Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Current refinement(s):

Records 1 - 20 / 88

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: keywords==ontwikkelingsplanning
Check title to add to marked list
Industriële vervuiling aanpakken met beplanting
Ramaker, R. ; Wilschut, M. ; Theuws, P. ; Duchhart, I. - \ 2013
Resource: weekblad voor Wageningen UR 7 (2013)14. - ISSN 1874-3625 - p. 8 - 8.
industrieterreinen - bodemverontreiniging - landgebruik - ruimtelijke ordening - ontwikkelingsplanning - landschapsarchitectuur - ontwerp - duurzame ontwikkeling - beplantingen - amsterdam - industrial sites - soil pollution - land use - physical planning - development planning - landscape architecture - design - sustainable development - plantations
Over het IJ in Amsterdam-Noord ligt industriegebied Buiksloterham, een deels verlaten industriegebied dat vervuild is met onder meer zink, koper en lood. De gemeente wil het terrein langzaam transformeren in een woongebied met winkels, maar de crisis remt ontwikkeling. In de tussentijd zou Buiksloterham aantrekkelijker worden als je er veel groen plant, bedachten twee Wageningse studenten landschapsarchitectuur. En dat was nog maar het begin van hun ambities. In hun afstudeerontwerp zetten Pieter Theuws en Mark Wilschut het groen aan het werk. Sommige bomen kunnen namelijk bodemvervuiling opruimen, in een proces dat phytoremediation heet. Dit werkt op verschillende manieren: met hun wortels voorkomen ze dat vervuiling uitspoelt, ze nemen zware metalen op en breken organische stoffen af. Dat heeft voordelen ten opzichte van industriële verwijdering, vertelt Ingrid Duchhart, assistent-professor landschapsarchitectuur en begeleider van het duo: 'Zo los je het probleem echt op in plaats van de grond alleen te verplaatsen.' Maar je moet er wel geduld voor hebben. Volgens Durchhart duurt het zo'n 45 tot 100 jaar totdat de planten de grond hebben opgeschoond. Voorlopig bestaat dit ontwerp grotendeels op papier. Na het winnen van een prijsvraag van de gemeente Amsterdam wordt phytoremediation in een klein deelgebied binnenkort in praktijk gebracht. Daarbij gaat het om een voormalige scheepswerf die onder de naam Ceuvel de Volharding een broedplaats moet worden voor creatieve ondernemers. De komende tien jaar halen planten daar gif uit de bodem en werken creatievelingen in aan land getakelde woonarken. Omdat het biochemische proces langzaam verloopt zijn de doelen voor die tien jaar noodgedwongen beperkt. 'We hebben niet de illusie dat we het helemaal schoon zullen achterlaten,' zegt Theuws. De scheepswerf moet vooral bewijzen dat de aanpak werkt. 'Ondertussen maken we plannen voor andere ongebruikte delen van Amsterdam, en andere steden.' Het ontwerp verschijnt binnenkort in het tijdschrift Environmental pol¬lution.
De kracht van glastuinbouwcomplex Pijnacker-Nootdorp; Huidige situatie en toekomstperspectief
Ruijs, M.N.A. ; Jukema, G.D. ; Splinter, G.M. - \ 2010
Den Haag : LEI, onderdeel van Wageningen UR (Rapport / LEI : Sector & ondernemerschap ) - ISBN 9789086154401 - 78
tuinbouw - glastuinbouw - zuid-holland - agrarische structuur - bedrijfsontwikkeling in de landbouw - duurzaamheid (sustainability) - wateropslag - ontwikkelingsplanning - ruimtelijke ordening - agrarische economie - horticulture - greenhouse horticulture - agricultural structure - farm development - sustainability - water storage - development planning - physical planning - agricultural economics
Dekstudie naar de kracht van het glastuinbouwcomplex in Pijnacker-Nootdorp ter handhaving van de internationaal toonaangevende positie van het cluster in de toekomst. Doel is het realiseren van een duurzaam tuinbouwgebied dat ruimte biedt aan innovatieve bedrijven. Groenvoorziening, waterberging en de (Recreatieve) ontsluiting van het gebied worden aangepakt. Dit leidt tot een substanstiële verbetering van het woon- en leefklimaat.
Vitaliteit van de tuinbouw in Heemskerk
Stokkers, R. ; Meer, R.W. van der - \ 2009
Wageningen : Wetenschapswinkel Wageningen UR (Rapport / Wetenschapswinkel Wageningen UR 259) - ISBN 9789085851905 - 27
tuinbouw - regionale planning - regionaal beleid - economische situatie - ontwikkelingsplanning - woningbouw - bollenstreek - noord-holland - horticulture - regional planning - regional policy - economic situation - development planning - house building
In het gebied Heemskerkerduin en Noorddorp is onduidelijkheid over de toekomst. Vorig jaar moest het bestemmingsplan herzien worden. Werkgroep ‘Van Duin tot Dorp’ merkte dat er veel onrust heerst bij de tuinders over de toekomst van het Heemskerkerduin en Noorddorp. De werkgroep heeft daarom in 2008 contact gelegd met de Wetenschapswinkel Wageningen UR met de vraag advies en onafhankelijk onderzoek te doen naar de toekomst en inrichting van het gebied. Allereerst hebben de onderzoekers van LEI vanuit bestaande data bestanden gekeken naar de economische vitaliteit van het gebied. De resultaten van deze studie zijn in een discussieavond in het gebied teruggekoppeld aan de tuinders. Bbedrijfsbezoeken hebben geleid tot aanpassing van de uitgangspunten. Het resultaat van dit onderzoek treft u in deze rapportage. De werkgroep ‘Van Duin tot Dorp’ hoopt dat dit rapport de tuinders inzicht geeft in hun tuinbouwgebied en het hen handvatten biedt om in te spelen op de toekomst. Zij kunnen daarbij op de medewerking rekenen van de werkgroep ‘Van Duin tot Dorp’
Raad van State zet milieuorganisaties buitenspel
Kistenkas, F.H. ; Kuiper, R. - \ 2009
ROM : maandblad voor ruimtelijke ontwikkeling 27 (2009)5. - ISSN 1571-0122 - p. 18 - 19.
milieubeleid - besluitvorming - belangengroepen - milieubescherming - rechtshandhaving - effecten - ontwikkelingsplanning - natuurbeheer - environmental policy - decision making - interest groups - environmental protection - law enforcement - effects - development planning - nature management
Nog niet zo lang geleden golden milieuorganisaties als burgerorganisaties die toezagen op de rechtmatigheid van de verlening van milieu- en natuurvergunningen door lagere overheden. De laatste jaren klinkt het geluid dat veel beroepen bij de Raad van State een ongewenste rem op ruimtelijke ontwikkelingen vormen. De Raad van State lijkt de boodschap op te pikken. Over doorzettingsmacht en de kwetsbare natuur
Een impuls voor Plattelandsondernemers : methodiekbeschrijving en -evaluatie van plattelandimpuls
Wolf, P.L. de; Schoorlemmer, H.B. - \ 2008
Wageningen : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. (PPO publicatie nr. 375) - 104
landbouwbedrijven - agrarische bedrijfsvoering - ontwikkelingsplanning - ontwikkeling - marketing - markten - innovaties - multifunctionele landbouw - farms - farm management - development planning - development - markets - innovations - multifunctional agriculture
Van productiegericht naar marktgericht werken is een doelstelling van het project PlattelandImpuls. Vanaf eind 2006 tot eind 2007 hebben ruim 350 ondernemers in 34 groepen deelgenomen aan dit project, wat uitgevoerd werd door Vrienden van het Platteland, LTO-Nederland, Wageningen UR en coöperatie Stadteland. De groepen, in verschillende regio’s, waren verdeeld over diverse vormen van verbreding, zoals natuur, educatie, zorg, recreatie, etc.
Valt er wat te leren van een andere planningscultuur? (2)
Kruit, J. ; Salverda, I.E. - \ 2007
Groen : vakblad voor groen in stad en landschap 12-07-2007 (2007). - ISSN 0166-3534 - p. 28 - 33.
stadsomgeving - stedelijke gebieden - landschapsarchitectuur - ontwikkelingsplanning - participatie - richtlijnen (guidelines) - frankrijk - engeland - nederland - urban environment - urban areas - landscape architecture - development planning - participation - guidelines - france - england - netherlands
Sheffield, Lille en Utrecht hebben min of meer vergelijkbare problemen met groen in de stad. De manier waarop met deze problemen wordt omgegaan, loopt nogal uiteen. Dit artikel gaat o.a. in op het ontwerp Park Jean Baptiste Lebas (West8 urban design)
Masterplan Stolwijkersluis
Stoep, H. van der; Brink, A. van den - \ 2006
Wageningen : WUR, Leerstoelgroep Landgebruiksplanning (Wageningen Studies in planning, analyse en ontwerp 6) - ISBN 9789085850281 - 4
stedelijke gebieden - polders - ontwikkelingsplanning - ruimtelijke ordening - regionale planning - nederland - zuid-holland - krimpenerwaard - urban areas - polders - development planning - physical planning - regional planning - netherlands - zuid-holland - krimpenerwaard
Exploring the use of multi-agent systems for interactive multi-actor spatial planning
Ligtenberg, A. - \ 2006
Wageningen University. Promotor(en): Adrie Beulens; Arnold Bregt, co-promotor(en): D.L. Kettenis; M. Wachowicz. - - 164
ruimtelijke ordening - landgebruiksplanning - ontwikkelingsplanning - besluitvorming - nederland - participatie - modellen - physical planning - land use planning - development planning - decision making - participation - models - netherlands
Multi-Agent Systems (MAS) lijken een bijdrage te kunnen leveren aan het beter modelleren en begrijpen van de complexiteit van een interactief multiactor ruimtelijk planningsproces. De belangrijkste doelstelling van dit onderzoek was daarom het verkennen van MAS ten behoeve van toepassing in de simulatie van interactieve multi-actor ruimtelijke planning. Het model is gebaseerd op vier soorten kennis ten aanzien van de ruimtelijke omgeving: wensen, opvattingen, waarden en preferenties
Meerjarenvisie Chrysant
Splinter, G.M. ; Buck, A.J. de - \ 2004
[S.l.] : PPO Glastuinbouw/LEI - 6
snijbloemen - chrysanten - chrysanthemum - kennis - innovaties - ondernemerschap - bedrijfsvoering - ontwikkelingsplanning - cut flowers - chrysanthemums - knowledge - innovations - entrepreneurship - management - development planning
Meer jarenvisie dat de kaders schetst waaraan de chrysantensector in 2010 moet voldoen, inclusief de ontwikkelingen die daartoe moeten bijdragen. Deze visie geeft ook aan hoe deze visie ingebed kan worden in de bestaande structuren
Think big, start small : restricted room for manoeuvre by practitioners in socio-spatial planning of peripheral regions in Third World Countries
Ham, A. van den; Veenstra, J. - \ 2000
Agricultural University. Promotor(en): D.B.W.M. van Dusseldorp, co-promotor(en): J.G.M. Hilhorst. - S.l. : S.n. - ISBN 9789058083005 - 341
ontwikkelingsstudies - plattelandsontwikkeling - marginale gebieden - ontwikkelingsprojecten - ontwikkelingsplanning - armoede - internationale samenwerking - ontwikkeling - duurzaamheid (sustainability) - ontwikkelingslanden - bedrijfsvoering - basisbehoeften - hulpbronnenbeheer - ontwikkelingshulp - vermogensverdeling - development studies - rural development - less favoured areas - development projects - development planning - poverty - basic needs - international cooperation - development aid - development - sustainability - resource management - management - developing countries - wealth distribution

In a first part of this study van den Ham reacts to the increased free-market thinking and makes in chapter 1 a plea for continued efforts in active, public socio-spatial development policies in order to contribute to sustainable poverty alleviation in remote areas. This policy should aim at lifting restrictions, both material and socio-cultural, of people to realise their human capabilities to qualitatively and sustainably change the conditions of life and livelihood. It is argued why, from a development practitioner's perspective, it is important to understand the dynamics in both development thinking and doing. A research construct is introduced to explore the framework within which development paradigms, policies and practices at normative ( "what for" and " for whom?" ), strategic ( "how ") and operational ( "what, where, when, by and with whom?" ) level change over time. This change is assumed to be influenced by key-development practitioner's 'inner-guiding' individual beliefs and values, acquired academic insights and practical, learning-by-doing experiences. In practice the proposed policies seem to be very much constrained or stimulated by the development practitioner's appreciated, influenceable and controllable environment which are subject to changing power relations between the state, the corporate sector and civil society.

In chapter 2 Veenstra elaborates the above research framework by highlighting the various components on the three axes depicting (1) inward-looking personal perspectives, focusing on habitual life-attitudes and roles of both indigenous and expatriate development practitioners (2) outward-looking, professional knowledge bases expanding in substantive, procedural as well as politico-institutional sense and (3) problem and action orientations as tried-out in time at various levels.

In chapter 3 van den Ham reviews at a glance the origins of international development co-operation and the elements that in practice impact upon the outcome of foreign-supported, expatriate-staffed development projects; they relate to identification, organisational setting, the role of expatriate practitioners, co-operation with local counterparts, the time dimension, the role models in transfer of knowledge and "voice, loyal and exit" strategies of the practitioners.

In the second part of the book seven case studies from Africa and Asia, all within the framework of international development assistance, are presented and related to the framework that has been introduced in the previous three chapters. In chapter 4 Veenstra explores his sequential experiences and struggles with emic and etic aspects in the evolving design of development programmes and practices in five projects in Sierra Leone, Tanzania, Yemen, Indonesia and Cameroon with special reference to area development planning and natural resource management. Both in sub-sections 4.6 and 6.3 Veenstra sums up his conclusions from outer and inner learning rounds in socio-spatial planning practices. In reaching after 'sustainable' livelihoods, -particularly in agrarian societies under patrimonial resource control in Sierra Leone, West Africa, of the 1960s-, strategic and operational incommensurabilities, with hindsight, cropped up as related to large-scale 'hard' infrastructure and agro-technical innovations. After actuality had completed its developmental course, shortcomings were, later on, laid open inside and between knowledge bases used, of corresponding policy instruments (not) employed, of statutory powers (not) granted and skilled personnel, budgets plus equipment (not) available. Above all, incongruity made itself manifest among stakeholders' normative outlooks holding sway at various territorial levels for prioritising their own resource claims. So it happened that in spite of 'common-good and great cause' intentions, 'kleptocratic' life styles both of rural and urban élites in a 'soft-state' setting were to be, distrustfully, endured.

In the case of socialist single-party Tanzania of the 1970s 'integrated' rural development pointed toward self-reliance, poverty alleviation and fair distribution of social and physical infrastructure. These laudable aims were thwarted, however, by a over-burdened state-apparatus and the rural populace, of necessity, exiting both into 'black-market' sales of its produce and clientship-like distribution channels for local provision of its basic services,- without revenues for the state coffers. So, both the Tanzanian bureaucracy and its open-handed foreign-aid advisors made themselves not responsive and trust-worthy, - in terms of the 'good local governance' fashion of the 1990s. Under these adversary working conditions expatriate area planners were willy-nilly forced to self containment, - for instance, in our 'remote' case of the neglected Shinyanga Region. Here, a prudent step-by-step integration both in planning and eventual implementation was intended 'from overseas' through initially restricting sectoral, time/space, problem and resource development perspectives to prioritised, low-level and small-scale, concentrated area project packages. So, 'for the time being', long-haul normative policy making, including its medium-term strategic issues, were put aside; socio-spatial arithmetics were to prevail through index-number, factor-, and flow-analysis methods; thus entrapped, both expatriate and indigenous planning officers felt their 'rationalising' efforts being frustrated by short-sighted detachment in public choice situations - like ostriches bury sometimes their heads in the sand.

In entering the 1980s, this neutral technocratic habitus was, -depending on politico-institutional contexts-, re-shaped towards those of mediatory brokers and advocates on behalf of beneficiary target groups. In the Rada'-case of North Yemen, 1981/82, phased social differentiation and changing leadership-styles in the long run were accounted for, but immediately shifting gears from operational towards strategic models of resource management emerged as leading theme. Here, in promoting still sustainable livelihoods, foreign development practitioners were to manoeuvre between the 'devil and the deep blue sea' of conflicting policy sets:

  • on the one hand, in response to self-interests of national government headquarters and of private enterprise including 'progressive farmers', in favour of politico-institutional stability and free-market economic growth guided 'from above'; and
  • on the other hand, in response to local community interests of deprived peasants and herdsmen in favour of equalisation, citizen participation and resource mobilisation 'from below', in combination with local value patterns and natural resources to be left in a well balanced order.

After a decade of Rada'-development efforts, i.e. 1975-85, it was concluded that in spite (or because) of selectively applied, concentrated area project packages local village life remained principally unchanged; that at a higher level of district government implementation capacity improved through ad hoc foreign assistance; but that at the higher sub-national level of the province strategic planning and governance did not find their co-ordinating niche, neither divergent statesman-like leadership. Therefore, the two case-studies of Aceh in Indonesia, 1977-1986, and of the Tikar water catchment basin around 1990 in Cameroon, West Africa, refrained initially from formulating a e state, corporate sector and civil society was rather modest.

In sub-sections 6.1 and 6.2 van den Ham concludes that the views of the key-players in the development projects can very much be traced to their previous experiences. The extent to which their views can be 'translated' into new approaches towards local area development is only to a small extent influenced by the 'power' of either the normative/inward-looking or the academic/outward-looking perspective of the concerned development practitioners. Effectuating the aspired 'real' participatory development, -implying redistribution of resources and (decision-making) power-, within the context of 'foreign' projects would for example run up against the resistance of vested interests; such an approach, whatever its desirability, can therefore not be pursued. Political room for manoeuvre turns out to be the determining factor in the normative domain. However, there is usually (limited) room at the strategic and operational levels. There it appears that the design and implementation of the advocated strategies and practices is guided by the (normative) disposition of the key players towards the essence of development and their perception of the (strategic) role of the various actors in the development process. These are fed by a commensurate cognitive outlook on reality as well as their practical experiences. Again, substantive 'objective' knowledge bases appear to play only a rather limited role in the actual formulation of programmes and practices. Hence, the foreign-funded socio-spatial development projects 'ploughed through' with limited, isolated and above all 'accidental' (because very much depending on the individual practitioner involved and very specific local conditions capacitating or constraining the potential actors) experiments.

With a view towards the future van den Ham outlines in sub-section 6.4 a changing context for local development practitioners. As in sub-section 6.5 van den Ham explains, this changing context poses new challenges to, and requires new roles to be played by (teams of) future development practitioners. It is suggested that specific capabilities are required to more structurally and successfully address the socio-spatial inequalities from the local level upwards. Development practitioners should not only be technically trained in a number of skills that have traditionally been linked to the function of regional development officer. They rather should start with acquiring a thorough understanding of the dynamic way normative, strategic and operational dispositions are achieved in practice and can be influenced in an effective and legitimate way. Empathy towards other stakeholder's dispositions and potential contributions as actors in their own right, as well as self-critically reflecting on their own positioning, should development practitioners make more conscious of the link between personal or inner change, and social or outer change. This (un-)conscious reflection on implementation will contribute again to reshaping the perspectives on intended societal advancement and results in new approaches to deal with the outstanding issues.

However, development practitioners should be aware that neither their own understanding of reality and their way to deal with it, nor the other stakeholder's positioning and his/her use of the results are fixed or value-neutral. These are all very much influenced by personal and professional life history, inner normative guidelines of individual beliefs as well as values, economic interests, gender, class - all very much time-, space- and context-bound possibilities and constraints. Therefore, it is for development practitioners highly important that they are capable of opening up space for public dialogue on the directions of development. They should be able to analyse the diverse options of the participants and identify the potential conflict of interest that will occur among the various stakeholders, before certain positions getting accepted as "appreciated' and translating them in (normatively) disputable strategies, projects and programmes.

In addition to the 'traditional' technical skills in economics, regional science, physical geography, public administration, data management etc., communicative and analytical skills as well as abilities in the field of conflict prevention and resolution are needed to (help) translating the normative dispositions in strategic and operational terms. Next to engaging actor groups in shaping development processes, local development practitioners should also be able to facilitate reconciliation of the claims of people living in poverty with those of other contesting actor groups and to integrate them in the framework of (central) state policies. Thus, the development practitioner should facilitate that lower-level needs, aspirations and potentials meet response at the higher influenceable/strategic and appreciated/normative levels with the ultimate aim of creating an effectively enabling environment that continuously facilitates and supports people to build sustainably upon their own strengths.

La problématique de l'application des techniques d'analyse coûts-bénéfices en Afrique subsaharienne : le cas du Zaïre
Musampa-Tshibalabala, R. - \ 2000
Agricultural University. Promotor(en): P. van den Noort. - S.l. : S.n. - 289
kosten-batenanalyse - ontwikkelingsplanning - haalbaarheidsstudies - projectbeoordeling - afrika ten zuiden van de sahara - ontwikkelingsprojecten - economische evaluatie - democratische republiek kongo - cost benefit analysis - development projects - economic evaluation - development planning - project appraisal - feasibility studies - africa south of sahara - congo democratic republic

De bedoeling van dit onderzoek is het toetsen van de toepasbaarheid van de methodologische principes van economische projectanalyse in de politieke, economische en financiële context zoals die bestaat in Zaïre (thans: Congo geheten). Om realistisch te werk te gaan, hebben wij dit gedaan vanuit het standpunt van de schaduwprijsmethode (Méthode des Prix de Référence, MPR) voor twee praktijkgevallen van projecten die geanalyseerd en gefinancierd werden door de Wereldbank.

Na een algemene introductie die voornamelijk de probleemstelling betreft, en na de motieven van het onderzoek en de gevolgde methode, wordt het onderzoekswerk in twee delen opgebouwd: een deel betreffende de theorie (hoofdstuk 1 t/m 4), en een deel over de toepassing (hoofdstuk 5 t/m 9). Hoofdstuk 10 geeft de conclusies van het onderzoek.

De theorie

Het eerstehoofdstuk is een algemene inleiding, het geeft om te beginnen een idee van wat een project is, zijn analysekader, welke de relaties tussen projecten zijn en met de ontwikkelingsplanning. Verder zijn in dit hoofdstuk drie werkhypotheses opgesteld die achtereenvolgens betrekking hebben:

op het ontbreken in Zaïre van voorwaarden die geschikt zijn voor de toepassing van de kosten/baten analysetechnieken,op de zeer beperkte en weinig verspreide kennis van deze technieken, en tenslotteop de voorwaarden waaraan voldaan zouden moeten worden om deze technieken te kunnen toepassen.

De evaluatie van projecten vanuit het gezichtspunt van de ondernemer (hoofdstuk 2)

Na het onderzoeksterrein omschreven te hebben qua tijd (1978-1990) en qua ruimte (twee agrarisch-industriële projecten in landelijke gebieden), hebben wij de beslissingscriteria van investeringen voor de ondernemer bestudeerd. Twee groepen van criteria zijn bestudeerd, te weten die aangeduid als statische en die als dynamische. Drie statische criteria zijn bestudeerd: de gemiddelde rentabiliteit (Taux Moyen de Rentabilité, TMR), het jaarlijkse percentage van het rendement (TAR) en de eenvoudige terugverdienperiode (Délai de Recupération Simple, DRS).

In de tweede groep bestudeerden wij de zogenaamde dynamische criteria: deze onderscheiden zich van de eerstgenoemde door bij de evaluatie rekening te houden met het disconteringsprincipe. Bij deze criteria speelt de tijd een belangrijke rol, overeenkomstig de zegswijze "één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht".

De voorwaarden voor aanvaarding of verwerping van een project zijn bestudeerd en uitvoerig besproken voor wat betreft vier dynamische criteria: de interne rentevoet (Taux de Rentabilité Interne, TRI), de netto contante waarde (Valeur Actualisée Nette, VAN), de kosten/baten verhouding (Rapport Bénéfices-Coûts, RBC) en de verhouding tussen netto baten en investeringen.

De evaluatie vanuit het gezichtspunt van de gemeenschap

De beschrijving van de basisprincipes, van de rekenwijzen, van zowel de toepassingen als de beperkingen van de twee grote stromingen of benaderingen van economische analyse, namelijk de schaduwprijsmethode (MPR) en de effectenmethode (Méthode des Effets, ME), heeft ons een grote hoeveelheid aan theoretische inzichten opgeleverd.

* De benadering via de schaduwprijsmethode (MPR) ( hoofdstuk 3 )

De studie van de context en van de principes van de MPR heeft ons de beginselen en nadere verfijning duidelijk gemaakt. In tegenstelling tot de financiële analyse, vergelijkt de financiering van een investering vanuit het gezichtspunt van de gemeenschap de kosten en de voordelen die de "echte" "opportunitykosten voor de totale economie weergeven. De MPR omvat, of beter gezegd houdt rekening met de kwantitatieve en niet kwantitatieve aspecten van de gebruikte hulpbronnen (kosten) en van de baten van een project of investeringsprogramma. Oftewel, stellen Kuyvenhoven en Mennes (1988, p.2), de kosten/baten analyse neemt in ogenschouw en vergelijkt systematisch alle kosten en alle baten van een project, ongeacht of die toevallen aan een individu, een onderneming, een sociale groep, een openbare sector of aan het gehele land.

Deze principes hebben bij ons enkele vragen opgeroepen: in welke mate kan men van te voren in termen van kosten en baten alle effecten van een project herkennen? Bijvoorbeeld, hoe moet men de effecten van de vervuiling van een fabriek op het milieu vaststellen? Of, hoe moet men de gevolgen van de vervuiling van Tchernobyl van 1986 en van Tokaïmura van 1999 vaststellen? En in de sociale sector, bijvoorbeeld de gezondheidszorg en het onderwijs, is het mogelijk om daar de effecten vast te stellen van de verbetering van diensten en zo ja vanuit welk perspectief?

Teneinde zich beter rekenschap te geven van de doelmatigheid van deze benadering, zijn enkele gevallen van praktische toepassingen door de Wereldbank over de hele wereld geïnventariseerd. Hierbij zij opgemerkt dat de Wereldbank en de internationale gemeenschap in 1990 de African Capacity Building Initiative (ACBI) hebben opgezet om de verstoorde evenwichten in de Afrikaanse landen te herstellen.

Maar de MPR blijft veeleisend voor wat betreft betrouwbare en consistente statistische gegevens, iets waarover veel ontwikkelingslanden, waaronder Zaïre, niet beschikken, tenminste op het ogenblik niet.

* De benadering via de effectenmethode (ME) ( hoofdstuk 4 )

Volgens deze benadering van economische analyse wordt de bijdrage van een project bepaald door de toegevoegde waarde gecreëerd door haar effecten van begin tot eind in de productieketen, en op alle niveaus en in alle sectoren van het land. Bij de bestudering van de "basistechnieken en -hypotheses" hebben wij gemerkt dat voor wat betreft de toepassing, ook de ME een aanzienlijke hoeveelheid cijfermatige gegevens eist, zowel van economische functionarissen op nationaal niveau, als van ondernemingen, en zelfs van huishoudens.

Een zwak punt van de ME is dat zij onderdeel is van een planningsproces waarbij de economische berekeningen de weg dienen te wijzen in de besluitvorming. Toch is de overheid in de ontwikkelingslanden (i.h.a.) weinig betrouwbaar: de plannen zelf, voorzover ze al bestaan, zijn veelal slecht geformuleerd en worden nooit gerealiseerd.

Een vergelijking van de twee benaderingen die hier bestudeerd werden laat zien dat ondanks hun verschillen, zij dezelfde doelen nastreven, maar op verschillende manieren: de schaduwprijzen voor de MPR en de marktprijzen voor de ME. De vergelijking heeft desalniettemin aangetoond dat de degelijke theoretische principes van de MPR kunnen leiden tot verstandige investeringskeuzes voor het land.

De toepassing

De agrarische sector van Zaïre (hoofdstuk 5)

Om al deze theorieën in een reële context te plaatsen, hebben wij de verschillende aspecten van de agrarische Zaïrese sector, wiens potentieel onbetwistbaar is, onderzocht. Na presentatie van de voornaamste gegevens over de agrarische sector (waarin zo'n 70% van de bevolking een bestaan vindt), hebben wij de twee typen van landbouw die bedreven worden in Zaïre beschreven, te weten de traditionele landbouw en de moderne landbouw.

Verscheidene zaken karakteriseren de traditionele landbouw: de omvang van de factor arbeid en van de oppervlakte gecultiveerde grond op het totaal van het hele land; de geringe opbrengsten per hectare; de grootte van het familiebedrijf die de 1,5 ha. niet overschrijdt; de lange duur van braaklegging; en de overheersing van voedingsgewassen voor eigen verbruik. Een kort onderzoek naar de ontwikkeling van deze landbouw maakt duidelijk dat ze in continu verval is sinds het onafhankelijk worden van het land in 1960.

De moderne landbouw, bedreven op ongeveer 2 miljoen ha, onderscheidt zich van de traditionele landbouw door moderne exploitatie- en managementtechnieken, hetgeen het belang verklaart van het kapitaal dat hierin door de eigenaren is geïnvesteerd. Zij is voornamelijk gebaseerd op exportgewassen: koffie, katoen, palmolie, cacao, etc.

Over de door de overheid gevolgde landbouwpolitiek en -strategie kan men zich terecht een groot aantal vragen stellen, evenals over de aangewende instrumenten (zie Shapiro en Tollens, 1992, pag.129-141).

In de bijzonder gecompliceerde agrarische context van Zaïre beschikt men niet over de geschikte menselijke en materiële middelen om zodanig betrouwbare statistische gegevens te verzamelen en te verwerken dat er betrouwbare projectevaluaties mee te maken zijn.

De projecten betreffende suikerriet en oliepalm (hoofdstuk 6)

Dit hoofdstuk gaat over de presentatie alsook over de lokalisatie van de twee projecten aangemerkt als casestudies, dat van het suikerriet en dat van de oliepalm. De twee projecten zijn gefinancierd door de Internationale Ontwikkelingsassociatie van de Wereldbankgroep (IDA), de eerste in cofinanciering met het Franse Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking, de tweede met cofinanciering van de Afrikaanse Bank van Ontwikkeling (ADB) en de Arabische Bank voor Economische Ontwikkeling in Afrika (BADEA).

De sub-sector suiker: de twee industriële suikerrietplantages bevinden zich in Kwilungongo (op 175 km van Kinshasa) en in Kiliba (Zuid-Kivu). Vóór de financiering van het project van de Compagnie Sucrière (CS) was de productie in de twee bedrijven kleiner dan de jaarlijkse behoefte van het land: de productie bijvoorbeeld in de periode 1976-79 was ongeveer 50.000 ton, terwijl de jaarlijkse behoeften van het land lagen op ongeveer 100.000 ton (Ministerie van Landbouw, 1988, pag. 21).

De sub-sector oliepalm: alhoewel de oliepalmteelt wijd verspreid is over het hele land, dragen slechts vier regio's in belangrijke mate bij aan de industriële teelt en productie. De Maatschappij Plantages Lever van Zaïre (PLZ), die bestudeerd wordt in dit boek, is de belangrijkste van alle industriële maatschappijen, met een palmolieproductie van ongeveer 50% van het totaal van de industriële oliepalm productie van het land. Ook in deze sub-sector is de productie sterk afgenomen: bijvoorbeeld van ongeveer 170.000 ton in 1970 naar ongeveer 145.000 ton in 1975 in de periode van studie.

De financiering van de twee projecten beoogde ondermeer productiegroei, het scheppen van arbeidsplaatsen, rehabilitatie van de productie-eenheden, scholing, aanschaf van nieuwe machines en sociale infrastructuur, teneinde de levensomstandigheden van de werknemers en van de omwonende bevolkingsgroepen te verbeteren.

In beide gevallen hebben wij geconstateerd dat de prijzen niet waren vastgesteld volgens de wet van vraag en aanbod; ze waren zonder meer vastgesteld door de regering, hetgeen iedere concurrentie uitsloot. Een vergelijking heeft aangetoond dat de productiekosten van een ton suiker in Zaïre tot de hoogste van het Afrikaanse continent behoren (Wereldbankrapport, 1985, pag. 12).

Als men al deze feiten in ogenschouw neemt, zou men zich kunnen afvragen waarmee de resultaten van een economische analyse die uitgevoerd zou zijn volgens de methodologische principes zoals beschreven in hoofdstuk 3 en 4 zouden overeenkomen als:

het referentiekader van een project onduidelijk is enals de inmengingen van de regering de werking van de marktwetten verstoren?

De boekhoudkundige en financiële analyse van het suikerrietproject (hoofdstuk 7)

In hoofdstuk 7 hebben we getracht enkele boekhoudkundige en financiële aspecten te bestuderen van het suikerrietproject waarvoor bepaalde becijferde informatie beschikbaar was.

Ons doel was tweevoudig: aan de ene kant bepaalde boekhoudkundige en financiële aspecten onderzoeken die onbestudeerd waren gebleven bij de evaluatie van het project en, aan de andere kant, de voorspelde resultaten vergelijken met de daadwerkelijk bereikte resultaten. Daartoe hebben wij gebruik gemaakt van de bedrijfsgegevens over de voorcalculatie en de voorlopige balansen, maar ook van de werkelijke balansen van de vijf opeenvolgende jaren. Om een idee te krijgen over de financiële situatie van de CS na de financiering, hebben we drie ratiogroepen bestudeerd, te weten:

de ratio van liquiditeit,de ratio van financiële autonomie ende ratio van de financiering van de duurzame activa.

De boekhoudkundige en financiële analyse was nodig, want zij heeft aangetoond dat in veel gevallen het ten tijde van de projectevaluatie uitgevoerde onderzoek onvolledig was; zo werden bepaalde boekhoudkundige principes niet in acht genomen, bijvoorbeeld de berekening van de afschrijvingen, het niet uitkeren van het dividend, het in aanmerking nemen van de waarde van de duurzame activa. Op het financiële vlak hebben we geconstateerd dat geen rekening is gehouden met werkkapitaal en met andere relevante ratio's, die het mogelijk maken het financieel evenwicht van het bedrijf te beoordelen.

De resultaten hebben aangetoond dat de onderneming het hoofd boven water heeft kunnen houden dankzij buitenlands kapitaal en dat haar ratio van onafhankelijkheid gedurende de in aanmerking genomen periode (1988-1992) kleiner is gebleven dan 1,0. De kosten van de koersverschillen volgend op de omzetting van de leningen in deviezen tegen de wisselkoers van de dag hebben gezorgd voor een ernstig gebrek aan geldmiddelen en heeft de maatschappij genoopt tot het niet nakomen van haar betalingsverplichtingen.

Voor wat betreft de vergelijking tussen de voorspelde versus de daadwerkelijk behaalde financiële resultaten hebben wij tamelijk grote verschillen geconstateerd, met name wat betreft de bijdrage van het project aan de staatsbegroting en wat betreft het handhaven van het financieel evenwicht dat bij de evaluatie vooraf was aangenomen.

Ondanks de financiële moeilijkheden die we zonet beschreven hebben, heeft studie van de financiële resultaten van het project aangetoond dat de Wereldbank de enige begunstiger van het project was. Deze bank heeft de facto haar totale lening, de achterstallige rente, en de rente op rente ingevorderd, zoals aangegeven is in het volgende hoofdstuk.

De sociaal-economische analyse van de twee projecten (hoofdstuk 8)

Gebaseerd op verscheidene statistische gegevens heeft hoofdstuk 8 nogal belangrijke informatie verschaft, die ons inziens de gesignaleerde problemen bevestigen.

De resultaten van de vooraf uitgevoerde berekeningen laten een positieve rentevoet zien: 17,5% voor het project van de CS (bureau van uitvoering), en 16% voor het project van de PLZ (bureau van uitvoering).

Na de realisatie van de twee projecten laat de achteraf uitgevoerde ex post evaluatie hiervan de duidelijk negatieve economische resultaten zien ten opzichte van de voorspellingen: - 8% economische rentabiliteit voor de CS, tegen ongeveer één economische rentabiliteit van 5% voor de PLZ (Afrondingsrapporten, 1991, pag.8 en 13).

Herhaaldelijk zijn er veranderingen ingevoerd en zijn verplichtingen niet nagekomen, zodat de uitgevoerde projecten niet meer overeen kwamen met de aanvankelijk beoordeelde projecten. Zo zijn bijvoorbeeld in het geval van het project van de CS, de clausules over de voldoende toewijzing van deviezen en de prijscorrecties van de suiker niet in acht genomen en is er geen enkel proefproject voor de verbetering van de levensomstandigheden van de plaatselijke bevolking uitgevoerd.

In het geval van het project van de PLZ waren er eveneens verscheidene veranderingen (vermeld in punt 8.3.1., zoals wijzigingen in de Investeringscode; de overeenkomsten tussen de SOFIDE en de palmoliemaatschappijen) aangebracht, hetzij als opheffingen, hetzij als toevoegingen aan het oorspronkelijk ontwerp. De regering en de Nationale Bank hebben op hun beurt tegengewerkt, de ene in het kader van de Investeringscode, en de andere aangaande de toewijzing van deviezen (hoofdstuk 5).

Een ander maar evenzo opvallend punt is dat om diverse redenen in geen van de twee gevallen men zich ooit aan het uitvoeringsschema gehouden heeft: het project van de CS heeft een termijnoverschrijding van twee jaar en vijf maanden gekend, terwijl dat van de PLZ een vertraging vermeldde van twee en een half jaar op een totaal van 20 jaar.

Gedurende deze vertraging ging de economische en financiële situatie aldoor maar achteruit, zodat het merendeel van de tijdens de evaluatie verkregen gegevens veranderd waren, zoals wij dit ook signaleerden aan het begin van deze studie.

Beter gezegd, de problemen hebben zich voorgedaan in alle projectfasen, van voorbereiding tot afronding, zegt de Wereldbank (Afrondingsrapport, 1991, pag. 1-8).

Wat betreft de toepassing van de methodologische voorschriften bij de onderzochte gevallen hebben we opgemerkt dat de analisten dan wel de experts van de Wereldbank bijvoorbeeld de schaduwprijzen van de deviezen of de productiekosten van de producten uit de losse pols bepaald hebben. De schaduwprijs van arbeid is evenmin berekend; we veronderstellen dat deze is vastgesteld op basis van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. De enige uitgevoerde economische berekeningen waren die van de interne rentevoet (TRI).

Ook hier zijn de voordelen overschat, doordat men over het hoofd heeft gezien dat:

de prijzen van de betrokken producten gecontroleerd en vastgesteld door de regering waren op kunstmatig lage niveaus,de gehanteerde productiekosten slechts ruwe schattingen waren vanwege het gemis van een analytische boekhouding enhet land grote en veelvuldig optredende inflatoire bewegingen kende, hetgeen gepaard ging met devaluatie. Onze eigen rentabiliteitsberekeningen (zie annex), deels gebaseerd op de wereldprijzen van suiker zoals die verschaft zijn door de Wereldbank, hebben enigszins andere uitkomsten gegeven dan die afkomstig van het evaluatieonderzoek.

Om de kosten te bepalen van de deviezen die uitgespaard zouden worden in het kader van het project (een van de doelen nagestreefd door de CS), hebben we de berekeningen toegepast van de interne wisselkoers oftewel de test van Bruno volgens de methodologie van Gittinger (1982, pag.419). De geactualiseerde resultaten (tabel 8.5 en 8.6) hebben aangetoond dat de interne wisselkoers bijna nul zou zijn; het project heeft dus geen deviezenbesparing opgeleverd.

De toepassing van de kosten-batenanalyse en de uitvoering van projecten door de ondernemingen in het sociaal-economische milieu van Zaïre (hoofdstuk 9).

De verschillende empirische feiten die in de voorgaande hoofdstukken verzameld zijn, tonen aan dat de uitvoering van een project beïnvloed wordt door diverse factoren die onvermijdelijk met elkaar verbonden zijn. Noch de beslissing om een project uit te voeren, noch haar resultaten zijn niet alleen de daad van een simpele rentabiliteitssom, maar veeleer de bijdrage van een combinatie van menselijke, sociale, economische, financiële, technische en culturele factoren en van de nationale en mondiale conjunctuur, van het nationale beleid, etc.

Met het oog op de samenhang tussen al deze zaken, hebben wij een vragenlijst opgesteld, die zowel open als beperkt is. Open, in de zin dat het formulier verscheidene zaken aansnijdt die betrekking hebben op meerdere aspecten van een project; beperkt, omdat hij bedoeld is voor een kleine steekproef: de twee bezochte ondernemingen en de Ministeries van Planning en die van Financiën.

Het vragenformulier was dus gewijd aan de methodologische procedures, van het beheren of van het uitvoeren van de projecten, van het sociaal-economische milieu, van het regeringsbeleid, van de ex-post controle, en aan de betrokkenheid van de regering bij de ontwikkeling van de projecten.

De antwoorden op de vragenlijst hebben ons veel inzicht gegeven; op praktisch alle niveaus: van de Wereldbank, van de regering en van de ondernemingen.

De bijdrage en de conclusies van het onderzoek (hoofdstuk 10)

Het empirisch onderzoekswerk uitgevoerd in het kader van deze studie, werd in twee delen gesplitst. Het eerste deel heeft zich gebogen over de theoretische principes van de economische analysetechnieken van investeringsprojecten. In dit deel hebben we de principes van de twee grote economische benaderingen onderzocht: de schaduwprijsmethode (MPR) en de effectenmethode (ME). Het tweede deel van de studie werd gewijd aan de praktische aspecten van de toepasbaarheid van een van deze benaderingen, namelijk de MPR, door de Wereldbank in twee concrete gevallen. Het gaat om twee door dit orgaan gefinancierde projecten waarvoor bepaalde gegevens beschikbaar waren.

Door de theoretische principes te confronteren met de werkelijkheid van een land als Zaïre heeft ons onderzoek vastgesteld dat er talrijke voorwaarden bestaan voor de toepassing van de methodologische principes, en dit op alle niveaus,

Wat wij hier te zeggen hebben richt zich hoofdzakelijk op twee punten. Het eerste punt is een poging achteraf te verklaren wat zich in de twee bestudeerde gevallen echt heeft voorgedaan. Het tweede punt, nauw verwant aan het eerste, is een geheel aan voorstellen tot herstructureren en herformuleren, en wel op de drie niveaus die hieronder worden genoemd.

Op het niveau van de Wereldbank: De meningsverschillen encontroversen over bepaalde aspecten van de analysemethode van de schaduwprijsmethode (MPR) ten spijt, betwist geen enkele verstandige econoom de geldigheid van de basisprincipes van deze benadering. Wij verwijzen naar de discussie over het probleem van de discontovoet dat aangepast is aan de tijd (Livingstone en Tribe, 1996, pag. 66), als mede naar de moeilijkheid om de omvang te schatten van de effecten die een project zal hebben op het welzijn van personen in de tijd (Mishan, 1993, pag.140); tenslotte is ook het kwantificeren van alle consequenties van een project een moeilijke zaak. De samenhang van de theoretische principes van de MPR toont aan dat als de nodige onderzoeken correct uitgevoerd worden en als aan de gevraagde toepassingsvoorwaarden wordt voldaan, het mogelijk is om de nagestreefde resultaten te bereiken.

Dit brengt ons ertoe te beweren dat het merendeel van de problemen bij het ontwerpen van de projecten, (zie tabel 10.1), zijn toe te schrijven aan de experts van de Wereldbank die, zoals men in deze studie heeft gezien, de studies en schattingen van kosten en baten niet voldoende uitgediept hebben.

MacMillan (1991, pag. 75-76), verklaart echter dat de Wereldbank algemeen .. zelf heeft ingezien dat in het merendeel van de gevallen, de "ontwerpproblemen" de belangrijkste oorzaak zijn van het onvoldoende presteren en het mislukken van projecten. We hebben vijf typen problemen geïnventariseerd; voorstellen tot aanpak van deze problemen zijn vermeld in tabel 10.1.

Om elke betrokken partij in staat te stellen de obstakels te herkennen die een goed verloop van een project in de weg staan, alsook het herkennen van de behaalde vooruitgang door middel van bepaalde indicatoren en de verantwoordelijkheden vast te stellen op elk niveau, stelt deze studie voor dat de Wereldbank de zogenaamde "integrale aanpak van projectbeheer", wel bekend onder de benaming van "logical framework" introduceert. Dit instrument, ontwikkeld door de Europese Unie (1993), wordt toegepast door de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (BAD). Akroyd (1995, pag. 210), bevestigt de doelmatigheid daarvan in concrete toepassingen in Zimbabwe, Malawi en Egypte.

Op het niveau van de ondernemingen, is de voornaamste bijdrage van deze studie zonder enige twijfel de inhoud van de enquête. Het formulier heeft bestaan uit verscheidene thema's die betrekking hebben op de verschillende aspecten van het project; op het sociale economische en financiële milieu waarin de uitvoering van het project gesitueerd is; op de relaties tussen de bedrijven en de regering; op de strategische acties van de ondernemingen ten tijde van crises; op de relaties tussen de ondernemingen en de Wereldbank, kortom op alles wat direct of indirect zou kunnen bijdragen tot het succes of tot het fiasco van een project. Het formulier heeft tenslotte de bedrijven in staat gesteld om concrete voorstellen te doen i) aan de regering en ii) aan de Wereldbank met wie zij samenwerkten om het project tot een goed einde te brengen.

Hoewel zij tot nu toe beperkt is gebleven tot twee ondernemingen, zou de vragenlijst als referentie kunnen dienen voor andere bedrijven bij de uitwerking, de uitvoering en de follow-up van een project.

Op het niveau van de regering, - door de ondernemingen aangewezen als bron van hun ellende - vragen wij een positieve reactie op de navolgende observatie: projecten functioneren goed als het beleid en de instellingen goed zijn (Wereldbank, 1999, pag.15). De voorstellen die wij aanprijzen, hebben in de bestudeerde gevallen betrekking op de als bottleneck blootgelegde problemen.

Het gaat met name over een gebrek aan betrokkenheid van regeringszijde, over de tekortkomingen van het macro-economische beleid, over onvoldoende fondsen, en over de ondoeltreffendheid van het overheidsapparaat.

Laten wij tot slot van deze studie zeggen, dat de toepassing van de door ons op ieder niveau gedane eenvoudige en bescheiden voorstellen, niet automatisch een betere gang van zaken oplevert. Integendeel, onze voorstellen botsen met de slechte en vastgeroeste praktijken, praktijken die door geen enkel uitwerking- en uitvoeringsschema van projecten, hoe geavanceerd ook, automatisch kunnen worden gecorrigeerd. Ons scenario van de voorstellen - en wij zijn ons daar bewust van - botst met de belangen van de machthebbers van de natie - gedurende de studie periode. Alleen door mentaliteit - en gedragsveranderingen in alle geledingen van de maatschappij kan de gewenste situatie bereikt worden.

Nadere informatie

Bent u geïnteresseerd in het gehele proefschrift dan kunt u contact opnemen met Raphael Musampa , Voerakker 12, 6713 SN EDE, +31 318 416257 of met de leerstoelgroep Agrarische Economie en Plattelandsbeleid, Wageningen Universiteit, Hollandseweg 1, Wageningen, +31 317 484049.

Re-humanizing the development process : on participation, local organizations and social learning as building blocks of an alternative development view in Algeria
Malki, M. - \ 1999
Agricultural University. Promotor(en): D.B.W.M. van Dusseldorp. - S.l. : Malki - ISBN 9789058080356 - 332
plattelandsontwikkeling - ontwikkelingsplanning - participatie - duurzaamheid (sustainability) - algerije - staat - verhoudingen tussen bevolking en staat - rural development - development planning - participation - sustainability - algeria - state - relations between people and state

This study concerns agricultural development planning and policy-making in the context of post-independent Algeria, which went unquestioned for more than three decades. Algeria won its independence in 1962 after 132 years of French colonization. A post-independence State was formed, taking over the colonial power, and set a centralized planning for economic and social development.

In the agricultural sector, the effects of this planning model were far-reaching and turned a potential agricultural country par excellence into one of the most net importers of food in the developing world.

The onset of this study sterns from the questioning of whether planning, as a fundamental item of the development process, and in addition of being inspired by de-humanizing philosophy and methods, can still be seen as a mere technical discipline. The response of this study is that development planning and policymaking is not only a technical discipline but certainly a political process. By deduction, the development process was and could never be apolitical.

The study tries to describe how the influence of different political actors, in particular, and the political system, in general, shape the outcomes of the development process. To achieve this, the study compares two sets of development actions (policies, programmes and projects) planned and implemented under two different political perspectives: the first set represents the authoritarian regime era (1962-1988), based on the one-party system and an arrogant interventionist bureaucracy; the second introduces some development actions conducted during the transitory process of democratization (1988-1998). The study describes in parallel the changes introduced by the process of democratization and how these influenced the conventional development vision adopted by the state in postindependent Algeria.

In more a detailed explanation, the study starts first by describing the shortcomings of the conventional development thinking and the different influences that the Algerian development planning system underwent since the independence time. Then, it develops the research hypotheses which will orient the comparison of the two set of development actions presented in this book. Finally, it reflects on the advantages offered by an alternative development view, based on participation, local organizations and social learning, and their effects on the issue of sustainability. In this study, the conceptualization of sustainability refers to the "critical triangle of sustainability" (Oram et al , 1998:1).

The basic assumption of this study is that the main condition for a development action to secure some substantial and sustainable outcome resides in the fulfillment of the four following prerequisites formulated by van Dusseldorp (1992:12):

1. The possibility of formulating a consistent, realistic and durable set of objectives , which is acceptable to all, or at least to a large majority of the people who will be involved in/or and affected by the planned development;
2. The availability of knowledge of all the relevant processes and their interrelationships which have to be influenced to change the present situation in such a way that the objectives will be realized;
3. The availability of the means and power to influence these processes;
4. The political will to use the available means and power , to influence the relevant processes in order to realize the desired objectives.

In most development actions designed for and implemented in Third World countries, these prerequisites were never completely fulfilled, especially in people-centered development actions. More clearly put, in some development actions, sorne prerequisites might have been fulfilled to some extent, but others have never been fulfilled, even to a very small extent. In fact, in the general case, objectives were ill-defined and top-down decided; knowledge was mobilized in a very reductionist way - most of time supposedly rational/scientific - with a complete denial of people's knowledge; means and power were never sufficiently made available, and when available, were not fairly distributed among the needy ones; and finally, the political will was never concretized unless the development action in concern aimed to incorporate, encapsulate and increase control over rural populations, or at sustaining an actual status quo in benefit of the powerful actors.

In this context, the study suggests that integration of some features, such as participation , either directly (individually) or indirectly (through local organizations ), on the one hand; and social learning , (either as a flexibility in the project design and implementation and/or as a monitoring & evaluation mechanism), on the one hand, increases the probability of fulfillment of the aforementioned prerequisites.

At the level of operationalization of the basic concepts on which the study bases the present work, it faced a dilemma with the concept 'sustainable development'. To which actor or group of actors should development be sustainable in the context of this study? As the implicit and explicit assumptions of this study may suggest, the sustainability of the outcomes of a given development action is posited here to be in line with the interests of the 'hitherto excluded', the disadvantaged segments of the population. Hence, in the context of this study, the pre-requisites and conditions of sustainability rely to a large extent on the centrality of the beneficiaries' knowledge, and the importance of participation of these beneficiaries in their (self-)development. In this order, up till now and for not less than three decades, development actions in Algeria were designed without consultation of their supposed beneficiaries, and yielded a huge gap between the priviligentsia and the disadvantaged. It was thus important that the study focuses more on the impact of beneficiaries' participation and knowledge in steering a given development action towards their needs of development.

However, although the study considers that beneficiaries' participation and knowledge is a necessary condition for sustainable development, it is not a sufficient condition per se . This is true given that the so-called beneficiaries are still strongly interacting with other actors that hold a great power of decision, and are extremely self-referent and self-impressed by the rationality and 'scientificality' of their knowledge, such as planners, researchers, development staff, etc. It is, thus, important that the availability of the beneficiaries' knowledge must be acknowledged by these latter actors. Moreover, all this must be supported by a real social learning process whose importance for sustainable development is acknowledged and supported by all social actors who have some interest at stake in a given development action.

Consequently, the study aims at answering the following general research and
sub-research question:

GQ. How can (direct and indirect) participation of the beneficiaries and the social learning ability of diverse actors acting in the development theater secure sustainable achievements of a people-centered planned development action ?

Ql. To which extent and when is participation of the beneficiaries required in order to steer development actions towards their (self-) development?
Q2. Which role(s) can local organizations play in the beneficiaries' steering of development actions
Q3. Which mechanisms are required to make monitoring and evaluation play the role of a learning process in steering development actions?
Q4. Can the design of a practical methodology be proposed according to the advocated issues in this study, such as participation, local organizations and social learning?
Q5. What might be the shortcomings of this methodology and what political, institutional, and sociocultural pre-requisites are needed for such a methodology to work?

The results of the study shows that:

  • Participation since the first step of the development action cycle (problems identification and objectives determination) improved the design and the implementation of development actions. Participation helped the beneficiaries not only to develop a sense of ownership of the development process, but to mobilize their own resources when needed, in addition to public ones.
  • Creation of farmers' organizations independently from State-led organizations helped the 'excluded' to improve their access to public resources they were hitherto excluded from. lt sustained participation of the beneficiaries towards a more democratized development and tumed it into a means of sustainable development.
  • Embedding the implementation phase of development actions into a learning process, that is a regular, permanent and efficient monitoring and evaluation process, gives a certain flexibility to development. Corrective measures were devised upon knowledge generated by the leaming process and applied in true time, saving time and reducing the waste of resources.
  • The 'building blocks' of an alternative development view for Algeria were defined and a methodology needs to be designed its application.
  • A process of democratization of social and political life, on the hand, and a reform of the mentality and procedures of the development planning and policy-making system, on the other, are necessary conditions for the application of the alternative development view.


"Work in progress" : the hidden dimensions of monitoring and planning in Pakistan
Kolkma, W.A.M. - \ 1998
Agricultural University. Promotor(en): D.B.W.M. van Dusseldorp; J.G.M. Hilhorst. - S.l. : Kolkma - ISBN 9789054859512 - 348
ontwikkelingsplanning - monitoring - evaluatie - plattelandsontwikkeling - overheidsbeleid - pakistan - development planning - monitoring - evaluation - rural development - government policy - pakistan

The study argues that monitoring systems for large numbers of projects constituting public sector development programmes such as found in Pakistan, are built on the positivist premise that progress can be summarised objectively and in a few concise statements or indicators. Theory and handbooks on the subject largely support the view that monitoring is relatively unproblematic (yielding `data') as compared to for instance programme evaluation (yielding value judgements). The premise is not borne out after a close examination of the working of monitoring systems in the State of Azad Jammu and Kashmir in Pakistan (and to a lesser extent other areas). Heroically assuming that government departments are dispassionate servants of government, most of the monitoring conducted materialises as progress reporting on paper from the side of implementing agencies about their own projects to the agency that funds them (in this case the Planning and Development Department). Other possible monitoring options are not pursued seriously, such as systematic project visits by the funding agencies.

Contrary to common presumptions, even the most `simple' data concerning for instance financial progress, is ridden with perspectivistic and strategic (organisation-related) biases. When the purpose of the reports changes, or their audience changes, the supposedly factual information also changes (including the problems mentioned).

One of the solutions offered is the articulation and mandating of more diversified monitoring systems all concerned with the same development programme, but each organised by a particular category of stakeholders. The increased opportunities for crosschecking by all parties concerned will then hopefully raise the level of information overall. Other, fundamental, limitations to monitoring as an instrument for programme management are given attention as well, and solutions proposed.

The discussion as a whole links the monitoring systems to the overall planning and policy making system in Pakistan, which, as is argued, is dominated by the bureaucracy and legitimated on the basis of scientific/technical rationality. The study argues that Pakistani reality is too diverse and idiosyncratic for the successful application of rational comprehensive planning methods. Unfortunately, Pakistan's instabilities and imbalances, for instance an overpowering central bureaucracy combined with a rudimentary local government and administration, make the application of other planning methods also difficult. Some of the imbalances will have to be addressed before planning and monitoring can be expected to improve. Waste and malfunctions of existing planning as well as monitoring systems are documented in detail.


Trade edition of this book is published by:
Thela Publishers Amsterdam
ISBN 90-5485-951-2

Please send your order by mail or telefax to:
Thela Publishers, Prinseneiland 305, 1013 LP Amsterdam, the Netherlands
Faxnumber: +31.20.6203395; E-mail: office@thelathesis.nl
Payment by credit card (without extra costs) or proforma invoice (with bankcharges); postage and packing will be charged additionally. You can also order at your local bookstore.

Customers in the U.S.A. and Canada can order from:
Eiron, Inc, P.O. Box 400712 Washington D.C. 20016
Tel (202) 966 3240; Fax (202) 244 0913; E-mail eironinc@aol.com

UK and Ireland orders to:
Central Books, 99 Wallis Road, London E9 5LN
Tel (0181) 986 4854, Fax (0181) 533 5821; E-mail: orders@centbks.demon.co.uk

IJburg en het water
Koedood, J. ; Jacobs, E. ; Timmermans, W. - \ 1997
Groen : vakblad voor groen in stad en landschap 53 (1997)2. - ISSN 0166-3534 - p. 23 - 25.
ontwikkelingsplanning - afvoer - expansie - oppervlakkige afvoer - stedelijke gebieden - stedelijke planning - water - amsterdam - noord-holland - development planning - discharge - expansion - runoff - urban areas - urban planning
Issues and Dilemmas in Building Development Efforts on Local Organizations.
Hilhorst, D. - \ 1997
Community Development Journal 32 (1997)1. - ISSN 0010-3802 - p. 17 - 29.
samenwerking - ontwikkelingshulp - ontwikkelingsplanning - boeren - nederland - planning - sociale klassen - sociale ontwikkeling - vrouwen - cooperation - development aid - development planning - farmers - netherlands - planning - social classes - social development - women
Local organization building is part of many development interventions, especially in those programs directed at disempowered groups, such as women. Since the mid-1980s, it has been argued that the formation of women's organizations should follow local, indigenous organizing practices. It should moreover be built on existing, informal organizational institutions, such as social networks and neighbourhood groups. The study presented here looks into a case where official organizations aim to organize agrarian women who had already formed their own rather informal groups. The conflictual dynamics that unfold suggest several issues of knowledge, power and control in relating to local organizations.
Groene en blauwe structuren : een ecologische aanloop voor de 'Waalsprong'
Claringbould, M. ; Tjallingii, S.P. - \ 1993
Wageningen : IBN (IBN - rapport 043) - 46
ontwikkelingsplanning - ecologie - milieu - expansie - cartografie - natuurlijke hulpbronnen - bescherming - herstel - hulpbronnengebruik - karteren - duurzaamheid (sustainability) - stedelijke gebieden - stadsomgeving - stedelijke planning - nederland - betuwe - gelderland - development planning - ecology - environment - expansion - mapping - natural resources - protection - rehabilitation - resource utilization - surveying - sustainability - urban areas - urban environment - urban planning - netherlands
Biologisch - ecologische studie "De Warande", Oosterhout : de effecten van de bouw van 14 grote woonhuizen op de actuele en potentiele natuurwaarden van het zuidelijk deel van het recreatieoord "De Warande"
Wijnhoven, A.L.J. ; Molenaar, J.G. de; Jonkers, D.A. - \ 1993
Wageningen : IBN (IBN - rapport 008) - 23
schade - ontwikkelingsplanning - ecologisch evenwicht - ecosystemen - mens - ruimtelijke ordening - onderzoek - stedelijke planning - nederland - recreatiegebieden - verstoring - natuur - noord-brabant - damage - development planning - ecological balance - ecosystems - man - physical planning - research - urban planning - netherlands - amenity and recreation areas - disturbance - nature
Biologisch - ecologische effectenstudie "Vrachelen", Oosterhout
Wijnhoven, A.L.J. ; Gonggrijp, G.P. ; Jonkers, D.A. ; Molenaar, J.G. de - \ 1993
Wageningen : IBN-DLO (IBN - rapport 031) - 81
schade - ontwikkeling - ontwikkelingsplanning - ecologisch evenwicht - expansie - mens - planning - stedelijke gebieden - stedelijke planning - nederland - verstoring - natuur - noord-brabant - damage - development - development planning - ecological balance - expansion - man - urban areas - urban planning - netherlands - disturbance - nature
Development and selective application of appropriate rice mechanization systems
Wanders, A.A. - \ 1985
Wageningen : IMAG - 35
aangepaste technologie - automatisering - ontwikkeling - ontwikkelingsplanning - economisch beleid - natte rijst - mechanisatie - internationale economie - appropriate technology - automation - development - development planning - economic policy - flooded rice - mechanization - international economy
Handelen, handelingscontext en planning; een theoretisch-sociologische verkenning
Kleefmann, F. - \ 1985
Wageningen : LH - ISBN 9789067540629 - 371
ontwikkelingsplanning - planning - sociaal gedrag - sociale ontwikkeling - development planning - social behaviour - social development
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.