Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 1 - 20 / 173

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Chemisch-fysische schematisering van de bodem voor NHI-waterkwaliteit : naar een nieuwe fysisch-chemische schematisering van de Nederlandse bodem
    Bolt, Frank van der; Walvoort, Dennis ; Vries, Folkert de; Hoogland, Tom ; Vroon, Henk ; Groenendijk, Piet ; Renaud, Leo ; Massop, Harry ; Veldhuizen, Ab ; Walsum, Paul van - \ 2016
    Wageningen : Wageningen Environmental Research (Wageningen Environmental Research rapport 2753) - 34
    bodem - bodemkwaliteit - hydrologie - bodemeigenschappen - bodemkarteringen - soil - soil quality - hydrology - soil properties - soil surveys
    Voor de ontwikkeling van het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium-waterkwaliteit is een aanpak opgesteld om de fysisch-chemische schematisering van de bodem in Nederland verder te ontwikkelen. Op korte termijn (2017-2018) is een pragmatische werkwijze nodig om de bodemchemische parameters met bijbehorende schematisering in representatieve eenheden voor de operationele toepassing voor landelijke beleidsstudies te actualiseren. Het gebruik van de huidige fysischchemische karakterisering voor de bodemkaart 1:50.000 vormt de geëigende methode. Op de langere termijn is het de wens om het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium-waterkwaliteit ook te kunnen inzetten voor regionale toepassingen. Dit kan alleen als er een gedetailleerde geostatistisch gesimuleerde 3D-bodemkaart aan ten grondslag ligt die recht doen aan regionale variabiliteit van de bodem.
    Perspectives for the use of biochar in horticulture
    Blok, C. ; Regelink, I.C. ; Hofland-Zijlstra, J.D. ; Streminska, M.A. ; Eveleens-Clark, B.A. ; Bolhuis, P.R. - \ 2016
    Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapport GTB 1388) - 42
    biochar - growing media - greenhouse horticulture - pot experimentation - soil chemistry - soil properties - residual streams - biobased economy - biochar - groeimedia - glastuinbouw - potproeven - bodemchemie - bodemeigenschappen - reststromen - biobased economy
    Biochars were produced using different production parameters and consequently measured in a rooting media laboratory and used as a constituent in potting soil mixes for 8 and 12 week growth experiments. The biochar feedstock influences the biochar’s eventual nutrient and salt content, the pH, the buffer capacity and the cation exchange capacity all of which can potentially hamper normal growth. It is indicated which materials may result in effective biochars regarding nutrient and salt content. A method to measure and compensate unwanted pHs is described and validated. The production parameters are shown to influence growth defining properties such as phytotoxicity, water behaviour and degradability. Finally growth experiments with mixes of biochar and other rooting media constituents were performed and used for further advice on compensating unwanted properties. In the experiments up to 20%-v/v biochar was used without adverse effects on production. De lab results indicate the maximum amounts could at least be 25%-v/v when mixing with rooting media constituents with sufficiently complementary properties. Porous biochars are shown to be able to host microbial life but to fully utilize this promising trait more rigorous pretreatment of the biochar particles are suggested.
    Handboek melkveehouderij 2015/16
    Remmelink, G.J. ; Middelkoop, J.C. van; Ouweltjes, W. ; Wemmenhove, H. - \ 2015
    Wageningen : Wageningen UR Livestock Research (Handboek / Wageningen UR Livestock Research 30) - 386
    melkvee - melkveehouderij - bodemeigenschappen - bemesting - graslandbeheer - voedergrassen - voedergewassen - rundveevoeding - dierveredeling - diergezondheid - melkproductie - landbouwbedrijfsgebouwen - nederland - handboeken - dairy cattle - dairy farming - soil properties - fertilizer application - grassland management - fodder grasses - fodder crops - cattle feeding - animal breeding - animal health - milk production - farm buildings - netherlands - handbooks
    Werken aan bodemweerbaarheid
    Broek, R.C.F.M. van den; Berg, W. van den; Lamers, J.G. ; Cuijpers, W.J.M. ; Hospers-Brands, A.J.T.M. ; Smits, S. - \ 2014
    Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. - 63
    teeltsystemen - bodemweerbaarheid - bestrijdingsmethoden - agrarische bedrijfsvoering - phytophthora cactorum - bodemeigenschappen - gewasbescherming - proeven - biotesten - fragaria - biologische technieken - vollegrondsteelt - cropping systems - soil suppressiveness - control methods - farm management - phytophthora cactorum - soil properties - plant protection - trials - bioassays - fragaria - biological techniques - outdoor cropping
    De land- en tuinbouw ontwikkelt zich in de richting van steeds intensievere en complexere bedrijfssystemen. Vanuit de sector groeit het besef dat de chemische benadering van ziekten en plagen haar grenzen begint te bereiken. Ook de consument verlangt van de producent dat de inzet van chemische middelen gereduceerd wordt en gezocht wordt naar andere, meer duurzame oplossingen. Een van de oplossingsrichtingen is het creëren van een gezonde, veerkrachtige en weerbare bodem. Op zulke bodems groeit een gezond gewas met een goede opbrengst die minder gevoelig is voor ziekten en plagen en efficiënter omgaat met nutriënten waardoor er minder verliezen optreden. Hierdoor hoeven telers minder gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten te gebruiken en kunnen ze, met een beter inkomen, milieuvriendelijker telen. Aardbei is een voorbeeld van een zeer intensieve teelt, die erg gevoelig is voor ziekten en plagen. In de teelt worden relatief veel gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, en er is een sterke behoefte aan kennis die de inzet van deze middelen kan beperken. Aardbei is ook een heel geschikt toetsgewas, omdat het sterk reageert op de bodemgezondheid van een perceel. Is deze goed dan ligt de aardbeienproductie veel hoger dan op percelen waarop de bodemgezondheid matig of slecht is. Opbrengstverschillen kunnen oplopen tot meer dan 50%. De verkregen resultaten bij aardbei kunnen ook vertaald worden naar andere vollegronds gewassen.
    Transport and degradation of contaminants in the vadose zone
    Schotanus, D. - \ 2013
    Wageningen University. Promotor(en): Sjoerd van der Zee, co-promotor(en): Martine van der Ploeg. - S.l. : s.n. - ISBN 9789461735850 - 125
    uitspoelen - transportprocessen - besmetters - verontreinigende stoffen - grondwater - bodemeigenschappen - degradatie - leaching - transport processes - contaminants - pollutants - groundwater - soil properties - degradation

    Leaching of contaminants from the vadose zone to the groundwater depends on the soil properties and the infiltration rate. In this thesis, organic degradable contaminants were studied, such as de-icing chemicals (consisting of propylene glycol, PG) and pesticides. Heterogeneous soil properties lead to spatial variability in leaching, which is particularly important for degradable contaminants. The infiltration rate determines the travel time in the vadose zone, and thus the time available for degradation.

    Two field experiments were performed with a multi-compartment sampler (consisting of 10 x 10 cells of 3.15 x 3.15 cm2each) to examine the dependence of spatial variability in contaminant leaching on the infiltration rate. The first experiment was carried out during the snowmelt period, characterized by high infiltration rates from snowmelt. The second experiment was carried out with irrigation to mimic homogeneous rainfall. The preferential flow paths were similar for both experiments. With a high infiltration rate during the snowmelt experiment, the leaching was distributed more homogeneous than during the irrigation experiment. Therefore, it is concluded that the soil heterogeneity is mainly caused by spatial differences in the soil hydraulic properties, and not by macropores. The leached masses of the degradable PG and a nondegradable tracer were highly correlated. At the scale of the experiment, heterogeneous infiltration resulting from spatial differences in snowmelt did not have much influence on the flow and solute paths.

    The results from the field experiment were used to parameterize a random field for the scaling factor of the retention curve. As a criterion to compare the results from simulations and observations, the sorted and cumulative total drainage in a cell was used. The effect of the ratio of the infiltration rate over the degradation rate on leaching of degradable solutes was investigated. Furthermore, the spatial distribution of the leaching of degradable and non-degradable solutes was compared. The infiltration rate influences contaminant leaching in two ways. Firstly, the travel time of the contaminant in the vadose zone depends on the infiltration rate. Secondly, the fraction of the soil which is active in transport is influenced by the infiltration rate. As a result, the spatial distribution of contaminant leaching, and therefore the leached fraction, depends on the infiltration rate.

    The leached fraction of a degradable contaminant is often estimated from average soil properties and stationary weather series. For contaminants that degrade in both the adsorbed and aqueous phase, it is known how these averaged properties should be derived from heterogeneous properties. However, for contaminants that only degrade in the aqueous phase, this is not well known. In soils that are layered with respect to the adsorption constant, the propagation of the contaminant plume, and thus the travel time in the vadose zone, depends on the adsorption constant, degradation rate, and dispersivity. Regarding variable weather series, seasonal fluctuations in precipitation lead to large differences in travel times in a dry climate, and thus large differences in the leached fraction, especially for contaminants with little adsorption. In a wet climate, the effect of such seasonal fluctuations is diminished.

    In the vadose zone, PG can be degraded by micro-organisms, for which electron-acceptors are needed. A field experiment showed that aerobic as well as anaerobic degradation occurs in the vadose zone. For anaerobic degradation, manganese-oxides (which are present in the soil) or nitrate (applied to enhance biodegradation) can be used as electron-acceptors. Reduced forms of manganese can be transported to the groundwater, and thus the soil could be depleted from manganese-oxides. A model was developed in which both types of degradation were included. The application of nitrate did not lead to a lower PG leaching, or in a slower depletion of manganese-oxides. The leached fraction is higher with a thick snowcover and high meltrate, as then PG is transported rapidly in the soil. Snowmelt did not result in anaerobic soil, despite the high soil moisture content, and thus low oxygen diffusion.

    Proximal soil sensors and data fusion for precision agriculture
    Mahmood, H.S. - \ 2013
    Wageningen University. Promotor(en): Eldert van Henten, co-promotor(en): Willem Hoogmoed. - S.l. : s.n. - ISBN 9789461735799 - 205
    meettechnieken - sensors - bodemeigenschappen - meetsystemen - precisielandbouw - vollegrondsteelt - akkerbouw - measurement techniques - sensors - soil properties - measurement systems - precision agriculture - outdoor cropping - arable farming
    different remote and proximal soil sensors are available today that can scan entire fields and give detailed information on various physical, chemical, mechanical and biological soil properties. The first objective of this thesis was to evaluate different proximal soil sensors available today and to identify their capacity of quantifying soil properties. The second objective of this thesis was to enhance the usefulness of a single sensor system by multiple sensor data fusion that can improve the performance of currently available soil sensors when a single sensor does not function optimally due to certain set of soil and environmental constraints.
    Bodem als buffer
    Snellen, W.B. ; Hattum, T. van - \ 2012
    Amersfoort : Stowa
    buffercapaciteit - bodemeigenschappen - waterbeheer - wateropslag - neerslag - buffering capacity - soil properties - water management - water storage - precipitation
    Het belang van de bufferende werking van de bodem wordt in deze Deltafact onderstreept. De natuurlijke buffercapaciteit van de bodem is door bewerking van de bodem, afname van organisch stofgehalte en versnelde afvoer van water op veel plaatsen in Nederland de afgelopen decennia aantoonbaar afgenomen. Door het veranderende klimaat komen steeds vaker perioden van droogte en perioden met extreme neerslag voor. Het optimaal gebruik maken van de buffercapaciteit van de bodem wordt daarom steeds belangrijker, met name op de hoge zandgronden. Voor de waterbeheerder is de bodem vooral van belang als buffer van neerslagoverschotten en -tekorten.
    Bodemweerbaarheid complex begrip voor onderzoek en praktijk (interview met G. van Os, J. Postma en A. van der Wurff)
    Dwarswaard, A. ; Os, G.J. van; Postma, J. ; Wurff, A.W.G. van der - \ 2012
    BloembollenVisie 2012 (2012)256. - ISSN 1571-5558 - p. 16 - 17.
    bloembollen - bodemfactoren - bodemonderzoek - bodemeigenschappen - weerstand - ziekteresistentie - landbouwkundig onderzoek - kennisoverdracht - ornamental bulbs - edaphic factors - soil testing - soil properties - resistance - disease resistance - agricultural research - knowledge transfer
    Wie pakweg tien jaar geleden in de bloembollensector begon over bodemweerbaarheid werd een beetje meewarig aangekeken. Nu is dat anders. Belangrijk, meer aan doen, dat zijn de opvattingen die een groeiende groep telers heeft. Om die reden wijdt BloembollenVisie een serie aan bodemweerbaarheid, bodemvruchtbaarheid en bodemleven. In de vierde aflevering is het woord aan drie onderzoekers van PRI en PPO van Wageningen UR die zich met deze drie onderwerpen bezighouden.
    Soil organic carbon stocks and changes upon forest regeneration in East Kalimantan- Indonesia
    Yassir, I. - \ 2012
    Wageningen University. Promotor(en): Pavel Kabat, co-promotor(en): Peter Buurman; Bram van Putten. - S.l. : s.n. - ISBN 9789064645761 - 175
    natuurlijke verjonging - tropische bossen - imperata cylindrica - secundaire bossen - koolstofvastlegging in de bodem - organisch bodemmateriaal - bodemeigenschappen - vegetatie - plantensuccessie - kalimantan - indonesië - natural regeneration - tropical forests - imperata cylindrica - secondary forests - soil carbon sequestration - soil organic matter - soil properties - vegetation - ecological succession - kalimantan - indonesia

    Imperata grassland is a common vegetation type in Kalimantan (Indonesia), and other parts of South-East Asia. It indicates a high degree of degradation of the vegetation, and mostly occurs after slashing and burning of primary forest. Through secondary succession Imperata grassland is converted into new secondary forest and much of the original biodiversity is restored. The overall objective of the thesis was to study the regeneration of Imperata grasslands in East Kalimantan, and to measure the effects of regeneration on soil properties, with emphasis on the organic fraction. The research strategy was to compare plots of different regeneration stages, characterized by the period elapsed since the vegetation was last burned.
    Results show that during regeneration of Imperata grasslands, both vegetation composition and soil properties change, including chemistry of soil organic matter. Soil carbon stocks are higher under Imperata grasslands than under primary forest, and increase further upon natural regeneration of grassland to secondary forest. Highest carbon stocks are found in the later regeneration phases. Lower carbon stocks under primary forests are due to extremely low fertility, combined with shallow soils and low root mass in the topsoil. Root density as observed in the field is much higher under the grass vegetation. Results show as well that soil organic matter decomposition is most advanced under forest, as indicated by lower amounts of plant derived compounds and higher contribution of microbial matter. The results indicate that decomposition efficiency is related to soil organic matter chemistry, but more to abundance of N-compounds than to that of potentially recalcitrant compounds.
    In our case study, soil texture appears an important factor in the vegetation succession. On sandy soils, there is a strong increase with time of Pteridium aquilinum L., while the number of other species is lower. This slows down the development towards secondary forest. Canonical correspondence analysis (CCA) of environmental factors and vegetation show that pH, bulk density, sand and clay are the factors related to the distribution of species. The rapid secondary succession indicates that Imperata grasslands are not a final and stable stage of land degradation, but that frequent fires are necessary to maintain Imperata grasslands. If protected from fire and other intrusions such as shifting cultivation, Imperata grassland will readily develop into secondary forest. Imperata grasslands seem to be permanent because of human interference, especially through burning, and because so far few attempts have been made to sustainable rehabilitation.

    Bol zeil geen garantie goed stoomresultaat (interview met Daniel Ludeking)
    Lier, A. van; Ludeking, D.J.W. - \ 2012
    Vakblad voor de Bloemisterij 67 (2012)13. - ISSN 0042-2223 - p. 28 - 29.
    sierplanten - grondbehandeling - stoomsterilisatie - bereikt resultaat - meting - temperatuur - besluitvorming - bodemeigenschappen - ornamental plants - soil treatment - steam sterilization - achievement - measurement - temperature - decision making - soil properties
    Telers gebruiken de tijd dat het stoomzeil bol staat vaak als indicator voor de kwaliteit van het stoomproces. Maar dit is onterecht. De bolling van het zeil geeft geen garantie dat de grond goed ontsmet is, menen 'stoomexperts'. Een gedegen voorbereiding en geregeld meten zijn de sleutels tot succes.
    Long-term effects of conservation soil management in Saria, Burkina Faso, West Africa
    Zacharie, Z. - \ 2011
    Wageningen University. Promotor(en): Leo Stroosnijder, co-promotor(en): A. Mando; B. Ouattara. - [S.l.] : S.n. - ISBN 9789085858362 - 142
    bodembeheer - grondbewerking gericht op bodemconservering - bodemfauna - bodemeigenschappen - sorghum - rotaties - veldwaterbalans - afrika ten zuiden van de sahara - soil management - conservation tillage - soil fauna - soil properties - sorghum - rotations - field water balance - africa south of sahara

    The negative degradation spiral that currently leads to deteriorating soil properties in African drylands is a serious problem that limits food production and threatensthe livelihoods of the people. Nutrient depletion and water and wind erosion are the main factors in soil degradation in Africa. This thesis describes field research conducted from 2006 through 2008 to assess how changes in physical and hydrological soil properties, induced by differences in land management and macro-faunal biodiversity determine water and nitrogen use efficiencies in Burkina Faso. The methodology involved systematic soil sampling of selected treatments (including a fallow control) coupled with macro-fauna identification. Measurements were used to generate information on the effect of the long-term land management practices on soil properties and the different terms of the field water balance. Crop sampling (leaves, stem and grains) allowed determination of plant nutrient uptake and calculation of water and nitrogen use efficiency. Differences in soil properties between treatments were smaller than expected after so many years of applying the same soil management practice. Results indicate that long-term permanent cultivation result in a decrease in the quality of most soil properties when compared with the fallow. We also found that there are clear benefits from inclusion of cowpea in a rotation system due to its N fixation and deeper root system. Regarding soil fauna, long-term application of the same soil management practices resulted in specialization of the food type for the macro-fauna leading to less fauna diversity. Also, more diverse and abundant macro-fauna was discovered under superficially tilled plots compared to tractor plowed plots. The contribution of the soil fauna to aggregate building depends on the amount and type of organic material available to the fauna as well as the soil management regime. In spite of the amount of applied organic amendments used in our trials, the C-stock in the soil has decreased at a rate of 0.25 % per year, perhaps limiting macro-fauna activity. The 3-year average of the green water use efficiency (ratio T/P) was only 14% and the crop yield was also low due to less than optimal crop management. Results further suggest that systematic, rather than strategically timed, N applications (organic and/or mineral) are likely to lead to N losses. Synchronizing N fertilizer application with crop-N demand and accounting for residual Nitrogen will lead to higher N fertilizer use efficiency. Soil management practices, crop selection and fertilizer regime can have positive or negative impacts on water and nutrient use efficiency. Practices with positive impact should be encouraged in order to increase crop productivity and improve food security in Burkina Faso.

    Inventarisatie omstandigheden optreden zwarte vlekken in peen : analyse praktijkmonsters 2008 en 2009
    Schepers, H.T.A.M. ; Spruijt-Verkerke, J. ; Berg, W. van den - \ 2011
    Lelystad : PPO AGV - 27
    daucus carota - penen - plantenziekten - plantenziekteverwekkende schimmels - bodemeigenschappen - nederland - daucus carota - carrots - plant diseases - plant pathogenic fungi - soil properties - netherlands
    Zwarte vlekken in peen kan bij zowel gangbare als biologisch geteelde peen grote schade veroorzaken (BioKennis bericht, 2007). Een complex van omstandigheden waaronder de aanwezigheid van diverse schimmels in de grond, de groeiomstandigheden van het gewas, de oogstomstandigheden en de bewaarcondities spelen bij het optreden een rol. Een inventarisatie van allerlei omstandigheden in 2001- 2003 leverde indicaties op dat slechte oogstomstandigheden de grootste risicofactor vormen
    Vaste grond onder de voeten? Geactualiseerd Bodemkundig Informatie Systeem informeert over onzekerheid
    Knotters, M. ; Brus, D.J. ; Heuvelink, G.B.M. ; Kempen, B. ; Vries, F. de; Walvoort, D.J.J. - \ 2010
    Bodem 20 (2010)5. - ISSN 0925-1650 - p. 22 - 25.
    bodemeigenschappen - informatiesystemen - databanken - bodemgeschiktheid - geostatistiek - soil properties - information systems - databases - soil suitability - geostatistics
    Als je vaste grond onder de voeten hebt, dan hoef je niet meer te twijfelen. Maar hoe zeker kun je zijn over de grond onder je voeten? Hoe betrouwbaar is de bodemkaart, schaal 1:50.000?
    Bodemkwaliteit en klimaatadaptatie onder grasland op het Utrechtse zand
    Eekeren, N.J.M. van; Bokhorst, J.G. - \ 2010
    Driebergen : Louis Bolk Instituut (BioKennsi 2010-031 LbD) - 39
    bodembeheer - bodembiologie - bodemchemie - bodemfysica - bodemeigenschappen - bodemvruchtbaarheid - melkveebedrijven - waterbeheer - waterbergend vermogen - gelderse vallei - soil management - soil biology - soil chemistry - soil physics - soil properties - soil fertility - dairy farms - water management - water holding capacity - gelderse vallei
    Duurzaam bodembeheer is mogelijk interessant als klimaatadaptatiemaatregel voor de Utrechtse zandgebieden. Het project had een tweeledige doelstelling: 1. inzicht krijgen over de relatie tussen chemische, fysische en biologische bodemkwaliteit enerzijds en het vochtleverend en waterbergend vermogen anderzijds; 2. opstellen van aanbevelingen voor optimalisatie van het bodem- en waterbeheer. Deze studie richtte zich op melkveebedrijven in het Utrechtse deel van de Gelderse Vallei. Droogteresistente percelen onderscheiden zich van droogtegevoelige percelen in een hoger lutumgehalte, een lager C/N-ratio, een hoger vochtpercentage, een dikkere donkere laag, een lagere indringingsweerstand, een betere visuele structuur en een intensievere en diepere beworteling. Met name de afstand van de wortelzone en het grondwater lijkt het verschil in droogteresistentie te maken. De indringingsweerstand is een belangrijke parameter om de potentie van waterinfiltratie in te schatten. Maatregelen als verhogen van het organische stofgehalte, verbeteren van de beworteling en stimulering van de wormenactiviteit en/of introduceren van pendelende wormen grijpen op verschillende vlakken positief in op de verbetering van vochtlevering en waterberging.
    Bepalen van milieutekorten voor natuurgebieden in Gelderland : validatie en calibratie van het indicatorsytseem
    Wamelink, G.W.W. ; Adrichem, M.H.C. van; Berg, L.J. van den - \ 2010
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 2077) - 57
    indicatoren - habitats - bodemeigenschappen - bodem ph - vegetatie - vegetatietypen - stikstof - fosfaat - nederland - abiotiek - natuurgebieden - ecologische hoofdstructuur - gelderland - indicators - habitats - soil properties - soil ph - vegetation - vegetation types - nitrogen - phosphate - netherlands - abiotic conditions - natural areas - ecological network - gelderland
    Om op basis van vegetatieopnamen een schatting van de bodemomstandigheden, zoals pH, voorjaarsgrondwaterstand of nitraatgehalte, te kunnen maken is een methode ontwikkeld op basis van bodemmetingen. Voor de provincie Gelderland is deze methode uitgebreid gevalideerd en gecalibreerd. Daarnaast wordt de methode gebruikt om milieutekorten te berekenen; waar voldoet de bodemkwaliteit niet voor de aanwezige of geplande natuurtypen (habitattypen). In dit rapport zijn de milieutekorten berekend met onze methode vegeleken met de milieutekorten berekend op basis van metingen. Uit de validatie van de berekeningsmethode van de abiotiek bleek dat de methode goed werkt voor pH en de totale stikstof- en fosfaatgehalten. Problemen werden er geconstateerd voor ammonium- en fosfaatgehalte. Voor fosfaat zijn nieuwe schattingen van de gebruikte indicatorwaarden nodig. Voor ammmonium en ook andere indicatorwaarden zullen de validatie data uit Gelderland worden gebruikt om nieuwe indicatorwaarden te schatten. Voor de milieutekorten geldt dat de tekorten op basis van metingen vergelijkbaar zijn met de berekende tekorten, waarbij de tekorten op basis van de metingen iets hoger liggen dan die op basis van de berekeningen.
    Representativiteit van de locatie Loon op Zand in het bufferstrokenonderzoek
    Hoogland, T. ; Massop, H.T.L. ; Visschers, R. - \ 2010
    Wageningen : Alterra (Effectiveness of buffer strips publication series 9) - 162
    zandgronden - bodemeigenschappen - waterverontreiniging - grondwaterverontreiniging - nitraten - fosfaten - uitspoelen - slootkanten - grondwaterstand - grondwaterspiegel - nederland - proefvelden - mestbeleid - nitraatuitspoeling - fosfaatuitspoeling - oppervlaktewaterkwaliteit - akkerranden - noord-brabant - bufferzones - begroeide stroken - sandy soils - soil properties - water pollution - groundwater pollution - nitrates - phosphates - leaching - ditch banks - groundwater level - water table - netherlands - experimental plots - manure policy - nitrate leaching - phosphate leaching - surface water quality - field margins - noord-brabant - buffer zones - vegetated strips
    Alterra doet in opdracht van LNV onderzoek naar de effectiviteit van bemestingsvrije perceelsranden op de uitspoeling van stikstof en fosfaat naar het oppervlaktewater. Hiertoe zijn op vijf locaties proefopstellingen geïnstalleerd waar de kwaliteit van het water dat uit het perceel komt gemeten wordt. De proefopstelling bestaat uit twee 5 m brede bakken, een bufferbak en een referentiebak, die in de sloot grenzend aan het perceel gebouwd zijn. Langs de bufferbak ligt een strook van 5 m die niet bemest wordt; langs de referentiebak wordt op gangbare wijze bemest. Bij de proefopstelling in Loon op Zand is het gemeten debiet dat van het perceel de bakken in komt veel lager dan het theoretisch berekende. Bovendien is er een groot verschil in gemeten debiet tussen de beide bakken. Doel van dit aanvullend onderzoek is: (i) te verklaren waardoor het komt dat het afwaterend oppervlak naar de bakken in Loon op Zand zo klein is; (ii) te beoordelen of de locatiekeus achteraf gezien ongeschikt is of dat deze variatie in dit hydrologisch profieltype 'e' gebruikelijk is. Dit onderzoek is beperkt tot de onmiddellijke omgeving van de proefopstelling in Loon op Zand (maximaal 50 m uit de sloot). Hier zijn gedurende enkele maanden grondwaterstanden gemonitoord. De representativiteit van de opstelling is onderzocht met behulp van bestaande datasets afkomstig uit bodem- en grondwaterkarteringen die binnen hydrologisch profieltype 'e' vallen. Er worden hiervoor geen extra grondwaterstandmetingen gedaan. Uit de isohypsenbeelden blijkt dat het freatisch grondwatervlak in de proeflocatie Loon op Zand zeer variabel (grillig) is. Deze grilligheid hangt samen met de sterk wisselende begindiepte en dikte van de lössleemlaag zoals die in het proefperceel in Loon op Zand voorkomt. Een dusdanig variabel grondwaterstandsvlak is alleen met een grote onzekerheid of via gedetailleerd meten, nauwkeurig in beeld te brengen. De invloedsafstand van de sloot op het afwateringspatroon is met ca. 15 m geringer dan verwacht. Dit blijkt uit drie verschillende benaderingen. Uit analyse van de meetgegevens van de bakken volgt eveneens een gering afvoerend oppervlak. De gesimuleerde stromingspatronen naar de afwaterende perceelssloot zijn als gevolg van het grillige grondwatervlak ook zeer grillig en zorgen voor een grote ruimtelijke variatie in afvoerpatronen naar de sloot. Door de variatie in afvoerpatronen kunnen afvoerdebieten naar dicht bij elkaar gelegen opvangbakken grote verschillen vertonen. Om de verhouding tussen de ondiepe en diepe afvoer voor andere locaties in profieltype 'e' vast te stellen is inzicht in de weerstand van de (kei)leemlaag van groot belang. Veelal is het doorlaatvermogen van het onderliggende watervoerende pakket groot en het doorlaatvermogen van het freatische pakket gering, dit maakt dat de grootte van de c-waarde sterk bepalend is voor de verdeling. Uit de rekenresultaten van het NHI kunnen we concluderen dat deze hydrologische situatie, zoals waargenomen te Loon op Zand, in grote delen van het profieltype 'e' voorkomt.
    Beworteling van grasland - een literatuurstudie : nutriëntenopname in relatie tot bewortelingsdiepte en -intensiteit, factoren en potentiële maatregelen die de beworteling beïnvloeden
    Deru, J. ; Eekeren, N.J.M. van; Boer, H.C. de - \ 2010
    [S.l.] : Louis Bolk Instituut - 63
    bodemvruchtbaarheid - graslanden - beworteling - bewortelingsdiepte - stikstof - fosfor - bodemeigenschappen - cultuurmethoden - nutriëntenuitspoeling - soil fertility - grasslands - rooting - rooting depth - nitrogen - phosphorus - soil properties - cultural methods - nutrient leaching
    Een betere benutting van nutriënten door grasland verkleint de kans op verontreiniging door uit- en afspoeling naar het milieu. Wanneer grasland dieper en intensiever wortelt, en daardoor de nutriënten beter benut produceert het gras meer met minder en de verliezen naar het milieu zijn kleiner. In een literatuurstudie is daarom onderzocht in hoeverre een diepere en intensievere beworteling inderdaad leidt tot een hogere benutting van N en P. Daarnaast is onderzocht welke omstandigheden, en daarvan afgeleidde managementmaatregelen, een diepere en intensievere beworteling van grasland bevorderen.
    Selectie van ecologisch relevante bodemeigenschappen. Deel. 2: Van sleutelfactoren naar drempelwaarden
    Hommel, P.W.F.M. ; Smolders, A.J.P. ; Waal, R.W. de - \ 2010
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 2050) - 67
    bodemeigenschappen - bodemchemie - vegetatietypen - graslanden - bodemwater - nederland - vegetatie - natuurgebieden - soil properties - soil chemistry - vegetation types - grasslands - soil water - netherlands - vegetation - natural areas
    Selectie van ecologische relevante bodemeigenschappen. In het kader van het project Terreincondities werden sinds 1998 meer dan 250 referentiepunten van waardevolle vegetatietypen beschreven. Voor 120 van deze punten werden bodem en bodemvocht bemonsterd en geanalyseerd. In dit rapport wordt voor de totale set van 120 punten en voor vier fysisch-geografisch gedefinieerde subsets een multivariate analyse uitgevoerd met als doel vast te stellen welke standplaatsfactoren het meest sturend zijn voor de vegetatieontwikkeling. Voor de belangrijkste van deze factoren werd bepaald welke waarden kenmerkend zijn voor de onderzochte doeltypen. Aangegeven wordt hoe ook bij relatief geringe aantallen referentiepunten een inschatting van ecologisch relevante grenswaarden kan worden gegeven. Een en ander wordt nader toegelicht aan de hand van een gradiënt van een orchideeënrijk blauwgrasland naar een soortenarme natte heide.
    Towards a Soil Information System with quantified accuracy : a prototype for mapping continuous soil properties
    Brus, D.J. ; Vasat, R.V. ; Heuvelink, G.B.M. ; Knotters, M. ; Vries, F. de; Walvoort, D.J.J. - \ 2010
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 197) - 151
    bodemkunde - bodemeigenschappen - informatiesystemen - databanken - cartografie - computer software - soil science - soil properties - information systems - databases - mapping - computer software
    This report describes the potential and functionality of software for spatial analysis, prediction and stochastic simulation of continuous soil properties using data from the Dutch Soil Information System (BIS). A geostatistical framework and R codes were developed. The geostatistical model of a soil property has a deterministic component representing the mean value within a soil category, and a stochastic component of standardized residuals. The standardized residuals are interpolated or simulated based on the simple kriging system. The software was tested in four case studies: exchangeable soil pH, clay content, organic matter content and Mean Spring Water table depth (MSW). It is concluded that the geostatistical framework and R codes developed in this study enable to predict values of continuous soil properties spatially, and to quantify the inaccuracy of these predictions. The inaccuracy of a spatial prediction at a certain location is quantified by the kriging variance, which can be interpreted as an indication of the uncertainty about the true value.
    Soil property estimates for Tunisia derived from SOTER and WISE (SOTWIS-Tunisia, ver. 1.0)
    Batjes, N.H. - \ 2010
    Wageningen : ISRIC - World Soil Information (Report / ISRIC-World Soil Information 2010/01) - 33
    bodemeigenschappen - databanken - gegevens verzamelen - tunesië - soil properties - databases - data collection - tunisia
    This report describes a harmonized set of soil property estimates for Tunisia.
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.