Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 1 - 20 / 26

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Het hoe en waarom van een fokprogramma
    Eijndhoven, M.H.T. ; Oldenbroek, J.K. - \ 2015
    Zeldzaam huisdier 40 (2015)1. - ISSN 0929-905X - p. 10 - 11.
    kenmerken - dierveredeling - rassen (dieren) - fokwaarde - fokdoelen - selectiecriteria - traits - animal breeding - breeds - breeding value - breeding aims - selection criteria
    Voor velen van u zal het herkenbaar zijn: verknocht zijn aan een dier om zijn of haar uiterlijk en gedrag. Juist deze kenmerken die horen bij een bepaald ras, wilt u behouden en optimaliseren wanneer u gaat fokken. Verstandig fokken binnen een ras vraagt naast enige kennis van erfelijkheidsleer om het systematisch nalopen van een aantal foktechnische stappen. Deze stappen, die samen het fokprogramma bepalen, komen vanaf dit nummer van Zeldzaam Huisdier in 2015 aan bod.
    Toelatingsprocedure voor insecten als mini-vee. Voor het plaatsen van nieuwe insectensoorten op de lijst voor productie te houden dieren.
    Hakman, A. ; Peters, M. ; Huis, A. van - \ 2013
    Wageningen : Laboratorium voor Entomologie WUR - 37
    entomologie - dierlijke productie - insecten - wetgeving - selectiecriteria - dierenwelzijn - entomology - animal production - insects - legislation - selection criteria - animal welfare
    Article 34 of the Dutch Animal health and welfare act (Gezondheids- en welzijnswet voor dieren), which will be replaced by article 2.3 of the new Animal act (Wet dieren), states that it is forbidden to keep animals for the production of products derived from these animals, with the exception of the animals that are mentioned in the decree to designate animals that are allowed to be kept for production purposes (Besluit aanwijzing voor productie te houden dieren) (1997). According to the Green Deal “Insects for feed, food and pharma”, there is the need for a procedure to add new insect species to the list with animals that are allowed to be kept for production purposes.
    Design criteria for the plant-microbial fuel cell : electricity generation with living plants : from lab tot application
    Helder, M. - \ 2012
    Wageningen University. Promotor(en): Cees Buisman, co-promotor(en): Bert Hamelers; David Strik. - [S.l.] : s.n. - ISBN 9789461733511
    microbiële brandstofcellen - opwekking van elektriciteit - arundo donax - spartina anglica - arundinella - bio-elektrische potentiaal - selectiecriteria - bio-energie - biobased economy - microbial fuel cells - electricity generation - arundo donax - spartina anglica - arundinella - bioelectric potential - selection criteria - bioenergy - biobased economy
    Om de processen die ten grondslag liggen aan de P-MBC (Plant-Microbiële Brandstofcel) en de factoren die zijn vermogen bepalen beter te begrijpen was het doel van dit proefschrift om design criteria voor de PMBC te bepalen. De eerste focus van de design criteria was om het vermogen van de P-MBC te verhogen. Hoe hoger het vermogen, hoe groter de bijdrage aan duurzame elektriciteitsproductie. De ontwikkeling van een nieuwe elektriciteitstechnologie tot een volwaardig commercieel product behelst echter meer dan alleen het vermogen. Daarom hebben we nog een aantal andere factoren onderzocht die de toepassingsmogelijkheden van de P-MBC bepalen.
    Selectiestrategie voor de ontwikkeling van stikstofefficiënte biologische aardappelrassen : onderzoeksrapport 2008 t/m 2011
    Tiemens-Hulscher, M. ; Lammerts Van Bueren, E. ; Struik, P.C. - \ 2012
    Driebergen : Louis Bolk Instituut (Rapport / Louis Bolk Instituut nr. 2012-025 LbP) - 131
    solanum tuberosum - aardappelen - plantenveredeling - biologische plantenveredeling - stikstof - voedingsstoffenopname (planten) - selectiecriteria - veldproeven - rassen (planten) - akkerbouw - gewasopbrengst - solanum tuberosum - potatoes - plant breeding - organic plant breeding - nitrogen - nutrient uptake - selection criteria - field tests - varieties - arable farming - crop yield
    Zowel in de biologische als in de gangbare aardappelteelt is er behoefte aan rassen die met minder stikstof toe kunnen. Stikstofefficiëntie is een complexe eigenschap waar verschillende gewaseigenschappen aan bijdragen. In dit project werd onderzocht of er gewaseigenschappen zijn die gerelateerd zijn aan stikstofefficiëntie en waarop een veredelaar effectief kan selecteren. Stikstofefficiëntie werd daarbij gedefinieerd als het vermogen van een ras om bij een lage stikstofbeschikbaarheid, 100 -150 kg/ha, in een periode van half april tot ongeveer de derde week van juli, 90 – 95 dagen, een rendabele opbrengst te geven.
    Aardappel veredeling BIOIMPULS 2011
    PPO Akkerbouw, Groene Ruimte en Vollegrondsgroente, ; Louis Bolk, - \ 2011
    [S.l.] : YouTube
    aardappelen - plantenveredeling - biologische plantenveredeling - plantenveredelingsmethoden - consumptieaardappelen - biologische landbouw - selectie - selectiecriteria - potatoes - plant breeding - organic plant breeding - plant breeding methods - table potatoes - organic farming - selection - selection criteria
    Het project BIOIMPULS draait om de biologische aardappelsector. De onderzoekers streven samen met boeren naar een aardappelras dat minder gevoelig is voor ziekten zoals phytophthora en efficiënt gebruik maakt van stikstof. Ook grondbewerking komt aan bod. Daarnaast kijkt BIOIMPULS naar de smaak van de aardappelen en de wensen van de consument. Deze film volgt het veredelingsproces van begin tot eind.
    Comparison of interconnections between barley breeding material traits under organic and conventional growing conditions
    Legzdina, L. ; Kokare, A. ; Beinarovica, I. ; Lammerts Van Bueren, E. - \ 2010
    In: Breeding for resilience: a strategy for organic and low-input farming systems, Paris, France, 1 - 3 December, 2010. - Parijs : Eucarpia - p. 114 - 114.
    biologische plantenveredeling - biologische landbouw - gerst - selectiecriteria - correlatie - milieufactoren - organic plant breeding - organic farming - barley - selection criteria - correlation - environmental factors
    While breeding for organic farming it is necessary to identify the most appropriate growing conditions in which to perform the selection process. Soil fertility, crop management, yield level and other factors may vary very much between each organic farm, and between organic farms and research institutions where the selection is usually performed. Since plant breeding requires considerable input of resources and the market for organic varieties is limited, it is essential to find the most appropriate selection conditions that will provide acceptable varieties for organic farms.
    Genetic variation for nitrogen efficiency in potato
    Struik, Paul - \ 2009
    organic farming - potatoes - varieties - selection criteria - organic plant breeding - nutrient use efficiency - arable farming
    Ontwikkelen selectiecriteria stikstofefficiënte biologische aardappelrassen: bodembedekking
    Tiemens-Hulscher, M. ; Qiao, Y. ; Ghimire, R. ; Lammerts Van Bueren, E. ; Struik, P.C. - \ 2009
    biologische landbouw - aardappelen - rassen (planten) - stikstof - selectiecriteria - biologische plantenveredeling - nutriëntengebruiksefficiëntie - organic farming - potatoes - varieties - nitrogen - selection criteria - organic plant breeding - nutrient use efficiency
    In de biologische aardappelteelt is de lage stikstofbeschikbaarheid één van de grootste opbrengstbeperkende factoren. Rassen die bij een lage stikstofgift toch een hoge opbrengst van een goede kwaliteit produceren, kunnen hier een uitkomst bieden
    Identification of genotypic variation for nitrogen response in potato (Solanum tuberosum) under low nitrogen input circumstances
    Tiemens-Hulscher, M. ; Lammerts Van Bueren, E. ; Struik, P.C. - \ 2009
    Driebergen : Louis Bolk Instituut - 7
    selectiecriteria - aardappelen - rassen (planten) - gewasopbrengst - stikstof - biologische landbouw - nutriëntengebruiksefficiëntie - selection criteria - potatoes - varieties - crop yield - nitrogen - organic farming - nutrient use efficiency
    Nitrogen is an essential nutrient for crop growth. The demand for nitrogen in the potato crop is relatively high. However, in organic farming nitrogen input is rather limited, compared with conventional farming. In this research nine potato varieties were tested at three nitrogen levels. Genotypic variation for yield, leaf area index, period of maximum soil cover, sensitivity for N-shortage and nitrogen efficiency under low input circumstances was found. However, in these experiments varieties differed in their strategies to maximize tuber production under low nitrogen availability
    Fokkerijbeleid op het bedrijf van Bennie en Jozet Tomassen
    Animal Sciences Group (ASG), - \ 2008
    Bioveem
    dierveredeling - melkveebedrijven - melkkoeien - melkveehouderij - selectie - selectiecriteria - biologische landbouw - animal breeding - dairy farms - dairy cows - dairy farming - selection - selection criteria - organic farming
    Bennie Tomassen is altijd al geïnteresseerd geweest in fokkerij. Dit komt mede door zijn achtergrond; hij is namelijk afgestudeerd op het gebied van fokkerij en agrarische bedrijfseconomie op de LUW (tegenwoordig WUR). Het bedrijf voert een actief fokkerijbeleid. In dit stuk geeft Bennie aan wat hij precies doet bij het selecteren van stieren en moeders en wat de aandachtspunten en criteria van zijn fokkerijbeleid zijn.
    Developing selection criteria for breeding organic nitrogen-efficient potato (Solanum tuberosum) varieties
    Tiemens-Hulscher, M. ; Hospers-Brands, A.J.T.M. ; Lammerts Van Bueren, E. ; Struik, P.C. - \ 2008
    In: 17th Triennial Conference of the European Association for Potato Research (EAPR) on Potato for a Changing World, Brasov , Romania, 6-10 July 2008. - Brasov : EAPR - ISBN 9789735983147 - p. 337 - 339.
    organic farming - potatoes - efficiency - nitrogen fertilizers - selection criteria - nitrogen response - arable farming - biologische landbouw - aardappelen - efficiëntie - stikstofmeststoffen - selectiecriteria - stikstofrespons - akkerbouw
    The aim of the present project (2008–2011) is to design selection criteria for high nitrogen use efficiency under low nitrogen conditions to support breeding programs for organic potato varieties.
    TRAK: voedselkwaliteit op het spoor : op weg naar een transparant beleidsafwegingskader
    Bracke, M.B.M. ; Bakker, E. de; Beekman, V. ; Jansson, K. ; Graaff, R.P.M. de - \ 2008
    Den Haag : LEI (Rapport / LEI : Werkveld 3, Consumenten en ketens ) - 75
    landbouwbeleid - overheidsbeleid - besluitvorming - voedselkwaliteit - selectiecriteria - waarden - consumenten - politiek - nederland - scenario planning - agricultural policy - government policy - decision making - food quality - selection criteria - values - consumers - politics - netherlands - scenario planning
    Dit rapport presenteert de methodiek TRAK: een instrument waarmee verschillende beleidsscenario's transparant tegen elkaar kunnen worden afgewogen met behulp van een verzameling van criteria die samen alle relevante waarden dekken. Op deze wijze kan het voor consumenten en politici inzichtelijker worden gemaakt hoe allerlei waarden en belangen (zoals volksgezondheid, dierenwelzijn, milieu en eerlijke handel) in het beleid zijn meegenomen en gewogen.
    Vaste plant + bijbehorende kennis stimuleert verkoop aan gemeente
    Hop, M.E.C.M. - \ 2008
    De Boomkwekerij 2008 (2008)10. - ISSN 0923-2443 - p. 14 - 15.
    overblijvende planten - houtachtige planten als sierplanten - sierplanten - stedelijke gebieden - beplanten - beplanten in hoge dichtheden - cultuurmethoden - selectiecriteria - kennis - openbaar groen - perennials - ornamental woody plants - ornamental plants - urban areas - planting - high density planting - cultural methods - selection criteria - knowledge - public green areas
    Vaste planten zijn lang weggeweest uit het plantsoen. PPO Bomen deed daarom uitgebreid onderzoek naar de toepassing van vaste planten in het openbaarr groen. Wat blijkt? Kansen genoeg voor de vaste plant, als je er maar de benodigde kennis bij levert. In maart 2008 is bij PPO het rapport 'Vaste planten in Nederlands openbaar groen' verschenen, waarin een uitgebreid overzicht gegeven wordt van zaken die bij toepassing van extensief beheerde vaste planten van belang zijn.
    De integrale beplantingsmethode, naar een dynamische benadering voor het ontwerpen van beplantingen
    Ruyten, F. - \ 2006
    Wageningen University. Promotor(en): K. Kerkstra; H. Challa, co-promotor(en): Ron van Lammeren. - - 136
    landschapsarchitectuur - landschapsbouw - beplantingen - stadsparken - beplanten - selectiecriteria - planten - ontwerp - landscape architecture - landscaping - plantations - urban parks - planting - selection criteria - plants - design
    Public parks and gardens (planting structures) in urban areas are subject to various forms of human intervention, based on traditional planting methods. These forms of intervention are related to the creation of individual space required for mature growth of ligneous plants by thinning or by limiting growth in cases where plants exceed the space delineated for them. Such intervention is costly, must be executed timely in order to prevent irreversible deformity, and influences undamaged growth.

    The objective of this study is to resolve the contradiction between human intervention and undamaged growth by adopting a planting method which is based on a dynamic approach to the design of planting schemes. This dynamic approach has led to the integral planting method as a theoretical model; in this method, the space required for maximum growth in a plant's mature phase is combined with the realisation of architectural functions. The desired effect is defined by the initial size of the trees and shrubs. The growth movement towards the dimensions of the maturity phase is part of a composition in time and space in accordance with a so-called 'planting-film'. Because the growth rate of the plants defines the above-mentioned composition, human intervention can be reduced to a minimum. In addition, the integral planting method contains a set of instruments to define the space for growth to a certain size at a certain point in time in location-specific circumstances. By providing sufficient room for growth and by relating life span to environment dynamics, unexpected changes in future growth development can, to a certain extent, be compensated.

    The retrospective in Chapter 2 shows that with the planting method applied in the three cases (Haarzuilens, Amsterdamse Bos, Bijlmermeer Groenstructuur), people are always aiming for quick results and planning for future growth requires much effort, which must be enforced timely and systematically to ensure that the desired effect is not affected irreversibly (Bijlmermeer Park Structure) or operational backlog is not increased further.

    It is essential that the terminology used is unambiguous to define and legitimize the objective or intended development of a planting structure during the analysis phase. To achieve this unambiguousness, Chapter 3 provides a description of the morphology and morphodynamics (dimensions, growth rate, life span) of the elements used to describe the defined situation. This description, as defined in the tables 'Classification of free-standing forms', Planting typology I, II, III and IV, has led to unambiguous terms and definitions. This will lead to the motivation for the planting scheme (initial situation: initial dimensions, planting distances, assortment) and the planting film (the defined situation). Next, the 'growth', as the effect of movement, is derived from the growth curve survey for each element. The growth curve survey reproduces the morphodynamic aspects in a simplified linear growth curve. The transformations of planting types are shown tobe brought about on the basis of morphodynamics. The Cd-rom supplied with this thesis shows these dynamics from different angles, in the form of a planting film.

    Chapter 4 describes the principles of the adopted, not-adopted, identical and shifted position, with which the morphodynamic aspects of the plant can be applied strategically to also realise transformations of the plant types. The implementation of the growth curve survey shows how larger plant material can be used to start with. The example of a 2-acre park in Boxmeer shows what the principles for freestanding plant shapes bring about in real situations. The operating method and manual clarify how a starting situation (the planting scheme) and its related management regime (execution and maintenance plan) can be derived from the defined situation to which it should lead.

    In chapter 5 a comparison is made to ascertain how the integral planting method behaves in relation to the traditional method. When designing parks and gardens, the definition of assortment, planting interval, initial size and construction and maintenance method covers many variables such as architecture, micro climate, soil, opinions on contruction and maintenance method, quality of base materials, organisation of implementation and so on.These aspects are covered in anumber of cases (Polderpark Almere, Bakenhof Arnhem, Prins Bernhardbos Hoofddorp).

    The method applied in the comparison covers four steps. Step one describes the defined situation and the set-up according to the original planting method. Step two covers the growth curve survey which defines the location-specific morphodynamic characteristics of the plants involved for their actual as well as projected or future growth. Step three contains a fully worked-out planting and maintenance plan based on the alternative planting method and starting from the same defined situation as in step one.

    In step four the architectural and cost aspects of both planting methods are compared. The architectural aspects show the morphodynamics of the plant structure in the long term with the aid of views and diagrams drawn to scale, elucidated with data from the location-specific growth curve survey and field observations of the actual situation. The cost aspects are based on construction and maintenance for the first 30 years, expressed in cumulative, indexed and hard cash amounts, shown graphically for each planting method in the different cases.

    The results of the comparison show that a screen or block based on the traditional planting method will reach full functionality at eye level after 4 - 7 years. With the integral planting method, the results of a screen or block will be visible at eye level from the start, and full functionality will be reached after 8 - 13 years. With the traditional method, it appears to be almost impossible to realise free-standing forms, in practice as well as in simulation during the growth curve survey. Empirical research of the Prince Bernhard forest, which was developed according to the integral planting method, shows that the head start of the larger initial sizes of the free-standing forms in this method provides the visitor with an increased sense of security because of the openness of the plant structure and the fact that this method leads to a completed planting structure in a shorter period of time.

    In addition, the comparison shows that the construction costs using the integral planting method are about double the costs using the traditional planting method. However, the maintenance costs for free-standing forms when the integral planting method has been applied are so low, that cost recovery will occur within a foreseeable period, as compared with the traditional planting method (urban variant).

    The integral planting method can be applied to small- and large-scale urban and small-scale rural park projects. For large-scale rural projects application of the integral planting method requires further investigation of the relation between architectural functions of planting structures and forest ecology and forest management.

    Tree nurseries will need to put more effort into the methods for breeding and planting larger plant material. Some growers already guarantee that their plants will start growing immediately after planting and they offer care and maintenance of these larger inital sizes of trees and shrubs for a maintenance period of 10 years and longer.
    Ontwikkelen met kwaliteit : een verkenning van evaluatiecriteria
    Gerritsen, A.L. ; Kruit, J. ; Kuindersma, W. - \ 2005
    Wageningen : WOT Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 18) - 48
    landschap - kwaliteit - selectiecriteria - kwaliteitsnormen - ruimtelijke ordening - beleid - nederland - evaluatie - landscape - quality - selection criteria - quality standards - physical planning - policy - netherlands - evaluation
    WOT Natuur & Milieu achtergrondsdocument rond invulling van ontwikkelingsplanologie, zoals gepresenteerd in de Nota Ruimte. Visie op grond van gesprekken met: gemeenten, provincies, LNV, Landschapsbeheer Nederland, Stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen in Limburg, Ruimtelijk Planbureau
    Gedragscodes zorgvuldig handelen Flora- en faunawet; ecologische criteria voor de beoordeling van gedragscodes
    Apeldoorn, R.C. van; Henkens, R.J.H.G. ; Spijker, J.H. - \ 2005
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1315) - 51
    flora - fauna - natuurbescherming - wetgeving - recht - biodiversiteit - evaluatie - selectiecriteria - indicatoren - nederland - flora - fauna - nature conservation - legislation - law - biodiversity - evaluation - selection criteria - indicators - netherlands
    Het rapport biedt een overzicht van criteria die het ministerie van LNV kan hanteren bij de beoordeling van voorgelegde gedragscodes. De criteria zijn ontwikkeld na overleg met vertegen¬woordigers van soortbeschermende organisaties (pgo), koepels van terreinbeheerders en LNV. Per criterium is een aantal indicatoren opgesteld met behulp waarvan kan worden vastgesteld of de opgestelde gedragscode voldoende aan de instandhoudingsverplichting van te beschermen soorten tegemoet komt
    De natuurplangenerator brengt de natuurpotentie van een gebied in kaart
    Eupen, M. van; Hendriks, C.M.A. - \ 2004
    selectiecriteria - natuurontwikkeling - natuurbeheer - natuurbeleid - ecologische modellering - beslissingsmodellen - selection criteria - nature development - nature management - nature conservation policy - ecological modeling - decision models
    Het toewijzen en plannen van nieuwe natuur in Nederland is afhankelijk van een groot aantal criteria. Zaken als bestaand grondgebruik, de kansrijkdom voor de ontwikkeling van een bepaald type natuur en het beoogde oppervlak aan nieuw natuurgebied, geven de planvormers een breed scala aan mogelijkheden om locaties voor nieuwe natuur vast te leggen. Met de Natuurplangenerator (NPG) kunnen verschillende ruimtelijke beelden van een beoogd natuurtype in een bepaald gebied gemaakt worden. Aan de hand van een casestudie voor het Natuurplanbureau zijn met succes een aantal scenario’s doorgerekend
    Breeding objectives and selection strategies for layer production
    Groen, A.F. - \ 2003
    In: Poultry Genetics, Breeding and Technology / W.M., Muir, S.E., Aggrey, Wallingford, United Kingdom : CAB International - ISBN 9780851996608 - p. 101 - 112.
    kippen - eierproductie - legresultaten - dierveredeling - veredelingsprogramma's - selectiecriteria - fowls - egg production - laying performance - animal breeding - breeding programmes - selection criteria
    Genetic aspects of somatic cell count in the Italian Holstein Friesian population
    Samore, A. - \ 2003
    Wageningen University. Promotor(en): Johan van Arendonk, co-promotor(en): Ab Groen. - [S.I.] : S.n. - ISBN 9789058087966 - 155
    zwartbont - rundveerassen - celgetal - genetische factoren - selectiecriteria - fokwaarde - genetische modellen - heritability - melkresultaten - kenmerken - dierveredeling - holstein-friesian - cattle breeds - somatic cell count - genetic factors - selection criteria - breeding value - genetic models - heritability - dairy performance - traits - animal breeding

    The objective of this thesis was to evaluate genetic aspects of somatic cell count (SCC) in Italian Holstein Friesian population in order to define how to include this trait in selection criteria. Several values of heritabilities were estimated (.06 to -.21) for three parities using different data sets and model of analysis. A model for breeding value estimations of first parity cows was defined and further improvements of the model were discussed. Genetic correlations with production were highly variable in value and sign depending on parity and model of analysis (-.14 to .24). Variation existed between and within lactation and it was concluded that it is important to account for this variation in selection. When a unique value is necessary, a correlations value around zero, indicating a null genetic relationship between production and SCC, should be used. Using an hazard model, it was estimated that an increase in phenotypic level of SCC in Italian Holstein population resulted in higher rate of culling. The approximate genetic correlation between SCC and functional longevity was .31 associating unfavourable values of SCC to poorer longevity. Favourable genetic correlations resulted between udder conformation traits and SCC. A higher udder, strongly attached to the fore abdominal wall, and with short teats was genetically related to smaller values of SCC. Finally an udder health index, including SCC, udder depth, and fore udder attachment was proposed and the inclusion of SCC in the overall selection index was discussed.

    Buitenlandse bomen op 7e rassenlijst
    Buiteveld, J. ; Vries, S.M.G. de - \ 2002
    Vakblad Natuurbeheer 41 (2002)6. - ISSN 1388-4875 - p. 91 - 95.
    bomen - bosbomen - zaadtuinen - plantenvermeerdering - genetische bronnen van plantensoorten - centra van herkomst - genetische bronnen - selectiecriteria - selectie - kwaliteit - belgië - duitsland - rassenlijsten - boomkwekerij - genetica - rassenlijst - trees - forest trees - seed orchards - propagation - plant genetic resources - centres of origin - genetic resources - selection criteria - selection - quality - belgium - germany - descriptive list of varieties
    Van een aantal boomsoorten is kwalitatief goed uitgangsmateriaal schaars in Nederland. Voor negen loofhoutsoorten (zwarte els, haagbeuk, es, beuk, wintereik, kers, zomereik, winterlinde, zomerlinde) heeft Alterra onderzocht of buitenlandse herkomsten ook geschikt zijn voor gebruik in ons land. Uitleg over de selectiecriteria en de aantallen opstanden en zaadgaarden die geselecteerd zijn in België en in de aangrenzende Duitse deelstaten Nordrhein-Westfalen, Niedersachsen en Schleswig-Holstein. De aanbevolen herkomsten zijn op de onlangs verschenen 7e Rassenlijst voor Bomen geplaatst. Meer informatie: Alterra-rapport 457 'Inventarisatie van bosbouwkundig uitgangsmateriaal in België en Duitsland'
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.