Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 1 - 20 / 34

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Factoren die het foerageergedrag van honingbijen bepalen (deel I); Dracht in Nederland (cultuurgewassen en wilde planten) (deel II)
    Steen, J.J.M. van der; Cornelissen, B. - \ 2015
    Wageningen : Plant Research International, Wageningen UR (Rapport 606) - 94
    apis mellifera - honingbijen - diergedrag - bestuivers (dieren) - dansen (bijen) - door bijen verzameld stuifmeel - seizoenen - drachtplanten - veldgewassen - vruchtbomen - openbaar groen - wegbermplanten - wilde planten - waarden - apis mellifera - honey bees - animal behaviour - pollinators - dances - bee-collected pollen - seasons - pollen plants - field crops - fruit trees - public green areas - roadside plants - wild plants - values
    Om een inschatting te kunnen maken van het risico dat honingbijen blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen, andere stoffen zoals atmosferische depositie van fijnstof en organismen zoals plantpathogene microorganismen, is in opdracht van het Ministerie van EZ/Landbouw een samenvatting gemaakt van de informatie, beschikbaar over de aantrekkelijkheid van Nederlandse gewassen voor honingbijen (Apis mellifera). De opdracht is vorm gegeven in twee delen. Deel I is een beschrijving van het bijenvolk met de focus op het foerageergedrag, gevolgd door een beschrijving van factoren die het foerageergedrag bepalen, hoe de bijen hun omgeving exploreren en exploiteren en een lijst met kengetallen over het foerageren van honingbijen. Deel II geeft een overzicht van cultuurgewassen en wilde planten met bijbehorende waarden van nectar en stuifmeel voor honingbijen met bloeitijden en verwijzingen naar goede drachtplantenboeken. Hieronder zijn puntsgewijs relevante zaken gegeven die in het rapport verder uitgewerkt zijn. Honingbijen zijn voor hun voedsel (nectar en stuifmeel) volledig afhankelijk van planten. Het foerageergedrag en de voorkeur voor gewassen hangt af van de behoefte in het volk en de aantrekkelijkheid van het gewas als nectar- en stuifmeelbron. Het foerageergedrag wordt voortdurend aangepast aan de beschikbare dracht en de behoeften van het bijenvolk. Honingbijen leven in volken die variëren in grootte van ~7000 individuen in het voorjaar (maart) tot 20 000 à 30 000 in de zomer en weer afnemend in oktober. In het actieve foerageer- en broedseizoen is een derde tot een vierde deel foerageerster (haalbij). In de loop van een seizoen halen de bijen ten behoeve van het volk 25 kg water, 20 - 30 kg stuifmeel, 125 kg nectar en kleine hoeveelheden hars (propolis). Voor het halen van deze voedselcomponenten vliegen bijen tot 2 km voor water, tot 6 km voor stuifmeel en tot 12 à 13 km voor nectar. Meestal zullen de vluchten echter beperkt zijn tot 600-800 meter. De foerageerafstanden zijn in de zomer (juli – augustus) langer dan in het voorjaar (maart – mei). Met andere woorden, in het voorjaar wordt het voedsel in een kleiner gebied verzameld dan in de zomer. Het risico dat bijen aan een bespuiting zullen worden blootgesteld zou daarom na half juni hoger kunnen zijn dan in het voorjaar. Maar aan de andere kant zijn dan de meeste bespuitingen met insecticiden achter de rug. Het risico van blootstelling aan een insecticide is hoger in een gewas met een goed nectar- (hoeveelheid en suikerconcentratie) en stuifmeelaanbod. Foerageersters vliegen per dag gemiddeld 10 keer uit om voedsel te verzamelen, elke trip kan van een paar minuten tot een uur duren. Door communicatie via de bijendans en trophallaxis (voedseluitwisseling) wordt de keuze voor het benutten van een bepaalde dracht sterk gestuurd. Dat betekent dat bijen zich niet homogeen verdelen over het drachtgebied maar focussen op de meest profijtelijke drachten. Als gevolg daarvan is ‘geen bezoek’ en ‘veel bezoek’ in de verdeling meer vertegenwoordigd dan ‘een beetje bezoek’. Bijenvolken van een bijenstand verdelen zich niet allemaal gelijk over het drachtgebied; verschillende volken bezoeken deels verschillende en deels overlappende drachten. Hoewel de triggers en veelal de drempels bekend zijn, evenals de manier van foerageren, is het nog niet mogelijk precies te voorspellen hoe een volk zich verdeelt over meerdere velden. Omgekeerd is ook niet te voorspellen welk aandeel van verschillende volken op verschillende locaties in een bepaald veld mag worden verwacht. De nectar die binnengebracht wordt, wordt binnen enkele uren verdeeld over het volk; foerageersters gebruiken het als brandstof voor nieuwe foerageervluchten, het komt in het larvenvoedsel terecht en het meeste wordt opgeslagen. Vaste deeltjes zoals fijnstof en microbiële plantpathogenen verdelen zich snel over de bijen in het volk door fysiek contact
    Meest vroege seizoen sinds jaren
    Heijerman-Peppelman, G. ; Dieren, M.C.A. van - \ 2014
    De Fruitteelt 104 (2014)13. - ISSN 0016-2302 - p. 6 - 7.
    fruitteelt - rassen (planten) - seizoenen - pyrus - malus - ontwikkeling - bloeidatum - overzichten - fruit growing - varieties - seasons - development - flowering date - reviews
    PPO houdt sinds jaren voor diverse gewassen en rassen de bloeitijdstippen en bloerijkdom bij. Dit seizoen begint de gewasontwikkeling wel heel erg vroeg. Daarom geeft PPO een overzicht van bloeigegevens uit Randwijk van de belangrijkste appel- en peerrassen van de afgelopen tien jaren. Tevens zijn nog oudere bloeigegevens vanuit Wilhelminadorp geraadpleegd.
    Spatial precipitation patterns and trends in The Netherlands during 1951–2009
    Daniels, E.E. ; Lenderink, G. ; Hutjes, R.W.A. ; Holtslag, A.A.M. - \ 2014
    International Journal of Climatology 34 (2014)6. - ISSN 0899-8418 - p. 1773 - 1784.
    neerslag - klimaatverandering - statistische analyse - regionale verkenningen - seizoenen - nederland - precipitation - climatic change - statistical analysis - regional surveys - seasons - netherlands - coastal precipitation - urban land - europe - rainfall - temperatures - extremes - feedback - impacts - indexes - soils
    Significant increases in precipitation have been observed in The Netherlands over the last century. At the same time persistent spatial variations are apparent. The objective of this study is to analyse and explain these spatial patterns, focussing on changes in means and extremes for the period 1951–2009. To investigate different possibilities for the causes of spatial variations, a distinction was made between six regions based on mean precipitation, soil type and elevation, and four zones at different distances to the coast. Spatial maxima in mean precipitation inland and over elevated areas are mainly formed in winter and spring, while maxima along the coast are generated in autumn. Daily precipitation maxima are found in the central West coast and over elevated areas. Upward trends in daily precipitation are highest from February to April and lowest from July to September. The strongest and most significant increases are found along the coast. For several seasonal and climatological periods diverging behaviour between coastal and inland zones is observed. We find that distance to the coast gives a more consistent picture for the seasonal precipitation changes than a classification based on surface characteristics. Therefore, from the investigated surface factors, we consider sea surface temperature to have the largest influence on precipitation in The Netherlands.
    Winter-APK voor bijen : Helpt u deze winter mee bij het praktijkonderzoek?
    Som de Cerff, B. ; Cornelissen, B. ; Moens, F. - \ 2013
    Bijenhouden 7 (2013)6. - ISSN 1877-9786 - p. 4 - 4.
    professionele bijenhouderij - werkzaamheden - seizoenen - winter - controle - diergezondheid - dierverzorging - onderzoek - samenwerking - commercial beekeeping - manipulations - seasons - winter - control - animal health - care of animals - research - cooperation
    Om de risico’s van een aanrijding bij sneeuw en gladheid te verminderen, laten steeds meer automobilisten bij het monteren van winterbanden ook een wintercontrole uitvoeren. Zou een dergelijke controle voor de winter ook schade aan onze volken in de vorm van wintersterfte kunnen verminderen? Dat zou mooi zijn, want voorgaande jaren haalde 20% van onze volken het eind van de winter niet.
    Winterweer kan effectiviteit van KRW-maatregelen beinvloeden
    Netten, J.J.C. ; Peeters, E.T.H.M. - \ 2011
    H2O : tijdschrift voor watervoorziening en afvalwaterbehandeling 44 (2011)16. - ISSN 0166-8439 - p. 34 - 35.
    waterbeheer - klimaatverandering - seizoenen - winter - ecosystemen - kaderrichtlijn water - plantenecologie - water management - climatic change - seasons - winter - ecosystems - water framework directive - plant ecology
    Experimentele studies tonen aan dat drijvende planten meer profiteren van klimaatverandering dan submerse planten. Een analyse van langjarige (1981-2006) meetgegevens afkomstig uit sloten onderschrijft deze bevindingen: milde winters leiden tot hogere kroosbedekking in de zomer, terwijl koude winters leiden tot meer submerse planten. Daarnaast toont onze analyse aan dat overwinterings- en groeistrategie van planten, bodemsoort en de weersomstandigheden in de winter de plantenbedekking in het groeiseizoen kunnen verklaren. Analyses van langjarige meetreeksen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het begrijpen van het functioneren van ecosystemen, nu en in de toekomst. Dit kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor de planning van het uitvoeren van voorgenomen (KRW-)maatregelen.
    Why elephant roam
    Ngene, S.M. - \ 2010
    University of Twente. Promotor(en): Andrew Skidmore; Herbert Prins; H.A.M.J. van Gils. - Enschede : University of Twente Faculty of Geo-Information and Earth Observation ITC - ISBN 9789061642909 - 195
    loxodonta africana - geografische informatiesystemen - remote sensing - zoögeografie - geografische verdeling - beweging - menselijke activiteit - seizoenen - diergedrag - kenya - menselijke invloed - loxodonta africana - geographical information systems - remote sensing - zoogeography - geographical distribution - movement - human activity - seasons - animal behaviour - kenya - human impact
    The expansion of human activities due to the increase in human population outside protected areas is reducing the range of elephant. This range reduction occurs when elephant habitats are cleared for more farms and settlements. This causes fragmentation of the elephant range, which changes the elephant’ distribution, movement patterns, intensity of occupancy, and speed of movement. The objectives of this study were to use GIS and remote sensing to identify the factors that influence the distribution, intensity of occupancy, and speed of movement of Marsabit elephant; to map and describe their wet and dry season range, intensity of occupancy, and speed of movement, as well as seasonal altitudinal movement in the fragmented mosaic of forest and savanna; to research the cost of humans sharing the environment with the elephant in areas adjacent to Marsabit Protected Area.
    Meting van ruimtelijke verdeling van temperatuur en RV met behulp van draadloze minisensoren (Smart Dust). Deel 3: Metingen bij praktijkbedrijven in verschillende seizoenen
    Balendonck, J. ; Os, E.A. van; Schoor, R. van der; Tuijl, B.A.J. van; Keizer, L.C.P. - \ 2010
    Wageningen : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapport / Wageningen UR Glastuinbouw 311) - 74
    kassen - temperatuur - vochtigheid - sensors - seizoenen - operationeel onderzoek - tests - klimaatregeling - glastuinbouw - meetsystemen - draadloze sensornetwerken - energiebesparing - greenhouses - temperature - humidity - sensors - seasons - operations research - tests - air conditioning - greenhouse horticulture - measurement systems - wireless sensor networks - energy saving
    Beschrijving van de metingen bij praktijkbedrijven in verschillende seizoenen.
    Zomerbloementelers worstelen met onkruidbestrijding (interview met oa. Annette Bulle)
    Lier, A. van; Bulle, A. - \ 2010
    Vakblad voor de Bloemisterij 65 (2010)34. - ISSN 0042-2223 - p. 34 - 35.
    snijbloemen - seizoenen - zomer - onkruidbestrijding - herbiciden - zomerbloemen - mechanische bestrijding - toelating van bestrijdingsmiddelen - alternatieve methoden - cut flowers - seasons - summer - weed control - herbicides - summer flowers - mechanical control - authorisation of pesticides - alternative methods
    Het verbod op paraquat heeft een flink gat geslagen in het pakket onkruidbestrijdingsmiddelen voor zomerbloemen. Het middel Basta lijkt perspectief te bieden, maar mechanische onkruidbestrijding heeft dat ook.
    Seizoensverloop in de doorworteling van dijkgrasland – VTV-toetsing buiten het winterseizoen nader bekeken
    Schaffers, A.P. ; Frissel, J.Y. ; Adrichem, M.H.C. van; Huiskes, H.P.J. - \ 2010
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 2014) - 60
    graslanden - dijken - beworteling - erosiegevoeligheid - erosie - vegetatie - seizoenen - veiligheid - nederland - grasslands - dykes - rooting - erodibility - erosion - vegetation - seasons - safety - netherlands
    Dit rapport geeft de bevindingen weer van een studie naar het seizoensverloop in de doorworteling van dijkgrasland. Het seizoen blijkt van invloed te zijn op de doorworteling van de zode van dijkgrasland zoals die met de gangbare handmethode in het veld wordt vastgesteld ten behoeve van de wettelijk verplichte toetsing volgens het Voorschrift Toetsen op Veiligheid (VTV).
    De seizoensfluctuatie van de grondwaterstand in natuurgebieden vanaf 1985 in kaart gebracht
    Hoogland, T. ; Heuvelink, G.B.M. ; Knotters, M. - \ 2008
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-rapport 89) - 60
    bodemwater - grondwaterstand - cartografie - natuurbescherming - seizoenen - seizoenvariatie - geostatistiek - verdroging (milieu) - soil water - groundwater level - mapping - nature conservation - seasons - seasonal variation - geostatistics - groundwater depletion
    Grondwaterafhankelijke ecosystemen in Nederland worden bedreigd door de verlaging van de freatische grondwaterstand. Beschikbare informatie over de grondwaterstand is ontoereikend en achterhaald. Gedetailleerde informatie over grondwater-standen is gewenst, vooral voor natuurreservaten met grondwaterafhankelijke vegetatietypes. Sinds 1980 zijn 35.000 schattingen van seizoensfluctuatie van grondwaterstanden in natuurgebieden verzameld. Met deze waarnemingen is met een geostatistische interpolatie in ruimte en tijd de seizoensfluctuatie van grondwaterstanden tussen 1980 en 2007 in kaart gebracht. Kaarten van de voorspelde gemiddelde grondwaterstand en de nauwkeurigheid van deze voorspellingen zijn gebruikt om gebieden te identificeren waar het grondwater te diep zit voor grondwaterafhankelijke ecosystemen. Veranderingen in de grondwaterstand in de afgelopen 25 jaar op de nationale en provinciale schaal zijn gekwantificeerd. Trefwoorden: verdroging, grondwaterstand, natuur, grondwaterafhankelijk, ruimte-tijd geostatistiek, kaarten, nauwkeurigheid
    Ecological effects of Spring and late Summer applications of Lambda-Cyhalothrin on freshwater microcosms
    Wijngaarden, R.P.A. van; Brock, T.C.M. ; Brink, P.J. van den; Gylstra, R. ; Maund, S.J. - \ 2006
    Archives of Environmental Contamination and Toxicology 50 (2006)2. - ISSN 0090-4341 - p. 220 - 239.
    toxiciteit - zoetwaterecologie - lambda-cyhalothrin - seizoenen - lente - zomer - oppervlaktewater - sloten - toxicity - freshwater ecology - lambda-cyhalothrin - seasons - spring - summer - surface water - ditches - active ingredient chlorpyrifos - insecticide dursban(r) 4e - aquatic risk-assessment - community responses - fate - zooplankton - organisms - mesocosms - recovery
    The aim of the study was to compare the effects of the pyrethroid insecticide lambda-cyhalothrin (treated at 10, 25, 50, 100, 250 ng active ingredient a.i./L) on a drainage ditch ecosystem in spring and late summer. Microcosms (water volume approximately 430 L) were established using enclosures in a 50-cm¿deep experimental ditch system containing communities typical of macrophyte-dominated freshwater ecosystems. Effects on macroinvertebrates, zooplankton, phytoplankton, macrophytes, and community metabolism were assessed and evaluated using univariate and multivariate statistical techniques. The macroinvertebrate community responded most clearly to treatment and, as anticipated, insects and crustaceans were among the most sensitive organisms. Statistical analysis showed that the underlying community structure was significantly different between the spring and summer experiments. However, the most sensitive species (Chaoborus obscuripes and Gammarus pulex) were abundant in spring as well as in late summer. In spring and late summer, only slight and transient effects were observed at the community level in the 10-ng/L treatment. Overall, the study did not show substantial differences in the responses of sensitive taxa between spring and late summer treatments, and effects thresholds were similar irrespective of season of treatment.
    De Natuurkalendergids : beleef de natuur dichtbij huis van dag tot dag
    Vliet, A.J.H. van; Bron, W.A. ; Grutters, M.A.J. ; Bouma, E. ; Diek, H. van; Groenendijk, D. ; Kiers, J.L. ; Loggem, D. van; Weger, L. de - \ 2005
    Zutphen : Roodbont (Milieuvriendelijk tuinieren ) - ISBN 9789075280593 - 120
    planten - dieren - seizoenen - fenologie - flora - fauna - recreatie - nederland - plants - animals - seasons - phenology - flora - fauna - recreation - netherlands
    Deze gids geeft u een antwoord op de vraag wanneer normaal gesproken fluitenkruid en speenkruid in bloei komen, bladeren van de beuk vallen, de koekoek begint te zingen of de dagpauwoog en koninginnenpage in het voorjaar verschijnen. Ook laat zij u zien wanneer u last van hooikoorts kunt hebben, wanneer u welke groenten in uw tuin kunt zaaien. Tenslotte vindt u per seizoen leuke tips over toerisme en recreatie op het gebied van natuur en milieu. Met deze gids kunt u het effect van klimaatsverandering in uw eigen omgeving zichtbaar maken door de tijdstippen van bijvoorbeeld bloei en bladval van planten in uw straat te vergelijken met de informatie in deze uitgave. Hierdoor kunt u in de gids bijvoorbeeld nagaan of de lente van 2005 te vroeg of te laat begint.
    Voorjaarsmeststoffen: meer gras met minder stikstof
    Boer, D.J. den; Bakker, R. - \ 2002
    Nieuwsbrief Koeien & Kansen 2002 (2002)10. - p. 4 - 4.
    melkveehouderij - bemesting - stikstofmeststoffen - dosering - seizoenen - lente - graslandbeheer - dairy farming - fertilizer application - nitrogen fertilizers - dosage - seasons - spring - grassland management
    Om aan de verliesnormen voor 2003 te voldoen zal de stikstofjaargift op veel bedrijven lager zijn dan het landbouwkundig advies. Daarom is het dringend gewenst de stikstof maximaal te benutten. Eén van de mogelijkheden is het gebruik van voorjaarsmeststoffen. Enkele Koeien & Kansen deelnemers behaalden hiermee sprekende resultaten.
    Ammonia volatilization from field-applied animal slurry - the ALFAM model.
    Sogaard, H.T. ; Sommer, S.G. ; Hutchings, N.J. ; Huijsmans, J.F.M. ; Bussink, D.W. ; Nicholson, F. - \ 2002
    Atmospheric Environment 36 (2002)20. - ISSN 1352-2310 - p. 3309 - 3319.
    varkenshouderij - rundveehouderij - ammoniakemissie - dierlijke meststoffen - drijfmest - bemesting - graslanden - vervluchtiging - statistische analyse - seizoenen - modellen - bodemwatergehalte - pig farming - cattle husbandry - ammonia emission - animal manures - slurries - fertilizer application - grasslands - volatilization - statistical analysis - seasons - models - soil water content
    A statistical analysis of European ammonia (NH3) volatilization data (from Denmark, Italy, the Netherlands, Norway, Sweden, Switzerland and UK) collated in a database produced a model that is supported by theoretical considerations of the effect of explanatory variables (see www.alfam.dk). Volatilization could be described mathematically by a Michaelis-Menten-type equation, with the loss rates as the response variable (R2=80Ž Variables significantly affecting NH3 volatilization throughout Europe are soil water content, air temperature, wind speed, slurry type, dry matter content of slurry, total ammoniacal nitrogen content of slurry (TAN=NH3 NH4 ), application method and rate, slurry incorporation and measuring technique. The model was used to estimate the NH3 volatilization from typical cattle and pig slurries applied in Italy, England, Norway and Denmark. Climate observations from the following three periods in year 2000 were used as input: (1) 1 week before the normal sowing time for spring crops, (2) mid-season, and (3) 1 week after harvesting. There was little difference in the total NH3 volatilization from slurry applied in the three periods, principally due to interactions between soil water content and air temperature. The time from application to when 10␘f the applied TAN was lost was similar for countries in the south and north of Europe, primarily due to the low wind speeds counteracting the effect of higher air temperatures at the southern location. To reduce NH3 volatilization, the slurry should be incorporated faster in mid- and late-season than in the early spring, due to increasing air temperatures during the growing season.
    In voor- of najaar verplanten? Een proef met gewone esdoorn
    Schuring, W. ; Das, C. - \ 1998
    Nederlands Bosbouwtijdschrift 70 (1998)2. - ISSN 0028-2057 - p. 66 - 69.
    bosbouw - beplanten - aanslaan van het gewasbestand - seizoenen - houtteelt - bosbouwkundige handelingen - groei - milieufactoren - forestry - planting - stand establishment - seasons - silviculture - forestry practices - growth - environmental factors
    Uitspoeling van stikstof bij voorjaars- en najaarstoediening van dierlijke mest in een kleigrond in akkerbouw
    Hendriks, R.F.A. ; Oostindie, K. ; Hamminga, W. - \ 1997
    Wageningen : DLO-Staring Centrum - 69
    bodem - uitspoelen - nitraten - dierlijke meststoffen - veldgewassen - akkerbouw - seizoenen - soil - leaching - nitrates - animal manures - field crops - arable farming - seasons
    The barbs of Lake Tana, Ethiopia : morphological diversity and its implications for taxonomy, trophic resource partitioning, and fisheries
    Nagelkerke, L. - \ 1997
    Agricultural University. Promotor(en): J.W.M. Osse; F.A. Sibbing. - S.l. : s.n. - ISBN 9789054857556 - 296
    Cyprinidae - karper - fylogenie - oorsprong - soorten - taxa - fylogenetica - dieranatomie - morfologie - soortendiversiteit - dieren - voedingsgedrag - adaptatie - milieu - seizoenen - voortplanting - broedseizoen, vogels - periode van kuitschieten - bescherming - uitsterven - bedreigde soorten - conservering - bedrijfsvoering - meren - Ethiopië - visgronden - visvangsten - Cyprinidae - carp - phylogeny - origin - species - taxa - phylogenetics - animal anatomy - morphology - species diversity - animals - feeding behaviour - adaptation - environment - seasons - reproduction - breeding season - spawning season - protection - extinction - endangered species - conservation - management - lakes - Ethiopia - fishing grounds - fish catches - cum laude
    The rediscovery of a unique species flock of cyprinid fish, its taxonomy and its feeding-biology are described. Fourteen species of barbs (Barbus spp, Cyprinidae, Teleostei) were found in highland (1800 m) Lake Tana, in northwestern Ethiopia. Lake Tana is an isolated fresh-water system, because its only outflowing river, the Blue Nile, of which it is the source, drops over 40 m high waterfalls only 35 km from the lake. The carplike barbs in the lake are unique and show a wide variety of discrete, and consistent types, widely differing in 1) size and shape, 2) feeding behaviour, and 3) spatial distribution. Together with 4) the early morphological divergence of juvenile barbs, 5) the reproductive segregation of the adults, and 6) part of their genetic characters, this diversity was decisive in our description of fourteen endemic species, seven of them new to science. Lake Tana was formed by volcanic blocking of the Blue Nile and subsequent flooding of the Lake Tana basin. The Barbus species probably evolved within the lake itself from one common ancestor, very similar to the present-day, riverine B. intermedius, making it a unique species flock. The driving force of their evolution most likely involved radiation into the new lacustrine trophic niches that became available when Lake Tana filled up. The presence of this group of very closely related fishes provides a unique opportunity to study the evolution of adaptation, and the relation of morphology and ecology: it forms a 'natural laboratory'. By using an ecomorphological approach, based on properties of fish foods, and functional morphological studies of the relations between fish parameters and their significance in dealing with food properties, predictions on the diets and food partitioning of the barbs have been made. These predictions were based on a large set of characters (33), which made the method robust and allowed for accurate resolving power. Testing of the predictions with field data revealed that individual diets, but especially food partitioning can be well predicted. This new method provides insights into the dynamic trophic interactions among species without the need for an extensive ecological sampling programme, and could be instrumental in predicting shifts in fish fauna composition, due to environmental impact, such as overfishing or the introduction of new species. The understanding and prediction of such shifts will help in developing a strategy towards sustainable fisheries and the protection of biodiversity.
    Modellen tonen aan: de aardappel past in de meeste klimaten
    Haverkort, A.J. ; Kooman, P.L. - \ 1996
    Aardappelwereld 50 (1996)11. - ISSN 0169-653X - p. 34 - 36.
    klimaat - planten - aardappelen - seizoenen - solanum tuberosum - climate - plants - potatoes - seasons
    Ecology of geese wintering at the Lower Rhine area (Germany)
    Mooij, J.H. - \ 1996
    Agricultural University. Promotor(en): C.W. Stortenbeker; R.H. Drent. - S.l. : Mooij - ISBN 9789090098555 - 192
    anser - ganzen - planten - klimaat - seizoenen - fenologie - flora - vegetatie - bescherming - conservering - duitsland - schadelijke dieren - anser - geese - plants - climate - seasons - phenology - flora - vegetation - protection - conservation - germany - noxious animals

    "Die wilde Ganß hat viel und mancherley Nahmen 1 wird aber auch von etlichen Schnee=Ganß genennet / deweil sie zu Anfang deß Winters 1 wann der Schnee verhanden / sich bey uns aufhält" zo begon Conrad Gesner in de 17e eeuw zijn beschrijving van de ganzen. Ook tegenwoordig hebben ganzen nog weinig van hun fascinatie verloren. Elke winter, als zij in grote zwermen weer in hun wintergebieden aankomen, lokken zij duizenden geinteresseerde toeschouwers.

    Tegelijkertijd zien veel boeren hun aankomst met zorg, omdat zij bang zijn voor mogelijke schade aan weiden en gewassen. Overwinterden de meeste ganzen tot in de vorige eeuw nog voornamelijk in natuurlijke en semi-natuurlijke gebieden, zo dwong de toenemende ontginning van deze traditionele voedingsterreinen - voornamelijk ten bate van de landbouw -, de ganzen meer en meer in het cultuurlandschap te overwinteren. Deze verandering bracht hen aanvankelijk waarschijnlijk grote problemen, waardoor de ganzenaantallen in de loop van de tweede helft van de 19e en het begin van de 20e eeuw in West-Europa sterk terugliepen. Sinds het midden van deze eeuw schijnen de ganzen de voordelen van overwinteren op landbouwgronden, namelijk het groter aanbod en de betere kwaliteit van het plantaardig voedsel, te kunnen benutten en hun aantallen in West-Europa namen weer toe. Dit bracht hen in toenemende mate in conflict met de landbouw, omdat de grote ganzenzwerrnen door steeds meer boeren als direkte concurrenten beschouwd worden.

    Ook in het traditionele ganzenwinterareaal in het duitse Nederrijn-Gebied in Noordrijn-Westfalen zijn de problemen tussen ganzen (Kol- en Rietgans) en landbouw in de laatste jaren sterk toegenomen. Werd hier nog in de eerste helft van de jaren 70 een door alle zijden geaccepteerd ganzenjachtverbod van kracht, zo werd aan het begin van de jaren 80 niet alleen steeds vaker geëist de veronderstelde ganzenschade te vergoeden, maar ook de jacht van de sterk gestegen ganzenaantallen weer toe te laten (Hoofdstuk 2, 3, 4, 7 & 8).

    Met het doel gegevens voor een toekomstig ganzenbeleid in Noordrijn-Westfalen te verzamelen, begon de auteur 1976 met zijn ganzenorderzoek, dat zich in de loop van de jaren 80 ook tot andere ganzengebieden in Duitsland en aan het eind van de jaren 80 en het begin van de jaren 90 tot de siberische broedgebieden uitbreidde. Deze dissertatie is in zekere zin een samenvatting van de resultaten van dit onderzoek zoals die eind 1994 beschikbaar waren.

    Op grond van de in de westeuropese wintergebieden doorgevoerde tellingen was men sinds de jaren 60 van mening, dat de bestanden van Riet- en Kolgans in de westelijke Palearctis sterk toenamen. In de broedgebieden werd voor de jaren 80 echter een constant populatieniveau voor de Kolgans en een sterke achteruitgang van de Rietgans vastgesteld. Daar over dezelfde periode niet alleen een sterke toename van beide soorten in het relatief goed getelde westeuropese wintergebied, maar tegelijkertijd een sterke teruggang in de minder goed getelde wintergebieden van Zuidoost-Europa vastgesteld werd, is het waarschijnlijk, dat de toename in West-Europa meer met verschuivingen van overwinterings- zwaartepunten binnen de West-Palearctis, dan met een reële toename der bestanden van beide soorten te maken heeft (Hoofdstuk 2, 4, 5 & 8).
    Er is nog verder onderzoek nodig om dit probleem definitief op te lossen.

    Ook de tot nu toe gangbare mening over de migratie van beide soorten schijnen niet houdbaar. Een analyse van de terugmeldingen van geringde en gemarkeerde Kolganzen voert tot de conclusie, dat de contacten tussen de verschillende winterpopulaties in de westelijke Palearctis veel intensiever zijn dan tot nu toe werd aangenomen en dat vogels van één broedgebied in ver uitelkaar gelegen wintergebieden aan te treffen zijn. Hierdoor is niet alleen een regelmatige genetische uitwisseling tussen de broedpopulaties gegarandeerd, maar ontstaat ook de mogelijkheid, dat de overwinterende vogels van een gebied relatief snel op ecologische veranderingen reageren en naar een ander (eventueel ook op grote afstand gelegen) wintergebied verhuizen kunnen (Hoofdstuk 2 & 5).

    Ondanks tientallen jaren van onderzoek en discussie is het nog steeds onduidelijk hoeveel ondersoorten de Rietgans heeft, waar deze broeden en waar de grenzen tussen de verschillende ondersoorten liggen. Hierdoor is het trekverloop van de Rietgans uiterst moeilijk te reconstrueren. Zeker is, dat er een regelmatige uitwisseling tussen de wintergebieden in West- en Zuidoost-Europa bestaat, terwijl over een mogelijke uitwisseling tussen de overwinterende Rietganzen van Scandinavië en England enerzijds en die in de rest van Europa anderzijds geen gegevens beschikbaar zijn (Hoofdstuk 2).

    Alhoewel zeker nog veel onderzoek nodig is om alle vragen over de trek van beide soorten op te lossen, schijnt zeker, dat zij gedurende het jaar in gebieden verblijven, waar de gemiddelde maandtemperatuur enige graden boven de 0°C ligt, waardoor zij in het algemeen over redelijk vers, en daardoor redelijk goed verteerbaar gras beschikken kunnen (Hoofdstuk 2, 6 & 7).

    De toename van de ganzenaantallen in West-Europa ging gepaard met een toenemend aantal ganzen in Duitsland, in het bijzonder in de bondsstaten Brandenburg en Mecklenburg-Voorpommeren in het oosten en in het Dollart-gebied (Nedersaksen) en aan de duitse Nederrijn (Noordrijn-Westfalen). Met meer dan 150 000 Kolganzen en in sommige winters 50 000 Rietganzen werd de duitse Nederrijn in de tweede helft van de jaren 80 een van de belangrijkste ganzenwintergebieden in West-Europa (Hoofdstuk 2, 3, 4 & 8).

    Tijdens vluchten over het wintergebied aan de duitse Nederrijn volgen de ganzen bepaalde vliegroutes. De belangrijkste verloopt langs de Rijn en verbindt de zes belangrijkste slaapplaatsen. Alle ganzenslaapplaatsen in dit gebied liggen op de oever van de Rijn, van een oude Rijnstrang of van een uiterwaarden-ontgronding, hebben een lage storingsintensiteit, vlakke oevers en grasvegetatie. De belangrijkste aktiviteit op de slaapplaatsen (oponthoud gemiddeld 13 1/2 uur) is slapen (gemiddeld 6 uur), direct gevolgd door voedselopname (gemiddeld 5 ¼ uur). De ganzen verdelen de voedselopname over de gehele dag: 60% gedurende daglicht en 40% gedurende de nacht.

    In de vroege ochtenduren vliegen de ganzenzwermen van de "slaapplaatsen" naar de voedingsterreinen, voor een oponthoud van gemiddeld 10 ½ uur. Hier is voedselopname (gemiddeld 8 uur) ongetwijfeld de belangrijkste aktiviteit, gevolgd door slapen (gemiddeld 1 ¼ uur).

    Vanaf een slaapplaats vliegen de meeste ganzen 's morgens naar de voedingsgebieden in de directe omgeving en 's avonds van een voedingsterrein naar de dichstbijzijnde slaapplaats. Op deze wijze ontstaan eenheden, die uit een slaapplaats en een aantal voedingsterreinen bestaan en door de auteur "Complexen" genoemd worden (Hoofdstuk 2, 4 & 6).

    De in het gebied van de duitse Nederrijn overwinterende ganzen zijn voornamelijk op grasland aan te treffen, slechts maximaal 15% van de ganzendagen worden op akkers doorgebracht. De voorkeur voor grasland is met meer dan 95% van de ganzendagen bij Kolganzen duidelijk groter dan bij Rietganzen, die ca. 80% van de ganzendagen op grasland doorbrengen.

    De voedselopname is de belangrijkste aktiviteit van de aan de duitse Nederrijn overwinterende ganzen, die gemiddeld ca. 55% van een 24-uurs dag (13 ¼ uur) nodig hebben om de dagelijks benodigde grashoeveelheid van gemiddeld 1 500 g versgewicht (= 300 g drooggewicht) voor een Kolgans en van gemiddeld 1950 g versgewicht (= 390 g drooggewicht) voor een Rietgans op te nemen. Als gevolg van het relatief weinig effektieve spijsverteringssysteem, verlaat - afhankelijk van het gehalte aan ballaststoffen in het opgenomen gras - 70% (of meer) van het opgenomen voedsel na een darmpassage van ¼ - 1 ½ uur het lichaam in de vorm van ganzenkeutels. Uit het voor de vogels bruikbare gedeelte van het opgenomen voedsel, winnen zij per dag ca. 2 100 kJ aan energie (Kolgans: 1780 kJ/dag; Rietgans: 2 360 kJ/dag), waarmee zij hun dagelijkse energiebehoefte dekken Door de snelle darmpassage zijn de darmen van de ganzen bij voeding op gras na maximaal 2 uur zonder voedselopname leeg en zou de vogel op zijn vetreserves moeten terugvallen. Daar het fysiologisch weinig zinvol is, iedere nacht op de in de winter zo dringend nodige vetreserves te teren, terwijl aan de oever voedsel in overvloed staat, brengen de aan de duitse Nederrijn overwinterende ganzen het grootste deel van de nacht aan land door en verdelen de voedselopname over het hele etmaal (Hoofdstuk 2, 4 & 6).

    Hun relatief hoge voedselbehoefte dekken de ganzen van de duitse Nederrijn bijna uitsluitend op landbouwgronden. Hieruit af te leiden, dat zij daarom automatisch een belasting voor de landbouw zijn, is niet juist. Er bestaat geen directe relatie tussen het optreden en de hoogte van ganzenschade enerzijds en het aantal ganzen, dat in het gebied overwintert, of de voedselbehoefte van de individueëIe gans anderzijds. Ganzenschade ontstaat veelal op plaatsen, waar een overbeweiding van de vegetatie plaatsvindt.

    Beweidingsproeven met ganzen in kooien toonden, dat na een begrazing met een intensiteit van 3 000 ganzendagen/ha op grasland opbrengstverliezen van ca. 10% in de eerste snede (begin Mei) en van ca. 3% van de jaar-opbrengst optreden kunnen. Op de percelen met wintergranen trad bij deze beweidingsintensiteit een oogstderving van 10-15% op. Bij hogere beweidingsintensiteiten kunnen de oogstverliezen nog beduidend hoger liggen. Op grond van de onderzoeksresuitaten werd duidelijk, dat op de landbouwgronden van de duitse Nederrijn ganzenschade op grasland bij het overschrijden van een beweidingsintensiteit van 2 000 ganzendagen/ha (vergelijkbaar met een keuteldichtte van ca. 20 ganzenkeutels/m 2) verwacht kan worden. Voor granen ligt deze grenswaarde lager, zodat ganzenschade op graanvelden bij het overschrijden van een beweidingsintensiteit van 1 500 ganzendagen/ha (vergelijkbaar met een keuteldichtte van ca. 15 ganzenkeutels/m 2) verwacht kan worden (Hoofdstuk 7).

    Ganzen schijnen echter over natuurlijke mechanismen te beschikken, om een overbeweiding van hun voedingsgebieden te vermijden en zich optimaal over hun voedingsterreinen te verdelen. Aan de duitse Nederrijn wordt grasland door de ganzen meestal niet meer opgezocht als de vegetatiehoogte tot op een gemiddeld niveau van 2 - 4 cm afgevreten is. Dit is meestal na een begrazing met een intensiteit van ca. 2 000 ganzendagen/ha het geval.

    Vanaf dat moment wordt waarschijnlijk de hoeveelheid energie, die nodig is om de dagelijkse voedselbehoefte op te nemen, groter dan de hoeveelheid energie die hier gedurende de dag opgenomen kan worden.

    De duitse Nederrijn beschikt echter over een dicht wegennet en de storingsintensiteit is relatief hoog. Regelmatig worden de voedselzoekende ganzen door menselijke aktiviteiten gestoord. Iedere storing echter, die de ganzen laat opvliegen, zorgt voor een concentratie van de vogels in enige weinig gestoorde gebieden, waar het dan tot een veel hogere beweidingsintensiteit komt als zonder storingen het geval zou zijn geweest. Hier komt het dan tot een overbeweiding van de vegetatie, die ganzenschade tot gevolg kan hebben. De storingen van voedselzoekende ganzen heeft niet alleen tot gevolg dat de vogels tijd voor voedselzoeken verliezen en een hogere energiebehoefte hebben door het vliegen, maar beperkt ook de grootte van het beschikbare voedselgebied, omdat terreinen met een hoge storingsintensiteit gemeden worden. Storingen verhogen zo het risiko van ganzenschade door een sterkere concentratie en een verhoogde energiebehoefte van de gestoorde ganzen (Hoofdstuk 2, 4, 6 & 7).

    Omdat er geen directe relatie bestaat tussen het optreden en de hoogte van ganzenschade enerzijds en het aantal ganzen, dat in het gebied overwintert anderzijds, is het weinig zinvol een algemene reductie van het aantal ganzen door middel van de jacht door te voeren om de ganzenschade te verminderen. De voor de ganzen optimale gebieden worden ook dan door grote ganzenconcentraties bezocht, terwijl hoogstens enige suboptimale terreinen door een geringer aantal ganzen bezocht worden. Verder bestaat het gevaar, dat de overlevingskans van hele ganzenpopulaties in gevaar gebracht wordt. Omdat er geen betrouwbare gegevens bekend zijn over de aantallen ganzen, die in andere landen langs de trekroute jaarlijks geschoten worden en het voortplantingssucces van de ganzen van jaar tot jaar grote verschillen vertoont, bestaat - vooral bij intensief bejaagde soorten als Kol- en Rietgans - het gevaar, dat de ongekoördineerde jacht op deze trekvogels binnen de westelijke Palearctis zich tot een akute bedreiging voor de bejaagde soorten ontwikkelt. Uit een aantal landen langs de trekroute van beide soorten zijn voorzichtige schattingen van de in de jaren 80 jaarlijks geschoten ganzenaantallen beschikbaar. Uitgaand van deze schattingen blijkt, dat in die periode jaarlijks ca. 150 000 - 200 000 Kolen ca. 70 000 - 95 000 Rietganzen (ca. 20% van de westpalearctische populaties van beide soorten) geschoten werden. Hierbij komen nog ca. 5-6% van de populaties, die stierven door indirekte bijwerkingen van de jacht (b.v. aangeschoten vogels, loodvergiftiging), zodat gedurende de jaren 80 door de jacht jaarlijks minstens ca. 25% van het bestand van beide populaties onttrokken werd. Bij een jaarlijks voortplantingssucces van gemiddeld 39% voor de Kol- en 34% voor de Rietgans blijft voor de natuurlijke mortaliteit en een eventueel jaarlijks reproductie-overschot niet veel speelruimte meer over. Het feit, dat russische onderzoekers in de broedgebieden voor de jaren 80 een constant populatieniveau voor de Kolgans en een sterke achteruitgang van de Rietgans hebben vastgesteld, is mogelijkerwijze op de hoge jachtdruk terug te voeren.

    Het gevaar van overbejaging bij Kol- en Rietgans is in de laatste jaren sterk gestegen, omdat de veranderingen in Oost-Europa in verscheidene staten een kontrole van de jachtwetten niet meer mogelijk en ganzenjacht voor de bevolking een welkome bron van voedsel en deviezen geworden is. Totdat een kontroleerbaar jachtsysteem voor de gehele trekroute mogelijk is, moet de (voornamelijk recreatieve) ganzenjacht in West-Europa sterk beperkt worden.

    Ook een doelgerichte jacht op ganzen op terreinen waar regelmatig ganzenschade optreedt is niet aanvaardbaar vanwege de onkontroleerbare negatieve uitwerkingen die deze heeft op zowel de ganzenpopulaties als op het milieu, te weten: loodbelasting voor de ganzen en het milieu, verhoogde schuwheid waardoor de grootte van het voedselareaal verminderd wordt, onnodig grootschalige storing van voedselzoekende ganzen en concentratie van ganzen in gebieden met een geringe storingsfrequentie.

    De beste manier om ganzenschade te voorkomen enlof te verminderen is het inrichten van ganzenreservaten, die groot genoeg zijn om alle daar overwinterende ganzen te voeden zonder dat het tot een overbegrazing van delen van het gebied behoeft te komen. Buiten deze reservaten kunnen de ganzen dan van voor schade gevoelige gewassen verjaagd worden, echter zonder jacht (Hoofdstuk 2, 4, 6, 7 & 8).

    Predicting the effects of motorway traffic on breeding bird populations
    Reijnen, M.J.S.M. ; Veenbaas, G. ; Foppen, R.P.B. - \ 1995
    Delft : Rijkswaterstaat, DWW [etc.] (DWW publikatie P-DWW-92-709) - 92
    dieren - vogels - broedseizoen, vogels - schade - fauna - voortplanting - wegtransport - seizoenen - periode van kuitschieten - transport - menselijke invloed - animals - birds - breeding season - damage - reproduction - road transport - seasons - spawning season - human impact
    Relatie fauna en verkeer
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.