Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 1 - 39 / 39

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Beheersing van het Schmallenbergvirus
    Poel, W.H.M. van der - \ 2013
    Tijdschrift voor Diergeneeskunde 138 (2013)11. - ISSN 0040-7453 - p. 28 - 32.
    schmallenbergvirus - virusziekten - ziekten overgebracht door vectoren - diergezondheid - misvormingen - nadelige gevolgen - economische impact - schmallenberg virus - viral diseases - vector-borne diseases - animal health - malformations - adverse effects - economic impact - hantavirus
    Schmallenbergvirus (SVB) werd in 2011 voor het eerst in Europa gezien en veroorzaakte een epidemie van aangeboren afwijkingen, vooral misvormde ledematen en hersenafwijkingen, bij kalveren en lammeren. Het ging om een niet eerder gevonden virus, dat om die reden aanvankelijk moeilijk onderkend kon worden. Sinds het begin van de uitbraak is veel onderzoek gedaan aan SVB en inmiddels zijn routine laboratoriumtests alom beschikbaar. Zowel gehouden als in het wild levende herkauwers zijn gevoelig voor het SVB, dat wordt overgedragen door knutten (Culicoides species). Deze vector heeft gezorgd voor een snelle verspreiding over heel Europa en nu verspreidt het virus zich ook buiten Europa. Op dit moment wordt de economische schade ten gevolge van SVB vooral bepaald door handelsbeperkingen. Levend vee en sperma voor export moeten getest worden om het SVB-vrij te kunnen verklaren. In de regio waar de uitbraak is begonnen, wordt de ziekte niet meer gezien, maar met de toename van het aantal seronegatieve dieren wordt het risico van herintroductie van het virus op bedrijven wellicht groter.
    Voorkomen bloemmisvorming en bloemverdroging in Zantedeschia : effect van kasklimaat op bloemmisvorming
    Leeuwen, P.J. van; Trompert, J.P.T. - \ 2013
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant en Omgeving BBF - 21
    zantedeschia - calla - afwijkingen, planten - bloemen - temperatuur - misvormingen - gewasproductie - proeven - zantedeschia - calla - plant disorders - flowers - temperature - malformations - crop production - trials
    Misvormde bloemen zijn een probleem in Zantedeschia. Bloementelers geven aan dat 15% misvormde bloemen regelmatig voorkomt tot soms wel 50% aan toe. Deze bloemen brengen minder of geen geld op en het kost extra tijd om deze bloemen te verwerken (extra sorteerkosten). Op het mom ent dat de bloemen uit de scheut komen is de afwijking al zichtbaar. Omdat de bloemontwikkeling en uitgroei grotendeels plaatsvind na het planten was de verwachting dat verschillen in kasklimaat (temperatuur en RV) van invloed zou den zijn op het ontstaan van misvormde bloemen. Daarom zijn gedurende twee jaren proeven uitgevoerd in vier kasafdeling met verschillende klimaatinstellingen met hogere en lagere temperaturen en een hogere (80%) en lager e (60%) RV. In deze afdelingen zijn vijf (2011) of drie (201 2) cultivars geplant op twee tijdstippen (maart en mei/juli). Voor het planten zijn de knollen eenmaal of tweemaal in gibberelline gedompeld voor bloeibevordering.
    Invloed kasklimaat op bloemmisvorming en productie Zantedeschia
    Leeuwen, P.J. van; Trompert, J.P.T. - \ 2013
    zantedeschia - calla - afwijkingen, planten - bloemen - temperatuur - misvormingen - gewasproductie - proeven - landbouwkundig onderzoek - zantedeschia - calla - plant disorders - flowers - temperature - malformations - crop production - trials - agricultural research
    Powerpoint presentatie over de problematiek van afwijkende bloemen en een lagere bloemproductie dan verwacht in Zantedeschia. Wat zijn mogelijke oorzaken?
    Epizootic of ovine congenital malformations associated with Schmallenberg virus infection
    Brom, R. van der; Luttikholt, S.J. ; Lievaart-Peterson, K. ; Peperkamp, N.H.M.T. ; Mars, M.H. ; Poel, W.H.M. van der; Vellema, P. - \ 2012
    Tijdschrift voor Diergeneeskunde 137 (2012)2. - ISSN 0040-7453 - p. 106 - 111.
    schapenhouderij - lammeren - lammerenziekten - misvormingen - veterinaire praktijk - schmallenbergvirus - virusziekten - orthobunyavirus - sheep farming - lambs - lamb diseases - malformations - veterinary practice - schmallenberg virus - viral diseases - orthobunyavirus - cache valley virus - akabane virus - bluetongue virus - small ruminants - newborn lambs - sheep - arthrogryposis - disease - pathology - fever
    Epizootic outbreaks of congenital malformations in sheep are rare and have, to the best of our knowledge, never been reported before in Europe. This paper describes relevant preliminary findings from the first epizootic outbreak of ovine congenital malformations in the Netherlands. Between 25 November and 20 December 2011, congenital malformations in newborn lambs on sheep farms throughout the country were reported to the Animal Health Service in Deventer. Subsequently, small ruminant veterinary specialists visited these farms and collected relevant information from farmers by means of questionnaires. The deformities varied from mild to severe, and ewes were reported to have given birth to both normal and deformed lambs; both male and female lambs were affected. Most of the affected lambs were delivered at term. Besides malformed and normal lambs, dummy lambs, unable to suckle, were born also on these farms. None of the ewes had shown clinical signs during gestation or at parturition. Dystocia was common, because of the lambs' deformities. Lambs were submitted for post-mortem examination, and samples of brain tissue were collected for virus detection. The main macroscopic findings included arthrogryposis, torticollis, scoliosis and kyphosis, brachygnathia inferior, and mild-to-marked hypoplasia of the cerebrum, cerebellum and spinal cord. Preliminary data from the first ten affected farms suggest that nutritional deficiencies, intoxication, and genetic factors are not likely to have caused the malformations. Preliminary diagnostic analyses of precolostral serum samples excluded border disease virus, bovine viral diarrhoea virus, and bluetongue virus. In December 2011, samples of brain tissue from 54 lambs were sent to the Central Veterinary Institute of Wageningen University Research, Lelystad. Real-time PCR detected the presence of a virus, provisionally named the Schmallenberg virus, in brain tissue from 22 of the 54 lambs, which originated from seven of eight farms that had submitted lambs for post-mortem examination. This Schmallenberg virus was first reported in Germany and seems to be related to the Shamonda, Aino, and Akabane viruses, all of which belong to the Simbu serogroup of the genus Orthobunyavirus of the family Bunyaviridae. These preliminary findings suggest that the Schmallenberg virus is the most likely cause of this epizootic of ovine congenital malformations, which is the first such outbreak reported in Europe
    Beheersing beukentopgalmug komt in beeld
    Rijkers, D. ; Smits, A.P. - \ 2011
    De Boomkwekerij 24 (2011)13. - ISSN 0923-2443 - p. 14 - 15.
    contarinia - dasineura - boomteelt - plantenplagen - misvormingen - gewasbescherming - bestrijdingsmethoden - fagus - contarinia - dasineura - arboriculture - plant pests - malformations - plant protection - control methods - fagus
    Beukentopgalmug komt vaker voor en is lastig te bestrijden. Uit onderzoek blijkt nu dat er middelen zijn die perspectief bieden. Ook natuurlijke vijanden kunnen een rol spelen.
    Weekhuidmijten veroorzaken verkleuringen en misvormingen: 'Ananasmijt' in bromelia mogelijk ook biologisch te bestrijden
    Stijger, H. ; Holstein, R. van - \ 2011
    Onder Glas 8 (2011)2. - p. 52 - 53.
    glastuinbouw - gewasbescherming - biologische bestrijding - mijten - verkleuring - misvormingen - potplanten - greenhouse horticulture - plant protection - biological control - mites - discoloration - malformations - pot plants
    Weekhuidmijten zijn belangrijke plaagorganismen in onze kasteelten. Eind jaren tachtig zijn dergelijke mijten voor het eerst in Nederland op bromelia-achtigen aangetroffen. Door het verdwijnen van breedwerkende gewasbeschermingsmiddelen is de bestrijding lastig. Daarom is onderzoek gestart naar de biologische bestrijding van ananasmijt
    Bladschade bij Monocotylen: Verslag van een workshop/thema bijeenkomst
    Garcia Victoria, N. - \ 2010
    Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapporten Wageningen UR Glastuinbouw GTB-1023) - 36
    eenzaadlobbigen - plantenziekten - plantenziektekunde - misvormingen - sierplanten - monocotyledons - plant diseases - plant pathology - malformations - ornamental plants
    Veel siergewassen krijgen bladschade bij veranderende groeiomstandigheden (bv. overgang licht/donker bij CAM planten, geremde verdamping bij C3 planten). Bladschade vermindert de sierwaarde en is daarmee een belangrijke kostenpost in de sierteelt. In het verleden is veel onderzoek gedaan om methodes te vinden om de schade te verminderen. Voor veel gewassen is dit helaas nog niet met de gewenste reproduceerbaarheid gelukt. Onderzoek van de Katholieke Universiteit Leuven heeft aangetoond dat de gevoeligheid voor bladschade bij Aechmea tussen rassen varieert. Dit wordt in de praktijk ook bij andere gewassen gezien. Uit dit onderzoek blijkt dat de gevoeligheid voor een groot gedeelte bepaald wordt door de chemische samenstelling van de celwand. In planten bestaan wel grofweg twee type celwanden. In de dicotylen komen vooraal celwanden voor waarbij een cellulose net versterkt wordt door een pectine netwerk, die calcium ionen kunnen binden. Monocotylen planten blijken vaak celwanden te hebben waarbij pectine en calcium een heel beperkte rol spelen, en waar de functie van de pectine overgenomen wordt door andere stoffen, GAX’s genoemd. De mate waarin deze GAX’s vertakt zijn bepaalt de flexibiliteit van de celwand. Gevoelige rassen hebben minder flexibele celwanden, die breken als de inwendige spanning te hoog wordt, en dat geeft bladschade. Rassen met een flexibele celwand vangen veranderingen in de inwendige spanning beter op en hebben daarom veel minder bladschade.
    Beukentopgalmug vraagt om kritisch waarnemen en tijdig bestrijden
    Horst, M. ter; Smits, A.P. - \ 2009
    De Boomkwekerij 22 (2009)49. - ISSN 0923-2443 - p. 16 - 17.
    fagus sylvatica - fagaceae - houtachtige planten als sierplanten - misvormingen - infecties - contarinia - dasineura - gewasbescherming - fagus sylvatica - fagaceae - ornamental woody plants - malformations - infections - contarinia - dasineura - plant protection
    In beuk komt steeds vaker schade door topgalmuggen voor. Tijd om te onderzoeken hoe de schade ontstaat en hoe de topgalmug kan worden bestreden
    Eight-fold increased risk for congenital heart defects in children carrying the nicotinamide N-methyltransferase polymorphism and exposed to medicines and low nicotinamide
    Driel, L.M.J.W. van; Smedts, H.P.M. ; Helbing, W.A. ; Isaacs, A. ; Lindemans, J. ; Uitterlinden, A.G. ; Duijn, C.M. van; Vries, J.H.M. de; Steegers, E.A.P. ; Steegers-Theunissen, R.P.M. - \ 2008
    European Heart Journal 29 (2008)11. - ISSN 0195-668X - p. 1424 - 1431.
    plasma homocysteine - gene - pregnancy - malformations - multivitamin - association - methylation - supplements - folate - bias
    Aims: Congenital heart defects (CHDs) have a multifactorial origin, in which subtle genetic factors and peri-conception exposures interact. We hypothesize that derangements in the homocysteine and detoxification pathways, due to a polymorphism in the nicotinamide N-methyltransferase (NNMT) gene, low maternal dietary nicotinamide intake, and medicine use in the peri-conception period, affect CHD risk. Methods and results: In 292 case and 316 control families, maternal peri-conception medicine use and low dietary intake of nicotinamide (13.8 mg/day) were independently associated with CHD risk [odds ratio (95% confidence interval) 1.6 (1.1¿2.3) and 1.5 (1.03¿2.3), respectively]. No significant association was found for the NNMT AG/AA genotype in mothers [0.9 (0.7¿1.3)], fathers [1.1 (0.8¿1.6)], or children [1.1 (0.8¿1.6)]. However, the combination of peri-conception medicine use, low dietary nicotinamide intake, and the NNMT AG/AA genotype in mothers or children showed risk of 2.7 (1.02¿8.1) and 8.8 (2.4¿32.5), respectively. Conclusion: Children carrying the NNMT A allele face additional CHD risk in combination with peri-conception exposure to medicines and/or a low dietary nicotinamide intake. These findings provide a first set of data against which future studies with larger sample sizes can be compared with.
    GeneSeeker: extraction and integration of human disease-related information from web-based genetic databases
    Driel, M.A. van; Cuelenaere, K. ; Kemmeren, P.P.C.W. ; Leunissen, J.A.M. ; Brunner, H.G. ; Vriend, G. - \ 2005
    Nucleic acids research 33 (2005)SUPP/2. - ISSN 0305-1048 - p. w758 - w761.
    candidate genes - expression database - genome database - disorders - identification - malformations - knowledgebase - map
    The identification of genes underlying human genetic disorders requires the combination of data related to cytogenetic localization, phenotypes and expression patterns, to generate a list of candidate genes. In the field of human genetics, it is normal to perform this combination analysis by hand. We report on GeneSeeker (http://www.cmbi.ru.nl/GeneSeeker/), a web server that gathers and combines data from a series of databases. All database searches are performed via the web interfaces provided with the original databases, guaranteeing that the most recent data are queried, and obviating data warehousing. GeneSeeker makes the same selection of candidate genes as the human geneticists would have performed, and thus reducing the time-consuming process to a few minutes. GeneSeeker is particularly well suited for syndromes in which the disease gene displays altered expression patterns in the affected tissue(s).
    Kroeskop-mysterie stap verder ontrafeld
    Meijer, H. - \ 2005
    De Boomkwekerij 18 (2005)40. - ISSN 0923-2443 - p. 12 - 13.
    afwijkingen, planten - rozen - phytoplasma - toegepast onderzoek - groeistoornissen - landbouwkundig onderzoek - rosa - misvormingen - plant disorders - roses - phytoplasma - applied research - growth disorders - agricultural research - rosa - malformations
    Ruim 50 jaar geleden werd de groeistoornis kroeskop al voor het eerst in rozen waargenomen. Tientallen jaren én onderzoeken verder is het probleem nog steeds niet opgelost. PPO Bomen heeft echter sterke aanwijzigen dat fytoplasma's de boosdoeners zijn. Een fytoplasma is een extreem klein organisme zonder celwand dat moeilijk is aan te tonen
    Verbeter Hibiscus met voeding
    Aendekerk, T.G.L. - \ 2003
    De Boomkwekerij 16 (2003)9. - ISSN 0923-2443 - p. 15 - 15.
    houtachtige planten als sierplanten - hibiscus - plantenvoeding - fertigatie - zuurgraad - voedingsoplossingen - mestbehoeftebepaling - groeistoornis - misvormingen - ornamental woody plants - hibiscus - plant nutrition - fertigation - acidity - nutrient solutions - fertilizer requirement determination - failure to thrive - malformations
    Onderzoek naar de invloed van pH en de voedingsoplossing op groeiafwijkingen bij Hibiscus. Gegevens in bijgaande tabellen: 1) Gebruikte voedingsoplossingen (waarden in mmol/l); 2) Beoordeling bij gebruikte voedingsoplossingen; 3) Optimale voedingsoplossingen (waarden in mmol/l) in twee periodes; 4) Optimale bemestingsniveaus in de potgrond (waarden in mmol/l).
    Bolinhoud en wortelvolume niet dé oorzaak van zwetende tulp
    Dam, M.F.N. van; Haaster, A.J.M. van - \ 2003
    Vakblad voor de Bloemisterij 58 (2003)50. - ISSN 0042-2223 - p. 54 - 54.
    bloembollen - tulpen - snijbloemen - forceren van planten - misvormingen - worteldruk - evapotranspiratie - afwijkingen - glastuinbouw - ornamental bulbs - tulips - cut flowers - forcing - malformations - root pressure - evapotranspiration - abnormalities - greenhouse horticulture
    Het onderzoek van PPO Bloembollen heeft niet 'het' antwoord opgeleverd op de vraag naar de oorzaak van het zweetprobleem bij tulp. Wel heeft het een aantal hardnekkige theorieën hierover kunnen ontzenuwen: het gehalte aan stikstof en/of andere elementen in de bol is niet dé oorzaak voor zweten. Ook is de mate van beworteling niet dé oorzaak van zweten
    Theorie ontstaan van zweten ontzenuwd: onderzoek bloembollenteelt
    Dam, M.F.N. van; Haaster, A.J.M. van - \ 2003
    BloembollenVisie 24 (2003). - ISSN 1571-5558 - p. 24 - 24.
    bloembollen - tulpen - snijbloemen - forceren van planten - misvormingen - worteldruk - evapotranspiratie - onderzoek - afwijkingen - ornamental bulbs - tulips - cut flowers - forcing - malformations - root pressure - evapotranspiration - research - abnormalities
    Onderzoek naar het ontstaan van zweters (misvormingen)bij tulp heeft niet de oorzaak van deze afwijking kunnen vaststellen. Wel heeft het een aantal hardnekkige theorieën kunnen ontzenuwen: het gehalte aan stikstof en/of andere elementen in de bol is niet dé oorzaak voor zweten, evenmin als de mate van beworteling. Vermindering van de worteldruk en verbetering van de verdamping kunnen voorkomend werken
    Wortelverdikking bij komkommer : pH, potsoort en waardplanten
    Gaag, D.J. van der; Paternotte, P. ; Hamelink, R. ; Bloemhard, C. - \ 2002
    Naaldwijk : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Sector Glastuinbouw (PPO 535) - 57
    komkommers - wortels - misvormingen - bodem ph - groeimedia - waardplanten - glastuinbouw - cucumbers - roots - malformations - soil ph - growing media - host plants - greenhouse horticulture
    Wortelverdikking (WVD) bij komkommer komt een aantal jaren in Nederland voor. Uit eerder onderzoek kwam naar voren dan de vermoedelijke veroorzaker een bacterie is. Over het gedrag van de bacterie en het effect van omgevingsfactoren op het optreden van WVD was nog zeer weinig bekend. In het onderzoek zijn verschillende aspecten van het gedrag van de bacterie onderzocht en is bekeken of de kans op WVD en schade door WVD kan worden verminderd door teeltaanpassingen. Hierbij is het effect onderzocht van pH op WVD, de overlevingsduur van de bacterie in de voedingsoplossing en het effect van potsoort en watergehalte van de opkweekpot op WVD. Tevens is onderzocht of planten die niet tot de komkommerachtigen behoren aangetast kunnen worden door de bacterie, of de bacterie droge condities kan overleven en of door verlaging van de pH in het teeltsubstraat WVD-schade kan worden verminderd.
    Meer inzicht in tulpenbroei
    Dam, M.F.N. van; Haaster, A.J.M. van - \ 2002
    Vakblad voor de Bloemisterij 57 (2002)27. - ISSN 0042-2223 - p. 52 - 53.
    snijbloemen - tulpen - hydrocultuur - forceren van planten - vloeibare kunstmeststoffen - bodem - chloriden - misvormingen - afwijkingen, planten - sapstroom - calcium - groeimedia - cultuurmethoden - temperatuur - glastuinbouw - cut flowers - tulips - hydroponics - forcing - liquid fertilizers - soil - chlorides - malformations - plant disorders - sap flow - calcium - growing media - cultural methods - temperature - greenhouse horticulture
    Invloed van voedingselementen op het voorkomen van zweten en bladkiepen tijdens tulpenbroei. Gegevens in bijgaande tabel: Bladkiep en CA-gehalte van de plant, bij verschillende behandelingen (teelt op potgrond, teelt op demiwater, bemest, bemest en belucht)
    Tabaksblad in witte- en rodekool
    Everaarts, A.P. - \ 2000
    PAV-bulletin. Vollegrondsgroenteteelt / Praktijkonderzoek voor de Akkerbouw en de Vollegrondsgroenteteelt 4 (2000)3. - ISSN 1385-5298 - p. 24 - 26.
    koolsoorten - afwijkingen, planten - plantenziektekunde - symptomen - misvormingen - gewasbescherming - cultuurmethoden - brassica oleracea var. capitata - groeitempo - sapstroom - vloeistoffen (liquids) - cabbages - brassica oleracea var. capitata - plant disorders - plant pathology - symptoms - malformations - plant protection - cultural methods - growth rate - sap flow - liquids
    Onderzoek naar tabaksblad in kool toont aan dat deze groeiafwijking ontstaat tijdens de teelt. Factoren die tijdens de teelt van sluitkool het optreden van tabaksblad (inwendig rand) in belangrijke mate beinvloeden zijn de groeisnelheid en de waterhuishouding van het gewas
    Snelle groei leidt tot meer holle stronken bij bloemkool
    Everaarts, A.P. ; Putter, H. de - \ 2000
    PAV-bulletin. Vollegrondsgroenteteelt / Praktijkonderzoek voor de Akkerbouw en de Vollegrondsgroenteteelt 4 (2000)2. - ISSN 1385-5298 - p. 4 - 6.
    brassica oleracea var. botrytis - bloemkolen - misvormingen - groeitempo - plaatsen op afstand - gewasdichtheid - plantenvoeding - stikstof - brassica oleracea var. botrytis - cauliflowers - malformations - growth rate - spacing - crop density - plant nutrition - nitrogen
    Een te hoge groeisnelheid van de stronk bij bloemkool kan worden afgeremd door dichter te planten. Per plant komt dan minder minerale stikstof beschikbaar
    Inteelt sluipend gevaar : Grote bijdrage van individuele stier terugdringen om zorgelijke inteelt om te buigen
    Bijma, P. ; Woolliams, J.A. ; Arendonk, J.A.M. van; Groen, A.F. ; Brascamp, E.W. - \ 2000
    Veeteelt (2000)november 1. - ISSN 0168-7565 - p. 10 - 13.
    melkveehouderij - melkvee - genetische stoornissen - misvormingen - diergeneeskunde - inteelt - populatiegenetica - dairy farming - dairy cattle - genetic disorders - malformations - veterinary science - inbreeding - population genetics
    Gewaarschuwd wordt tegen de nadelige gevolgen van inteelt in de veefokkerij en wel met name tegen de inteelt bij een kleine populatieomvang
    Wortelverdikking komkommer, onderzoek 1e helft 1999 : chemische en biologische middelen, bacterie-isolaten, antibiotica, substraten en bewaren en verdunnen verdachte voedingsoplossing
    Pittens-v.d. Heijden, R.J. ; Paternotte, P. ; Klinkspoor, D. - \ 1999
    Naaldwijk : Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente, Vestiging Naaldwijk (Rapport / Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente 230) - 38
    cucumis sativus - komkommers - wortels - misvormingen - cultuurmethoden - cucumis sativus - cucumbers - roots - malformations - cultural methods
    Symptomen wortelverdikking komkommer en paprika
    Verkerke, W. ; Pittens - van der Heijden, R.J. - \ 1999
    Naaldwijk : Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente, Vestiging Naaldwijk (Rapport / Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente 173) - 22
    capsicum annuum - cucumis sativus - wortels - misvormingen - capsicum annuum - cucumis sativus - roots - malformations
    Uitgave met foto's van ziektebeelden van wortelverdikking bij komkommer, tomaat, aubergine en andere gewassen. Beoogd wordt om de symptomen voor de praktijk beter herkenbaar te maken. Bestemd voor tuinders, plantenkwekers en voorlichters.
    Wortelverdikking komkommer, onderzoek 1e helft 1998 : modelsysteem, epidemiologie en methodisch onderzoek
    Pittens - van der Heijden, R.J. ; Verkerke, W. ; Paternotte, P. - \ 1998
    Naaldwijk : Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente, Vestiging Naaldwijk (Rapport / Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente 153) - 41
    komkommers - cucumis sativus - misvormingen - wortels - epidemiologie - modellen - cucumbers - cucumis sativus - malformations - roots - epidemiology - models
    In dit rapport worden de proeven beschreven die zijn uitgevoerd op het PBG in de periode januari - juli 1998. Met voedingswater van een bedrijf is in een opkweekruimte een modelsysteem opgezet waarmee een aantasting met wortelverdikking kon worden opgeroepen. Als controle fungeerde een opkweekruimte met voedingswater van het PBG, waarin de planten aanvankelijk niet aangetast raakten. Aan de opkweek werden verschillende waarnemingen uitgevoerd. Met het besmette voedingswater uit het modelsysteem zijn verschillende proeven opgezet. Hierbij werd o.a. door filtreren en verhitten het betrokken agens nader gekarakteriseerd. Uit deze proeven bleek dat wortelverdikking door voedingswater kan worden overgebracht. Na verhitting tot ongeveer 40 - 60 °C geeft besmet water geen wortelverdikking meer. Het agens blijft in het residu op een bacteriefilter van 0.45 //m achter, maar voedingswater dat een filter van 0,22 m is gepasseerd geeft ook nog een aantasting.
    Wortelverdikking bij paprika
    Verkerke, W. ; Kersten, M. - \ 1998
    Naaldwijk : Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente, Vestiging Naaldwijk (Rapport / Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente 131) - 31
    capsicum annuum - misvormingen - plantenfysiologie - plantenontwikkeling - wortels - rapporten - paprika - capsicum annuum - malformations - plant physiology - plant development - roots - reports - sweet peppers
    In dit onderzoek is de ontwikkeling van slecht inwortelende paprika planten beschreven aan de hand van macroscopisch en microscopisch onderzoek. De inwortelingsproblemen bij paprika vertonen microscopisch een grote overeenkomst met wortelverdikking bij komkommer, hoewel de problemen zich macroscopisch iets anders manifesteren. De conclusie is dat de slechte inworteling bij paprika wordt veroorzaakt door wortelverdikking.
    Wortelverdikking bij komkommer (Cucumis sativus L.) : rol van zuurstof en gaswisseling
    Visser, A.J.C. de; Broekhuijsen, A.G.M. - \ 1998
    Wageningen : AB-DLO (Rapport / Dienst Landbouwkundig Onderzoek, Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek 94) - 55
    komkommers - cucumis sativus - plantenfysiologie - wortels - plantenziektekunde - misvormingen - zuurstof - cucumbers - cucumis sativus - plant physiology - roots - plant pathology - malformations - oxygen
    Verlaging van de zuurstofspanning in combinatie met een besmette voedingsoplossing (in het kader van onderzoek naar wortelverdikking bij komkommer)
    Blom - Zandstra, M. ; Baan Hofman - Eijer, L. - \ 1998
    Wageningen : AB-DLO (Rapport / Dienst Landbouwkundig Onderzoek, Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek 96) - 26
    komkommers - cucumis sativus - cultuur zonder grond - vloeibare kunstmeststoffen - wortels - zuurstof - ademhaling - plantenfysiologie - plantenontwikkeling - plantenziektekunde - misvormingen - cucumbers - cucumis sativus - soilless culture - liquid fertilizers - roots - oxygen - respiration - plant physiology - plant development - plant pathology - malformations
    Anatomie van wortelverdikking bij komkommer
    Verkerke, W. ; Kersten, M. - \ 1997
    Naaldwijk : Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente (Rapport / Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente 110) - 22
    cucumis sativus - komkommers - misvormingen - wortels - rapporten - cucumis sativus - cucumbers - malformations - roots - reports
    De ontwikkeling van wortelverdikking bij komkommer is beschreven aan de hand van lichtmicroscopisch werk. Wortelverdikking begint met onregelmatige celvergroting in de cortex en beschadiging van de epidermis. Onmiddellijk daarna treedt er overmatige secundaire diktegroei op. Celvergroting leidt in pootbare planten tot kringelende en glazig opgezwollen wortels. De overmatige secundaire diktegroei van de wortels leidt uiteindelijk bij oudere planten tot pinkdikke wortels. De ontwikkeling van de eerste ontogenetische stadia suggereert dat wortelverdikking veroorzaakt zou kunnen zijn door zuurstofgebrek in het wortelmilieu.
    Epidemiologie van wortelverdikking bij komkommer
    Hoogerbrugge, E. ; Verkerke, W. - \ 1997
    Naaldwijk : Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente, Vestiging Naaldwijk (Rapport / Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente, Vestiging Naaldwijk 122) - 30
    cucumis sativus - komkommers - plantenfysiologie - plantenontwikkeling - wortels - misvormingen - plantenplagen - plantenziekten - epidemiologie - distributie - rapporten - cucumis sativus - cucumbers - plant physiology - plant development - roots - malformations - plant pests - plant diseases - epidemiology - distribution - reports
    De invloed van enkele factoren op wortelverdikking bij komkommer zijn onderzocht in een praktijksituatie. Wortelverdikking kan worden verspreid via voedingswater. Mechanische beschadiging van de plant kan tot wortelverdikking leiden. Er zijn experimenten met een ethyleen-gevoelige indicatorpiant {Vicia sativa) uitgevoerd. Deze geven een indicatie dat er mogelijk ethyleen voorkomt in het voedingswater van aangetaste planten.
    Wortelverdikking bij komkommer : resultaten van de eerste serie proeven van 1996
    Moolenbroek, J. van; Verkerke, W. - \ 1996
    Naaldwijk : PBG-Naaldwijk (Rapport / Proefstation voor Bloemisterij en Glasgroente 70) - 29
    cucumis sativus - komkommers - plantenziektekunde - symptomen - misvormingen - nederland - cucumis sativus - cucumbers - plant pathology - symptoms - malformations - netherlands
    De invloed van enkele factoren op wortelverdikking bij komkommer zijn onderzocht in een experimentele opkweek-opstelling en in een praktijksituatie. Opkweek bij een constant hoog watergehalte leidde in alle onderzochte opkweekmedia tot kringelende en soms ook glazige wortels. Deze eerste stadia van wortelverdikking zetten echter niet altijd door. Bij een constant laag watergehalte traden geen verschijnselen van wortelverdikking op. Inoculatie met een papje van verdikte wortels leidde niet tot een toename in aantasting. Het droog potgewicht beïnvloedt in de experimentele opkweek het uiteindelijk gerealiseerde watergehalte in de pot, maar had in deze proeven geen invloed op de aantasting. Toevoegen van formaldehyde aan de voedingsoplossing leidde niet tot wortelverdikking. In een normale opkweek gaat een hoog gemiddeld watergehalte samen met een ernstiger aantasting. De hypothese is dat wortelverdikking hetzij het directe gevolg is van een gebrekkige zuurstofvoorziening van de wortels, dan wel het gevolg is van een bepaalde chemische reactie die alleen onder zuurstof-arme omstandigheden in het medium kan optreden.
    Platknoppen bij roos : literatuurstudie
    Hoog, J. de - \ 1991
    Aalsmeer : Proefstation voor de Bloemisterij in Nederland (Rapport / Proefstation voor de Bloemisterij in Nederland 112) - 13
    klimaatfactoren - oogstschade - snijbloemen - misvormingen - meteorologische factoren - overzichten - rosa - climatic factors - crop damage - cut flowers - malformations - meteorological factors - reviews - rosa
    Light climate and its impact on Potamogeton pectinatus L. in a shallow eutrophic lake
    Dijk, G.M. van - \ 1991
    Agricultural University. Promotor(en): W.J. Wolff; C.W. Stortenbeker. - S.l. : S.n. - 125
    potamogetonaceae - biocenose - plantengemeenschappen - aquatische gemeenschappen - rivieren - waterlopen - kanalen - water - oppervlaktewater - waterverontreiniging - waterkwaliteit - straling - licht - lichtdoorlating - reflectie - refractie - absorptie - emissie - meren - nederland - fotoperiodiciteit - plantenziekten - plantenziektekunde - misvormingen - fasciatie - potamogeton pectinatus - aquatische ecosystemen - optica - potamogetonaceae - biocoenosis - plant communities - aquatic communities - rivers - streams - canals - water - surface water - water pollution - water quality - radiation - light - light transmission - reflection - refraction - absorption - emission - lakes - netherlands - photoperiodism - plant diseases - plant pathology - malformations - fasciation - potamogeton pectinatus - aquatic ecosystems - optics
    Eutrofiëring, dat wil zeggen een toename in aanbod van nutriënten, vormt de laatste decennia een van de belangrijkste bedreigingen voor aquatische ecosystemen in zoete, brakke en mariene wateren. Bij eutrofiëring profiteren de waterplanten, de planktonische en de epifytische algen van het toegenomen voedselaanbod. Als gevolg van deze grotere algendichtheden verslechtert het lichtklimaat voor de ondergedoken waterplanten doorgaans aanzienlijk. De groei van de waterplanten neemt af en op den duur kan de ondergedoken vegetatie zelfs volledig verdwijnen. Met de waterplanten verdwijnen ook vele organismen die voor hun voedsel, voortplanting en/of habitat daarvan afhankelijk zijn. Dit geldt voor organismen zowel in het water (b.v. snoek en verschillende macrofaunasoorten) als daarbuiten (b.v. foeragerende vogels). Waterplanten spelen een essentiële rol in het functioneren van aquatische ecosystemen. Voor waterkwaliteitsbeheer van geëutrofieerde systemen is het dan ook van belang de invloed van het lichtklimaat op de groei en overleving van waterplanten nader te kennen.

    In 1985 is bij de vakgroep Natuurbeheer van de Landbouwuniversiteit te Wageningen, onder begeleiding van Prof. Dr W. van Vierssen, een onderzoek begonnen naar de effecten van eutrofiëring op de dynamiek van door waterplanten gedomineerde
    zoetwater-ecosystemen. In dit project waarbij verschillende medewerkers van deze vakgroep actief waren, is uitgegaan van een modelmatige benadering waarbij resultaten van laboratorium en veldexperimenten geïntegreerd zijn in een simulatie
    model. Een deel van de resultaten van dit onderzoek is recentelijk gepubliceerd in een wetenschappelijk proefschrift (M.J.M. Hootsmans en J.E. Vermaat). In het voor u liggende proefschrift zijn de resultaten gepresenteerd van een driejarig
    veldonderzoek (1986-1988), uitgevoerd in opdracht van DBW/RIZA, dat deel uitmaakte van dit eutrofiëringsproject. De volgende vragen staan hierbij centraal:
    - hoe wordt het lichtklimaat in het Veluwemeer voor de ondergedoken water planten gekarakteriseerd en door welke componenten in het water wordt het bepaald?
    - wat is de invloed van het lichtklimaat op de groei en overleving van Schedefonteinkruid ( Potamogeton pectinatus ) in het Veluwemeer?

    Het Veluwemeer (3240 ha, gemiddeld 1.15 m diep in de zomer) is eind jaren vijftig ontstaan bij de aanleg van de polder Oostelijk Flevoland. Het ligt tussen het 'nieuwe' en 'oude' land. In de eerste jaren na aanleg werd het Veluwemeer gekenmerkt door helder water en een dichte vegetatie bestaande uit o.a. verschillende soorten kranswieren ( Chara sp.), fonteinkruiden ( Potamogeton sp.), Aarvederkruid ( Myriophyllum spicatum ), Waterpest ( Elodea canadensis ), Stijve waterranonkel ( Ranunculus circinatus ) en Smalbladige waterweegbree ( Alisma gramineum ). In de jaren zestig raakte het Veluwemeer langzaam maar zeker steeds eutrofer. Dit leidde regelmatig tot blauwalgenbloei en de waterplanten verdwenen vrijwel volledig in de jaren zeventig. Toen eind jaren zeventig een defosfateringstrap bij de rioolwaterzuiveringsinstallaties van Elburg en Harderwijk in gebruik was genomen en het meer werd doorgespoeld met fytoplankton- en fosfaatarm water, bleek dat dit effectieve beheersmaatregelen zijn. Het patroon van de jaarlijks weerkerende blauwalgenbloei werd doorbroken, de helderheid van het water verbeterde sterk en de waterplanten keerden terug. Halverwege de jaren tachtig was Schedefonteinkruid de meest voorkomende waterplant. Verder kwamen plaatselijk Doorgroeid fonteinkruid ( Potamogeton perfoliatus ) en kranswieren voor. Een volledig herstel in dichtheid en diversiteit van de ondergedoken vegetatie bleef echter uit. Vermoed werd dat het lichtklimaat nog steeds een beperkende factor vormde voor een optimale ontwikkeling van waterplanten en dat aanvullende beheersmaatregelen noodzakelijk waren. In dit proefschrift is de hypothese getoetst dat de groei van waterplanten in het Veluwemeer gelimiteerd zijn door het lichtklimaat als gevolg van een hoge planktonische en epifytische biomassa.

    Hoofdstuk 2 behandelt het lichtklimaat onder water gedurende het groeiseizoen van Schedefonteinkruid. De helderheid van het water was in 1986 en 1987 gering: de verticale extinctiecoëfficiënt varieerde tussen 1.56 tot 6.76 m -1en bedroeg in 1986 gemiddeld 2.2 m -1, in 1987 3.4 m -1. In het water wordt licht weggenomen: door het water zelf, in het water opgeloste humusachtige organische stoffen (aangeduid als gilvin), fytoplankton, zwevende dode organische stof (dode algen, plantedelen, dieren) en zwevende anorganische deeltjes (klei- en slibdeeltjes). De twee laatste componenten vormen samen het tripton. Het gehalte aan chlorofyl-a varieerde van 2 tot 85 mg.m -3, de sestonconcentratie (som van het fytoplankton en het tripton) van 8 tot 148 mg.drooggewicht.l -1en de gilvinconcentratie van 0.79 tot 1.11 m -1(uitgedrukt als absorbtiecoëfficiënt bij 440 nm). Het licht in het water blijkt sterk verstrooid te worden, met name door het tripton. De relatieve bijdrage van het water zelf en het gilvin aan de bundelextinctiecoëfficiënt was gering (minder dan 5%). Het fytoplankton draagt voor 6 tot 20% bij aan de grootte van de absorptiecoëfficiënt, voor 3 tot 33% aan de verstrooiingscoëfficiënt en voor minder dan 30% aan de bundelextinctiecoëfficiënt. Tripton is er dus voor het grootste deel verantwoordelijk voor dat de lichtintensiteit in het water sterk afneemt met de diepte. Het spectrum van het licht verandert aanzienlijk van samenstelling naar gelang de diepte van het water; dit is een gevolg van een selectieve absorptie door de componenten in de waterlaag. Opgelost gilvin en gilvin geadsorbeerd aan tripton absorberen sterk het blauwe deel van het spectrum. De hoeveelheid tripton in het water is positief gerelateerd aan windsnelheid. Geconcludeerd is dat het lichtklimaat onder water in sterke mate wordt bepaald door bodemmateriaal dat door wind is opgewerveld. Het fytoplankton is slechts van ondergeschikt belang voor het lichtklimaat.

    In hoofdstuk 3 zijn de resultaten beschreven van de ontwikkeling, samenstelling en lichtdoorlatendheid van het perifyton op kunstmatig substraat (objectglaasjes). Daarnaast zijn er enkele aanvullende observaties verricht aan perifyton op bladeren
    van Schedefonteinkruid. Deze perifytonkarakteristieken zijn bestudeerd bij vier experimentele lichtcondities. De perifytonontwikkeling werd enerzijds gevolgd op substraat dat telkens gedurende twee weken geïncubeerd was en anderzijds op substraat dat vanaf half mei tot het moment van bemonstering in het Veluwemeer was geïncubeerd (respectievelijk
    aangeduid als interval- en totaalserie). De perifytonontwikkeling op kunstmatig substraat vertoonde een duidelijke periodici
    teit in beide series. Aanwassnelheid en perifytondichtheid waren maximaal aan het begin en aan het einde van het groeiseizoen van Schedefonteinkruid en relatief daartussenin, waarschijnlijk als gevolg van begrazing door gammariden en/of chirono
    miden. Foto-inhibitie en een door nutriënten beperkte groei kunnen echter ook een rol hebben gespeeld. De perifytonontwikkeling vertoonde nauwelijks verschillen bij de experimentele lichtcondities in beide series. Kiezelalgen vormden de dominante groep aan het begin en aan het einde van het groeiseizoen; groen- en kiezelalgen waren dominant daar tussenin. Gedurende het gehele seizoen was de relatieve bijdrage van blauwalgen aan de totale epifytische gemeenschap slechts gering. Het perifyton bestond voor een groot deel uit gesedimenteerde anorganisch deeltjes (klei- en slibdeeltjes) en dood organisch
    materiaal (detritus). Het perifyton dat zich gedurende twee weken in het Veluwemeer had kunnen ontwikkelen, nam 10 tot 50% van het invallende licht weg. Perifyton dat zich langer dan twee weken had kunnen ontwikkelen, nam uiteindelijk meer dan 90% van het invallende licht weg. Het perifyton vertoonde een zelfde periodiciteit in dichtheid op de bladeren van
    Schedefonteinkruid als op kunstmatig substraat, zij het dat de dichtheid hoger was op de bladeren dan op kunstmatig substraat. Het perifyton op bladeren en op kunstmatig substraat bestond voor een belangrijk deel uit klei-, slib- en detritusdeeltjes.
    Opwerveling van bodemmateriaal beïnvloedt het lichtklimaat van de ondergedoken waterplanten dus sterk negatief: enerzijds leidt het tot zeer troebel water en anderzijds tot een dichte perifytonlaag die weinig licht doorlaat.

    Hoofdstuk 4 en 5 behandelen de groei en overleving van Schedefonteinkruid bij experimentele lichtcondities. Schedefonteinkruid vertoont een eenjarige levenscyclus in het Veluwemeer. Aan het einde van de zomer (augustus-september) sterven stengels, bladeren, wortels en wortelstokken volledig af. Schedefonteinkruid overwintert door middel van tubers (vegetatieve overlevingsorganen). In het voorjaar, als de watertemperatuur stijgt, lopen de tubers massaal uit. Schedefonteinkruid produceert ook zaden maar deze kiemen in het veld slecht. Voor de overleving van de vegetatie in de winter zijn de tubers daarom van cruciaal belang.

    Hoofdstuk 4 behandelt de invloed van het lichtklimaat op de vegetatieontwikkeling van Schedefonteinkruid. Daartoe zijn boven een homogene Schedefontein kruidvegetatie drie typen netten gespannen (1.5 m boven het wateroppervlak) die respectievelijk 26%, 45% en 73% van de invallende lichtinstraling wegnamen. In de vegetatie ontstonden op deze wijze vier lichtcondities nl. een blanco (d.w.z. geen beschaduwing) en drie met beschaduwing. De fotoperiode was bij alle lichtcondities vrijwel hetzelfde terwijl de fotosynthetische periode korter was met toenemende beschaduwing. De fotoperiode is gedefinieerd als de tijdsduur per dag waarin de lichtintensiteit meer dan 10 μE.s 1.m 2bedraagt, de fotosynthetische periode als de tijdsduur per dag waarin de lichtintensiteit hoog genoeg is voor een netto fotosynthese. Elke lichtconditie werd gerealiseerd in een gebied van totaal 300 m 2, verdeeld over drie proefgebieden. Van april tot november 1986 is de vegetatie elke twee weken bemonsterd. De boven- en ondergrondse biomassa waren gedurende het grootste deel van het groeiseizoen lager met toenemende beschaduwing. Bij alle lichtcondities begon de tuberproduktie in de tweede helft van juni, rond de langste dag. In die periode waren de relatieve bijdrage van tubers aan de totale biomassa en het aantal tubers per hoeveelheid boven- en ondergrondse biomassa het hoogst bij de hoogste beschaduwing. Hierbij viel het tijdstip van maximale bovengrondse biomassa vroeger in het seizoen en was het vegetatieseizoen korter dan bij de overige lichtcondities. Aan het einde van het groeiseizoen werd de tuberbank kleiner bij toenemende beschaduwing. Afgeleid is dat tubervorming begint bij een fotoperiode van ca. 16 uur (lange-dag condities) onafhankelijk van de fotosynthetische periode. Tuberproduktie en realloca tie van carbohydraten zijn daarentegen hoger bij een kortere fotosynthetische periode.

    In hoeverre een verhoogde tuberproduktie en reallocatie van carbohydraten naar de tubers een adequate respons is op een verkorte fotosynthetische periode, is sterk afhankelijk van de hoeveelheid beschikbaar fotosynthaat waarmee de tubers gevuld moeten worden. De hoeveelheid fotosynthaat is afhankelijk van de hoeveelheid fotosynthetisch actieve delen (bovengrondse biomassa) en van de fotosynthese bij gegeven lichtcondities. Bij de hoogste beschaduwing kan de bovengrondse biomassa niet voldoende fotosynthetiseren om de groei van zowel tubers als van bovengrondse delen te onderhouden. Geconcludeerd is dat beschaduwing een negatief effect had op de ontwikkeling van biomassa en op de omvang van de tuberbank. Optimale tuberproduktie van Schedefonteinkruid vindt waarschijnlijk plaats in helderder water dan in de blanco situatie van dit experiment.

    In hoofdstuk 5 wordt de invloed van het lichtklimaat op de groei en overleving van Schedefonteinkruid besproken. Daartoe is de vegetatieontwikkeling van Schedefon teinkruid bij verschillende lichtcondities gedurende drie seizoenen gevolgd
    (1986-1988). In 1986 zijn met kunstmatige beschaduwing vier lichtcondities gecreëerd in een homogene Schedefonteinkruidvegetatie. In 1987 is slechts een gedeelte van deze vegetatie op identieke wijze en een ander gedeelte niet meer beschaduwd. In 1988 is er geen kunstmatige beschaduwing meer toegepast. In 1987 waren de groeiomstandigheden slechter dan in 1986. In de blanco situatie waren de boven- en ondergrondse biomassa, de maximale bovengrondse biomassa en de netto tuberproduktie in 1987 lager dan in 1986. Verder was het vegetatieseizoen korter en was de maximale bovengrondse biomassa in 1987 vroeger in het seizoen bereikt dan in 1986. In het tweede jaar (1987) had de beschaduwing dezelfde effecten op de biomassa en tuberbankontwikkeling als in 1986. In beide jaren namen de boven- en ondergrondse
    biomassa en de maximale bovengrondse biomassa af bij toenemende beschaduwing en werd het groeiseizoen korter.
    Geconcludeerd is dat bij de huidige waterkwaliteit in het Veluwemeer het lichtklimaat onder water een dominante factor is voor de vegetatieontwikkeling van Schede fonteinkruid. Daarnaast kunnen verschillen in waterkwaliteit en/of weersomstandigheden tot aanzienlijke verschillen in vegetatieontwikkeling leiden. De vegetatieontwikkeling tijdens het groeiseizoen uitgedrukt in maximale boven grondse biomassa was positief gecorreleerd met de omvang van de tuberbank aan het begin van het seizoen. De overlevingskansen van een vegetatie op langere termijn zijn mede bepaald door de omvang van de tuberbank. De vegetatieontwikkeling hangt dus niet alleen van de waterkwaliteit in het desbetreffende seizoen af maar ook via de
    tuberbank van de waterkwaliteit in de voorafgaande periode(n). Bij een verbetering van het lichtklimaat onder water kan Schedefonteinkruid zich herstellen. Dit herstel is afhankelijk van het lichtklimaat en het weer; de snelheid van herstel is mede afhankelijk van de omvang van de tuberbank aan het begin van het seizoen.

    In hoofdstuk 6 wordt de betekenis van de ondergedoken waterplanten geëvalueerd bij restauratie van sterk eutrofe systemen door middel van actief biologisch beheer. Onder actief biologisch beheer, ook wel biomanipulatie genoemd, wordt verstaan het (direct) beïnvloeden van de biotische component(en) in het water, zodanig dat het biologische systeem zelf wordt ingeschakeld bij de bestrijding van algenproblemen. Praktische mogelijkheden liggen vooral op het gebied van visstandsbeheer. Actief biologisch beheer blijkt een effectieve strategie te zijn in de bestrijding van ongewenste effecten van eutrofiëring in relatief kleine wateren. Het succes van actief biologisch beheer in grootschalige projecten is echter mede afhankelijk van de gevoeligheid van het systeem voor opwerveling van bodemmateriaal door wind. Indien als gevolg van eutrofiëring of een andere tijdelijk actieve factor de ondergedoken vegetatie verdwijnt, zal in systemen gevoelig voor opwerveling van bodemmateriaal door wind, de hoeveelheid opgewerveld bodemmateriaal een sturende factor zijn voor het lichtklimaat onder water. In dergelijke systemen zijn aanvullende maatregelen nodig voor verbetering van het lichtklimaat onder water voordat de ondergedoken vegetatie zich kan herstellen. Daarbij valt te denken aan morfologische ingrepen zoals het creëren van luwteplekken door aanleg van eilanden, dijken en windsingels. Naar verwachting zal dan tenminste op deze luwteplekken het lichtklimaat onder water verbeteren zodat zich lokaal vegetatiekernen kunnen ontwikkelen. Tevens zouden waterkwaliteitsbeheerders de groei en verspreiding van waterplanten kunnen stimuleren, bijvoorbeeld door herintroductie van soorten zoals nymfeïden die een sterk dempende werking hebben op de waterbeweging.

    Sympton development, X-body formation and 126-kDa-protein in plants infected with tobacco mosaic virus
    Wijdeveld, M.M.G. - \ 1990
    Agricultural University. Promotor(en): J. Bruinsma; R.W. Goldbach. - S.l. : S.n. - 105
    plantenziekten - plantenvirussen - nicotiana - tabak - tabaksmozaïekvirus - plantenziektekunde - misvormingen - fasciatie - plant diseases - plant viruses - nicotiana - tobacco - Tobacco mosaic virus - plant pathology - malformations - fasciation

    Upon infection with tobacco mosaic virus (TMV) sensitive tobacco varieties develop systemic mosaic symptoms in the developing leaves. These symptoms are the visible result of the interaction of the virus with its host and the nature and the severity of the symptoms are determined by the genetic constitutions of both partners. Their interaction involves several stages, including virus entry, replication and spread, the latter of which are dependent on viruscoded proteins. How the virus induces symptoms remains unclear.

    TMV codes for proteins of 183, 126, 30 and 17.5 kDa, that are necessary for replication (183 kDa and presumably 126 kDa), cell- to-cell transport (30 kDa) and long-distance transport, as well as for coating the viral RNA (17.5 kDa). Virus multiplication leads to cellular disturbances in the chloroplasts, cytoplasm and nucleus, as reviewed in chapter 1. Since viral multiplication most likely occurs in the cytoplasm, changes in the nucleus seem to be secondary and might be related to the developmentally- controlled appearance of mosaic symptoms. As shown by Van Telgen (Changes in chromatinassociated proteins of virus-infected tobacco leaves, thesis Agricultural University Wageningen, 1985), during the development of systemic mosaic symptoms the viral non-structural 126-kDa protein was present among the chromatin- associated proteins in fractionated leaf homogenates. The aim of the present investigation was to study the implications of this finding.

    An antiserum was raised against a fusion protein of E.coli β-galactosidase and amino acids 339-852 of the 126-kDa-protein. By immunoelectron microscopy of sections from systemically infected leaves the viral protein was not detectable in nuclei but, instead, was found to be present in cytoplasmic inclusions, characterized by the presence of tubules, and designated X- bodies. In embedded purified nuclear preparations from systemically infected leaves similar amorphous structures, most likely X-bodies,Iwere present and specifically labelled. In contrast, using antibodies against tobacco histones, only nuclei were labelled. Antibodies against viral coat protein labelled crystalline virus inclusions in the cytoplasm and did not react with nuclei. Light microscopic analysis indicated that Xbodies were almost always associated with nuclei. Thus, the presence of X- bodies in nuclear preparations seemed to result from adherence of the X-bodies to the nuclei and the viral 126-kDa protein appeared to be confined to the X-bodies (Chapter 2).

    To study the time course of X-body occurrence in relation to symptom development, a largely synchronized infection was employed. Plants were infected by differential temperature treatment and virus multiplication in systemically infected leaves was initiated by transfer of the plants from 4 to 25°C. An ELISA assay was developed to quantify the amount of viral 126-kDa protein present. In leaves up to 4 cm in length the accumulation of 126-kDa protein was followed in relation to viral multiplication, the development of X- bodies and the formation of symptoms. Both 126-kDa protein and coat protein became detectable between 40 and 66 h after transfer of the plants and increased in parallel up to 200 h. Vein clearing was visible at 66 h, followed by mosaic in the newly developed leaves at 112 h.

    By electron microscopy small X-bodies, weakly labelled with antibodies against the 126- kDa protein, were detected as early as 24 h after transfer but were not found to be associated with nuclei. Thereafter, X-bodies increased in size and 126-kDa labelling density, and were increasingly often observed attached to nuclei. In emerging leaves developing mosaic symptoms, X-bodies were associated with nuclei already at an early stage. These observations support the idea that association of X-bodies with nuclei is connected with symptom induction when the leaf is invaded by the virus early in its development (Chapter 3).

    TMV strains inducing symptoms ranging from severe mosaic to virtually none were used to further test this hypothesis. The RNAs of strains flavum , V4 and masked encoded in vitro proteins of similar sizes as those of the common strain W U1. Antisera against the coat and 126-kDa proteins of W U1. recognized corresponding proteins of the three strains. All virus strains accumulated to substantial levels in systemically infected leaves, as evidenced by the presence of coatprotein in virus crystals. The 126-kDa protein was localized in large X-bodies associated with nuclei in flavum -infected tissue, but in tiny X-bodies, free in the cytoplasm, in masked- infected plants. Neither X-bodies nor 126-kDa proteins were observed in V4-infected tissue. Since 126-kDa protein from V4 was - at least in vitro -not more sensitive to proteolysis than that from flavum , accumulation of the protein in X-bodies in the latter might have resulted from excess synthesis. These results are consistant with the hypothesis that the size and location of the X-bodies determine symptom expression (Chapter 4).

    Further TMV strains were used to probe the generality of this conclusion. Strains U2 and U5, inducing mild mosaic symptoms, were selected because of their presence in chloroplasts, and Holmes' ribgrass (HR) because it is a distantly related strain that produces a symptomless systemic infection at 30°C.Strains U2 and U5 coded for proteins of 126 kDa, while the strain HR coded for a protein of 130 kDa. Strikingly, these proteins were not recognized by antisera against the protein from W U1. Electron microscopic analysis of tissues infected with U2 and U5 established the presence of virus clusters in the cytoplasm as well as in chloroplasts. In scattered cells infected with HR virus clusters were found adjacent to nuclei and chloroplasts. X- bodies were not detected after infection with any of these strains, but were large and adjacent to nuclei in W U1-infected tomato displaying severe mosaic symptoms. The induction of X- bodies thus appears to be characteristic of some strains of TMV only. Since other strains induce mosaic symptoms without X-bodies being present, the occurrence of X-bodies can, at most, be associated with the severity of the symptoms induced by the former strains (Chapter 5).

    In Chapter 6 the significance of X-bodies in TMV infection is discussed. A function as the site of virus replication seems unlikely because some strains multiply to substantial levels without X-bodies being present. As discussed in chapter 4 their occurrence might be explained as resulting from a build up of 126-kDa proteins. Their close association with nuclei in systemically infected leaves suggests that they might influence nuclear activity. The rate at which association occurs and the developmental stage of the leaf at thattime appear to be factors that play a role in symptom expression in tobacco infected with M W U1. or flavum, and masked. Other mechanisms must also play a role, as evidenced by symptoms expressed by strains that do not induce X-bodies.

    Vatbaarheid van knolcyperus en enkele andere plantesoorten voor Puccinia canaliculata
    Hoogerbrugge, A. - \ 1989
    Wageningen : Centrum voor Agrobiologisch Onderzoek (Cabo-verslag nr. 107) - 26
    biologische bestrijding - organismen ingezet bij biologische bestrijding - cyperaceae - fasciatie - schimmels - misvormingen - nederland - plantenziekten - plantenziektekunde - puccinia - pucciniales - onkruiden - biological control - biological control agents - cyperaceae - fasciation - fungi - malformations - netherlands - plant diseases - plant pathology - puccinia - pucciniales - weeds
    Fasciation in Kalanchoe (1960-19 )
    Anonymous, - \ 1980
    Wageningen : Pudoc (Literatuurlijst / Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie no. 4455)
    bibliografieën - crassulaceae - fasciatie - misvormingen - plantenziekten - afwijkingen, planten - plantenziektekunde - bibliographies - crassulaceae - fasciation - malformations - plant diseases - plant disorders - plant pathology
    Viral protein synthesis in cowpea mosaic virus infected protoplasts
    Rottier, P. - \ 1980
    Landbouwhogeschool Wageningen. Promotor(en): A. van Kammen. - Wageningen : Rottier - 97
    koebonenmozaïekvirus - virussen - replicatie - plantenziekten - plantenziektekunde - misvormingen - fasciatie - plantensamenstelling - eiwitsynthese - cowpea mosaic virus - viruses - replication - plant diseases - plant pathology - malformations - fasciation - plant composition - protein synthesis

    In contrast to the situation concerning bacterial and, to a lesser extent, animal RNA viruses, little is known about the biochemical processes occurring in plant cells due to plant RNA virus infection. Such processes are difficult to study using intact plants or leaves. Great effort has therefore been spent in developing in vitro cultures of plant protoplasts, but the use of these protoplasts has been seriously hampered by various technical problems.
    It is clear that plant RNA virus infections give rise to a number of specific reactions in infected cells, particularly at the level of RNA and protein synthesis. The multiplication of these viruses implies a manifold copying of their structural components, namely RNA and protein. These activities clearly require the involvement of other RNA and protein species in view of, for instance, the drastic cytopathic effects that are often caused by infection. Thus, detailed knowledge of virus-induced RNA and protein synthesis is a prerequisite for an understanding of the infection process.
    In this thesis investigations are described concerning the proteins involved in the multiplication of cowpea mosaic virus (CPMV) in cowpea protoplasts.
    The relevant properties of CPMV are summarized in chapter 2. Research on CPMV is interesting not only in the field of plant virology as the virus is also of general virological significance. Structurally, for example, CPMV shares a number of striking features with the animal picornaviruses like poliovirus and footand-mouth disease virus. From a molecular biological point of view the multiplication of CPMV presents several intriguing specific questions. CPMV is a multicomponent virus: its genome consists of two different single-stranded RNA molecules occurring in separate nucleoprotein particles, both of which are essential for infection. It would be of interest to learn which functions are specified by the two genome pieces, whether the separate viral components can give rise to some virus-specific biochemical expression within the cell and how they complement each other during normal infection. Characteristic cytopathic structures are induced in plant cells upon infection with CPMV in the form of vesicular membranes embedded in amorphous electron-dense material. It is now well established that replication of the viral RNA is localized in these structures. Information about their development and functioning is thus required.
    Chapter 2 also contains an introduction to the essential features of plant protoplasts and an enumeration of the diverse possibilities they can offer for the investigation of specific virological problems. Finally, the present state of knowledge about the biochemistry of multiplication of plant viruses, as obtained mainly through the use of protoplasts, is reviewed.
    The isolation of viable protoplasts from the leaf mesophyll tissue of cowpea requires the stringent control of the growth conditions of the plants (chapter 3). Various factors appeared to influence the quality of the protoplasts and their infectability with CPMV. The combination of cowpea mesophyll protoplasts and CPMV appeared to offer a very attractive system. Based on the original study of HIBI et al. (1975) a procedure was developed for the preparation and infection of the protoplasts, the most rapid and simple one so far described (chapter 3). The major reasons for this are:
    - a short growth period (about 10 days under the conditions used) is required to obtain suitable leaf material
    - for an efficient enzymatic digestion of the leaves it is sufficient to damage the lower epidermis by means of carborundum powder and paint-brush instead of stripping off the epidermis with forceps
    - enzymatic one-step isolation of protoplasts can be achieved by simultaneous digestion with pectinase and cellulase
    - inoculation of cowpea protoplasts with CPMV does not require the use of polycations, making the preincubations of protoplasts and virus superfluous.
    Using this standard procedure, synchronous infection in virtually all protoplasts could be routinely established.
    Radioactive precursors of RNA and protein added to the cowpea protoplast incubation medium were taken up and incorporated into macromolecules to high specific activities (chapter 4). This light-dependent metabolic activity increased during the first 30 h after isolation of the protoplasts. It could be influenced by several metabolic inhibitors. RNA synthesis, for instance, was strongly inhibited by actinomycin D and cordycepin, whereas ot-amanitin and rifampicin had only a slight effect. Protein synthesis in the protoplasts could be blocked completely by means of cycloheximide, and was also sensitive to the action of antibiotics such as chloramphenicol, puromycin and, to a lesser degree, lincomycin. These inhibitor studies, as well as the results of analyses of RNAs and proteins synthesized in the protoplasts, indicated that the metabolic activity of the chloroplasts is low and mainly limited to light-dependent energy generation.
    The multiplication of CPMV in cowpea mesophyll protoplasts relies upon host-coded DNA-dependent RNA synthesis during the earliest stage of infection. As described in chapter 5, propagation of the virus was completely prevented when protoplast DNA transcription and thereby almost all RNA synthesis was inhibited by means of actinomycin D, provided that the drug was applied at the time of inoculation or immediately thereafter. The degree of inhibition of CPMV replication by actinomycin D rapidly decreased when the antibiotic was added later after inoculation; the production of viral nucleoprotein particles became progressively more resistant to the drug, showing complete resistance at about 8 h after inoculation, a time at which infection was still in its latent phase.
    Surprisingly, synthesis of CPMV antigen was still demonstrable by immunofluorescent antibody staining techniques in protoplasts in which virus replication had been completely blocked by actinomycin D. Under these circumstances de novo production of viral top component (empty capsids) was observed. In addition to the CPMV capsid proteins, these experiments revealed another 3 viral-related polypeptides in infected protoplasts (molecular weights 170,000, 110,000 and 84,000). Since their synthesis also clearly continued during inhibition of host RNA synthesis by actinomycin D it was concluded that they were coded for by the viral genome.
    A more detailed analysis of the proteins involved in CPMV multiplication is described in chapter 6. At least 11 proteins not present in mock-infected protoplasts or present in much lower amounts were detected in infected protoplasts. Their molecular weights were estimated to be 170,000, 130,000, 112,000, 110,000, 87,000, 84,000, 68,000,37,000, 30,000,24,000 and 23,000. Host-specific protein synthesis appeared to be hardly affected by C~ infection. Virusspecific proteins therefore had to be distinguished from a large variety of protoplast proteins. This appeared to be greatly facilitated by radioactive labeling of the protoplasts for short periods during a suitable phase of the infection cycle and by subcellular fractionation of the protoplasts. The treatment of the particulate fractions with the mild detergent digitonin yielded extracts in which proteins could be detected by polyacrylamide gel electrophoretic analysis that otherwise remained hidden by a general high background of radioactivity upon direct analysis of the untreated particulate fractions.
    All of the proteins apparently concerned in CPMV infection were most clearly observed late in infection. None of them was detectable during the actinomycin D-sensitive latent period. The 170 and 30 kilodalton proteins were the first detectable, namely from about 10 h after inoculation. All others became apparent about 6 h later.
    The induction of the characteristic cytopathic structures in CPMV-infected cells suggests the induction and/or stimulation of synthesis of a large number of proteins by the virus. Upon fractionation these proteins should appear in the particulate fractions of the protoplasts. However, only 2 virus-induced polypeptides (112 and 68 kilodalton) were demonstrated exclusively in these fractions. Other components of the cytopathic structures presumably remained in the extracted pellet residues.
    In chapter 8 further characterization of the viral-related proteins found in CPMV-infected protoplasts is described. The 37, 24 and 23 kilodalton proteins were identified as viral capsid proteins by comparing their electrophoretic mobility in polyacrylamide gels with those of proteins from purified CPMV and by immunoprecipitation with anti-CPMV serum. They occurred in the soluble fraction of protoplasts only in viral particles, not as free proteins. The 170 and 30 kilodalton polypeptides also appeared to be virus-specific and to be coded for by CPMV bottom component RNA: they comigrated in polyacrylamide slabgels with the main products of in vitro translation of this RNA in a messengerdependent lysate of rabbit reticulocytes. These polypeptides were also induced in protoplasts after inoculation with purified CPMV bottom component. Under these conditions some other viral-related proteins were also synthesized, but not the viral capsid proteins. In contrast, inoculation with purified CPMV middle component did not delectably affect protoplast protein synthesis. These experiments strongly suggest that CPMV B-RNA specifies one or more early functions one of which being the replicase function, while M-RNA specifies late functions, particularly the viral capsid proteins.
    Since the total size of the viral-related proteins by far exceeded the theoretical coding potential of the CPMV genome, the occurrence of precursor-product relations was investigated by means of pulse-chase experiments and by attempting to accumulate possible precursors by blocking their proteolytic processing. The results of the latter method were negative. Upon chasing the 35 S-methionine label with unlabeled amino acid the 87,000 dalton polypeptide appeared to be unstable, as was a protein with the same electrophoretic mobility synthesized in uninfected protoplasts. This protein thus probably represents a host-specific protein the synthesis of which is stimulated by CPMV infection. Furthermore, these experiments revealed that several discrete oligopeptides were cleaved from the smaller CPMV coat protein after assembly into a virion. Although the involvement of precursor- product relations could not be definitely excluded on the basis of the methods used, another possible mechanism of viral gene expression was also investigated, namely the occurrence of subgenomic viral messengers. Upon analysis of 32 P-labeled RNA from CPMV-infected protoplasts by polyacrylamide gel electrophoresis, 2 RNAs of genome length were the only detectable virus-specific polynucleotides. These results suggest a mechanism for the translation of the CPMV genome using internal initiation sites. Further research is, however, required to unequivocally elucidate the strategy of the viral gene expression.

    A historical survey of botanical epidemiology. A sketch of the development of ideas in ecological phytopathology
    Zadoks, J.C. ; Koster, L.M. - \ 1976
    Wageningen : Veenman (Mededelingen / Landbouwhogeschool 76-12) - 56
    plantenplagen - plantenziekten - epidemiologie - distributie - gewasbescherming - plantenziektekunde - afwijkingen, planten - misvormingen - fasciatie - geschiedenis - plant pests - plant diseases - epidemiology - distribution - plant protection - plant pathology - plant disorders - malformations - fasciation - history
    Plantaardige en dierlijke parasieten van wilde paddestoelen
    Anonymous, - \ 1974
    Wageningen : [s.n.] (Literatuurlijst / Centrum voor landbouwpublikaties en landbouwdocumentatie no. 3539)
    bibliografieën - eetbare paddestoelen - fasciatie - schimmels - misvormingen - mycologie - parasitologie - plantenziekten - plantenziektekunde - planten - bibliographies - edible fungi - fasciation - fungi - malformations - mycology - parasitology - plant diseases - plant pathology - plants
    The drop of flowers and fruits in apple, with special reference to the June drop of Cox's orange pippin and its control with growth regulators
    Wertheim, S.J. - \ 1971
    Landbouwhogeschool Wageningen. Promotor(en): S.J. Wellensiek. - Wageningen : Veenman - 73
    afwijkingen, planten - appels - malus - plantenziekten - plantenziektekunde - misvormingen - fasciatie - cultuurmethoden - plantenvoeding - kunstmeststoffen - mest - plantkunde - gewasbescherming - plagenbestrijding - ziektebestrijding - plantenfysiologie - plantenontwikkeling - bloemen - vruchten - plantenorganen - plant disorders - apples - malus - plant diseases - plant pathology - malformations - fasciation - cultural methods - plant nutrition - fertilizers - manures - botany - plant protection - pest control - disease control - plant physiology - plant development - flowers - fruits - plant organs

    To study possibilities for increases of yield of the apple cultivar Cox's Orange Pippin, relevant information was gathered about fruit set and fruit drop, in particular about June drop. The information concerned pollination intensity, amount of fruit set, seed content of the fruit, number of leaves per spur, and the influence of the bourse shoots. Several growth regulators were tested to see whether these can reduce June drop.

    The main conclusions drawn from the results of these observations are given in Section 3.1.3. (p. 18). The growth regulators examined were NAA, NAAm, GA 3 , GA 4+7 , BA and ABA. The experimental results are given in Section 3.2.3 (p. 40). The most interesting finding in the latter part of this work was the promising ability of GA 4+7 to reduce June drop.

    The factors underlying fruit set, fruit drop, and fruit growth and the possible role of the applied regulators under study are discussed, whereby fruit drop was related with leaf abscission.

    Twee voor Nederland nieuwe gallen, veroorzaakt door blaaspoten van het geslacht Anaphothrips
    Franssen, C.J.H. ; Mantel, W.P. - \ 1967
    Wageningen : [s.n.] (Mededelingen / Instituut voor plantenziektekundig onderzoek no. 458) - 3
    insecten - plantenplagen - plantenziektekunde - gallen - thysanoptera - thrips - plantenziekten - misvormingen - fasciatie - nederland - insects - plant pests - plant pathology - galls - thysanoptera - thrips - plant diseases - malformations - fasciation - netherlands
    Physiologisch onderzoek met betrekking tot het virus der bladrolziekte van de aardappelplant, Solanum tuberosum L.
    Thung, T.H. - \ 1928
    Wageningen University. Promotor(en): H.M. Quanjer. - Wageningen : Veenman - 74
    plantenziekten - plantenvirussen - solanum tuberosum - aardappelen - plantenziektekunde - misvormingen - fasciatie - cum laude - plant diseases - plant viruses - solanum tuberosum - potatoes - plant pathology - malformations - fasciation
    Starch accumulation was an important characteristic of a large group of virus diseases to which the potato leafroll disease belonged. There were two different conceptions about the cause of this phenomenon: a disturbance of the enzymic processes, and a disturbance of transport. Thung investigated which of the two viewpoints was correct for potato leafroll. His conclusion was that enzymic processes were not influenced by the virus, but that phloem transport was disturbed.

    The disturbance in the transport in primarily infected leaves was confined to the lower part of the petiole. This was not so with the secondarily infected leaves. Consideration of the following facts supported the hypothesis that phloem in the primarily diseased leaves underwent its first disturbance in the lower part of the petiole. The virus was transmitted to the leaves by aphids; the young developing shoots were primarily infected by taking nutrients from older ones. The virus entered the young leaf with the nutrients. Consequently the lower portion of the petioles was reached first by the virus and there the disturbing action of the virus started. In the secondarily diseased plants the ways of transport were severely and uniformly diseased; transport took place in the same way as in healthy leaves but considerably slower.

    Check title to add to marked list

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.