Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 1 - 20 / 53

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    • alert
      We will mail you new results for this query: keywords==mosses
    Check title to add to marked list
    Gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreidingsgebied van soorten van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn
    Ottburg, F.G.W.A. ; Swaay, C.A.M. van - \ 2014
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen UR (WOt-rapport 124)
    amphibia - lepidoptera - vissen - zoogdieren - ongewervelde dieren - mossen - korstmossen - reptielen - populatiebiologie - habitatrichtlijn - amphibia - lepidoptera - fishes - mammals - invertebrates - mosses - lichens - reptiles - population biology - habitats directive
    This report presents the Favourable Reference Values for population size and range for the species listed in Annexes II, IV and V of the EU Habitats Directive. These reference values are used to assess the conservation status of species as required by Article 17 of the Habitats Directive. They were determined according to a protocol (checklist) and based on scientific information. Where the required scientific information was not readily available, expert judgement was used to fill the gaps. When determining the reference values, experts on each of the species groups were enlisted from the various voluntary conservation organisations, IMARES Wageningen UR (Texel and IJmuiden) and Alterra Wageningen UR. In addition, two extra questions were answered on how these reference values can be maintained or achieved, and the potential influence of climate warming.
    Spatio-temporal trends of nitrogen deposition and climate effects on Sphagnum productivity in European peatlands
    Granath, G. ; Limpens, J. ; Posch, M. ; Mücher, S. ; Vries, W. de - \ 2014
    Environmental Pollution 187 (2014). - ISSN 0269-7491 - p. 73 - 80.
    carbon accumulation - n deposition - boreal mire - bogs - growth - vegetation - impact - mosses - forest - emissions
    To quantify potential nitrogen (N) deposition impacts on peatland carbon (C) uptake, we explored temporal and spatial trends in N deposition and climate impacts on the production of the key peat forming functional group (Sphagnum mosses) across European peatlands for the period 1900–2050. Using a modelling approach we estimated that between 1900 and 1950 N deposition impacts remained limited irrespective of geographical position. Between 1950 and 2000 N deposition depressed production between 0 and 25% relative to 1900, particularly in temperate regions. Future scenarios indicate this trend will continue and become more pronounced with climate warming. At the European scale, the consequences for Sphagnum net C-uptake remained small relative to 1900 due to the low peatland cover in high-N areas. The predicted impacts of likely changes in N deposition on Sphagnum productivity appeared to be less than those of climate. Nevertheless, current critical loads for peatlands are likely to hold under a future climate.
    Unsaturated hydraulic properties of xerophilous mosses: towards implementation of moss covered soils in hydrological models
    Voortman, B.R. ; Bartholomeus, R.P. ; Bodegom, P.M. van; Gooren, H.P.A. ; Zee, S.E.A.T.M. van der; Witte, J.P.M. - \ 2014
    Hydrological Processes 28 (2014)26. - ISSN 0885-6087 - p. 6251 - 6264.
    evaporatie - bryophyta - hydraulisch geleidingsvermogen - korstmossen - mossen - hydrologie - waterbalans - bodemwaterretentie - modelleren - evaporation - bryophyta - hydraulic conductivity - lichens - mosses - hydrology - water balance - soil water retention - modeling - sphagnum moss - water - conductivity - bryophytes - desiccation - ecosystems - tolerance
    Evaporation from mosses and lichens can form a major component of the water balance, especially in ecosystems where mosses and lichens often grow abundantly, such as tundra, deserts and bogs. To facilitate moss representation in hydrological models, we parameterized the unsaturated hydraulic properties of mosses and lichens such that the capillary water flow through moss and lichen material during evaporation could be assessed. We derived the Mualem-van Genuchten parameters of the drying retention and the hydraulic conductivity functions of four xerophilous moss species and one lichen species. The shape parameters of the retention functions (2.17¿
    Basisrapport voor de Rode Lijst mossen 2012
    Siebel, H.N. ; Bijlsma, R.J. ; Sparrius, L.B. - \ 2013
    KNNV / Bryologische en Lichenologische Werkgroep, Oude-Tonge (BLWG-rapport 14) - 98
    mossen - bryophyta - flora - bedreigde soorten - natuurbescherming - habitats - bodem-plant relaties - nederland - mosses - endangered species - nature conservation - soil plant relationships - netherlands
    In dit rapport is een voorstel voor een herziene Rode Lijst Mossen opgenomen. Wanneer het Ministerie van Economische Zaken deze lijst publiceert in de Staatscourant, zal daarmee de Rode Lijst van 2000 worden vervangen. Van de 517 soorten die zich in ons land regelmatig voortplanten, is bepaald of ze volgens de Nederlandse criteria op de Rode Lijst moeten worden opgenomen. Daarvoor komen soorten in aanmerking die na 1900 zijn verdwenen of die bedreigd zijn. Deze laatste groep wordt in vier klassen onderverdeeld. In Figuur 1 is het resultaat zichtbaar. De Rode Lijst 2012 bestaat uit de volgende categorieën soorten: • 22 Verdwenen uit Nederland • 27 Ernstig bedreigd • 52 Bedreigd • 43 Kwetsbaar • 102 Gevoelig De Rode Lijst 2012 omvat dus 246 soorten (48% van de beschouwde soorten). De overige 271 soorten zijn Thans niet bedreigd.
    The estimation of species richness of Dutch bryophytes between 1900 and 2011. Documentation of VBA-procedures based on the Frescalo program
    Bijlsma, R.J. - \ 2013
    KNNV (BLWG-rapport 15) - 44
    mossen - bryophyta - bedreigde soorten - uitsterven - flora - nederland - mosses - endangered species - extinction - netherlands
    In 2011 the Ministery of Economic Affairs, Agriculture and Innovation asked the BLWG to update the Dutch Red List of bryophytes. The Red List is derived from distribution data recorded between 1900 and 2011 on a quadrant basis (5 x 5 km squares). The Dutch recording grid for distribution data consists of 1476 quadrants. The proper estimation of species richness for different time periods requires a method to correct for recording bias. We used the method and Frescalo program published recently by Hill (2012). This BLWG-report documents the implementation of the Frescalo program in Visual Basic for Applications (MS Access 2010) including modules for input/output and describes the corresponding database structure. Additional analyses evaluate parameter settings. The Frescalo program estimates species richness by evaluating local frequencies in neighbourhoods of each quadrant. The VBA-version determines neighbourhoods by considering physical distance and abiotic similarity (features of soil, ground water and geomorphology). Model output mainly depends on 1) the size of the neighbourhood used to estimate local species frequencies; 2) the proportion of local benchmark species used to estimate sampling intensity; 3) the expected mean neighbourhood frequency (assumed to be independent of species richness). Frescalo output is used to calculate the expected number of quadrants per species for each decade between 1900 and 2011.
    Passie voor mossen op de proef gesteld: ontdekking, herkenning en ecologie van kwelderknikmos (Bryum warneum)
    Weeda, E.J. - \ 2011
    Buxbaumiella 90 (2011). - ISSN 0166-5405 - p. 1 - 17.
    mossen - vegetatiemonitoring - groeiplaatsen - bedreigde soorten - karakterisering - mosses - vegetation monitoring - sites - endangered species - characterization
    Bij vegetatieonderzoek in natte basenrijke pioniermilieus, zoals verzoetende strandvlakten en uitgegraven duinvalleien, vormt het geslacht Bryum een welbekend struikelblok. Heel wat monsters uit dergelijke terreinen heb ik aan Rienk-Jan Bijlsma voorgelegd, en bij herhaling leverde dat als determinatie kwelderknikmos (Bryum warneum) op. Zo raakte ik geïntrigeerd door deze zeldzame maar soms plotseling talrijk optredende mossoort. Het resultaat is het volgende relaas over haar ontdekkingsgeschiedenis en ecologie. Als motto kan de volgende waarschuwing van onze westerburen dienen: alle zeldzame Bryum-soorten van de kust hebben de neiging moeilijk herkenbaar te zijn, en geduld en volharding zijn nuttige deugden als je er greep op wilt krijgen (Porley & Hodgetts 2005, p. 304). Of in het taaleigen van Ger Harmsen (1998): ze kunnen de ‘passie voor mossen’ behoorlijk op de proef stellen.
    Hoe Hookeria lucens standhoudt in Limburg
    Weeda, E.J. - \ 2011
    Buxbaumiella 88 (2011). - ISSN 0166-5405 - p. 32 - 44.
    mossen - flora - standplaatsfactoren - groeiplaatsen - inventarisaties - verspreiding van planten - limburg - mosses - site factors - sites - inventories - plant dispersal
    Hookeria lucens oftewel Glansmos is een van de weinige West-Europese slaapmossen die in één oogopslag van alle andere mossen zijn te onderscheiden. De eigenschappen die Barkman noemt, stellen Hookeria in staat in bronbossen te overleven tussen andere, deels alledaagse mossen (Höfler 1959, p. 565). In Nederland is de kans op een ontmoeting met Hookeria niet groot, want zij behoort tot de grootste rariteiten in onze mosflora. Tijdens een viertal excursies in het voorjaar van 2007 en 2008 bleek echter dat Hookeria zich goed handhaaft op zijn laatste Limburgse locatie, het zuidelijk deel van het Bunderbos. Zij werd er langs drie bronbeekjes aangetroffen. Reden om oude en nieuwe gegevens op een rij te zetten en een toekomstperspectief te schetsen.
    Oude en nieuwe pioniersmossen in het Nieuwe Heerenven
    Weeda, E.J. ; Melick, H.M.H. van - \ 2010
    Natuurhistorisch Maandblad 99 (2010)11. - ISSN 0028-1107 - p. 241 - 248.
    flora - plantengemeenschappen - mossen - noord-limburg - flora - plant communities - mosses - noord-limburg
    Dit jubileumartikel is gewijd aan de pioniermossen die na het uitgraven van het Nieuwe Heerenven tevoorschijn zijn gekomen. Daarbij staat de vraag centraal welke soorten reeds bekend waren aan Garjeanne of latere onderzoekers. Garjeanne was de eerste die aan het begin van de vorige eeuw zijn aandacht richtte op de mossen van deze omgeving. Uit een vergelijking met historische gegevens blijkt dat veel soorten tot dusver slechts op hooguit een enkele plek in de regio bekend waren. Het Nieuwe Heerenven blijkt nu voor zowel oude als nieuwe leden van de Noord-Limburgse mosflora veel kansen te bieden.
    Een aangepaste indeling in fysisch-geografische gebieden als basiskaart voor de landelijke verspreiding van soorten
    Siebel, H.N. ; Bijlsma, R.J. - \ 2010
    Buxbaumiella 87 (2010). - ISSN 0166-5405 - p. 35 - 40.
    korstmossen - mossen - verspreiding - fysische geografie - vegetatiekartering - lichens - mosses - dispersal - physical geography - vegetation mapping
    Geografische eenheden (districten, regio’s) worden veel gebruikt als kaartondergrond of bij de karakterisering van de verspreiding van mos- en korstmossoorten. De eigen kenmerken van de eenheden helpen de verspreiding te verklaren. Hierbij is tot nu toe veelal gebruik gemaakt van floradistricten die voor vaatplanten zijn opgesteld. De indeling in floradistricten is ten dele onbevredigend omdat het onderscheiden van sommige districten weinig zinvol is en de ligging van een aantal districten niet goed correspondeert met de verspreidingspatronen van veel mossoorten. Daarom is er gezocht naar een alternatieve simpele indeling, die verschillen in de verspreiding van (korst)mossen beter verklaart.
    De vreugdevolle terugkeer van een strontmos
    Bijlsma, R.J. - \ 2010
    De Levende Natuur 111 (2010)5. - ISSN 0024-1520 - p. 222 - 223.
    vegetatie - mossen - mest - habitats - bedreigde soorten - drenthe - vegetation - mosses - manures - habitats - endangered species - drenthe
    Tijdens vegetatieonderzoek in het Witterveld bij Assen werd een koeienvlaai gevonden met het in Nederland sinds 1910 uitgestorven Kruikmos. Deze soort behoort tot een familie van mossen die alleen op dierlijke resten voorkomen.
    Reconstructie van kalkgrasland en de noodzaak bestanden te koppelen
    Weeda, E.J. - \ 2010
    Buxbaumiella 86 (2010). - ISSN 0166-5405 - p. 45 - 54.
    kalkgraslanden - vegetatiekartering - mossen - korstmossen - zuid-limburg - chalk grasslands - vegetation mapping - mosses - lichens
    Om kalkgrasland te herstellen moet je weten hoe het eruit heeft gezien. Een belangrijk element in de diversiteit van kalkgraslanden vormt de mos- en korstmosflora. Onze voornaamste kennis van de kalkgraslandvegetatie in het midden van de vorige eeuw vormen de opnamen van Diemont & Van de Ven (1953) en Barkman (1953). In de Landelijke Vegetatie Databank waren de meeste van deze opnamekoppels inderdaad verenigd, waarbij echter de addenda op de mossenopnamen (Barkman 1953, p. 28-29) over het hoofd waren gezien. Ook vroegen een paar systematische determinatiefouten in Barkmans tabel om correctie.
    Preadvies mossen en korstmossen.
    Bijlsma, R.J. ; Aptroot, A. ; Dort, K.W. van; Haveman, R. ; Herk, C.M. van; Kooijman, A.M. ; Sparrius, L.B. ; Weeda, E.J. - \ 2009
    Ede : Directie Kennis, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Rapport DK nr. 2009/dk104-O ) - 255
    mossen - bryophyta - korstmossen - soorten - bedreigde soorten - landschap - milieubeheer - nederland - natuurbeheer - natura 2000 - mosses - bryophyta - lichens - species - endangered species - landscape - environmental management - netherlands - nature management - natura 2000
    Binnen het in OBN-kader uitgevoerd onderzoek was tot nu toe vaak aandacht voor de ruim 580 soorten mossen (inclusief variëteiten) en 800 soorten korstmossen die in Nederland voorkomen. Uit de Rode Lijsten blijkt dat er alle aanleiding is om meer aandacht te geven aan deze groepen. De achteruitgang van mossen en korstmossen speelt landelijk en in alle landschappen. Het Deskundigenteam Heuvellandschap heeft het preadvies begeleid namens alle deskundigenteams (droog zandlandschap, nat zandlandschap en beekdallandschap; rivierenlandschap; laagveenlandschap; zeekleilandschap; duin- en kustlandschap). Bij dit onderwerp zijn betrokken geweest: Universiteit Utrecht, Universiteit van Amsterdam, B ware (Radboud Universiteit), BLWG, Forestfun ecologisch advies en onderzoek, Alterra
    Natuurkwaliteit dankzij extensief beheer : nieuwe mogelijkheden voor beheer gericht op een veerkrachtig bos- en heidelandschap
    Bijlsma, R.J. ; Waal, R.W. de; Verkaik, E. ; Berg, C.A. van den; Haveman, R. - \ 2009
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1902) - 111
    landschap - bosecologie - heidegebieden - ecologie - humus - bodem - mossen - ecologisch herstel - natuurgebieden - veerkracht van de natuur - veluwe - gelderland - bodemecologie - landscape - forest ecology - heathlands - ecology - humus - soil - mosses - ecological restoration - natural areas - resilience of nature - veluwe - gelderland - soil ecology
    De ecologische effectiviteit van beheer in arme bossen en droge heiden is onderzocht door voor beide systemen aspecten van natuurkwaliteit te vergelijken tussen regulier beheerde terreindelen en lange tijd extensief beheerde delen. Voor droge heide wordt een nieuw schema van vegetatieontwikkeling gepresenteerd bij extensief beheer. In de loop van het project is het principe van ecologische veerkracht ten aanzien van biodiversiteit een centrale plaats gaan innemen. Een veerkrachtig landschap geeft ruimte aan nieuwe soorten en interacties en biedt uitwijkmogelijkheden waardoor kenmerkende biodiversiteit zich kan verplaatsen naar alternatieve habitats. Adaptief vermogen en de aanwezigheid van een ecologisch geheugen en ruimtelijke heterogeniteit zijn kenmerkend voor een veerkrachtig landschap. Er wordt een aanzet gegeven tot een vertaling van deze kenmerken in criteria en indicatoren, waarbij arme bossen en droge heiden als voorbeelden dienen.
    Sphagnum re-introduction in degraded peatlands: the effects of aggregation, species and water table
    Robroek, B.J.M. ; Ruijven, J. van; Schouten, M.G.C. ; Breeuwer, A.J.G. ; Crushell, P.H. ; Berendse, F. ; Limpens, J. - \ 2009
    Basic and Applied Ecology 10 (2009)8. - ISSN 1439-1791 - p. 697 - 706.
    experimental plant-communities - interspecific competition - vascular plants - growth - bog - mosses - heterogeneity - restoration - vegetation - dynamics
    In European peatlands which have been drained and cut-over in the past, re-vegetation often stagnates after the return of a species-poor Sphagnum community. Re-introduction of currently absent species may be a useful tool to restore a typical, and more diverse, Sphagnum vegetation and may ultimately improve the functioning of peatland ecosystems, regarding atmospheric carbon sequestration. Yet, the factors controlling the success of re-introduction are unclear. In Ireland and Estonia, we transplanted small and large aggregates of three Sphagnum species into existing vegetation. We recorded changes in cover over a 3-year period, at two water levels (¿5 and ¿20 cm). Performance of transplanted aggregates of Sphagnum was highly species specific. Hummock species profited at low water tables, whereas hollow species profited at high water tables. But our results indicate that performance and establishment of species was also promoted by increased aggregate size. This mechanism (positive self-association) has earlier been seen in other ecosystems, but our results are the first to show this mechanism in peatlands. Our results do not agree with present management, which is aimed at retaining water on the surface of peat remnants in order to restore a functional and diverse Sphagnum community. More than the water table, aggregate size of the reintroduced species is crucial for species performance, and ultimately for successful peatland restoration.
    Photosynthetic performance in Sphagnum transplanted along a latitudinal nitrogen deposition gradient
    Granath, G. ; Strengbom, J. ; Breeuwer, A.J.G. ; Heijmans, M.M.P.D. ; Berendse, F. ; Rydin, H. - \ 2009
    Oecologia 159 (2009)4. - ISSN 0029-8549 - p. 705 - 715.
    atmospheric nitrogen - n deposition - boreal mire - chlorophyll fluorescence - physiological-responses - parasitic fungus - water-content - growth - mosses - vegetation
    Increased N deposition in Europe has affected mire ecosystems. However, knowledge on the physiological responses is poor. We measured photosynthetic responses to increasing N deposition in two peatmoss species (Sphagnum balticum and Sphagnum fuscum) from a 3-year, north-south transplant experiment in northern Europe, covering a latitudinal N deposition gradient ranging from 0.28 g N m(-2) year(-1) in the north, to 1.49 g N m(-2) year(-1) in the south. The maximum photosynthetic rate (NPmax) increased southwards, and was mainly explained by tissue N concentration, secondly by allocation of N to the photosynthesis, and to a lesser degree by modified photosystem II activity (variable fluorescence/maximum fluorescence yield). Although climatic factors may have contributed, these results were most likely attributable to an increase in N deposition southwards. For S. fuscum, photosynthetic rate continued to increase up to a deposition level of 1.49 g N m(-2) year(-1), but for S. balticum it seemed to level out at 1.14 g N m(-2) year(-1). The results for S. balticum suggested that transplants from different origin (with low or intermediate N deposition) respond differently to high N deposition. This indicates that Sphagnum species may be able to adapt or physiologically adjust to high N deposition. Our results also suggest that S. balticum might be more sensitive to N deposition than S. fuscum. Surprisingly, NPmax was not (S. balticum), or only weakly (S. fuscum) correlated with biomass production, indicating that production is to a great extent is governed by factors other than the photosynthetic capacity.
    Swift recovery of Sphagnum nutrient concentrations after excess supply
    Limpens, J. ; Heijmans, M.M.P.D. - \ 2008
    Oecologia 157 (2008)1. - ISSN 0029-8549 - p. 153 - 161.
    atmospheric nitrogen deposition - vascular plants - phosphorus availability - boreal forest - vegetation - growth - bog - fertilization - resorption - mosses
    Although numerous studies have addressed the effects of increased N deposition on nutrient-poor environments such as raised bogs, few studies have dealt with to what extent, and on what time-scale, reductions in atmospheric N supply would lead to recovery of the ecosystems in question. Since a considerable part of the negative effects of elevated N deposition on raised bogs can be related to an imbalance in tissue nutrient concentrations of the dominant peat-former Sphagnum, changes in Sphagnum nutrient concentration after excess N supply may be used as an early indicator of ecosystem response. This study focuses on the N and P concentrations of Sphagnum magellanicum and Sphagnum fallax before, during and after a factorial fertilization experiment with N and P in two small peatlands subject to a background bulk deposition of 2 g N m(-2) year(-1). Three years of adding N (4.0 g N m(-2) year(-1)) increased the N concentration, and adding P (0.3 g P m(-2) year(-1)) increased the P concentration in Sphagnum relative to the control treatment at both sites. Fifteen months after the nutrient additions had ceased, N concentrations were similar to the control whereas P concentrations, although strongly reduced, were still slightly elevated. The changes in the N and P concentrations were accompanied by changes in the distribution of nutrients over the capitulum and the stem and were congruent with changes in translocation. Adding N reduced the stem P concentration, whereas adding P reduced the stem N concentration in favor of the capitulum. Sphagnum nutrient concentrations quickly respond to reductions in excess nutrient supply, indicating that a management policy aimed at reducing atmospheric nutrient input to bogs can yield results within a few years.
    Mixing ratio and species affect the use of substrate-derived CO2 by Sphagnum
    Limpens, J. ; Robroek, B.J.M. ; Heijmans, M.M.P.D. ; Tomassen, H.B.M. - \ 2008
    Journal of Vegetation Science 19 (2008)6. - ISSN 1100-9233 - p. 841 - 848.
    carbon-dioxide - water-content - photosynthesis - growth - permeability - desiccation - vegetation - mosses
    Question: Can mixing ratio and species affect the use of substrate-derived CO2 by Sphagnum? Location: Poor fen in south Sweden and greenhouse in Wageningen, The Netherlands. Methods: Two mixing ratios of Sphagnum cuspidatum and S. magellanicum were exposed to two levels of CO2 by pumping CO2 enriched and non-enriched water through aquaria containing the species mixtures in the greenhouse. Results: Enhanced CO2 stimulated the production of S. cuspidatum, but only in aquaria co-dominated by S. magellanicum, coinciding with higher CO2 concentrations in the water layer. The denser growing S. magellanicum seemed to reduce gas escape from the water, resulting in accumulation of dissolved CO2. Adding CO2 did not affect species replacement. Conclusions: The use of substrate-derived CO2 for Sphagnum production depended on species identity and mixing ratio. The effect of mixing ratio on CO2 concentrations in the water layer suggests that species composition may affect both the efficiency with which substrate-derived CO2 is trapped and subsequently used. This could result in hitherto unexplored feedbacks between vegetation composition and gas exchange.
    The effect of temperature on growth and competition between Sphagnum species
    Breeuwer, A.J.G. ; Heijmans, M.M.P.D. ; Robroek, B.J.M. ; Berendse, F. - \ 2008
    Oecologia 156 (2008)1. - ISSN 0029-8549 - p. 155 - 167.
    interspecific competition - litter quality - tussock tundra - climate-change - water-level - mosses - bog - decomposition - mire - photosynthesis
    Peat bogs play a large role in the global sequestration of C, and are often dominated by different Sphagnum species. Therefore, it is crucial to understand how Sphagnum vegetation in peat bogs will respond to global warming. We performed a greenhouse experiment to study the effect of four temperature treatments (11.2, 14.7, 18.0 and 21.4°C) on the growth of four Sphagnum species: S. fuscum and S. balticum from a site in northern Sweden and S. magellanicum and S. cuspidatum from a site in southern Sweden. In addition, three combinations of these species were made to study the effect of temperature on competition. We found that all species increased their height increment and biomass production with an increase in temperature, while bulk densities were lower at higher temperatures. The hollow species S. cuspidatum was the least responsive species, whereas the hummock species S. fuscum increased biomass production 13-fold from the lowest to the highest temperature treatment in monocultures. Nutrient concentrations were higher at higher temperatures, especially N concentrations of S. fuscum and S. balticum increased compared to field values. Competition between S. cuspidatum and S. magellanicum was not influenced by temperature. The mixtures of S. balticum with S. fuscum and S. balticum with S. magellanicum showed that S. balticum was the stronger competitor, but it lost competitive advantage in the highest temperature treatment. These findings suggest that species abundances will shift in response to global warming, particularly at northern sites where hollow species will lose competitive strength relative to hummock species and southern species.
    Ramalina subfarinacea (Melig kusttakmos) en andere nieuwe korstmossen en mossen op Rottumerplaat
    Dort, K.W. van; Haveman, R. ; Kers, A.S. ; Spier, J.L. - \ 2007
    Buxbaumiella 79 (2007). - ISSN 0166-5405 - p. 58 - 61.
    korstmossen - mossen - nederlandse waddeneilanden - inventarisaties - groningen - lichens - mosses - dutch wadden islands - inventories - groningen
    Op 6 september 2007 verbleven de drie eerstgenoemde auteurs een aantal dagen op Rottumerplaat in verband met een vegetatieonderzoek. En passant werden enige korstmossen en mossen verzameld. De (korst)- mosflora van de grote Waddeneilanden is goed bekend (voor een mossenoverzicht, zie Van Tooren 2004). Mossen en korstmossen van het onbewoonde eiland Rottumerplaat bleven echter lang buiten beeld. En dat is niet verwonderlijk: Rottumerplaat is een belangrijk rustgebied voor vogels en zeehonden en niet vrij toegankelijk.
    Europese verspreiding en status van Nederlandse mossen
    Siebel, H.N. ; Bijlsma, R.J. - \ 2007
    Buxbaumiella 77 (2007). - ISSN 0166-5405 - p. 22 - 48.
    vegetatie - mossen - inventarisaties - vegetation - mosses - inventories
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.