Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 1 - 20 / 76

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    The effect of urban green infrastructure on local microclimate and human thermal comfort
    Wang, Y. - \ 2016
    Wageningen University. Promotor(en): Rik Leemans, co-promotor(en): Dolf de Groot; H.J. Wörtche. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789462576414 - 220
    urban environment - green infrastructure - urban areas - towns - management of urban green areas - microclimate - temperature - trees - ecosystem services - stadsomgeving - groene infrastructuur - stedelijke gebieden - steden - groenbeheer - microklimaat - temperatuur - bomen - ecosysteemdiensten
    Urban heat : natural and anthropogenic factors influencing urban air temperatures
    Theeuwes, N.E. - \ 2015
    Wageningen University. Promotor(en): Bert Holtslag, co-promotor(en): Gert-Jan Steeneveld. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789462575028 - 157
    microklimaat - warmtestress - luchttemperatuur - stadsomgeving - meteorologie - microclimate - heat stress - air temperature - urban environment - meteorology

    The urban heat island effect is a phenomenon observed worldwide, i.e. evening and nocturnal temperatures in cities are usually several degrees higher than in the surrounding countryside. The main goal of this thesis is to understand the processes that drive the urban air temperature and the urban heat island. First, the effects of street geometry and open water bodies on the diurnal cycle of the urban air temperatures were investigated. This was followed by a search for a universal scaling of the meteorological variables into a diagnostic equation for the daily maximum urban heat island. Finally, it is explored how the daytime urban heat island is influenced by atmospheric boundary-layer dynamics and how it may induce a counterintuitive urban cool island during the morning.

    Weather in the City - How Design Shapes the Urban Climate
    Lenzholzer, S. - \ 2015
    Rotterdam : Nai 010 Uitgevers/Publishers - ISBN 9789462081987 - 216
    microklimaat - steden - stedelijke planning - omgevingspsychologie - stadsomgeving - groene infrastructuur - vegetatie - microclimate - towns - urban planning - environmental psychology - urban environment - green infrastructure - vegetation
    A beautifully designed square where you are almost blown over, an apartment in the city where the summer heat keeps you awake at night. We all know examples of urban and landcape architectural design that doesn’t sufficiently take the urban climate into account. With clear texts and insightful and inspirational illustrations, this book shows how clever urban design can make the city more comfortable. The way we experience the microclimate depends on physical and environmental psychological factors. Based on these factors, the way the basic processes of the urban climate work, and how these can be influenced through spatial planning and urban design are explained. 'Weather in the city. How Design Shapes the Urban Climate' is richly illustrated with photographs, illustrations and many examples from temperate climate regions all over the world.
    Het weer in de stad : hoe ontwerp het stadsklimaat bepaalt
    Lenzholzer, S. - \ 2013
    Rotterdam : Nai 010 Uitgevers/Publishers - ISBN 9789462080959 - 224
    microklimaat - steden - stedelijke planning - omgevingspsychologie - stadsomgeving - groene infrastructuur - vegetatie - microclimate - towns - urban planning - environmental psychology - urban environment - green infrastructure - vegetation
    Een prachtig aangelegd plein waar je wegwaait, een moderne stadswoning waarin je ’s zomers door de hitte niet kan slapen. Iedereen kent voorbeelden van stedelijke architectuur waarvan het ontwerp onvoldoende rekening houdt met het stadsklimaat. In deze publicatie wordt op begrijpelijke en beeldende wijze uiteengezet hoe uitgekiend stadsontwerp het comfort in de stad kan verhogen. De manier waarop wij het stadsklimaat beleven, is afhankelijk van fysieke en omgevingspsychologische factoren. Aan de hand van deze factoren wordt in dit boek uitgelegd hoe de basisprocessen van het stadsklimaat werken en hoe deze met ruimtelijke ordening en stadsontwerp kunnen worden beïnvloed. Het boek is rijk geïllustreerd met foto’s, principetekeningen en praktijkvoorbeelden. Het is een naslagwerk én inspiratieboek voor iedereen die werkt aan een leefbare stad: opdrachtgevers, beleidsmakers, professionals en studenten in stedenbouw, landschapsarchitectuur en planologie.
    Relatie tussen microklimaat en vaasleven bij roos
    Weel, P.A. van; Eveleens, B.A. ; Keim, E. ; Jacobs, G. - \ 2013
    Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapporten WUR GTB 1253) - 40
    rozen - rosaceae - microklimaat - vaasleven - meting - bloementeelt - teelt onder bescherming - nederland - roses - rosaceae - microclimate - vase life - measurement - floriculture - protected cultivation - netherlands
    Bij snijrozen is getracht een beeld te krijgen van het microklimaat in het gewas met sensoren die de temperatuur van knop en blad meten, aangevuld met metingen van RV en temperatuur van de omringende lucht. Gelijktijdig is bij 2 cultivars, ‘Passion’ en ‘Avalanche Peach’, en op twee plekken in de kas het vaasleven bepaald. Op die manier werd gehoopt een indicatie te vinden voor de invloed van het microklimaat op het optreden van met name botrytis. De meting bleek niet in staat om een direct verband aan te tonen tussen microklimaat en botrytis. Wel werd duidelijk dat de meest waarschijnlijke oorzaak gezocht moet worden in perioden dat niet belicht wordt in koude luchtstromen in de kas als gevolg van kieren in het scherm en van uitstraling van de knoppen naar een koude hemel. Meten van de temperaturen van knop en blad bleek door de kwetsbaarheid van het thermokoppel moeilijk uitvoerbaar, maar kan eenvoudig vervangen worden door een thermische camera. Aanvullend zal er echter een meetmethode ontwikkeld moeten worden om de RV in de grenslaag rondom knop of blad betrouwbaar te kunnen meten voordat een meting van het microklimaat praktische waarde kan hebben bij het voorspellen van de kans op natslag.
    Living on the edge: physiological and behavioural plasticity of African antelopes along a climatic gradient
    Shrestha, A.K. - \ 2012
    Wageningen University. Promotor(en): Herbert Prins; Steven Bie, co-promotor(en): Sip van Wieren. - S.l. : s.n. - ISBN 9789461733856 - 135
    antilopen - taurotragus oryx - connochaetes taurinus - aepyceros melampus - klimaatverandering - microklimaat - diergedrag - thermoregulatie - microhabitats - warmtestress - adaptatiefysiologie - antelopes - taurotragus oryx - connochaetes taurinus - aepyceros melampus - climatic change - microclimate - animal behaviour - thermoregulation - microhabitats - heat stress - adaptation physiology

    Climate change, habitat loss and fragmentation individually or synergistically force species to
    live in a sub-optimal condition in terms of climate and resource posing threat to fitness and
    survival of the species. Hence, a very pressing issue for biodiversity conservation at present is
    to understand if species are able to keep pace with these rapidly changing environment
    conditions. To persist with these changes, phenotypic plasticity of behaviour and physiology
    may be the most likely response for long-lived endothermic species because of their longer
    generation times. Therefore, the central aim of this thesis is to investigate intra- and intervariability
    of behavioural and physiological adaptation of range of African antelopes along
    spatio-temporal scales in their natural habitats.
    With the aim to understand the behavioural plasticity of African antelopes to the climatic
    stress, in Chapter 2, I investigated effect of heat stress on diurnal activity pattern of three
    species of antelopes of different body size and feeding types namely, eland Taurotragus oryx
    (≈ 420 kg; mixed feeders), blue wildebeest Connochaetes taurinus (≈180 kg; grazer) and
    impala Aepycerus melampus (≈ 50 kg; mixed feeder) across season and extreme climatic
    condition as indicated by the 10 hottest days. During summer when the heat stress was its
    highest, the heat stress negatively influenced diurnal activity of all the three species.
    However, they shifted the timing of their activity more to the early morning (eland) or late in
    the evening, or both (wildebeest and impala) to avoid heat stress and maximize intake of food
    in a season when forage is abundant. During the spring and the 10 hottest days over the entire
    study period, only the diurnal activity of the larger antelopes (eland and wildebeest) was
    negatively influenced by the heat stress whereas the smaller impala was unaffected.
    Therefore, these large African antelopes apparently suffer from heat stress during spring and
    the extreme hottest days due to their limited capacity to dissipate heat.
    In chapter 3, to understand possible behavioural adaptation of the largest African antelope
    eland against the thermal stress, I investigated the daily and seasonal selection of
    microhabitats based on altitude and microclimate at the southern limits of its distributional
    range. Eland actively selected lower altitudes with warm microclimates during the winter and
    the five coldest days when the ambient conditions were below its thermal neutral zone. In
    contrast, eland did not select higher altitudes or cooler climate when it was warm in the
    summer. However, selection of cooler microhabitats was only evident in the three extremely
    hottest days when the heat stress was close to the upper end of its thermal neutral zone.
    Hence, the eland was able to use diverse topography as a thermal refuge to buffer the adverse
    effect of both cold and very hot condition.
    In the fourth chapter, to study behavioural response of African antelopes to variation in food
    resources which is predicted to exacerbate due to climate change and habitat loss and
    fragmentation, I investigated adaptation of home range sizes of eland, impala (both mixed
    feeders) and wildebeest (a grazer) over time (seasons) and between two climatically
    contrasting areas in South Africa, taking Mapungubwe National Park as the core area and
    Asante Sana Game Reserve as the edge area. This comparative study not only showed the
    home range size of wildebeest in Mapungubwe was larger during the resource-poor dry
    season compared to the resource-rich wet season but their home range size in the core area
    was also a four to seven times larger in the dry season than those in the edge area. In contrast,
    the home range size of impala was 3-14 times larger in the edge area than those in the core
    area. Surprisingly, the home range size of eland neither differs across any season within study
    areas nor between Asante Sana and Mapungubwe, while their average year-round home
    range size in core area was larger than that in edge area. These results suggest that the home
    range size of these African antelope is most likely a response to resource quality and
    availability specific to the local habitat.
    With an attempt to investigate physiological plasticity of African antelopes over a spatiotemporal
    context, in Chapter 5, I compared intraspecific variation of body temperature, as
    measured by amplitude, of the eland, blue wildebeest and impala in the two climatically
    contrasting areas: one with a less seasonal pattern and a mild winter (Mapungubwe National
    Park) and the other with a more seasonal pattern and a long and cold winter (Asante Sana
    Game Reserve). The 24-hour amplitude of body temperature of both mixed feeder (eland and
    impala) did not differ between the study sites, regardless of season. In contrast, the grazer
    (wildebeest) at a less seasonal site exhibited not only a higher variability in the 24-hour
    amplitude of body temperature (Tb)(~4ºC) but also a lower daily minimum body temperature
    by ~2 ºC compare to the normothermic level during the dry season than the wildebeest at a
    seasonal site. Further, the variation in Tb amplitude were influenced both by temperature
    (positive effect) and rainfall (negative effect), a proxy for food availability only among the
    wildebeest from less seasonal site. This suggest that these physiological response of higher
    variability of Tb amplitude and reduced minimum Tb among the wildebeest in Mapungubwe
    is a response to nutritional stress rather than a response to cold climate.
    These behavioural (home range) and physiological (body temperature) response of African
    antelopes to stressful conditions are specific for species and habitats. The smallest impala,
    which is a mixed feeder, maintained homeothermy even though they were exposed to
    stressful habitats by selecting the most productive habitat, i.e., riparian habitat in
    Mapungubwe. In Asante Sana, impala maintained homeothermic status by extending their
    dry season home range size when their principle food Acacia Karoo was not available. The
    largest antelope (eland) maintained homeostasis by ranging over large areas to track
    heterogeneously distributed resources, which is only possible due to their large size and
    ability to cope with lower quality food. Eland in Mapungubwe had larger home range sizes
    compared to Asante Sana which was most probably due to the poor quality of the habitat in
    Mapungubwe. Interestingly, the wildebeest in Mapungubwe did not maintain homeothermy
    particularly in dry season. Not only their amplitude of Tb was much larger (~4ºC) and
    Minimum Tb lowered by 2 ºC compared to normothermic level, they also extended their
    home range size four to seven folds compared to the wildebeest in Asante Sana. This failure
    to maintain homeothermy and extension of home range size was due to nutritional stress and
    therefore these antelopes are living in a physiologically stressful environment. With the
    predicted increase in the frequency and intensity of drought periods in southern Africa due to
    climate change, wildebeest, and other grazers, will likely experience greater nutritional stress
    in the future.
    To conclude, this thesis shows importance of studying behavioural and physiological traits
    among a range of species along temporal and spatial scales in their natural habitats to
    understand the adaptive capacity, therefore sensitivity of animal species. Apparently,
    homeothermic mammals cannot cope well with heat stress, which negatively influence the
    larger ones more than the smaller ones. However, mammals can overcome these stresses by
    shifting time of their activity to cooler parts of the day or by selecting optimal microhabitats
    that minimize absorption of heat at high temperatures or that maximize the absorption of heat
    at low temperatures. The behavioural (larger home range size) and physiological (reduced
    body temperature) response of wildebeest, a grazer to dry season but not that of the mixed
    feeder emphasizes that grazers will become more nutritionally stressed than mixed feeders at
    times of low rainfall. With the predicted increase in low rainfall events in many parts of the
    world and changes in vegetation structure in savannas due to climate change, browsers and
    mixed feeders will be likely to benefit more in future than the ruminant grazers.

    Tevredenheid over kasklimaat in najaar en winter: Droge buitenlucht voorkomt geen afgroeiers, wel vochtblaadjes
    Stijger, H. ; Helm, F.P.M. van der - \ 2012
    Onder Glas 9 (2012)3. - p. 50 - 51.
    teelt onder bescherming - glastuinbouw - alstroemeria - klimaatregeling - luchtstroming - kassen - gewaskwaliteit - proeven - microklimaat - snijbloemen - protected cultivation - greenhouse horticulture - alstroemeria - air conditioning - air flow - greenhouses - crop quality - trials - microclimate - cut flowers
    Hoogenboom Alstroemeria in Nieuwe Wetering teelt op 28.000 m2 jaarrond alstroemeria’s met belichting (8.000 lux). In het kader van Het Nieuwe Telen is hier een praktijkproef met buitenluchtaanzuiging gehouden. Wat was het effect van buitenlucht op het microklimaat en daarmee op het gewas? Dick Hoogenboom en onderzoeker Frank van der Helm vertellen hun ervaringen.
    Het nieuwe telen in lelie : praktijkproef energiezuinig klimaat in de broei van lelie
    Kok, B.J. - \ 2011
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Bloembollen, Boomkwekerij en Fruit - 34
    lelies - snijbloemen - teeltsystemen - energiebesparing - luchtstroming - milieubeheersing - microklimaat - optimalisatiemethoden - bloembollen - lilies - cut flowers - cropping systems - energy saving - air flow - environmental control - microclimate - optimization methods - ornamental bulbs
    Veel leliekwekers hebben in het najaar, winter en voorjaar blad- en kwaliteitsproblemen en slappe stelen in lelies. De kwaliteitsproblemen bestaan uit grote slappe bladeren die gevoelig zijn voor bladverbranding tijdens de teelt en papierblad na de oogst. Deze problemen worden veroorzaakt door een te hoge RV in het dichte leliegewas en daardoor een slecht microklimaat tijdens de teelt in de kas. Het doel van dit project was om het microklimaat in een leliegewas in najaar, winter en voorjaar te verbeteren door opgewarmde buitenlucht met behulp van luchtslangen in het gewas te blazen. Daarnaast werd onderzocht of hiermee energie is te besparen. Deze teeltwijze wordt “het nieuwe telen genoemd”. “Het nieuwe telen”, hierna te noemen HNT, is een verzamelnaam voor een nieuwe manier van telen om energie te besparen in de glastuinbouw. Het inblazen van droge opgewarmde buitenlucht is hierbij een van de belangrijkste maatregelen. Ook het onderdoor water geven in plaats van beregenen is een manier om de warmtevraag te verminderen. Het inblazen van opgewarmde buitenlucht maakt het mogelijk om het schermdoek ’s nachts gesloten te houden. Een minimum buis in het gewas kan vervangen worden door het inblazen van opgewarmde droge buitenlucht waardoor het microklimaat in het gewas verbetert.
    Sturing kasklimaat op basis van modellering van Botrytis
    Körner, O. ; Visser, P.H.B. de - \ 2010
    Gewasbescherming 41 (2010)5. - ISSN 0166-6495 - p. 232 - 235.
    botrytis - microklimaat - vochtigheid - simulatiemodellen - infectie - sporenverspreiding - glastuinbouw - beslissingsondersteunende systemen - energiebesparing - botrytis - microclimate - humidity - simulation models - infection - spore dispersal - greenhouse horticulture - decision support systems - energy saving
    Schade aan kasgewassen door Botrytisaantasting (smet) is één van de belangrijkste knelpunten in de kasteelt. Te hoge luchtvochtigheid en lokale koude plekken met condensvorming zijn de belangrijkste oorzaken van smet. Het instellen van een droog kasklimaat kost veel energie, maar door het gebruik van een waarschuwings- of sturingsmodel is het mogelijk om naast het vermijden van besmetting straks ook energiewinst te behalen ten opzichte van telen zonder model. Met verklarende computermodellen kunnen plantengroei, -kwaliteit en schimmelinfectie berekend worden. De modellen kunnen Botrytis helpen voorkomen door de juiste klimaatinstellingen en de inrichting van de kas.
    Bedrijfsvergelijking geeft inzicht in kansen op Botrytis bij gerbera in de na-oogstfase
    Os, E.A. van; Körner, O. ; Marcelis, L.F.M. ; Slootweg, G. ; Swinkels, G.L.A.M. ; Janssen, Hans ; Tuijl, B.A.J. van - \ 2010
    Gewasbescherming 41 (2010)5. - ISSN 0166-6495 - p. 227 - 231.
    gerbera - snijbloemen - bloementeelt - botrytis cinerea - tuinbouwbedrijven - microklimaat - vochtigheid - temperatuur - agrarische bedrijfsvoering - glastuinbouw - kwaliteit na de oogst - gerbera - cut flowers - floriculture - botrytis cinerea - market gardens - microclimate - humidity - temperature - farm management - greenhouse horticulture - postharvest quality
    Door op twaalf bedrijven in drie meetronden van zes weken wekelijks te oogsten en de gerealiseerde klimaatdata te analyseren bleek dat het microklimaat rond de plant van grote invloed was op het ontstaan van pokken in de naoogstfase. Hoe vochtiger het is, hoe groter de snelheid van Botrytisontwikkeling. Overdag moeten de omstandigheden rond de bloem zodanig zijn dat sporen òf doodgaan (lage vochtigheid, hoge temperatuur), òf niet kunnen hechten (lage vochtigheid) of verspreid worden. ‘s Nachts moet de vochtigheid tussen de bladeren niet te hoog oplopen om groei en ontwikkeling van de schimmel te remmen.
    Designing atmospheres : research and design for thermal comfort in Dutch urban squares
    Lenzholzer, S. - \ 2010
    Wageningen University. Promotor(en): J. Koh; L. Katzschner. - [S.l. : S.n. - ISBN 9789085856603 - 196
    stedelijke gebieden - stedelijke planning - open ruimten - architectuur - ontwerp - microklimaat - stedelijke bevolking - klimaatfactoren - muren - groene gevels - groene daken - urban areas - urban planning - open spaces - architecture - design - microclimate - urban population - climatic factors - walls - green walls - green roofs
    Onderzoek naar de inrichting en verblijfskwaliteit van stadspleinen. Het onderzoek omvat een empirisch gedeelte waarin metingen en interviews op Nederlandse stadspleinen zijn verricht. Daarnaast bevat de studie een ‘ontwerpend onderzoek’ . Dit hield in dat verschillende alternatieven voor een optimaler microklimaat zijn ontworpen en deze met microklimaatsimulaties zijn getest. De resultaten van dit onderzoek vormen gemakkelijk toepasbare ontwerprichtlijnen die ook door de ontwerpers van Nederlandse stadspleinen gebruikt kunnen worden.”
    Gewasmonitoring en microklimaatmodellering ten behoeve van de plaatsspecifieke beheersing van Phytopthtora infestans : gewasmonitoring en plaatsspecifieke toedienen gewasbeschermingsmiddelen
    Achten, V.T.J.M. ; Verwijs, B.R. ; Zande, J.C. van de; Huijsmans, J.F.M. - \ 2010
    Wageningen : Plant Research International (Nota / Plant Research International 657) - 18
    solanum tuberosum - aardappelen - phytophthora infestans - fungiciden - spuiten - sensors - microklimaat - monitoring - solanum tuberosum - potatoes - phytophthora infestans - fungicides - spraying - sensors - microclimate - monitoring
    Teler staat niet met lege handen tegenover Botrytis (interview met Leo Marcelis en Jantine Hofland)
    Bezemer, J. ; Marcelis, L.F.M. ; Hofland-Zijlstra, J.D. - \ 2010
    Onder Glas 7 (2010)2. - p. 36 - 37.
    tuinbouw - botrytis - deuteromycotina - microklimaat - omgevingstemperatuur - schimmelziekten - groenteteelt - vochtgehalte - luchtstroming - antagonisten - schimmelantagonisten - glastuinbouw - sierteelt - groenten - horticulture - botrytis - deuteromycotina - microclimate - environmental temperature - fungal diseases - vegetable growing - moisture content - air flow - antagonists - fungal antagonists - greenhouse horticulture - ornamental horticulture - vegetables
    Botrytis kan in heel wat gewassen fikse problemen veroorzaken. Omdat de sporen in een vochtige omgeving gaan kiemen, is een droog microklimaat de beste remedie. Maar het droogstoken van een hele kas is kostbaar. Met buitenluchtaanzuiging is een betere en energiezuinigere vochtbeheersing te realiseren. Het gewas voldoende open houden, blad snijden en luchtcirculatie zijn manieren om het gewenste microklimaat te bereiken. Antagonisten kunnen Botrytis preventief tegengaan en zijn een alernatief voor chemische middelen, terwijk bestuiving met oxidatieve zoeten of bestrlaing met UV-C-licht met namen in de na-oogst effectief kunnen zijn
    Actief ontvochtigen met buitenlucht - de basisprincipes van een actief en energiezuinig microklimaat
    Voogt, J. ; Weel, P.A. van - \ 2009
    Onder Glas 6 (2009)12. - p. 23 - 25.
    ontvochtiging - microklimaat - klimaatregeling - kunstmatige ventilatie - schermen - kastechniek - energiebesparing - glastuinbouw - dehumidification - microclimate - air conditioning - artificial ventilation - blinds - greenhouse technology - energy saving - greenhouse horticulture
    Een actief microklimaat met lage energiekosten is alleen te bereiken door vier maatregelen tegelijk toe te passen: geforceerde luchtbeweging rondom de plant, vereffening van temperatuurverschillen, het afvoeren van vocht en het beter isoleren met dubbele energieschermen. Dit laatste om gewascondensatie door uitstraling te voorkomen. Op basis van natuurkundige wetten is het recirculeren van kaslucht met horizontale of verticale slurven niet energie-efficiënt en verdient een combinatie van een eenvoudig en goedkoop systeem voor buitenlucht inblazen en verticale ventilatoren voor luchtbeweging de voorkeur
    Verticale ventilatie in twee varianten (interview met Peter van Weel)
    Jagers op Akkerhuis, F. ; Weel, P.A. van - \ 2009
    Vakblad voor de Bloemisterij 64 (2009)51. - ISSN 0042-2223 - p. 32 - 33.
    ventilatie - vochtigheid - microklimaat - gewasbescherming - luchttemperatuur - glastuinbouw - energiebesparing - ventilation - humidity - microclimate - plant protection - air temperature - greenhouse horticulture - energy saving
    Verticale ventilatie is een goede oplossing om te zorgen voor een actief klimaat als het energiedoek gesloten blijft en de ramen minder vaak en mider ver open gaan. Er zijn daarvoor twee systemen op de markt, de Aircobreeze of Kasnivolator en de Verti-Fan. De eerste zorgt voor een rustigere en homogenere luchtvermenging, de tweede brengt lucht beter onderin dichte gewassen.
    Energiezuinige optimalisatie van het microklimaat door luchtbeweging
    Bontsema, J. ; Voogt, J.O. ; Weel, P.A. van; Beukel, J. van den; Zuijderwijk, A. ; Labrie, C.W. ; Noort, F.R. van; Raaphorst, M.G.M. - \ 2009
    Wageningen : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapport / Wageningen UR Glastuinbouw 269) - 78
    kassen - microklimaat - duurzaamheid (durability) - gerbera - matricaria - gewassen - energie - luchtstroming - teelt - optimalisatie - ventilatie - kastechniek - glastuinbouw - energiebesparing - greenhouses - microclimate - durability - gerbera - matricaria - crops - energy - air flow - cultivation - optimization - ventilation - greenhouse technology - greenhouse horticulture - energy saving
    In dit project is onderzocht hoe met behulp van Aircobreeze-ventilatoren een zo energiezuinig klimaat kan worden gerealiseerd, zonder productieverlies.
    Lofar Agro : gewasmonitoring en microklimaatmodellering ten behoeve van plaatsspecifieke beheersing van Phytophthora infestans : microklimaat en Phytophthora infectierisico's
    Kessel, G.J.T. - \ 2009
    Wageningen : Plant Research International (Rapport / Plant Research International 265) - 18
    phytophthora infestans - aardappelen - infectiebestrijding - gewassen - weer - microklimaat - gebladerte - fungiciden - precisielandbouw - gewasmonitoring - fabrieksaardappelen - phytophthora infestans - potatoes - infection control - crops - weather - microclimate - foliage - fungicides - precision agriculture - crop monitoring - starch potatoes
    In de zomer van 2008 is het microklimaat in aardappel op twee plaatsen in Nederland zeer gedetailleerd gemeten. Deze meetsessies hebben unieke datasets opgeleverd m.b.t. het microklimaat in een aardappelgewas en de invloed daarop van de hoeveelheid loofmassa, de plaats en de hoogte in het gewas
    Paprikateelt in geconditioneerde kassen : luchtbevochtiging en koeling
    Gelder, A. de; Driever, S.M. ; Lagas, P. - \ 2009
    Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapport / Wageningen UR Glastuinbouw 263) - 48
    capsicum annuum - gewassen - kassen - vochtigheid - microklimaat - koelen - conditionering - glastuinbouw - geconditioneerde teelt - modelleren - kastechniek - capsicum annuum - crops - greenhouses - humidity - microclimate - cooling - conditioning - greenhouse horticulture - conditioned cultivation - modeling - greenhouse technology
    In een experiment met Paprika is de teelt met veel en weinig luchtbevochtiging vergeleken samen met een volledig geconditioneerde kas met koeling en luchtbevochtiging. De klimaatregeling realiseerde goed de ingestelde waarden voor temperatuur en vocht. In de afdeling met zware bevochtiging is de temperatuur gemiddeld 0.15 oC hoger geweest dan in de afdeling met lichte bevochtiging. In de geconditioneerde afdeling is de temperatuur gemiddeld nog 0.13 oC hoger geweest. Ook de luchtvochtigheid en het CO2-gehalte waren in afdelingen met zware bevochtiging en de geconditioneerde afdeling met koeling hoger, waarbij in de geconditioneerde afdeling de hoogste waarden zijn gerealiseerd. De afdeling met veel verneveling levert een meer productie ten opzichte van de kas met weinig verneveling. De volledig geconditioneerde kas levert niet nog eens een extra productie op, maar zit tussen beide afdelingen in. De productiecijfers aan het eind van de teelt zijn in de afdeling met zware bevochtiging 30.6 kg/m2 en in de lichtbevochtigde afdeling 29.2 kg/m2, in de geconditioneerde afdeling 30 kg/m2. Bevochtiging had in deze proef een licht positief effect. Er werden meer, maar fijnere vruchten geoogst bij de zware bevochtiging. Door de iets hogere temperatuur en de lagere raamopening is bij de zware bevochtiging minder CO2 gedoseerd. De geconditioneerde kas bleef achter in productie ten opzichte van de verwachting. De oorzaak hiervan is een schade aan de plant mogelijk door te hoge CO2-concentratie begin mei in combinatie met veel licht. Gevolg is geweest dat er afbraak van eiwitten, waaronder chlorofyl is opgetreden. Deze afbraak kon niet meer worden hersteld. In wetenschappelijk literatuur wordt dit proces oxidatieve stress genoemd. Er wordt verder onderzoek naar dit verschijnsel bij paprika gedaan. De afdeling met zware luchtbevochtiging of de geconditioneerde kas had geen voordelen of nadelen voor de gewasbescherming, ten opzichte van lichte bevochtiging die het meeste overeenkomt met de huidige praktijksituatie.
    Microklimaatmetingen bij chrysant : metingen op een praktijkbedrijf
    Baas, R. ; Hoope, M.A. ten - \ 2006
    Wageningen : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. (PPO publicatie 324161500) - 28
    microklimaat - omgevingstemperatuur - relatieve vochtigheid - effecten - richtlijnen (guidelines) - belichting - chrysanten - chrysanthemum - invloeden - energiebesparing - microclimate - environmental temperature - relative humidity - effects - guidelines - illumination - chrysanthemums - chrysanthemum - influences - energy saving
    Op een praktijkbedrijf zijn in de periode december8januari 2005/2006 58minuutgegevens verzameld van de RV in het gewas op buishoogte en onder in het gewas met niet-geventileerde loggers, planttemperaturen van kop en op buishoogte met infraroodmeters, PAR, en meetgegevens/instellingen van de regelcomputer. Resultaten van onderzoek en aanbevelingen Getracht is om meer inzicht te verkrijgen in het microklimaat en de invloedsfactoren hierop
    Mapping cryptic invaders and invisability of tropical forest ecosystems: Chromolaena odorata in Nepal
    Joshi, C. - \ 2006
    Wageningen University. Promotor(en): Andrew Skidmore; J. van Andel, co-promotor(en): J. de Leeuw; I.C. van Duren. - [S.l. ] : S.n. - ISBN 9789085044703 - 197
    tropische bossen - invasies - chromolaena odorata - ecosystemen - bosecologie - cartografie - microklimaat - remote sensing - geografische informatiesystemen - modellen - nepal - tropical forests - invasions - chromolaena odorata - ecosystems - forest ecology - mapping - microclimate - remote sensing - geographical information systems - models - nepal
    For centuries, people continuously increased the rate of biological invasions and there is no sign of slowing down. From the depth of the Ocean to the crest of Himalayas, they are occupying pristine and semi-natural ecosystems at an alarming rate, threatening human, animal, plant as well as ecosystem health. Efforts to avoid or eradicate them are not achievable except for very few cases. Currently, therefore, their management aims at controlling invaders and mitigating their impact rather than eradication. Limitation of resources forces land managers to carefully plan and prioritize interventions only in areas most severely affected by invaders. Hence, information on the actual and potential distribution of invaders is considered crucial for their management.

    It has long been recognized that remote sensing (RS) and geographical information systems (GIS) could contribute to help solving this problem. Remote sensing has so far been applied predominantly to invasive species that dominate the canopy of the ecosystem. The large majority of invasive species do however not show up in the canopy and thus remain difficult to detect by remote sensing in a direct and straightforward manner. Techniques for mapping such cryptic invaders have not been developed so far. In this thesis we explored methods to map the distribution of Chromolaena odorata (L.) RM King & H Robinson, one of the world's worst invasive species. This cryptic heliophyte originating from central America invaded the understorey of many tropical forest ecosystems throughout the world. C. odorata is a cryptic invader hidden under the forest canopy in the Terai of Nepal. It occurs predominately in opened up forest, with increased light intensity. The approach to map its distribution was to develop first remote sensing techniques to map forest canopy density and light intensity reaching the understorey and next relate these radiation maps to various aspects of the life history of C. odorata .

    To set the scene we reviewed in chapter 2 existing methods to map the distribution of invasive species. Next, we explored the quality of four alternative methods to predict forest canopy density (Chapter 3). This comparative study revealed that an artificial neural network best explained canopy density in terms of variance explained and bias. A Landsat ETM+ image processed through a neural network predicted 81% of light intensity reaching the understorey. The resulting radiation map was the environmental data layer that was subsequently used to map the distribution of C. odorata. This study revealed that in the Nepalese Terai C. odorata failed to produce seed below a light intensity of 6.5 mJ m-2day-1, and that light intensity determined 93% of the variation in log 10 seed production per plant (Chapter 4). This enabled us to map its distribution in Nepal based on under-canopy light intensities.

    C. odoratainvades new areas by generative reproduction (wind dispersal of pappus-bearing achenes). Once established, clonal propagation through underground corms enhances further expansion of populations. We have discovered (Chapter 5) that the age of corms can be determined using corm rings in cross sections. While individual corms survive for only five years, we obtained evidence that multi-corm genets, which must have been much older, had developed in forests with opened canopy. We furthermore demonstrated that light intensity positively related to the rate of clonal growth.The light dependence of the expansion rate of plants is apparently a key attribute explaining the invasion success of this species. Any disturbances in forest canopy density leading to increased light intensities would ultimately trigger its clonal growth. 

    The canopy in tropical forest ecosystems in Nepal is severely degraded offering light conditions suitable for C. odorata . The degradation of the forest canopy was attributed to a series of interrelated causes including human dimensions and government policies(Chapter 6). Herbarium records revealed that C. odorata invaded southern Nepal shortly after the initiation of malaria control. We furthermore demonstrated that this was followed in Chitwan district by an influx of migrants, land use changes and degradation of the forests. It was therefore argued that the species invaded because of canopy degradation, which was caused by change in land use and demography and triggered by malaria control. This process of malaria control followed by migration increased human population growth rates that we described for Chitwan district occurred in tropical regions all over Nepal. Hence, we suggest that it must have contributed to the rapid spread of C. odorata in the lowland Terai forest belt.

    Field observations revealed that C. odorata did not invade the tropical forests in the west of Nepal below 83°45' east longitude. We were unable to explain this distribution pattern with simple climatic indicators. However, a bioclimatic indicator, the length of the growing season predicted the absence from west Nepal remarkably well. This suggests that C. odorata requires a minimum length of the growing period to accumulate sufficient resources to establish and persist. We thus conclude that an agro-ecological modeling approach yielded a better prediction than the commonly used bioclimatic approach (Chapter 7).

    Since, deforestation and forest degradation are a point of concern for management of both biological invaders and native biota, there is a need to more closely monitor biological conservation areas because of the potentially irreversible impacts of deforestation and forest degradation. In chapter 8 we assess the rate of deforestation and the current degree of forest degradation in the Terai of Nepal. Forest canopy density class was predicted with 82% overall accuracy. Data analysis revealed that the forested area reduced from 21774 km 2 in 1958 to 12649 km 2 in 2000 corresponding to an annual rate of decline of 1.38%. Our analysis further revealed that 70% of the forested area outside conservation areas had canopies with density below 60%, thus confirming widespread degradation. More surprisingly, 50% percent of the forested area inside protected areas had such opened canopies. This indicates that canopy degradation is also very common inside protected areas. These areas play a special role in the conservation of internationally threatened forest communities, for instance Nepalese tropical rain forests. Our analysis revealed that canopy opening prevailed as well in these communities. We argue that from a biodiversity point of view conservation effort should focus on the preservation and restoration of these forest types. The forest degradation maps presented in this chapter could serve as a start to prioritize such interventions.

    In this thesis, we demonstrated how the impressive developments in computational performance, the rapid growth of remote sensing and GIS technologies for spatial data acquisition and analysis could be used beyond their traditional application in mapping canopy-dominant invasive species. We have shown how a few of these cost-effective mapping techniques can reliably be up scaled to the national level to map the distribution of even those invasive species that do not dominate the canopy of forest ecosystems.

    This thesis emphasizes the importance of site-specific microclimatic variation and empirical observations of the species' ecology, while applying remote sensing techniques in invasion studies. This could significantly reduce the uncertainties and the degree of "erroneous prediction". Maps displaying seed-producing sites could be used to significantly reduce the costs of controlling C. odorata infestation by providing information on the spatial segregation of source and sink populations. These will support efficient habitat ranking to restore invaded areas and protect non-invaded ecosystems. Such an approach may prove particularly valuable when implementing control measures under circumstances of limited capital and labour.This thesis also showed the necessity to understand the connection between the human historical, socio-economic, and cultural context with the environmental conditions and the ecology of the invader.It facilitates conceptualising the situation and hopefully it also helps in translating research results into appropriate policy measures.

    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.