sport: The case of the Netherlands 1800-2000
Kooij, P. - \ 2009
In: Sport, Recreation and Green Space in the European City / Clark, P., Niemi, M., Niemelä, J., Helsinki : Suomalaisen Kirjallisuuden Seura (Studia Fennica Historica 16) - ISBN 9789522221629 - p. 54 - 73.
stadsparken - geschiedenis - stedelijke gebieden - historische ecologie - urban parks - history - urban areas - historical ecology
Een nieuwe kijk op oude eiken
Ouden, J. den; Copini, P. ; Sass-Klaassen, U. - \ 2009
De Levende Natuur 110 (2009)2. - ISSN 0024-1520 - p. 83 - 87.
bomen - struiken - hakhout - geschiedenis - veluwe - historische ecologie - trees - shrubs - coppice - history - historical ecology
Eikenclusters bestaan uit groepjes of kringen van eiken bij elkaar waarvan de stammen tot vele meters van elkaar kunnen staan en toch tot één individu lijken te behoren. Ze komen voornamelijk voor op de hogere zandgronden en in de duinen. Over het ontstaan van deze eikenclusters bestaat onduidelijkheid. Dit onderzoek concentreerde zich op de ontstaanswijze van eikenclusters in de Wilde Kamp (Gld.).
Iep of Olm - Karakterboom van de Lage Landen -
Heybroek, H. ; Goudzwaard, L. ; Kaljee, H. - \ 2009
Zeist : KNNV uitgeverij - ISBN 9789050112819 - 272
ulmus - geschiedenis - biodiversiteit - nederland - plantenziekten - bospathologie - historische ecologie - vlaanderen - cultuurlandschap - ulmus - history - biodiversity - netherlands - plant diseases - forest pathology - historical ecology - flanders - cultural landscape
Iep of Olm – karakterboom van de Lage Landen vertelt het verhaal van deze karakteristieke bomen in het licht van 7500 jaar Nederlandse cultuurgeschiedenis. Het boek geeft een historisch overzicht van iepen in stad en landschap, vertelt over oeroude gebruiken en schetst de geschiedenis van een eeuw “Hollandse” iepenziekte. Iep of Olm gaat echter ook over de iep in heden en toekomst. De iepenziekte is nu namelijk gelukkig beheersbaar. Er komen veel nieuwe iepenvariëteiten op de markt en professionals hebben de iep herontdekt. Daardoor neemt de boom geleidelijk zijn plaats in stad en ommeland weer in. Iep of Olm geeft een mooi overzicht van soorten en variëteiten en van bijzondere iepen in Nederland en Vlaanderen. Ook behandelt het boek de talloze organismen, zoals kevers, vlinders, mossen en paddenstoelen, die van de iep afhankelijk zijn en die nu weer nieuwe kansen krijgen. De auteurs besluiten hun boek met de praktische aspecten van beheer en aanplant.
Kaart van de oudste bossen in Nederland : kansen op hot spots voor biodiversiteit
Daamen, W.P. - \ 2008
Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 121) - 37
bossen - oude bossen - biodiversiteit - bosbescherming - geografische informatiesystemen - bosecologie - nederland - historische ecologie - forests - old-growth forests - biodiversity - protection of forests - geographical information systems - forest ecology - netherlands - historical ecology
Dit document geeft een aanzet tot een GIS-bestand ‘Hot spots biodiversiteit’ van bossen in Nederland (situatie 2003). Het ontwikkelde bestand bevat de locaties van bossen met een ontstaansperiode van vòòr1900 of van gronden die vòòr het jaar 1900 al bosgebied waren. Het werkdocument bestaat uit een verslaglegging van de gebruikte basisbestanden, de uitgevoerde bewerkingen en een uitsnede van het kaartbeeld. De resultaten kunnen worden gebruikt bij studies van het Planbureau voor de Leefomgeving zoals de Natuurbalans en de Natuurverkenning, maar ook bij ruimtelijke planning. Dit laatste in het bijzonder bij bosfuncties zoals recreatie/beleving en houtproductie.
Soak systems of an Irish raised bog : a multidisiciplinary study of their origin, ecology, conservation and restoration
Crushell, P.H. - \ 2008
Wageningen University. Promotor(en): Matthijs Schouten; J.G.M. Roelofs. - S.l. : S.n. - ISBN 9789085852544 - 200
veenmoerassen - vegetatie - conservering - ecologie - ierse republiek - geschiedenis - ecologisch herstel - historische ecologie - natuurgebieden - herstelbeheer - bogs - vegetation - conservation - ecology - irish republic - history - ecological restoration - historical ecology - natural areas - restoration management
Soak systemen (systemen met een laagveenvegetatie omgeven door ombrotroof veen), kortweg soaks, zijn zeldzame elementen in hoogvenen die bijdragen aan de heterogeniteit van deze ecosystemen. Ze worden beschouwd als belangrijke elementen in het hoogveen die behouden en hersteld dienen te worden. Teneinde meer inzicht te krijgen in soak systemen, hebben wij historisch, biogeochemisch en ecologisch onderzoek verricht aan twee soaks in Clara bog
De droge stroomdalgraslanden van het Sedo-Cerastion in Nederland : verspreiding en soortensamenstelling van het Medicagini-Avenetum en het Sedo-Thymetum vóór 1960 en daarna
Schaffers, A.P. ; Sykora, K.V. ; Huiskes, H.P.J. ; Schaminée, J.H.J. - \ 2008
Den Haag : Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Rapport DK nr. 2008/DK092-O) - 59
vegetatie - graslanden - plantengeografie - historische ecologie - natura 2000 - vegetation - grasslands - phytogeography - historical ecology
Dit rapport geeft de vegetatiekundige geschiedenis weer van de stroomdalgraslanden in Nederland. Voor het eerst zijn gegevens uit de jaren ’50 en ’60 gedigitaliseerd en gebruikt om een referentiebeeld te bepalen van het voorkomen, de standplaatsen en de soortensamenstelling van droge stroomdalgraslanden. Vergelijking met recentere vegetatieopnames bevestigt de achteruitgang in de verspreiding, maar ook in de kwaliteit van deze vegetaties. Sommige associaties zijn helemaal verdwenen, andere zijn sterk achteruitgegaan in verspreiding of hebben meer soorten van voedselrijkere bodems als kenmerkende soorten gekregen.
Dendrogeomorphology - a new tool to study drift-sand dynamics Netherlands Journal of Geosciences
Ouden, J. den; Sass-Klaassen, U. ; Copini, P. - \ 2007
Netherlands journal of geosciences 86 (2007)4. - ISSN 0016-7746 - p. 355 - 363.
houtteeltkenmerken - eolische afzettingen - geomorfologie - duinen - bomen - historische ecologie - silvicultural characters - aeolian deposits - geomorphology - dunes - trees - historical ecology - white spruce - tree roots - quebec
dendrogeomorphological approach is presented, using wood characteristics of native oak (Quercus robur L.) to infer dynamics of aeolian sediment transport in drift-sand areas. Wood samples, taken from oaks in two drift-sand areas, were analysed to study changes in tree-ring pattern and wood anatomy as a consequence of burying or exposure from drift sand. In all cases, the wood of the sampled oaks showed sudden changes in anatomy and tree-ring width due to burial by drift sand or subsequent exposure after erosion of the new soil surface. After aerial stems became covered by drift sand, the wood lost its characteristic ring-porous features, and tree rings became strongly reduced in width with less distinct ring boundaries. Buried stems that became exposed after erosion showed an abrupt increase in ring width and turned distinctly ring porous again. Roots that were exposed also adopted clear ring-porous features, increased in ring width and anatomically resembled aerial stem wood. Using tree-ring analysis, it is possible to precisely date sand deposition and erosion events by detecting the concurrent changes in anatomy of woody structures. This study indicates the high potential of dendrogeomorphology as a tool to study drift-sand dynamics with a high temporal, i.e. annual, resolution for a period going back as long as the maximum age of the trees present (in this study at least 250 years). Since the signals of past deposition and erosion events are conserved in the wood, this is the only method that can be used to reconstruct drift-sand dynamics when the actual landforms are no longer present.
Nota: referenties en maatlatten voor macrobenthos van overgangs- en kustwateren: aanvullende informatie t.b.v. RWS-rapportage
Ysebaert, T. - \ 2007
Yerseke : IMARES (Rapport / Wageningen IMARES C110/07) - 24
visserij - gegevens verzamelen - kustwateren - probleemanalyse - probleemoplossing - historische ecologie - macrofauna - kaderrichtlijn water - waddenzee - oosterschelde - westerschelde - eems-dollard - fisheries - data collection - coastal water - problem analysis - problem solving - historical ecology - water framework directive - wadden sea - eastern scheldt - western scheldt
Naar aanleiding van de afronding van de referenties en maatlatten voor overgangs- en kustwateren ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water (KRW) is extra informatie nodig betreffende enkele macrofauna referenties en (deel)maatlatten. Onder de vorm van een aantal actiepunten heeft RWS IMARES de opdracht gegeven deze extra informatie te verzamelen in een korte nota. Per waterlichaam worden hieronder de verschillende actiepunten behandeld.
Ontstaanswijze van eikenclusters in het natuurterrein De Wilde Kamp bij Garderen: Landschapsgeschiedenis, bodemontwikkeling en vegetatiegeschiedenis.
Ouden, J. den; Spek, T. - \ 2007
Amersfoort : RACM (Rapportage archeologische monumentenzorg 131B) - ISBN 9789057991127 - 167
quercus - palynologie - archeologie - vegetatie - bodem - nederland - geschiedenis - historische ecologie - veluwe - bodem-landschap relaties - quercus - palynology - archaeology - vegetation - soil - netherlands - history - historical ecology - veluwe - soil-landscape relationships
Dit rapport is het eindverslag van een interdisciplinair onderzoek naar archeologie, geschiedenis van de Wilde Kampen, en de mogelijke ontstaanswijze van eikenclusters (ook wel strubben genaamd) die daar voorkomen. Dit eindrapport vervangt een eerdere rapportage, aangezien de eindconclusie op sommige punten sterk afwijken van de eerdere versie (RAM 131)
Verhoogde natuurwaarde door natuurlijke bosontwikkeling. Een bryologische studie in bosreservaat Kerperbos, gemeente Vaals (Zuid-Limburg)
Bijlsma, R.J. - \ 2007
Natuurhistorisch Maandblad 96 (2007)11. - ISSN 0028-1107 - p. 289 - 298.
mossen - bryophyta - plantengemeenschappen - inventarisaties - historische ecologie - natuurwaarde - zuid-limburg - mosses - plant communities - inventories - historical ecology - natural value
Om meer zicht te krijgen op de eigendomsverhoudingen en het historisch landgebruik rond het bosreservaat Kerperbos (onderdeel van het Vijlenerbos) is eerst de kadastrale kaart van circa 1840 gedigitaliseerd. Veldnamen blijken vroeger anders toegepast te zijn. Vervolgens is in het bosreservaat en aangrenzende delen, samen circa 40 ha, in de periode 2003-2007 de mosflora in kaart gebracht. Dit artikel doet daar uitgebreid verslag van
Eikenclusters op de Veluwe
Copini, P. ; Buiteveld, J. ; Sass, U.G.W. ; Ouden, J. den - \ 2006
Vakblad Natuur Bos Landschap 3 (2006)9. - ISSN 1572-7610 - p. 24 - 27.
bomen - struiken - hakhout - bosecologie - geschiedenis - historische ecologie - veluwe - trees - shrubs - coppice - forest ecology - history - historical ecology
Op de Veluwe worden op verschillende plekken groepen eiken aangetroffen. Mogelijk behoren ze tot oorspronkelijk inheems materiaal, en zijn ze ontstaan uit hakhout. In dat geval is sprake van een cultureel erfgoed. In opdracht van Gelders Landschap worden momenteel eikenclusters onderzocht op hun ontstaansgeschiedenis.
Clusters of Quercus robur and Q. petraea at the Veluwe (the Netherlands)
Copini, P. ; Buiteveld, J. ; Ouden, J. den; Sass, U.G.W. - \ 2005
Wageningen : CGN (Report / Centre for Genetic Resources 1) - 45
quercus petraea - quercus robur - centra van herkomst - genetica - klonen - genetische bronnen - morfologie - struiken - historische ecologie - veluwe - centres of origin - genetics - clones - genetic resources - morphology - shrubs - historical ecology
In this report three main questions were studied: (1) are oak clusters genetically identical, (2) can leaf morphology be used to identify clonal structures of oak and (3) what is the origin of oak clusters. The study sites were situated in a drift sand area (Maanschoten) as well as in an area with pre-glacial material (Wilde Kamp).
Struikbos (kreupelbos en struellen) op de Veluwe: 1832 versus 2003
Bijlsma, R.J. - \ 2004
In: Het bos in 1832; de betekenis van de eerste kadastrale gegevens, studiedag, Ellecom, 25 -3-2004. - Zuidwolde : Stichting Boskaart Nederland 1832 - ISBN 9789077425022 - p. 17 - 29.
bossen - landschap - geschiedenis - veluwe - historische ecologie - forests - landscape - history - veluwe - historical ecology
Eerste bosstatistiek digitaal; opbouw van een historisch basisbestand
Clement, J. ; Kooistra, L. - \ 2003
Wageningen : Alterra (CGI-rapport 2003-004) - 51
bosbouw - nederland - statistiek - bosstatistieken - geografische informatiesystemen - beeldverwerking - landtypen - historische ecologie - forestry - netherlands - statistics - forest statistics - geographical information systems - image processing - land types - historical ecology
Met behulp van een geautomatiseerde classificatie methode zijn de oorspronkelijke kaarten van de Eerste Bosstatistiek (opnameperiode 1938-1942) beschikbaar gemaakt als ruimtelijke gegevensbestand in een geografisch informatie systeem (GIS). Om de ruimtelijke gegevensbestanden van de Eerste Bosstatistiek voor verschillende doeleinden te kunnen inzetten, zijn bestanden gecreëerd op verschillende aggregatie niveaus: 25 m, 50 m, 100 m, 250 m en 500 m. De oppervlaktes voor naaldbos en loofbos van het digitale bestand liggen systematisch hoger dan de oorspronkelijke waarden. Dit kan worden verklaard doordat de oppervlakte van boswegen binnen de boscomplexen is meegenomen bij de totaal oppervlakte. Op basis van het digitale bestand van de Eerste Bosstatistiek kunnen voor de historische referentie van 1940 verschillende landschappelijkse aspecten zoals kenmerkendheid en openheid worden gekarakteriseerd.
De Oeros: het spoor terug
Vuure, C. van - \ 2003
Wageningen : Wetenschapswinkel (Rapport / Wetenschapswinkel Wageningen UR nr. 186) - ISBN 9789067546782 - 346
bos primigenius - rundvee - evolutie - uitsterven - dierecologie - morfologie - domesticatie - plantensuccessie - bossen - habitats - natuurlijke historie - paleozoölogie - historische ecologie - bos primigenius - cattle - evolution - extinction - animal ecology - morphology - domestication - plant succession - forests - habitats - natural history - palaeozoology - historical ecology
"In De oeros ontrafelt Cis van Vuure het spoor terug naar de oorsprong van de in 1627 uitgestorven oeros. Die kwam oorspronkelijk uit Zuidoost-Azië, zijn leefgebied strekte zich uit van Thailand tot West-Europa. De laatste oeros leefde in het gebied rondom de Centraal-Poolse plaats Jaktorów. Van Vuure speurde naar het spoor van de oeros via historische bronnen als tekeningen, boeken en runenverzen en bezoeken aan runderfokkerijen van onder meer Spaanse vechtstieren. De oeros is niet alleen een historisch interessante zoektocht, omdat Van Vuure in twee conclusies direct aansluit bij de huidige natuurdiscussie. De Heck-runderen die nu in de Nederlandse natuur grazen werden in de jaren 1920 door de gebroeders Heck gefokt naar het toen heersende beeld van de oeros. Volgens Van Vuure klopt daar echter weinig van. Volgens hem leek de oeros meer op een Spaans vechtrund. De stier van de oeros had een schofthoogte van 170 à 180 centimeter, de koe 150. Dat is veel groter dan de Heck-runderen. Volgens Van Vuure leefde de oeros in een landschap met dichte bossen, verschillende soorten moerassen en hoogvenen, vooral in de rivierdalen, kwelders en zeggemoerassen. Van Vuure baseert zich hiervoor onder meer op een runenvers uit de negende eeuw, waarin de os de bijnaam 'moerasloper' krijgt, op overleveringen dat oerossen in Egypte langs de Nijl leefden. Dat opent weer nieuwe perspectieven voor de discussie die ecoloog Frans Vera in 2000 opende over hoe het Nederlandse landschap er in vroeger tijden uit heeft gezien, en naar welk evenbeeld we de huidige natuur moeten vormen." (Recensie door Martin Woestenburg, 2003. http://www.woestenburg.nl/)
Kleine bossen in het landschap; geschiedenis, waarde en beheer
Dort, K.W. van; Grashof-Bokdam, C.J. ; Hees, A.F.M. van; Hommel, P.W.F.M. ; Kalkhoven, J.T.R. ; Schelhaas, M.J. - \ 2003
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 643) - 125
bossen - hakhout - landschapsecologie - bosgebieden - geschiedenis - flora - fauna - bedrijfsvoering - nederland - cultuurlandschap - netwerken - historische ecologie - forests - coppice - landscape ecology - woodlands - history - flora - fauna - management - netherlands - cultural landscape - networks - historical ecology
In dit rapport wordt de ontstaansgeschiedenis van kleine bosjes in het landelijk gebied geschetst. Het betreft zowel hakhout, middenbos als opgaand bos. Kleine bosjes zijn een oud cultuurhistorisch verschijnsel. De vegetatiekundige waarde hangt vaak samen met de ouderdom. De kenmerkende fauna is sterk afhankelijk van de structuur van het bosje en de bosrand. De positie van de bosjes in de ruimte bepaalt of er sprake kan zijn van ecologische netwerken.
Bosrelicten op de Veluwe : een historisch-ecologische beschrijving
Bijlsma, R.J. - \ 2002
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 647) - 92
bossen - geschiedenis - bosecologie - vegetatie - bosbedrijfsvoering - nederland - veluwe - historische ecologie - cultuurhistorie - Gelderland - forests - history - forest ecology - vegetation - forest management - netherlands - historical ecology - flora
De flora van bosrelicten op de Veluwe heeft een cultuurhistorische achtergrond: zij is karakteristiek voor het bos-en-heidelandschap zoals dat vanaf de late Middeleeuwen tot circa 1800 op armere gronden heeft gefunctioneerd. Als bosrelict gelden alle bossen, strubben en beplantingen op wallen, langs wegen en dergelijke die als landschapselement al aanwezig waren rond 1800. Uitgaande van een historisch-geografisch en fysiografisch kader worden vijf bosrelicttypen onderscheiden. Deze typen worden beschreven naar algemene kenmerken, bodem en geomorfologie, aanduidingen op de kadastrale kaart van 1832, relatie met bostypen van Van den Wijngaard, karakteristieke vaatplanten en karakteristieke mossen. Er worden op de Veluwe 48 soorten vaatplanten en 24 soorten mossen als bosrelictindicator aangemerkt. Van deze soorten wordt de mate van associatie met de bosrelicttypen beschreven en binnen deze typen de mate van associatie met verschillende landschapselementen (bos, waterloop, wal, pad/weg, overige perceelscheiding en kuil/poel). De vaatplanten worden gerangschikt in vijf historisch-ecologische soortgroepen; de mossen in vijf substraattypen. Voor al deze groepen worden de knelpunten en het perspectief geschetst. Regionaal soortenbeleid wordt beschouwd als een essentiële basis voor gebiedsgericht beheer met inbegrip van bosrelicten. Opties voor het beheer van bosrelicten worden uitgewerkt in de vorm van uitgangspunten en randvoorwaarden.
Historische ecologie van hooimaatjes in "De Wildernis" (Overijssel)
Dirkx, J. - \ 2002
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 392) - 75
hooiland - bevloeiing door onderwaterzetting - ecologie - landschap - geografie - geschiedenis - nederland - overijssel - ecohydrologie - historische ecologie - cultuurhistorie - historische geografie - natuurbehoud - natuurontwikkeling - meadows - flood irrigation - ecology - landscape - geography - history - netherlands - ecohydrology - historical ecology
In het natuurreservaat De Wildernis liggen enkele hooimaatjes die in het verleden werden bevloeid. Voor het nieuwe beheersplan dat Landschap Overijssel voor De Wildernis opstelt, heeft Alterra onderzocht wat de cultuurhistorische betekenis van deze hooimaatjes is en welke mogelijkheden er bestaan die betekenis te integreren met natuurbehoudsdoelen. De cultuurhistorische betekenis van de maatjes blijkt hoog. Het historisch-ecologische referentiebeeld, dat een van de uitkomsten van het onderzoek is, geeft bovendien aan dat integratie van behoud van cultuurhistorische waarden ook veel kansen biedt voor het ontwikkelen van natuurwaarden.
Het verhaal dat kaarten vertellen
Dirkx, G.H.P. - \ 2002
De Levende Natuur 103 (2002)5. - ISSN 0024-1520 - p. 169 - 172.
cartografie - vegetatie - landgebruik - geschiedenis - nederland - luchtfotografie - ecologie - historische ecologie - geo-informatie - grondgebruik - historische geografie - kadaster - topografie - mapping - vegetation - land use - aerial photography - ecology - history - netherlands - historical ecology
Historische ecologie van De Brand Historische ecologie als kennis-en inspiratiebron voor planvorming
Dirkx, Joep - \ 2001
historical ecology - cultural landscape - landscape experience - natural landscape - nature development
Historische ecologie van De Brand en De Mortelen (Noord-Brabant)
Dirkx, J. - \ 2001
Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 391) - 114
geschiedenis - landschap - natuurbescherming - ecologie - geografie - vegetatie - historische ecologie - noord-brabant - bodemkunde - cultuurlandschap - historische geografie - landschapsgenese - natuurontwikkeling - Brabant - history - landscape - nature conservation - ecology - geography - vegetation - historical ecology
De natuurgebieden De Brand en De Mortelen blijken hoge historisch-landschappelijke waarden te bezitten. Natuurontwikkeling gericht op begeleid natuurlijke natuur bedreigt die waarden. Uit het historisch-ecologisch referentiebeeld blijkt echter dat de landschappelijke waarden wel goed te combineren zijn met halfnatuurlijke natuur.
Invloed van de bosbouwpraktijk op de genetische samenstelling van eikenbossen
Dam, B.C. van; Hees, A.F.M. van - \ 2000
Nederlands Bosbouwtijdschrift 72 (2000)4. - ISSN 0028-2057 - p. 144 - 148.
quercus - quercus robur - quercus petraea - bossen - historische ecologie - genetische diversiteit - genetische variatie - herkomst - centra van herkomst - genetische bronnen - genetische bronnen van plantensoorten - bosbeheer - forests - historical ecology - genetic diversity - genetic variation - provenance - centres of origin - genetic resources - plant genetic resources - forest administration
Hebben de verschillen in aanleg, ontwikkeling en beheer van eikenbossen een grote invloed op de genetische samenstelling (diversiteit) van de bossen? Drie bossen (bosreservaat De Meintweg bij Roermond, militair terrein De Stompert bij Soesterberg, en boswachterij Amerongen) werden bemonsterd om de genetische herkomst te bepalen. De voorkomende haplotypes zeggen iets over het autochtoon zijn van de bossen en vertonen een relatie met de intensiteit van beheer
Over wat het verleden over plantengemeenschappen en hun behoud kan vertellen
Vervloet, J.A.J. - \ 2000
In: De vegetatie van Nederland ; verleden - heden - toekomst : voordrachten gehouden tijdens de presentatie van deel 5 van 'De vegetatie van Nederland' op 28 mei 1999 in museum Naturalis te Leiden / Schaminee, J., - p. 6 - 18.
vegetatie - ecologie - geschiedenis - natuurbescherming - historische ecologie - vegetation - ecology - history - nature conservation - historical ecology
Vegetatiekartering van de Zeldersche Driesen
Hoegen, A.C. - \ 1999
Natuurhistorisch Maandblad 88 (1999)8. - ISSN 0028-1107 - p. 265 - 278.
phytogeography - grasslands - vegetation mapping - brook valleys - plant communities - plant ecology - vegetation types - vegetation management - historical ecology - nature reserves - forests - noord-limburg
Economie en ecologie in een historisch-landschappelijke optiek
Vervloet, J.A.J. - \ 1999
In: Unknown - p. 63 - 75.
landbouwgrond - landschap - geschiedenis - geografie - nederland - ecologie - historische ecologie - agricultural land - landscape - history - ecology - geography - netherlands - historical ecology
Historische referentiebeelden voor de bossen van Twente; historische ligging, beheer en samenstelling van bossen als referentie voor het huidige bosbeheer
Bakker, M. ; Tweel-Groot, L. van - \ 1998
Wageningen : DLO-Staring Centrum - 175
bodem-plant relaties - landgebruik - bosbouw - historische ecologie - bossen - historische geografie - overijssel - twente - soil plant relationships - land use - forestry - historical ecology - forests - historical geography
Doelstelling van dit onderzoek is het opstellen van een historisch referentiebeeld van de Twentse bossen als tegenhanger voor de referentiebeelden uit het buitenland en als referentie voor het huidige beheer. Aan de hand van oude kaarten, markeboeken en huisarchieven zijn twee referentiebeelden opgesteld. Het vroegere beheer leidde tot een sterke achteruitgang van met name de markebossen. Halverwege de achttiende eeuw komt een keerpunt in deze ontwikkeling. Bossen met een dichte hulstlaag zijn kenmerkend voor oude bossen. De aan- of afwezigheid van oude bossoorten is geen goede indicatie voor oud bos, maar hangt in Twente samen met de mate van lemigheid van de bodem.
Weerbarstig land : een historisch-ecologische landschapsstudie van Koekange en de Reest
Elerie, J.N.H. - \ 1998
Agricultural University. Promotor(en): J.A.J. Vervloet. - Groningen : RegioProject Uitgevers - ISBN 9789054859222 - 480
landbouwgrond - platteland - landgebruik - geschiedenis - plattelandsomgeving - milieu - landbouwgeografie - nederland - historische ecologie - drenthe - agricultural land - rural areas - land use - history - rural environment - environment - agricultural geography - netherlands - historical ecology - drenthe

During the last five thousand years, the original natural landscapes in the Netherlands have gradually been influenced and changed by agrarian ecosystems. At the present time we are at a stage in which the remains of these old ecosystems have become scarce. In the peripheral regions too, urbanisation has become so dominant that the last remnants of these premodern and site-specific ecosystems are about to disappear. Knowledge about how historical ecosystems work is important not only in an academic sense but also for integrated nature conservation with a sense of responsibility for the preservation of a diverse historical cultural landscape. Insight into the symbiotic relationship of local societies with the productive environments of their landscapes, as well as knowledge about small-scale adaptation to the potential of local ecosystems, are important for the sustainable quality of our lives.

In the light of its genetic and spatial approach, historical geography is the appropriate discipline to provide insight into the development of site-specific, anthropogenic ecosystems. This historical geographical study aims to provide insight into the operation and development of agrarian ecosystems in different landscape environments. This process is described and charted for two regions in the Southwest of the present-day province of Drenthe for the period 1600-1850 on the basis of written sources and of the archive constituted by the landscape itself.

In order to gain insight into the functional interaction between farming and the area of production, it is necessary to switch to the level of the village territory or marke , the smallest unit of administration and jurisdiction, which is also the administrative starting-point for research into the historical sources. A chorological and chronological approach has been adopted in order to gain insight at the local level into the interaction between a human group (culture) and its immediate surroundings (natural substratum).

Besides the focus on the village territory, this study is also marked by an emphasis on the agrarian form of life. This gave form and content to the interaction between culture and nature. The 'style of farming' forms an integratory core concept in this field of tension. The concept is understood in this study as a derivation from the more general concept of 'form of farming'. Style of farming derives its specific significance from the ecological setting of a village territory and should be considered as a translation of a form of farming at the local level. The link between style of farming and local ecosystem is a thread running through the present study.

This study comprises a collection of independent investigations of the cultivation of the edge of the peat moor in Koekange and the stream valley landscape of the Reest. Although there are hardly any differences in respect of the object and method of investigation, the two studies are not identical. In the case of Koekange, the choice of an object of study fell on a village territory that coincided with a parish. In this case the productive environment of the agrarian community thus coincided with an administrative unit. Thanks to the greater availability of serial sources, this coincidence enabled us to emphasise aspects concerning farm economics and demography. In this sense, Koekange can be characterised as a cultural ecological study in which the central question is how a local community has exploited its landscape area and how this environment has influenced the agrarian way of life.

The emphasis in the Reest investigation is primarily on the consequences of the historical forms of exploitation on the soil in the context of a landscape consisting of a stream valley system. In the case of Zuidwolde, it was possible to link up with a field research into soil ecology.

Koekange

Typologically, Koekange can be regarded as a case of peat moor border cultivation. This type of settlement is found in the Dutch-German lowland plain in the coastal areas and in the Pleistocene situated further inland. The latter category emerged in the Late Middle Ages and was cultivated in the original border territory between the stream valley and the peat moor. In Drenthe there are seventeen such roadside villages with plots on an incline that can be characterised as peat moor border cultivation.

The present-day roadside village of Koekange is situated on the extreme south-western tip of the Drenthe Plateau. The cultivated area of Koekange coincided with the stream valley of the Koekanger Aa (Olde Aa) and the 'Echtener fene' at cut its course along the boulder clay ridge as far as the marken of Echten and Ruinen. The moorland has now virtually disappeared as the result of centuries of primarily agrarian exploitation. During the colonisation in 1275 the orientation of the first cultivators was on the valley of the Koekanger Aa and they used the upward slopes ( opgaanden ) from the stream to the peat moor as an axis of cultivation.

In 1832 Koekange comprised forty-four plots on these upward slopes, varying in width from 60 to 120 metres and with a maximal length of 6 kilometres. When the church was founded in 1331, the village consisted of twenty Oldehoven from the first stage of colonisation and an unknown number of Nijehoven. The last phase of cultivation, in the early sixteenth century, ended with the establishment of the southernmost cluster of the village, the Lage Linthorst.

The study of Koekange made it possible to demonstrate a clear connection between the specific content of the style of farming and the local ecosystem. Ever since the colonisation in the Late Middle Ages, this system was caught up in a constant process of change through human intervention. Vice versa, hydrographic changes and modifications in the soil ecology necessitated continual alterations in styles of farming.

The decapitation of the Oude Aa by the construction of the medieval watercourse to Meppel had far-reaching consequences in the long run. The fact that the dynamic stream system with flooding and silt deposits no longer functioned eventually turned out to be disastrous for the greenland in the cultivated area. The middling bio-production in this rudimentary stream valley already obliged the people of Koekange to look for alternative meadows in the sixteenth century. To some extent these were found by buying up land alongside the Oude Aa to the south of Koekange. This made it possible to extend the area of production outside the actual area under cultivation.

The quality of the marshlands deteriorated too. The regular cutting of peat and alternation with oats accelerated the depletion of the peat bog. In the plots outside the dyke this 'de-peating' eventually resulted in wet podzol soil with bare heath overgrowth that could only be used for extensive grazing by sheep and calves. In the plots inside the dyke the alternation with oats provided an alternative for the mediocre grass supply for a much longer period. All the same, this form of greenland improvement was still unable to prevent some lots from becoming bare heath pastures. Coppice wood cultivation offered an economic alternative for the low level of productivity of the enclosed fields. Nevertheless, this form of exploitation did not really contribute to an efficient utilisation of the nutritional cycle.

The southern greenland outside the plots depreciated from the seventeenth century on as well. This was primarily due to inadequate drainage via the Hoogeveensche Vaart at times of increased flow. The limited availability of high quality catchment areas and common pastures forced the people of Koekange to keep cows. Within their limited conditions, this offered the best guarantee of rapid reproduction. Besides, the attempt to secure double production (dairy cattle and meat cattle) had the advantage of flexibility in unforeseen circumstances.

Furthermore, sheep farming ensured a level of stability in the production of manure, in response to the availability of marsh heath and bare heath greenland.

The ongoing deterioration of the greenland destabilised the fodder situation of the cattle. Winter feeding in particular came under pressure from unpredictable hay harvests. Although alternation with oats made it possible to spread the risk, in the long run this alternative did not provide a solid enough basis to keep up the cattle stock. Reduction of herd size, however, meant an attack on the fertility of the peat fields. Since there was no more room on the village territory for additional meadows, farmers had to seek compensatory greenland outside the village. In the course of the eighteenth century this led to a large-scale practice of renting hayfields in neighbouring villages and neighbourhoods. In addition, the people of Koekange used to pasture their herds in meadows in Overijssel during the summer months.

Another negative development of the local ecosystem was a gradual drop in the surface level of the regular arable fields and increasing flooding from the fields behind them. Both phenomena were connected with the deterioration of the peat soil by drainage and soil cultivation or by peat cutting. A side-effect that also had considerable importance was the problem of the low level of porosity of the cultivated peat soil. This was due to the intrusion of amorphous humus, leading to the formation of black humus strata below the old peat layers on the sandy subsoil.

The reaction to the flooding was in the first instance defensive. The oldest peat fields were abandoned as permanent land for cultivation and were only used as sheep pastures or as extensive arable land or hay fields, while other plots were reserved for forestry. The loss was made good by the construction of new peat fields in the land behind the cultivated plots. In the course of the eighteenth century the disused land was brought under cultivation again with a loamy sand substratum.

Other measures were also called for to reduce the risk of a bad harvest on the wet peat fields. Buckwheat as a summer crop provided an alternative to avoid the risks of a wet winter. Moreover, this crop did not require such heavy manuring and its inclusion in the rotation of crops helped to combat weeds.

At the end of the eighteenth century the stagnant marshy water in the area behind the peat fields became a problem. The constant reduction of the surface level had made the plots vulnerable to the peat water that ran off to the Koekanger Aa. The medieval structure of border drainage ditches was no longer sufficient to get rid of the acidic water without damage, so that a new system of ditches was required in the parts of the village that were most seriously threatened.

Despite all these problems, grain cultivation in the interdependent system of the mixed farm was the only alternative for an efficient utilisation of the nutritional cycle. A significant proportion of the mineral surplus found its way to the peat fields. A large part of the farmlands were thus 'creamed off' to the benefit of a regular rye cultivation, which alternated with buckwheat in the eighteenth century. The deep litter house system played a crucial role in this creaming - off -economy. The peripheral situation of the southern peat bog meant that it could hardly play a part in the deep litter house system, while there was little or no room on the cultivated plots for more intensive grazing.

The territory of the village of Koekange offered the farmers little room for intensification. With the switch to dairy farming at the end of the eighteenth century, they were forced to resort to the catchment hayfields alongside the Reest and the Meppelerdiep. Only after the construction of the Koekangerwijk in 1848, which meant an 'unlimited' supply of urban compost, was it possible for a more intensive cultivation to get underway within the boundaries of the village territory. This was concentrated on to bring the plots outside the dyke back under cultivation for the emergent dairy farming. This socio-ecological study of Koekange has demonstrated that the ecological setting of the village territory cannot be understood as a closed system that determined the content of the style of farming. The relatively favourable location close to the Hoogeveensche Vaart and the available catchment greenland offered a solution to the limited use that could be made of the actual village territory. The import of urban compost, long drives to remote summer pastures and the utilisation of hay fields outside the territory already constituted an alternative to the restrictions of the local ecosystem before 1800. This early and broad outward-looking orientation developed to become a typical characteristic of the style of farming in Koekange.

Koekange is a good example of peat moor border cultivation where the ecological structure of the village territory was influenced by the historical system of farming. When colonisation started in the Late Middle Ages, the landscape was determined by two ecotopes. Most of it consisted of a continuous peat moor complex changing to peat bog at the stream. The differences in gradient between the valley of the Olde Aa (including the Koekanger Aa) and the Pleistocene border area were very gradual. As a result of the poor drainage of the border areas, an oligotrophic peat surface developed here that rose above the Pleistocene border zone to the village territory of Echten. In the stream valley a broad zone of marshy woods developed, interrupted near the actual bed of the stream by fluviatile sedge. When the land was issued in 1275, it was referred to as the 'Echtijger vene ofte bruyck' [Echten fen or brook]. This name, the oldest designation of the area, further emphasises the original preponderance of the ecotopes mentioned above. The first colonists settled on the border between peat moor and peat bog. This border zone provided the most favourable position for draining and for the establishment of a mixed farm. The peat moor was drained and prepared for moorland cultivation, while the woods in the valley of the peat bog were cleared and turned into meadowland and hayfields.

Already by the seventeenth century the homogeneous peat landscape had been transformed into a varied cultivated landscape with a number of different forms of exploitation. This differentiated landscape continued down to the middle of the nineteenth century. The construction of the Koekangerwijk marked a turning-point in the landscape and ecology when the import of urban compost came within reach of every farm and a start could be made on bringing the impoverished enclosed fields back under cultivation.

The 1:25,000 grid map of the topographical military map of around 1850 shows the exciting results of centuries of interaction between culture and nature. A highly varied landscape emerges with elongated lots with a great diversity of ecotopes and gradients in the plots of land extending for kilometres, apportioning the village territory into a cake with more than fifty slices. From East to West you passed through marshy heath and shifting sands, alternating with de-peated pools, that were sheltered from the marshy ryefields by coppice woods of alder and birch. Between the peat fields and the farmyards were extensive sheep pastures and hayfields. The farmyards with their vegetable gardens, milk wagons and orchards lay beneath a green umbrella of hundreds of tall oaks. In front of the farms were the enclosed fields in a mosaic of walled greenland, plots of coppice wood and oat fields, interspersed with grassland that had turned into bare heath. The area outside the dyke consisted of heath and bare greenland, with scattered de-peated pingo remains. So the original 'Egtinger broeck en vene' had become a highly variegated mosaic landscape with numerous transitions from small-scale use ecotopes separated by many hundreds of kilometres of border ditches and alder hedges.

The Reest Valley landscape

The second research area comprises the northern part of the valley landscape of the Reest in Drenthe. The Reest is the traditional border between the provinces of Drenthe and Overijssel. It is probably due to this function that its course has hardly changed over time. The Reest is one of the few small rivers in the Netherlands that is still more or less in its original state. The stream valley system has attracted renewed attention in recent years because of its designation as a nature reserve, part of the so-called Ecological Main Structure. The morene dam complex in Zuidwolde and Lutten and the Reest valley system on the southern side determines the main contours of the landscape in the Reest area. These structures were embedded in the extensive peat moor that was created in the Late Holocene in the sandy surface of the Oer Vecht that the winds had deposited.

The morene dam complex consisted of a series of North/South ridges. Only the higher ridges in Zuidwolde and Lutten were suitable for settlement. The other ridges had become so flat during the second phase of the expansion of the land ice that they were covered with migrating peat moor during the last phase of the formation of the moorland. During its relatively brief history the Reest has developed to become a typical lowland stream with little drop and a very meandering course. Because of the pattern of emergent sandy mounds that follow its course, the valley is very narrow and steep in some places, particularly in the middle of its course. Downstream the acidic marsh water gradually changed to a composition that was much richer in minerals and silt.

The valley of the Reest more or less reflected the regional ecohydrological conditions. The head of the stream was characterised by infertile wire grass peat bog formed under oligotrophic conditions from peat moss and small varieties of sedge; the middle section enjoyed mesotrophic conditions with larger varieties of sedge and clusters of marsh marigolds; and the lower region was characterised by eutrophic peat fields with silted reed sedge marshes and peat bog. Outside the valley and the higher morene dams, peat moorland was not formed until the warm and moist Atlanticum. The lowest parts saw the development of a basic peat zone consisting of sedge marsh, peat bog and peat moss. The peat moor spread from these centres over the higher parts of the sand-covered landscape. In the area between the valleys of the Reest and the Wold Aa of De Wijk a mesotrophic peat bog developed on the loamy soil of the valley [beekeerdgronden]. In this way the Reest and its riverside sand deposits were gradually enclosed by an extensive wetland of peat moor, marshes and pools.

As a result of the absence of a systematic archaeological inventory, little is known about the habitation of the research area in prehistoric times. For the time being it is assumed that the area became uninhabitable in the Iron Age as the result of the formation of the peat wetland, and that colonisation did not commence until the Middle Ages.

In administrative terms, the part of the Reest valley in Drenthe consisted of the parishes of Zuidwolde, De Wijk and Meppel. The upstream part of the Oosterboer neighbourhood below Meppel has not been included in the research.

The population density of 4,3 per km2 in Zuidwolde in 1630 was exceptionally low even by the standards of Drenthe. The population was concentrated in seven clusters in the middle of their village holdings on the low dam morene that rose several metres above the flat peat moor like an island. The sparse population on the banks of the Reest was confined to a few mounds of wind-swept sand deposits. The elevated position in the wetland of Zuidwolde determined the possibilities of settlement and the clearing of arable land down to the late nineteenth century. In 1832 80% of the 106 km2 of land in the parish and the later local authority consisted of heath and 10% of fluvial soil. Apart from a few scattered mud farms on the periphery, only the remaining 10% was suitable for habitation and cultivation.

In 1630 the population density of De Wijk was 22 per km2. Apart from this striking difference in population density, the parish also differed from Zuidwolde in terms of the ecological setting. De Wijk had inaccessible peat moorland instead of mesotrophic wetland with mounds of wind-swept sand deposits, while the large formations of sand deposits on the banks of the Reest provided more ample opportunities for settlement and cultivation. These horsts constituted the line of defence for the core farms in the Late Middle Ages, where they developed to become neighbourhoods or clusters of farms. The result was a series of five settlements or hamlets running from East to West. They divided the parish from the Reest to the North into five areas of marke land on an upward slope. Unlike Zuidwolde, the oldest farms in De Wijk were situated along the valley amid their farmlands. Moreover, they were situated in a more fertile midstream and downstream position in the valley, and the more easily accessibly marshy land offered better opportunities for cultivation than the oligotrophic peat moorland in Zuidwolde. In the first half of the seventeenth century De Wijk consisted of seven neighbourhoods running from East to West.

The differences in the agrarian styles of farming in the two parishes were striking. An explanation for these differences must be sought primarily in the local ecosystems. In the last resort these decided the room for manoeuvre of the agrarian productive unit that can be regarded as an interdependent system of forms of agrarian exploitation. The starting point for this research was the valley system of the Reest. A considerable part of Zuidwolde and almost all of De Wijk were dependent on the ecological qualities of this valley under the historical conditions of the mixed farm. There were major differences in the physical structure and stratification of the landscape between the two parishes. Thus the situation of Zuidwolde was that of a valley at the head of the stream. Not only was the valley narrow here, but the possibilities of cultivation were also restricted by the oligotrophic conditions of the Reest and the valley soils. These conditions were much more favourable in De Wijk, so that the valley was able to perform much more of a crucial function in the mixed farm.

A second distinction could be observed in the geomorphological structure of the deposits of wind-swept sand and the boulder clay formations. The opportunities for settlement in Zuidwolde were restricted in the upper reaches of the stream by the scarcity of sand ridges that followed the line of the valley. There were better opportunities in the dam morene on the northern side that rose above the moorlands like an island of boulder clay. This implied a peripheral position for the Reest valley in relation to its users in the neighbourhoods on the boulder clay plateau.

The situation in De Wijk was totally different. Here the valley was flanked by tall horsts that on the northern side bordered on the mesotrophic peat bog in the late Pleistocene valley plain between the Oude Aa (Wold A) and the Reest. The East/West orientation of the different user ecotopes and the central position on the sand-covered horsts offered farms in De Wijk favourable prospects for integrated exploitation.

All these diversities in the physical environment had their effects on the final pattern of occupation and the spatial arrangement of the different marken or village territories. Moreover, they were reflected in the different styles of farming of the two parishes. In Zuidwolde there was a strong emphasis on a creaming - off - economy in which the extensive oligotrophic peat heath played a central role. The style of farming here had a pronounced 'pastoral' accent, while the clearing of land by burning was widely applied as a typical form of overcropping. In De Wijk, on the other hand, the conditions were much more favourable for the extension of an integrated style of farming with an efficient deep litter house system.

In this study we distinguished between the concepts 'form of farming' and 'style of farming'. The two concepts are generally used interchangeably in the literature, but our historical ecological approach requires differentiation to be made between them. A form of farming in this context can be defined as a number of techniques of exploitation linked to the agrarian use of landscape ecotopes. This concerns a combination of agrarian forms of use in relation to the different landscape ecotopes. In the seventeenth century such techniques of exploitation were already distributed on a regional and often supra-regional scale. The integration of such forms of use in a style of farming was thus primarily determined by the qualities of the local ecosystem. An example of a technique of exploitation of this kind that was relatively rapidly integrated into local styles of farming in the early seventeenth century is the buckwheat burning culture. As we saw in the case of Zuidwolde, the introduction of this technique had important consequences for the quality and accessibility of the peat heath ecotope, which in turn influenced the expansion of additional forms of exploitation such as grazing and peat cutting.

Forms of farming thus have a regional and sometimes supra-regional impact that is related to a specific cultural landscape complex such as the Drenthe Plateau with its border zones. Style of farming is a question of how such regional techniques of exploitation are converted in the limited scope of the local ecosystem in which a farm had to operate in the marke or village context. In principle, there may thus be considerable differences between the styles of farming of two neighbouring village territories if the physical environments and derived ecotope complexes differ from one another in terms of composition and content.

A good example of a differentiating factor of this kind that had an effect on the style of farming is provided by the exploitation of the land outside the village territories of Zuidwolde and De Wijk. In the first parish this consisted of 'velt en vene' [field and peat moor], while in the second it was mainly eckarshy land]. In principle the agronomic exploitation of both ecotopes was based on oxidation and mineralisation of the topmost peat layer so that nutrients were released for the crops in question. On the oligotrophic peat soil of Zuidwolde this process was forced by burning cultivation so that peat buckwheat could be sown for a number of years in succession. After this overexploitation the bolster was so exhausted that it took a few decennia to recover before a new burning cycle could be begun. The peat moor was grazed with sheep during the recovery period.

On the mesotrophic peat bog of De Wijk, the neighbourhoods initiated and maintained the process of mineralisation in a much more subtle manner. Here the field grass system of the oat field culture offered an alternative to more intensive exploitation. The two-year oat cycle with a varying period of lying fallow was initiated here by a heavy one-off fertilisation making use of imported urban compost. This technique of cultivation, in which fertilisers were added to initiate the mineralisation of the peat, was thus much milder. In this sense the oat field cultivation can be regarded as a transitional form between the aggressive peat burning culture and permanent crop cultivation on the basis of regular fertilisation.

We have already dealt with the influence of both techniques on the style of farming and the way in which they were integrated into the other bases of the farm. It is important in this connection to note that both forms of exploitation eventually resulted in 'de-peating' and exposure of the Pleistocene sand layer. It would be incorrect to compare the two techniques with one another in terms of a sliding scale of primitive and less primitive. Both forms of exploitation occurred in parallel and were a part of the agronomic exploitation complex of the Pleistocene sand zone.

The landscape of the village territory of De Stapel forms a transition between Zuidwolde and De Wijk. It is a sample area with a large number of different use ecotopes. Through the presence of almost all the regional landscape ecotopes, including oligotrophic heath moor and mesotrophic peat bog, a style of farming developed here incorporating virtually all of the regional techniques of exploitation. Thus the open country of De Stapel was entirely dominated by creaming off, a buckwheat burning culture combined with sheep grazing and peat cutting, while the engine behind agriculture in the marshy lands was the oat culture. Thanks to the favourable situation of a number of farms on the peat moor border, it was even possible to practise peat moor cultivation on a limited scale, comparable to the system in the neighbouring peat moor border cultivation in Koekange. What we see, then, is a plurality of agronomic techniques of exploitation that responded to the transitional position of De Stapel in the landscape.

Besides differences in ecological setting, the research also revealed that the geographical situation was important not only for the development of the style of farming but also for the arrangement and physical appearance of the cultural landscape. For instance, the possibility for farms in De Wijk to transport bulk goods in and out was of decisive importance for the exploitation of commercial timber activities and a rapid breakthrough of the oatfield cultivation. The direct link by water with the economic heartland of the Republic gave the agriculturalists in De Wijk an advantage over their colleagues in the peripheral upstream village of Zuidwolde. Already in the pre-industrial stage, the supply of urban compost offered the villagers in De Wijk an opportunity to break out of their ecological corset. This led before 1800 to the clearing and cultivation of the common areas outside the village in an umbrageous meadow landscape of grazing land, coppice woods and oatfields. The favourable position in relation to the Hoogeveensche Vaart was also to the advantage of the exploitation of downstream hayfields, enabling early specialisation in dairy farming to continue.

Synthesis and conclusions

Anyone wishing to collect information about the functioning of local agrarian ecosystems is bound to meticulously comb through and interpret sources of all kinds at the level of the smallest administrative units of parishes and marken, in combination with private archives. This method inevitably leads to a certain arbitrariness because the activity of collecting runs up against the principle of incidental availability and the instantaneous and discontinuous character of many of the sources. In addition, we have noted that there may be considerable differences in the informative value of the frequently consulted estimates of land, as regards the preliminary work of compiling an inventory, at local level. Dependence on this local accident' can be reduced during the collecting of data by also drawing on the local archive of the landscape that is primarily embedded in the soil. Opening up and interpreting this natural archive requires an interdisciplinary approach with specialisations in soil science and biology. Thanks to its spatial and historical perspective, historical geography can perform an interpretive task in historical ecological research in which subdisciplines like palaeo-ecology and soil ecology can offer the required breadth and depth. In the present study, an interdisciplinary approach of this kind would probably have yielded a by no means negligible amount of extra information and insight.

During the period under review, 1600-1850, the farm and its productive environment in the landscape were caught up in a constantly changing relationship. The engine behind these changes was the process of intensification, in which labour was deployed to increase the crop yields.

This study focused on the local level, paying particular attention to the ecological dimension. This approach in terms of the ecological landscape revealed that intensification was carried out in a variety of ways. It was determined on the one hand by the ecological setting of the productive environment, and on the other hand by the geographical position of the village territory. Koekange is a good example of a style of farming that eventually ran aground on the gradual deterioration of the local productive environment. The collapse of a dynamic stream valley system and the degeneration of the soil as a result of the depletion of the peat layer were the main causes of this stagnation. The colonisation of the Lage Linthorst at the beginning of the sixteenth century meant that the capacity of peat moor border cultivation was full, and there was no more village space available for intensification. Alternatives for intensification and specialisation had to be sought in an orientation outside the village by bringing in compost or exploiting hayfields outside the village territory.

The conditions in the upper reaches of the Reest below Zuidwolde were different. Here there was still plenty of room for a more intensive exploitation of the different peat ecotopes. Drainage and staking out the common marshy lands, as well as stepping up sheep grazing on the extensive heath moor, provided scope for intensification and specialisation.

Intensification followed a different course in De Wijk, where the advantages of a location downstream enabled early specialisation in dairy farming. The ecological niche was here located in the cultivation of the marshy lands with the oat field culture as the main propelling force. But as in Koekange, these opportunities for expansion could only be seized by bringing in urban compost via the Hoogeveensche Vaart. The latter point once again underscores the importance of a favourable geographical position for transport via the network of waterways of that time. In this respect De Wijk, partly thanks to the establishment of a system of districts, was situated more favourably than Koekange, which was not able to benefit from the infrastructural network that provided access to the cities on the IJssel and the Zuiderzee until the middle of the nineteenth century. The expansion of coppice wood cultivation in the eighteenth century is essential in this respect. This lucrative addition to the ways of making a living was easy to accommodate with the exploitation of estates in De Wijk, and in Koekange it offered an alternative to the stagnating oatfield culture.

It may be concluded from this that intensification was not only a matter of increasing the grain yield. It also implied an increase in the number of ways of making a living that aimed at a more intensive and more multi-functional use of the ecotope complex. The deployment of more labour was the hub of this process of intensification. In addition, the buckwheat burning culture, peat cutting and the cultivation of coppice woods brought about a better division of activities throughout the entire year.

Further research will have to demonstrate whether the orientation on hayfields outside the village territory played a role in intensification in other parts of Drenthe as well. This is primarily a question of downstream valley systems in which the broad valleys functioned as hay storehouses. At any rate, the exploitation of downstream hayfields beside the Reest and the Meppelerdiep offered a solution to the restrictive corset of the local ecosystem for the farmers of Koekange. An expansion of indoor feeding not only furthered the deep litter house system, but in the long run it also had a beneficial effect on the fertility of the adjacent greenland because of the higher erosion. In De Wijk it was mainly the emergent small farms situated on the downstream haybanks that benefited. A distinction is made in the literature on anthropogenic ecosystems between natural processes that take place by autonomous action, and the process of cultivation that is regarded as a form of deliberate intervention. The objectives from an agrarian perspective, however, were limited. The long-term consequences of the interventions and forms of exploitation could not be envisaged. In Koekange these changes in the local ecosystem reacted on the style of farming because the village territory was not large enough to offer compensatory space.

The physical stratification of the Pleistocene sand landscape offered the historical farmer a pluriform basis of production. Village territories should be considered as integrated use systems with a high dynamic between the different use ecotopes. In this study we were confronted with a complex network of spatial and ecological relations that were governed by the style of farming. In current nature conservation, ecological management models are followed that are derived from historical forms of farming. For instance, the management of impoverished resources is based on what is by now the classic spring/well model. This method may be the only alternative for the time being in the light of budgetary restrictions, but the simplicity of the model has little connection with the much more complex situations of the past.

In the first place, we were able to demonstrate that most ecotopes had multi-functional use forms. This applied not only to uncultivated use lands, but also to hay and grazing lands and to arable land. Pre-grazing and post-grazing were the rule rather than the exception, while grazing itself was done with different kinds of herds. In addition, there was a lot of interaction from the movement of the herds and transfer of raw materials through the transport of mowings, peat, sand, clay and turf. Moreover, actions like burning, overgrazing, peat cutting and de-peating created unintended prior conditions for 'natural development', while the introduction of the coppice wood culture brought about a further differentiation in the biotope complex. Finally, account should also be taken of transitional forms such as crop alternation of the widespread oatfield culture in which well and spring situations succeeded one another.

The creaming off areas ('spring areas') were actually intensity zones in which the distance from the plot of land to the settlement played an important role. The differences in intensity of use were particularly large in the upstream Reest area with its extensive peat heath and very remote marshy lands. Sometimes deep litter houses were set up as annexes halfway to the settlement to encourage more intensive use of such remote plots of land. In the course of the eighteenth century the gradual transitions between ecotopes disappeared as a result of the cultivation of the marshy areas. The disappearance of these natural gradients was the diametrical opposite of the interaction and dynamic referred to above. The plots of land outside the dyke in Koekange displayed the opposite trend, in which the oatfield culture on the partly 'de-peated' marshy lands was transformed into a pure creaming - off - economy with sheep grazing and peat cutting.

The historical farm unintentionally gave direction to the local ecosystem as well as creating prior conditions. Many protected fauna and rare flora owe their distribution to the multi-functional character of the style of farming. During the period under study we witnessed the gradual incorporation of 'natural' peat moor as a landscape for use and production. Drainage, burning, temporary sowing of buckwheat, grazing and peat cutting changed the inaccessible peat landscape within a few generations into an extensive moorland steppe with drifting sand and fen pools. The semi-natural marshlands were also gradually incorporated through cultivation into the productive landscape dictated by the style of farming.

In the peat soil landscape of Southwest Drenthe the variety of use forms had a strongly determining influence on the soil. Human intervention led to considerable de-peating and podzoling of soils, resulting in an irreversible change in the abiotic supports of the local ecosystem. This fact necessitates a measure of caution in following historical models in choosing forms of nature conservation and nature development. Historical geographical research on agrarian ecosystems provides insight into site-specific ecological processes that shape the landscape. This concerns processes that create prior conditions, not interdependent pictures of the natural habitat in historical studies. It is an illusion to think that historical ecological landscape studies could offer a range of models for future management models. In pre-industrial situations too, culture and nature were interwoven in such a complex way that studies like the present one cannot be used to derive simply applicable models that harmonise with the nomenclature of contemporary nature conservation policy. Besides, we should be well aware that the styles of farming that we have sketched had to operate under completely different soil and hydrological conditions, while the present-day physical ecological areas of the Ecological Main Structure have been fundamentally and irreversibly altered.

However, studies of site-specific agrarian ecosystems can contribute to a better insight into the ability of culture to create prior conditions. On the one hand, cultivation led to the dismantling of natural ecosystems, while on the other hand it created the scope for new ecotopes that contributed to a further ecological stratification of the cultural landscape with new biotopes and series of successions. This resulted in a varied mosaic of use ecotopes and gradients with the style of farming as the governing factor. In this interaction between culture and nature, the landscape was a recalcitrant means of production that was gradually incorporated in the evolution of an agrarian way of life.

This study showed that the process of intensification could have very different effects on the abiotic components of the landscape. Thus we can oppose the construction of farmlands to the depletion of peat lands, levelling and sanding to the formation of drifting sands, and gradient reduction to differentiation. It is precisely this semi-natural legacy of agrarian ecosystems that has made such an important contribution to the construction of our modern idea of nature in the twentieth century.

Ordering information

This book can be ordered by sending a postcard with your adress to:
REGIO-PRojekt Uitgevers
P.O. Box 4010
9701 EA Groningen

Or by fax or phone:
tel. 00 31 50 3171400
fax 00 31 50 3132316

Price: f 99,95

The book can also be bought in Dutch book shops

...ende men sal van een erve ende goedt niet meer dan een trop schaepe holden... : historische begrazing van gemeenschappelijke weidegronden in Gelderland en Overijssel
Dirkx, G.H.P. - \ 1997
Wageningen : DLO-Staring Centrum (Rapport / DLO-Staring Centrum 499) - 125
begrazing - bosbouw - silvopastorale systemen - bosweiden - landschap - landschapsecologie - nederland - historische ecologie - historische geografie - gelderland - overijssel - oost-nederland - grazing - forestry - silvopastoral systems - woodland grasslands - landscape - landscape ecology - netherlands - historical ecology - historical geography - east netherlands
Historische ecologie: begrazing van markegronden
Metaforen voor de wildernis : eik, hazelaar, rund en paard
Vera, F.W.M. - \ 1997
Agricultural University. Promotor(en): H.H.T. Prins; F. Berendse. - Wijk bij Duurstede : Vera - ISBN 9789054857464 - 426
herstel - begrazing - bedrijfsvoering - natuurbescherming - geschiedenis - bossen - vegetatie - plantensuccessie - natuur - historische ecologie - rehabilitation - grazing - management - nature conservation - history - forests - vegetation - plant succession - nature - historical ecology

This thesis is a literature study. It focuses on the theory that a climax vegetation of closed forest systems covered the lowlands of Central and Western Europe in prehistoric times before man intervened and that it would still be there had this intervention not taken place. The theory also states that man's intervention, notably the introduction of livestock, has led to the disappearence of this climax vegetation in a process known as retrogressive succession. By the grazing of livestock the forest was degraded to thorny scrub and ultimately to grassland. According to the theory, it will revert to its natural vegetation of closed forest systems once the grazing of livestock is stopped.

The problem central to this study is that literature shows that pedunculate oak ( Quercus robur ) , sessile oak ( Q. petraea ) and hazel ( Coryllus avellana ) do not regenerate and cannot survive in closed forest systems while pollen analyses show that these species were present continuously in Central and Western Europe for 10,000 years since the end of the ice age. On the other hand these species do regenerate in park-like landscapes in the presence of grazing by cattle and horses, domesticated descendants of wild progenitors, and deer in so called wood-pastures.

The null hypothesis formulated in this thesis is that pedunculate oak, sessile oak and hazel have survived in the closed forest systems in the lowlands of Central and Western Europe and that the grazing of the indigenous large herbivores, such as aurochs ( Bos primigenius ), tarpan or European wild horse ( Equus przewalski gmelini ), European bison ( Bison bonasus ), Elk ( Alces alces ), red deer ( Cervus elaphus ), and roe deer ( Capreolus capreolus ), that inhabited these regions did not affect the composition of species or the succession of the forest in prehistoric times. The alternative hypothesis is that, in prehistoric times, the natural vegetation in the lowlands of Central and Western Europe was a park-like landscape, consisting of a mosaic of grasslands, scrub and solitary trees and groves surrounded by margins of scrub and forb fringe communities. The structure, composition of species and succession of this vegetation was largely determined by the large herbivores that inhabited the landscape.

The null hypothesis has been tested against succession theories, pollen investigations, historical texts, research into spontaneous succession in forest reserves and the ecology of the tree species that formed the climax vegetation in prehistoric times according to the theory being in force. A synthesis of the findings led to the conclusion that the primeval vegetation in the lowlands of Central and Western Europe was not a closed forest but a park-like landscape. In this landscape the vegetation followed a cyclical process, in which large herbivores played an essential role. The process was that in grazed grassland stands of thorny scrub evolved in which trees grew up being protected from damage by grazing. Eventually the trees developed into a forest which again slowly degenerated to grassland under the influence of large herbivores and "catastrophes" such as drought and storms, after which the cycle began anew. The result was that various biotopes varying from grassland, scrub to forest were permanently present but not always in the same place. This is called the theory of cyclical vegetation turnover. On the basis of the conclusion and this theory, the null hypothesis is rejected in favour of the alternative hypothesis. The importance of these findings for nature conservation in Central and Western Europe, with respect to the reference frames used by nature conservationists, is explained in an epilogue.

Geschiedenis en beheer van de Nederlandse ooibossen; history and management of riverine woodlands in The Netherlands
Wolf, R.J.A.M. - \ 1995
Wageningen : IBN-DLO - 131
inundatie - bosbouweconomie - bosbedrijfsvoering - bosbouw - bossen - geschiedenis - irrigatie - nederland - rivieren - waterlopen - vegetatie - waterwegen - historische ecologie - flooding - forest economics - forest management - forestry - forests - history - irrigation - netherlands - rivers - streams - vegetation - waterways - historical ecology
Natuurbehoud en natuurontwikkeling langs Bloemenbeek en Boven-Dinkel : gevolgen van ingrepen in de waterhuishouding van het Dinkelsysteem voor enkele karakteristieke vegetatietypen
Hommel, P.W.F.M. ; Dirkx, G.H.P. ; Prins, A.H. - \ 1994
Wageningen : DLO-Staring Centrum (Rapport / DLO-Staring Centrum 304) - 127
plantengemeenschappen - natuurbescherming - historische ecologie - ecologisch herstel - ecohydrologie - natuurontwikkeling - beekdalen - overijssel - twente - plant communities - nature conservation - historical ecology - ecological restoration - ecohydrology - nature development - brook valleys
Voor de stroomgebieden van Boven-Dinkei en Bloemenbeek, een daarin uitmondende 'rietebeek', werd een fysiografische kaart gemaakt. Per fysiotoop werden de mogelijkheden voor natuurbehoud en natuurontwikkeling aangegeven. In het dal van de Boven-Dinkei werd vooral aandacht besteed aan de stroomdalgraslanden met Steenanjer. Floristisch goed ontwikkelde Dinkeigraslanden bleken beperkt te zijn tot droge, schrale, leemarme en vrij jonge bodems. Inundatie speelt een belangrijke rol bij het ontstaan en behoud van deze graslanden.
Bosgeschiedenis en bostypen van Midden-Brabant
Hees, A.F.M. van; Wijngaard, J.K.R. van den - \ 1977
Wageningen : I.C.W. (Deelrapport. Projectstudie landinrichting Midden-Brabant no. 5) - 26
bosbouw - bossen - geschiedenis - vegetatietypen - historische ecologie - plantengemeenschappen - nederland - kaarten - noord-brabant - forestry - forests - history - vegetation types - historical ecology - plant communities - netherlands - maps
Vegetatiekundig en oecologisch-geografisch onderzoek van het Quercion robori-petraeae in de Nederlandse zandgebieden ten Zuiden van de Waal
Bakker, J.G. - \ 1969
Wageningen University. Promotor(en): H.J. Venema. - Wageningen : Veenman - 144
loofverliezende bossen - bosecologie - historische ecologie - noord-brabant - rijk van nijmegen - gelderland - limburg - deciduous forests - forest ecology - historical ecology - noord-brabant - rijk van nijmegen - gelderland - limburg
In this thesis are given the results of an investigation of the vegetation, habitat and distribution of the Quercion robori petraeae (oak-birch-woods) in the sandy regions of N-Brabant and Limburg and in the ,Rijk van Nijmegen'. Data obtained from literature and from investigations by the author made in other parts of the Netherlands are compiled.

The investigated area, where the Quercion robori-petraeae must have dominated in the original landscape, covers:
1. North Brabant, except the holocene alluvia in the north western part and along the river Meuse;
2. North and Central Limburg, except the valley of the river Meuse (its southern limit is roughly formed by the line connecting Echt and Koningsbosch);
3. ,Rijk van Nijmegen', which comprises the municipalities of Nijmegen, Ubbergen, Groesbeek, Heumen, Overasselt and Wychen);
4. The borderland east of Brunssum and Schinveld.

To describe the Quercion robori-petraeae use has been made of ,sociological groups of species', viz. groups of species, which show a strong similarity in sociological amplitude.

In chapter two the natural condition in the investigated area is described. The climate is compared to that of the Netherlands: it is relatively warm in summer, with a gradual increase in temperature going eastwards, and relatively mild in winter with a gradual increase in temperature going westwards, while the mean annual precipitation is relatively slight, with decreasing yearly totals going eastwards (par. 2.1). The landscape, except for some peat bogs, is built up of cover sands, low terrace, push morraine, loess, blown sands derived from pleistocene riverterraces or cover sands, old pleistocene terraces and tertiary sands. Short descriptions of distribution, age, origin, topography, texture and the main soil types are given (par. 2.2).

In chapter three a general historical survey of the deciduous forests in the investigated area from the Neolithicum onwards are given. In this period deforestation began. Up to about 700 AD this process in general probably took place very gradually, but from 700-1200 AD the wooded areas were greatly reduced, corresponding with the formation of many settlements. By the late middle ages the landscape had mostly turned into vast stretches of heather, on many places alternated with sand drifts, and so it remained until far into the nineteenth century. Reforestation then started, first mostly with oak coppices, later, in the twentieth century, mostly with conifers. Much of the heaths were reclaimed and also small remnants of the original forests which mostly grew in moist to wet places in the low sandy areas, which are crossed by many brooklets. Thus the present day culture-landscape was formed. Of some of the still existing forests very old data were collected, viz. on those of the push moraine in the ,Rijk van Nijmegen' (the oldest record dates back to Roman times), the ,Echterbosch' (the oldest record is from the early middle ages), the ,Liesbosch', the ,Ulvenhoutsche Bosch' and the ,Mastbosch' (which were recorded for the first time in the late middle ages).

Chapter four deals with the classification of the Quercion robori-petreaea of the Netherlands. The chief criterium used was the floristical composition - as done is by the French-Swiss school, but the accent is placed rather on ,sociological groups of species' than on fidelity' (par. 4. 1). In par. 4.2 a survey is given of the sociological groups in which all the species in the described oak-birchwoods are arranged. To every group the sociological amplitude, the amplitude in connection with the chemical composition of the soil and with the hydrology (the most important environmental factors) and the dynamic indication are added. In par. 4.3 a historical survey of the classification of the Quercion robori-petraeae in the Netherlands is given and discussed. The following new classification is proposed:

Alliance Quercion robori-petraeae
(Sub-alliance Violo-Quercion)
Association Maianthemo-Quercetum ass. nov.
Sub-association Maianthemo-Quercetum anemonetosum subass. nov.
Variant with Athyrium filix-femina var. nov.
Soil: relatively very rich; (moist to) wet
Typical variant var. nov.
Soil: relatively very rich; retaining moisture to moist
Variant with Convallaria majalis var. nov.
Soil: (moderately rich to) relatively rich; dry to moisture-retaining (sometimes somewhat moist)
Sub-association Maianthemo-Quercetum typicum subass. nov.
Variant with Blechnum spicant var. nov.
Soil: moderately rich (to relatively rich); (moist to) wet
Variant with Molinia caerulea var. nov.
Soil: poor (to moderately rich); moist (to wet)
Variant with Polypodium vulgare var. nov.
Soil: poor to moderately rich; dry to moisture-retaining (sometimes somewhat moist)
(Sub-alliance Vaccinio-Quercion)
Association Querceto-Betuletum TÜXEN 1930 em. DOING 1962
Variant with Molinia caerulea var. nov.
Soil: poor; moist to wet
Variant with Festuca tenuifolia var. nov.
Soil: poor; dry to moisture-retaining (sometimes somewhat moist)

In chapter five the distribution of the Maianthemo-Quercetum and the Querceto- Betuletum outside the Netherlands is given. Both associations occur chiefly in the Northern Atlantic of Europe.

In chapter six the Quercion robori-petraeae of the Netherlands is described. In par. 6.1 the vegetation-analysis is explained. The (abundance-)dominance of the author's records from the investigated area is determined with the aid of the scale Of SEGAL and BARKMAN (pg. 0 W ); for all the other records the traditional BRAUN-BLANQUET scale in six parts was used.

In the eight tables in which the floristical diversion of the variants is rendered (appendages 1-8) the species are placed in sociological groups (for the composition and sequence of these groups cf. par. 4.2) and the records according to their geographical origin, for which the following regions are distinguished (mostly plant-geographical districts or subdistricts; cf. par. 6.2):

Campine district (Ke)
Low terraces of North and Central Limburg, North-east Brabant and the ,Rijk van Nijmegen' and also the Pliocene border country east of Brunssum and Schinveld (S1)
Push moraine of the,Rijk van Nijmegen'(S2)
Veluwezoom from Doorwerth to Dieren (S3)
Eastern part of the Achterhoek (S4)
South-eastTwente (S5)
South Limburg (ZL)
Valley of the IJssel (G1)
Veluwe, Utrechtse Heuvelrug and the Gooi (G2)
Guelders Valley (G3)
Drenthian district (Dr)
Coastal area (K).

In par. 6.3 particulars on the flora of the Quercion robori-petraeae in the investigated area are given.

In par. 6.4 the different variants are described in detail. These descriptions refer to the occurrence in the investigated area in the first part and in other parts of the Netherlands in the second part.

The first part deals with:
a. Data from the vegetation-records (date and number of each record; name of the woodland and of the municipality, coordinates on the topographical map; topography; geological formation and soil type; history of the wood and the surrounding landscape).
b. Floristical survey.
c. Habitat and distribution.

The second part deals with:
a. Data from the records of the vegetation (less systematical and detailed than those of the investigated area).
b. Distribution and geographical differentiation.

In Par. 6.5 the described oak-birch-woods in the Netherlands are subjected to a closer scruting: their geographical variation is described by means of local vicariants, which are based on specific combinations of geographically differential species, or occasionnally on one such a differential species. In conclusion a survey is given of the oak-birch woods in the investigated area, which are quite possibly remnants of original forests.
De Sijsselt : een bijdrage tot de kennis van de Veluwse bosgeschiedenis
Oosten Slingeland, J.F. van - \ 1958
Landbouwhogeschool Wageningen. Promotor(en): B.H. Slicher van Bath. - Wageningen : Ponsen & Looijen - 142
bosbouw - bossen - agrarische geschiedenis - houtteelt - veluwe - gelderland - historische ecologie - forestry - forests - agricultural history - silviculture - veluwe - gelderland - historical ecology
Sijsselt Wood, since 1427 part of the Kernhem Estate, was in the 15th century an oak coppice and moorland area, sufficient to supply Kernhem with firewood. The inhabitants of the neighbouring hamlet of Maanen however were of old allowed to graze their sheep and to cut peat in this area. The Sijsselt Moorlands were essential for their farming economy. Sheepfarming prevented all extension of woodlands while the remainder dwindled into thin shrubbery. Conflicts between the Lords of Kernhem and the farmers over their grazing rights were numerous.

A general scarcity of timber in Western Europe stimulated forestry in the 18th century. Afforestation of the Sijsselt started in 1769 by planting of oak coppice and planting as well as sowing of Scots pines. Coppice growing was soon stopped but sowing of Scots pines was continued and succesful.

Induced by increasing coppice prices and the damage by the caterpillar Panolis flammea Schiff, afforestation with pine retreated to second place about 1850 in favour of oak coppice and beech. But economic conditions were altering: artificial tan was imported; as fuel wood was replaced by coal and oil and the mines asked for pitprops. Growing of oak coppice lost its importance after 1880 and the result was a changeover to pine. Since 1884 pine was sold to the mines. The variety of trees increased after 1900. Beech, red oak and false acacia were replanted.

Check title to add to marked list

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.