Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 1 - 25 / 25

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Het hoe en waarom van een fokprogramma
    Eijndhoven, M.H.T. ; Oldenbroek, J.K. - \ 2015
    Zeldzaam huisdier 40 (2015)1. - ISSN 0929-905X - p. 10 - 11.
    kenmerken - dierveredeling - rassen (dieren) - fokwaarde - fokdoelen - selectiecriteria - traits - animal breeding - breeds - breeding value - breeding aims - selection criteria
    Voor velen van u zal het herkenbaar zijn: verknocht zijn aan een dier om zijn of haar uiterlijk en gedrag. Juist deze kenmerken die horen bij een bepaald ras, wilt u behouden en optimaliseren wanneer u gaat fokken. Verstandig fokken binnen een ras vraagt naast enige kennis van erfelijkheidsleer om het systematisch nalopen van een aantal foktechnische stappen. Deze stappen, die samen het fokprogramma bepalen, komen vanaf dit nummer van Zeldzaam Huisdier in 2015 aan bod.
    Toelatingsprocedure voor insecten als mini-vee. Voor het plaatsen van nieuwe insectensoorten op de lijst voor productie te houden dieren.
    Hakman, A. ; Peters, M. ; Huis, A. van - \ 2013
    Wageningen : Laboratorium voor Entomologie WUR - 37
    entomologie - dierlijke productie - insecten - wetgeving - selectiecriteria - dierenwelzijn - entomology - animal production - insects - legislation - selection criteria - animal welfare
    Article 34 of the Dutch Animal health and welfare act (Gezondheids- en welzijnswet voor dieren), which will be replaced by article 2.3 of the new Animal act (Wet dieren), states that it is forbidden to keep animals for the production of products derived from these animals, with the exception of the animals that are mentioned in the decree to designate animals that are allowed to be kept for production purposes (Besluit aanwijzing voor productie te houden dieren) (1997). According to the Green Deal “Insects for feed, food and pharma”, there is the need for a procedure to add new insect species to the list with animals that are allowed to be kept for production purposes.
    Design criteria for the plant-microbial fuel cell : electricity generation with living plants : from lab tot application
    Helder, M. - \ 2012
    Wageningen University. Promotor(en): Cees Buisman, co-promotor(en): Bert Hamelers; David Strik. - [S.l.] : s.n. - ISBN 9789461733511
    microbiële brandstofcellen - opwekking van elektriciteit - arundo donax - spartina anglica - arundinella - bio-elektrische potentiaal - selectiecriteria - bio-energie - biobased economy - microbial fuel cells - electricity generation - arundo donax - spartina anglica - arundinella - bioelectric potential - selection criteria - bioenergy - biobased economy
    Om de processen die ten grondslag liggen aan de P-MBC (Plant-Microbiële Brandstofcel) en de factoren die zijn vermogen bepalen beter te begrijpen was het doel van dit proefschrift om design criteria voor de PMBC te bepalen. De eerste focus van de design criteria was om het vermogen van de P-MBC te verhogen. Hoe hoger het vermogen, hoe groter de bijdrage aan duurzame elektriciteitsproductie. De ontwikkeling van een nieuwe elektriciteitstechnologie tot een volwaardig commercieel product behelst echter meer dan alleen het vermogen. Daarom hebben we nog een aantal andere factoren onderzocht die de toepassingsmogelijkheden van de P-MBC bepalen.
    Selectiestrategie voor de ontwikkeling van stikstofefficiënte biologische aardappelrassen : onderzoeksrapport 2008 t/m 2011
    Tiemens-Hulscher, M. ; Lammerts Van Bueren, E. ; Struik, P.C. - \ 2012
    Driebergen : Louis Bolk Instituut (Rapport / Louis Bolk Instituut nr. 2012-025 LbP) - 131
    solanum tuberosum - aardappelen - plantenveredeling - biologische plantenveredeling - stikstof - voedingsstoffenopname (planten) - selectiecriteria - veldproeven - rassen (planten) - akkerbouw - gewasopbrengst - solanum tuberosum - potatoes - plant breeding - organic plant breeding - nitrogen - nutrient uptake - selection criteria - field tests - varieties - arable farming - crop yield
    Zowel in de biologische als in de gangbare aardappelteelt is er behoefte aan rassen die met minder stikstof toe kunnen. Stikstofefficiëntie is een complexe eigenschap waar verschillende gewaseigenschappen aan bijdragen. In dit project werd onderzocht of er gewaseigenschappen zijn die gerelateerd zijn aan stikstofefficiëntie en waarop een veredelaar effectief kan selecteren. Stikstofefficiëntie werd daarbij gedefinieerd als het vermogen van een ras om bij een lage stikstofbeschikbaarheid, 100 -150 kg/ha, in een periode van half april tot ongeveer de derde week van juli, 90 – 95 dagen, een rendabele opbrengst te geven.
    Aardappel veredeling BIOIMPULS 2011
    PPO Akkerbouw, Groene Ruimte en Vollegrondsgroente, ; Louis Bolk, - \ 2011
    [S.l.] : YouTube
    aardappelen - plantenveredeling - biologische plantenveredeling - plantenveredelingsmethoden - consumptieaardappelen - biologische landbouw - selectie - selectiecriteria - potatoes - plant breeding - organic plant breeding - plant breeding methods - table potatoes - organic farming - selection - selection criteria
    Het project BIOIMPULS draait om de biologische aardappelsector. De onderzoekers streven samen met boeren naar een aardappelras dat minder gevoelig is voor ziekten zoals phytophthora en efficiënt gebruik maakt van stikstof. Ook grondbewerking komt aan bod. Daarnaast kijkt BIOIMPULS naar de smaak van de aardappelen en de wensen van de consument. Deze film volgt het veredelingsproces van begin tot eind.
    Comparison of interconnections between barley breeding material traits under organic and conventional growing conditions
    Legzdina, L. ; Kokare, A. ; Beinarovica, I. ; Lammerts Van Bueren, E. - \ 2010
    In: Breeding for resilience: a strategy for organic and low-input farming systems, Paris, France, 1 - 3 December, 2010. - Parijs : Eucarpia - p. 114 - 114.
    biologische plantenveredeling - biologische landbouw - gerst - selectiecriteria - correlatie - milieufactoren - organic plant breeding - organic farming - barley - selection criteria - correlation - environmental factors
    While breeding for organic farming it is necessary to identify the most appropriate growing conditions in which to perform the selection process. Soil fertility, crop management, yield level and other factors may vary very much between each organic farm, and between organic farms and research institutions where the selection is usually performed. Since plant breeding requires considerable input of resources and the market for organic varieties is limited, it is essential to find the most appropriate selection conditions that will provide acceptable varieties for organic farms.
    Ontwikkelen selectiecriteria stikstofefficiënte biologische aardappelrassen: bodembedekking
    Tiemens-Hulscher, M. ; Qiao, Y. ; Ghimire, R. ; Lammerts Van Bueren, E. ; Struik, P.C. - \ 2009
    biologische landbouw - aardappelen - rassen (planten) - stikstof - selectiecriteria - biologische plantenveredeling - nutriëntengebruiksefficiëntie - organic farming - potatoes - varieties - nitrogen - selection criteria - organic plant breeding - nutrient use efficiency
    In de biologische aardappelteelt is de lage stikstofbeschikbaarheid één van de grootste opbrengstbeperkende factoren. Rassen die bij een lage stikstofgift toch een hoge opbrengst van een goede kwaliteit produceren, kunnen hier een uitkomst bieden
    Identification of genotypic variation for nitrogen response in potato (Solanum tuberosum) under low nitrogen input circumstances
    Tiemens-Hulscher, M. ; Lammerts Van Bueren, E. ; Struik, P.C. - \ 2009
    Driebergen : Louis Bolk Instituut - 7
    selectiecriteria - aardappelen - rassen (planten) - gewasopbrengst - stikstof - biologische landbouw - nutriëntengebruiksefficiëntie - selection criteria - potatoes - varieties - crop yield - nitrogen - organic farming - nutrient use efficiency
    Nitrogen is an essential nutrient for crop growth. The demand for nitrogen in the potato crop is relatively high. However, in organic farming nitrogen input is rather limited, compared with conventional farming. In this research nine potato varieties were tested at three nitrogen levels. Genotypic variation for yield, leaf area index, period of maximum soil cover, sensitivity for N-shortage and nitrogen efficiency under low input circumstances was found. However, in these experiments varieties differed in their strategies to maximize tuber production under low nitrogen availability
    Fokkerijbeleid op het bedrijf van Bennie en Jozet Tomassen
    Animal Sciences Group (ASG), - \ 2008
    Bioveem
    dierveredeling - melkveebedrijven - melkkoeien - melkveehouderij - selectie - selectiecriteria - biologische landbouw - animal breeding - dairy farms - dairy cows - dairy farming - selection - selection criteria - organic farming
    Bennie Tomassen is altijd al geïnteresseerd geweest in fokkerij. Dit komt mede door zijn achtergrond; hij is namelijk afgestudeerd op het gebied van fokkerij en agrarische bedrijfseconomie op de LUW (tegenwoordig WUR). Het bedrijf voert een actief fokkerijbeleid. In dit stuk geeft Bennie aan wat hij precies doet bij het selecteren van stieren en moeders en wat de aandachtspunten en criteria van zijn fokkerijbeleid zijn.
    Developing selection criteria for breeding organic nitrogen-efficient potato (Solanum tuberosum) varieties
    Tiemens-Hulscher, M. ; Hospers-Brands, A.J.T.M. ; Lammerts Van Bueren, E. ; Struik, P.C. - \ 2008
    In: 17th Triennial Conference of the European Association for Potato Research (EAPR) on Potato for a Changing World, Brasov , Romania, 6-10 July 2008. - Brasov : EAPR - ISBN 9789735983147 - p. 337 - 339.
    organic farming - potatoes - efficiency - nitrogen fertilizers - selection criteria - nitrogen response - arable farming - biologische landbouw - aardappelen - efficiëntie - stikstofmeststoffen - selectiecriteria - stikstofrespons - akkerbouw
    The aim of the present project (2008–2011) is to design selection criteria for high nitrogen use efficiency under low nitrogen conditions to support breeding programs for organic potato varieties.
    TRAK: voedselkwaliteit op het spoor : op weg naar een transparant beleidsafwegingskader
    Bracke, M.B.M. ; Bakker, E. de; Beekman, V. ; Jansson, K. ; Graaff, R.P.M. de - \ 2008
    Den Haag : LEI (Rapport / LEI : Werkveld 3, Consumenten en ketens ) - 75
    landbouwbeleid - overheidsbeleid - besluitvorming - voedselkwaliteit - selectiecriteria - waarden - consumenten - politiek - nederland - scenario planning - agricultural policy - government policy - decision making - food quality - selection criteria - values - consumers - politics - netherlands - scenario planning
    Dit rapport presenteert de methodiek TRAK: een instrument waarmee verschillende beleidsscenario's transparant tegen elkaar kunnen worden afgewogen met behulp van een verzameling van criteria die samen alle relevante waarden dekken. Op deze wijze kan het voor consumenten en politici inzichtelijker worden gemaakt hoe allerlei waarden en belangen (zoals volksgezondheid, dierenwelzijn, milieu en eerlijke handel) in het beleid zijn meegenomen en gewogen.
    Vaste plant + bijbehorende kennis stimuleert verkoop aan gemeente
    Hop, M.E.C.M. - \ 2008
    De Boomkwekerij 2008 (2008)10. - ISSN 0923-2443 - p. 14 - 15.
    overblijvende planten - houtachtige planten als sierplanten - sierplanten - stedelijke gebieden - beplanten - beplanten in hoge dichtheden - cultuurmethoden - selectiecriteria - kennis - openbaar groen - perennials - ornamental woody plants - ornamental plants - urban areas - planting - high density planting - cultural methods - selection criteria - knowledge - public green areas
    Vaste planten zijn lang weggeweest uit het plantsoen. PPO Bomen deed daarom uitgebreid onderzoek naar de toepassing van vaste planten in het openbaarr groen. Wat blijkt? Kansen genoeg voor de vaste plant, als je er maar de benodigde kennis bij levert. In maart 2008 is bij PPO het rapport 'Vaste planten in Nederlands openbaar groen' verschenen, waarin een uitgebreid overzicht gegeven wordt van zaken die bij toepassing van extensief beheerde vaste planten van belang zijn.
    De integrale beplantingsmethode, naar een dynamische benadering voor het ontwerpen van beplantingen
    Ruyten, F. - \ 2006
    Wageningen University. Promotor(en): K. Kerkstra; H. Challa, co-promotor(en): Ron van Lammeren. - - 136
    landschapsarchitectuur - landschapsbouw - beplantingen - stadsparken - beplanten - selectiecriteria - planten - ontwerp - landscape architecture - landscaping - plantations - urban parks - planting - selection criteria - plants - design
    Public parks and gardens (planting structures) in urban areas are subject to various forms of human intervention, based on traditional planting methods. These forms of intervention are related to the creation of individual space required for mature growth of ligneous plants by thinning or by limiting growth in cases where plants exceed the space delineated for them. Such intervention is costly, must be executed timely in order to prevent irreversible deformity, and influences undamaged growth.

    The objective of this study is to resolve the contradiction between human intervention and undamaged growth by adopting a planting method which is based on a dynamic approach to the design of planting schemes. This dynamic approach has led to the integral planting method as a theoretical model; in this method, the space required for maximum growth in a plant's mature phase is combined with the realisation of architectural functions. The desired effect is defined by the initial size of the trees and shrubs. The growth movement towards the dimensions of the maturity phase is part of a composition in time and space in accordance with a so-called 'planting-film'. Because the growth rate of the plants defines the above-mentioned composition, human intervention can be reduced to a minimum. In addition, the integral planting method contains a set of instruments to define the space for growth to a certain size at a certain point in time in location-specific circumstances. By providing sufficient room for growth and by relating life span to environment dynamics, unexpected changes in future growth development can, to a certain extent, be compensated.

    The retrospective in Chapter 2 shows that with the planting method applied in the three cases (Haarzuilens, Amsterdamse Bos, Bijlmermeer Groenstructuur), people are always aiming for quick results and planning for future growth requires much effort, which must be enforced timely and systematically to ensure that the desired effect is not affected irreversibly (Bijlmermeer Park Structure) or operational backlog is not increased further.

    It is essential that the terminology used is unambiguous to define and legitimize the objective or intended development of a planting structure during the analysis phase. To achieve this unambiguousness, Chapter 3 provides a description of the morphology and morphodynamics (dimensions, growth rate, life span) of the elements used to describe the defined situation. This description, as defined in the tables 'Classification of free-standing forms', Planting typology I, II, III and IV, has led to unambiguous terms and definitions. This will lead to the motivation for the planting scheme (initial situation: initial dimensions, planting distances, assortment) and the planting film (the defined situation). Next, the 'growth', as the effect of movement, is derived from the growth curve survey for each element. The growth curve survey reproduces the morphodynamic aspects in a simplified linear growth curve. The transformations of planting types are shown tobe brought about on the basis of morphodynamics. The Cd-rom supplied with this thesis shows these dynamics from different angles, in the form of a planting film.

    Chapter 4 describes the principles of the adopted, not-adopted, identical and shifted position, with which the morphodynamic aspects of the plant can be applied strategically to also realise transformations of the plant types. The implementation of the growth curve survey shows how larger plant material can be used to start with. The example of a 2-acre park in Boxmeer shows what the principles for freestanding plant shapes bring about in real situations. The operating method and manual clarify how a starting situation (the planting scheme) and its related management regime (execution and maintenance plan) can be derived from the defined situation to which it should lead.

    In chapter 5 a comparison is made to ascertain how the integral planting method behaves in relation to the traditional method. When designing parks and gardens, the definition of assortment, planting interval, initial size and construction and maintenance method covers many variables such as architecture, micro climate, soil, opinions on contruction and maintenance method, quality of base materials, organisation of implementation and so on.These aspects are covered in anumber of cases (Polderpark Almere, Bakenhof Arnhem, Prins Bernhardbos Hoofddorp).

    The method applied in the comparison covers four steps. Step one describes the defined situation and the set-up according to the original planting method. Step two covers the growth curve survey which defines the location-specific morphodynamic characteristics of the plants involved for their actual as well as projected or future growth. Step three contains a fully worked-out planting and maintenance plan based on the alternative planting method and starting from the same defined situation as in step one.

    In step four the architectural and cost aspects of both planting methods are compared. The architectural aspects show the morphodynamics of the plant structure in the long term with the aid of views and diagrams drawn to scale, elucidated with data from the location-specific growth curve survey and field observations of the actual situation. The cost aspects are based on construction and maintenance for the first 30 years, expressed in cumulative, indexed and hard cash amounts, shown graphically for each planting method in the different cases.

    The results of the comparison show that a screen or block based on the traditional planting method will reach full functionality at eye level after 4 - 7 years. With the integral planting method, the results of a screen or block will be visible at eye level from the start, and full functionality will be reached after 8 - 13 years. With the traditional method, it appears to be almost impossible to realise free-standing forms, in practice as well as in simulation during the growth curve survey. Empirical research of the Prince Bernhard forest, which was developed according to the integral planting method, shows that the head start of the larger initial sizes of the free-standing forms in this method provides the visitor with an increased sense of security because of the openness of the plant structure and the fact that this method leads to a completed planting structure in a shorter period of time.

    In addition, the comparison shows that the construction costs using the integral planting method are about double the costs using the traditional planting method. However, the maintenance costs for free-standing forms when the integral planting method has been applied are so low, that cost recovery will occur within a foreseeable period, as compared with the traditional planting method (urban variant).

    The integral planting method can be applied to small- and large-scale urban and small-scale rural park projects. For large-scale rural projects application of the integral planting method requires further investigation of the relation between architectural functions of planting structures and forest ecology and forest management.

    Tree nurseries will need to put more effort into the methods for breeding and planting larger plant material. Some growers already guarantee that their plants will start growing immediately after planting and they offer care and maintenance of these larger inital sizes of trees and shrubs for a maintenance period of 10 years and longer.
    Ontwikkelen met kwaliteit : een verkenning van evaluatiecriteria
    Gerritsen, A.L. ; Kruit, J. ; Kuindersma, W. - \ 2005
    Wageningen : WOT Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 18) - 48
    landschap - kwaliteit - selectiecriteria - kwaliteitsnormen - ruimtelijke ordening - beleid - nederland - evaluatie - landscape - quality - selection criteria - quality standards - physical planning - policy - netherlands - evaluation
    WOT Natuur & Milieu achtergrondsdocument rond invulling van ontwikkelingsplanologie, zoals gepresenteerd in de Nota Ruimte. Visie op grond van gesprekken met: gemeenten, provincies, LNV, Landschapsbeheer Nederland, Stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen in Limburg, Ruimtelijk Planbureau
    Gedragscodes zorgvuldig handelen Flora- en faunawet; ecologische criteria voor de beoordeling van gedragscodes
    Apeldoorn, R.C. van; Henkens, R.J.H.G. ; Spijker, J.H. - \ 2005
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1315) - 51
    flora - fauna - natuurbescherming - wetgeving - recht - biodiversiteit - evaluatie - selectiecriteria - indicatoren - nederland - flora - fauna - nature conservation - legislation - law - biodiversity - evaluation - selection criteria - indicators - netherlands
    Het rapport biedt een overzicht van criteria die het ministerie van LNV kan hanteren bij de beoordeling van voorgelegde gedragscodes. De criteria zijn ontwikkeld na overleg met vertegen¬woordigers van soortbeschermende organisaties (pgo), koepels van terreinbeheerders en LNV. Per criterium is een aantal indicatoren opgesteld met behulp waarvan kan worden vastgesteld of de opgestelde gedragscode voldoende aan de instandhoudingsverplichting van te beschermen soorten tegemoet komt
    De natuurplangenerator brengt de natuurpotentie van een gebied in kaart
    Eupen, M. van; Hendriks, C.M.A. - \ 2004
    selectiecriteria - natuurontwikkeling - natuurbeheer - natuurbeleid - ecologische modellering - beslissingsmodellen - selection criteria - nature development - nature management - nature conservation policy - ecological modeling - decision models
    Het toewijzen en plannen van nieuwe natuur in Nederland is afhankelijk van een groot aantal criteria. Zaken als bestaand grondgebruik, de kansrijkdom voor de ontwikkeling van een bepaald type natuur en het beoogde oppervlak aan nieuw natuurgebied, geven de planvormers een breed scala aan mogelijkheden om locaties voor nieuwe natuur vast te leggen. Met de Natuurplangenerator (NPG) kunnen verschillende ruimtelijke beelden van een beoogd natuurtype in een bepaald gebied gemaakt worden. Aan de hand van een casestudie voor het Natuurplanbureau zijn met succes een aantal scenario’s doorgerekend
    Breeding objectives and selection strategies for layer production
    Groen, A.F. - \ 2003
    In: Poultry Genetics, Breeding and Technology / W.M., Muir, S.E., Aggrey, Wallingford, United Kingdom : CAB International - ISBN 9780851996608 - p. 101 - 112.
    kippen - eierproductie - legresultaten - dierveredeling - veredelingsprogramma's - selectiecriteria - fowls - egg production - laying performance - animal breeding - breeding programmes - selection criteria
    Genetic aspects of somatic cell count in the Italian Holstein Friesian population
    Samore, A. - \ 2003
    Wageningen University. Promotor(en): Johan van Arendonk, co-promotor(en): Ab Groen. - [S.I.] : S.n. - ISBN 9789058087966 - 155
    zwartbont - rundveerassen - celgetal - genetische factoren - selectiecriteria - fokwaarde - genetische modellen - heritability - melkresultaten - kenmerken - dierveredeling - holstein-friesian - cattle breeds - somatic cell count - genetic factors - selection criteria - breeding value - genetic models - heritability - dairy performance - traits - animal breeding

    The objective of this thesis was to evaluate genetic aspects of somatic cell count (SCC) in Italian Holstein Friesian population in order to define how to include this trait in selection criteria. Several values of heritabilities were estimated (.06 to -.21) for three parities using different data sets and model of analysis. A model for breeding value estimations of first parity cows was defined and further improvements of the model were discussed. Genetic correlations with production were highly variable in value and sign depending on parity and model of analysis (-.14 to .24). Variation existed between and within lactation and it was concluded that it is important to account for this variation in selection. When a unique value is necessary, a correlations value around zero, indicating a null genetic relationship between production and SCC, should be used. Using an hazard model, it was estimated that an increase in phenotypic level of SCC in Italian Holstein population resulted in higher rate of culling. The approximate genetic correlation between SCC and functional longevity was .31 associating unfavourable values of SCC to poorer longevity. Favourable genetic correlations resulted between udder conformation traits and SCC. A higher udder, strongly attached to the fore abdominal wall, and with short teats was genetically related to smaller values of SCC. Finally an udder health index, including SCC, udder depth, and fore udder attachment was proposed and the inclusion of SCC in the overall selection index was discussed.

    Buitenlandse bomen op 7e rassenlijst
    Buiteveld, J. ; Vries, S.M.G. de - \ 2002
    Vakblad Natuurbeheer 41 (2002)6. - ISSN 1388-4875 - p. 91 - 95.
    bomen - bosbomen - zaadtuinen - plantenvermeerdering - genetische bronnen van plantensoorten - centra van herkomst - genetische bronnen - selectiecriteria - selectie - kwaliteit - belgië - duitsland - rassenlijsten - boomkwekerij - genetica - rassenlijst - trees - forest trees - seed orchards - propagation - plant genetic resources - centres of origin - genetic resources - selection criteria - selection - quality - belgium - germany - descriptive list of varieties
    Van een aantal boomsoorten is kwalitatief goed uitgangsmateriaal schaars in Nederland. Voor negen loofhoutsoorten (zwarte els, haagbeuk, es, beuk, wintereik, kers, zomereik, winterlinde, zomerlinde) heeft Alterra onderzocht of buitenlandse herkomsten ook geschikt zijn voor gebruik in ons land. Uitleg over de selectiecriteria en de aantallen opstanden en zaadgaarden die geselecteerd zijn in België en in de aangrenzende Duitse deelstaten Nordrhein-Westfalen, Niedersachsen en Schleswig-Holstein. De aanbevolen herkomsten zijn op de onlangs verschenen 7e Rassenlijst voor Bomen geplaatst. Meer informatie: Alterra-rapport 457 'Inventarisatie van bosbouwkundig uitgangsmateriaal in België en Duitsland'
    Managing inbreeding in selection and genetic conservation schemes of livestock
    Sonesson, A.K. - \ 2002
    Wageningen University. Promotor(en): E.W. Brascamp; T.H.E. Meuwissen. - S.l. : S.n. - ISBN 9789058086631 - 175
    vee - inteelt - selectief fokken - genetische bronnen van diersoorten - selectiecriteria - paring - veredelingsprogramma's - livestock - inbreeding - selective breeding - animal genetic resources - selection criteria - mating - breeding programmes

    This thesis deals with the definition of selection and mating criteria for animal breeding populations under selection and for genetic conservation populations, especially emphasizing on populations with small effective sizes that have known pedigrees.

    The thesis can be divided into four main parts. Firstly, Chapters 2 and 3 deal with selection algorithms that manageDF for populations under selection with overlapping generations and random mating. Secondly, Chapters 4 and 5 deal with non-random mating schemes in combination with selection algorithms for discrete and overlapping generation structures, respectively. Thirdly, Chapters 6 and 7 deal with algorithms that minimizeDF in small and endangered populations. In Chapter 6,DF is minimized for populations with overlapping generations. In Chapter 7,DF is further reduced by using frozen semen of sires from the less related base population. Fourthly, Chapter 8 deals with methods to select against genetic defects while restrictingDF in populations with increased frequency of diseased alleles.

    CHAPTERS 2 AND 3

    In Chapter 2, a method is presented that maximizes the genetic merit of the selected animals while limiting the average coancestry of a population with overlapping generations after the current round of selection. For populations with overlapping generations, account has to be taken for previous and future use of animals of certain age-classes. Contributions within and over age-class were found by iteration. Inputs are Best Linear Unbiased Predicted (BLUP) breeding values of the selection candidates, and the relationship matrix of all animals. Output is the optimal number of offspring of each candidate. Computer simulations of dairy cattle nucleus schemes showed that the predefined rate of inbreeding was achieved. At the same rates of inbreeding, the dynamic selection method obtained up to 44% more genetic gain than truncation selection for BLUP breeding values. The advantage of the dynamic method over BLUP selection decreased with increasing population size and with less stringent restriction on inbreeding. In Chapter 3, the method of Chapter 2 was compared to a similar method that firstly optimized the distribution of parents within and thereafter over age classes per sex. It yielded significantly lower annual genetic gain, fewer animals selected and longer generation intervals, but maintained the rate of inbreeding closer to its constraint. The use of conventional relationships and of augmented relationships, which do not depend on the level of inbreeding, resulted in very similar breeding schemes, but the use of augmented relationships avoids correction of the current level of inbreeding. When optimising per generation, the generation interval was shorter compared to a scheme where an analogous annual restriction was in place and the annual rate of genetic gain was higher.

    CHAPTER 4 AND 5

    In Chapter 4, the effect of non-random mating on genetic gain was compared for populations with discrete generations. Mating followed a selection step where the average coancestry of selected animals was constrained, while genetic gain was maximized. Minimum coancestry (MC), Minimum coancestry with a maximum of one offspring per full-sib family (MC1) and Minimum variance of the relationships of the offspring (MVRO) mating schemes resulted in a delay in inbreeding of about two generations compared to Random, Factorial and Compensatory mating. At the sameDF , genetic gain was up to 22% higher for the MC1 and MVRO schemes compared to Random mating schemes. The effect of non-random mating was largest for small schemes or for schemes with a stringent restriction onDF.MC1 yielded the highest genetic gain in almost all selection schemes, with a lower computational cost than MVRO. In Chapter 5, MC1 mating scheme was compared with random mating schemes for populations with overlapping generations and a restriction onDF . When sires were progeny tested, these progeny tested bulls were selected instead of the young bulls, which lead to increased generation intervals, increased selection intensity of bulls and increased genetic gain (35% compared to a scheme without progeny testing). The effect of MC1 decreased for schemes with progeny testing. MC1 mating increased genetic gain 11-18% for overlapping and 1-4% for discrete generations, when schemes with similar rate of inbreeding and genetic gain per generation were compared.

    CHAPTER 6 AND 7

    In Chapter 6, a method that minimizes the increase of coancestry of parents and optimizes the contribution of each selection candidate for populations with overlapping generations is presented. When survival rate equalled 100%, only animals from the oldest age class were selected, which maximized the number of parents per generation, slowed down the turn over of generations and minimized the increase of coancestry across sublines. However, the population became split into sublines separated by age classes, which substantially increased inbreeding within sublines. Sublines were prevented by a restriction of selecting at least one sire and one dam from the second oldest age class, which resulted in an L times lowerDF , where L equals the average generation interval of sires and dams. Minimum coancestry mating resulted in lower levels of inbreeding than random mating, butDF was approximately the same or somewhat higher. For schemes where only the oldest animals were selected,DF increased with 18-52% compared with the proposed method. In Chapter 7, the advantage on the average coancestry level of selecting not only the least related sires from the oldest age-class, but also sires from the second oldest age-class is presented. By selecting sires from generation zero only, all genes will eventually descend from the founder sires and all genes from the founder dams are lost. By selecting sires from generation zero and one alternatively, also some genes of the founder dams will be conserved and the average coancestry level was approximately 20% lower than for a scheme, where only the oldest sires were used. TheDF was zero at equilibrium for both schemes. Dams could be used for one generation and sires unlimited, because the amount of frozen semen very large relative to the small population sires. Population size was 6, 10 and 20 and the schemes were symmetric with respect to the sexes.

    CHAPTER 8

    Increased inbreeding will result in increased frequency of detrimental alleles. In Chapter 8, different genetic models and evaluation systems to select against a genetic disease in populations with discrete generations are compared. When using optimum contribution selection with a restriction onDF of 1.0% to select against a single gene, selection directly on DNA-genotypes needed 2.0 generations to half the frequency of the disease allele with additive effects and a population with 100 new-born animals. When only phenotypic records were available, selection on BLUP or on genotype probabilities calculated by segregation analysis (SEGR) needed 1.0 or 2.0 generations longer to half the frequency of the disease allele when allele effects were additive or recessive, respectively. Smaller schemes or schemes with a more stringent restriction onDF needed more generations to half the frequency of the diseased allele or the fraction of diseased animals. SEGR and BLUP were approximately equally efficient under both single gene and polygenic inheritance models, suggesting that efficient selection against a disease is possible without knowing its mode of inheritance.

    In conclusion, by taking account of the relationships of the selected group of selected animals, inbreeding is controlled in the selection and mating criteria presented in this thesis. This principle was extended to populations with overlapping generations, which makes the methods useful for practical selection and genetic conservation populations with known pedigree. Only in well-controlled breeding schemes, the optimum contributions of each selection candidate will be realized, some deviations may be corrected in later rounds of selection. The optimized contributions and thus also the restriction onDF affected the structure of the breeding schemes, e.g. whether progeny tested animals were selected or not. In general, older and more parents were selected with a more stringent selection onDF . Due to such dynamic adaptations of the breeding schemes, genetic gain reduced only little whenDF was lowered. Non-random mating can improve the family structure of the population under selection, thereby further increase the genetic gain. For the genetic conservation schemes, the contributions per family could not become completely equalized, because of the overlapping structure of the generations, resulting in a level of average coancestry being somewhat higher than the theoretical minimum. Use of frozen semen from sires of the oldest generations could reduceDF to zero and reduce the average level of coancestry in combined in situ / ex situ conservation schemes.

    Nadere toetsing van aanwijzing en begrenzing van negen Vogelrichtlijngebieden
    Beintema, A.J. ; Schekkerman, H. - \ 2001
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 328) - 61
    vogels - conservering - bescherming - beschermde gebieden - wetgeving - nederland - richtlijnen (directives) - selectiecriteria - natuurgebieden - nederlandse waddeneilanden - voordelta - noord-holland - vechtstreek - noord-brabant - birds - conservation - protection - reserved areas - legislation - netherlands - directives - selection criteria - natural areas - dutch wadden islands - voordelta - noord-holland - vechtstreek - noord-brabant
    In dit rapport wordt de aanwijzingssystematiek besproken van negen belangrijke vogelgebieden die in 2000 zijn aangewezen als speciale beschermingszone (sbz) onder de Vogelrichtlijn. Het gaat om gevallen waarbij tegen de aanwijzing als zodanig, tegen de begrenzing van de sbz of tegen beide bezwaar is gemaakt, en waarbij het gebruik van vogelkundige criteria bij de aanwijzing een punt van discussie vormt in de bezwaarschriften. Het gaat hierbij om de volgende gebieden: Voordelta, Waddeneilanden/-Noordzeekustzone/Breebaart, Lauwersmeer, Wormer- en Jisperveld, Ilper-veld/Varkensland/Twiske, Oostelijke Vechtplassen, Zuidlaardermeergebied, Brabantse Wal, en Strabrechtse Heide.
    Nadere toetsing van aanwijzing en begrenzing van twee Vogelrichtlijngebieden; aanvulling op Alterra-rapport 328: Nadere toetsing van aanwijzing en begrenzing van negen Vogelrichtlijngebieden
    Beintema, A.J. ; Schekkerman, H. - \ 2001
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 374) - 27
    vogels - conservering - bescherming - beschermde gebieden - wetgeving - richtlijnen (directives) - selectiecriteria - nederland - ecologie - kust - natuurbescherming - ornithologie - vogelbescherming - Zuid-Holland - Brabant - birds - conservation - protection - reserved areas - legislation - directives - selection criteria - netherlands
    In dit rapport wordt de aanwijzingssystematiek besproken van twee belangrijke vogelgebieden die in 2000 zijn aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn. Het gaat om gevallen waarbij tegen de aanwijzing als zodanig, tegen de begrenzing van de speciale beschermingszone, of tegen beide bezwaar is gemaakt, en waarbij het gebruik van vogelkundige criteria bij de aanwijzing een punt van discussie vormt in de bezwaarschriften. Het gaat hierbij om de volgende gebieden: Voornes Duin en de Weerter- en Budelerbergen. Dit rapport is een aanvulling op het eerder verschenen Alterra-rapport 328, Nadere toetsing van aanwijzing en begrenzing van negen Vogelrichtlijngebieden.
    Bosreservaat Bekendelle; bosstructuur en vegetatie bij de aanwijzing tot bosreservaat
    Clerkx, A.P.P.M. ; Sanders, M.E. ; Koop, H.G.J.M. - \ 2000
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 135) - 44
    bossen - natuurreservaten - opstandsstructuur - vegetatie - luchtfotografie - plantengemeenschappen - selectiecriteria - natuurbescherming - bosinventarisaties - nederland - gelderland - achterhoek - forests - nature reserves - stand structure - vegetation - aerial photography - plant communities - selection criteria - nature conservation - forest inventories - netherlands - gelderland - achterhoek
    Bosreservaat Bekendelle ligt in een oude, gedeeltelijk verlande oude beekarm van de Boven-Slinge. Bij de eerste inventarisatie zijn vier bosgemeenschappen aangetroffen. Het vogelkers-essenbos met dominantie van gewone es in de boomlaag beslaat het grootste oppervlak. Op de laagste delen met permanente grondwaterinvloed komt het gewoon elzenbroekbos voor. Op de overgangen naar de hoger gelegen delen komt het eiken-haagbeukenbos voor met bosanemoon en wilde kardinaalsmuts in de ondergroei. De allerhoogste delen bestaan uit het wintereiken-beukenbos met dalkruid, adelaarsvaren en beuk. Het bos kenmerkt zich door een voorjaarsaspect met speenkruid, slanke sleutelbloem, bosanemoon en dotterbloem. Daarnaast komt bosgeelster voor.
    Haalbaarheidsstudie Renkumse Beek; kosten en baten van herstel van een ecologische verbindingszone
    Vreke, J. ; Mansfeld, M.J.M. van - \ 2000
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 143) - 79
    natuurbescherming - waterlopen - industrieterreinen - ruimtelijke ordening - selectiecriteria - landschapsecologie - verspreiding - milieueffect - indicatoren - besluitvorming - nederland - dalen - gelderland - ecologische hoofdstructuur - nature conservation - streams - valleys - industrial sites - physical planning - selection criteria - landscape ecology - dispersal - environmental impact - indicators - decision making - netherlands - ecological network - gelderland
    In de ecologische verbinding van de Veluwe en de Rijnuiterwaarden is het bedrijventerrein Beukenlaan in Renkum een obstakel. Omdat de (her)inrichting als bedrijventerrein stagneert en herstel van de ecologische verbinding politiek actueel is, is de haalbaarheid geanalyseerd voor drie inrichtingssituaties voor dit terrien: bedrijventerrein, hoogwaardig beekdallandschap en een combinatie hiervan. Bepaald is dat de situaties technisch haalbaar zijn. Voor de financiële, maatschappelijke en bestuurlijke haalbaarheid zijn criteria geselecteerd door de doelstellingen van gemeentebeleid te confronteren met effecten van de inrichting. De waarde van de indicatoren is weergegeven via indicatoren, waarvan de scores voor de drie situaties zijn samengevat in een verzameltabel. De evaluatie is aan de politiek overgelaten.
    Streekproducten in Nederland : inventarisatie, criteria, certificering en case-studies
    Meulen, H.S. van der - \ 1999
    Wageningen : Wageningen Universiteit - ISBN 9789067545761 - 125
    landbouwproducten - inventarisaties - selectiecriteria - normen - certificering - gevalsanalyse - regio's - nederland - streekgebonden producten - agricultural products - inventories - selection criteria - standards - certification - case studies - regions - netherlands - regional specialty products
    Check title to add to marked list

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.