Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 1 - 10 / 10

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Communicating with the chronically ill : effective self-management support in health care
    Mulder, B.C. - \ 2014
    Wageningen University. Promotor(en): Cees van Woerkum, co-promotor(en): Anne Marike Lokhorst; M. Bruin. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789462571556 - 151
    chronische ziekten - gezondheidszorg - communicatie - zelfbeheer - patiënten - gezondheidsgedrag - hiv-infecties - diabetes type 2 - chronic diseases - health care - communication - self management - patients - health behaviour - hiv infections - type 2 diabetes

    Samenvatting

    Wereldwijd vormen chronische ziekten een enorme humanitaire en economische last. Op individueel niveau moet patiënten zelf leren omgaan met de gevolgen van hun chronische ziekte, een proces dat zelfmanagement wordt genoemd. Patiënten kunnen op veel verschillende manieren aan zelfmanagement doen, waarmee ze hun eigen gezondheid en welzijn beïnvloeden. Omdat chronisch zieke patiënten regelmatige zorggebruikers zijn, kan zelfmanagementondersteuning daarnaast helpen om kosten voor de gezondheidszorg te verminderen. Hoe interpersoonlijke communicatie tussen patiënten en zorgverleners daadwerkelijk zelfmanagement kan ondersteunen is een gebied dat nader onderzoek behoeft.

    In Hoofdstuk 1 wordt het onderzoek in dit proefschrift geïntroduceerd door de relaties tussen chronische ziekten, gezondheidsgedrag en gezondheidscommunicatie te bespreken. De wereldwijde stijging van chronische ziekten zoals hart- en vaatziekten, diabetes en SOA’s kan grotendeels worden toegeschreven aan gezondheidsgedrag zoals roken, lichamelijke inactiviteit, ongezonde voeding en onveilige geslachtsgemeenschap. Ondanks grote investeringen in interventies om gezond gedrag te bevorderen is het effect van deze interventies vaak beperkt en kunnen dit soort interventies naar verwachting niet het tij keren op populatieniveau. Daarom zullen steeds meer mensen een chronische ziekte krijgen, waarvoor zij behandeld zullen worden in de gezondheidszorg. Deze ontwikkeling heeft gevolgen voor de manier waarop met patiënten het beste gecommuniceerd kan worden over hun ziekte.

    Patiënten met een chronische ziekte moeten voor zichzelf zorgen, omdat hun ziekte niet kan worden genezen en omdat hun dagelijkse beslissingen de progressie van hun ziekte beïnvloeden. Patiënten moeten hun ziekte zelf managen. De regelmatige bezoeken van patiënten aan hun zorgverleners bieden een kans voor ondersteuning van deze zelfmanagement, omdat gezondheidsgedrag vaak al een regelmatig onderwerp van bespreking is. Daarnaast wijst onderzoek uit dat advies van zorgverleners en interpersoonlijke communicatie effectiever zijn dan massamediale communicatie en gemedieerde persoonlijke communicatie (bijv. via e-mail of telefoon).

    Echter, zelfmanagement kan op verschillende manieren worden gedefinieerd en overeenkomstig de verschillende definities kan ondersteuning van zelfmanagement diverse vormen aannemen. Een belangrijk verschil is dat sommige definities zelfmanagement beschrijven vanuit het perspectief van de patiënt, terwijl andere definities meer normatief zijn door te stellen wat patiënten moeten doen vanuit medisch oogpunt om progressie van de ziekte te voorkomen. In dit proefschrift wordt zelfmanagement fundamenteel gezien als een zaak van de patiënt en gericht op het behoud van welzijn. Patiënten doen dit door het managen van de medische kant, het omgaan met de functionele beperkingen als gevolg van de ziekte en tot slot het omgaan met de emotionele gevolgen ervan. Een algemeen doel van dit proefschrift is om een beter begrip te krijgen van hoe zelfmanagement effectief te ondersteunen is tijdens interpersoonlijke gezondheidscommunicatie, vanuit het perspectief van de patiënt.

    Vroege studies over zelfmanagement geven aan dat controle een centraal construct is in het verklaren van de effectiviteit van zelfmanagementondersteuning. Een gevoel van controle over de ziekte, of hoge eigen-effectiviteit met betrekking tot specifiek zelfmanagementgedrag, kunnen bijvoorbeeld gezondheid en welzijn van patiënten voorspellen, maar ook gezondheidsgedrag positief beïnvloeden. Daarom is het uitgangspunt van dit proefschrift om zelfmanagementondersteuning te zien als het ondersteunen van de daadwerkelijke en waargenomen controle van patiënten over hun ziekte. Het onderzoeken van patiënt-zorgverlenercommunicatie kan verdere conceptuele en praktische inzichten bieden omtrent hoe communicatie zelfmanagement kan ondersteunen. De specifieke doelstellingen van dit proefschrift zijn: a) om de controlefactoren te verkennen die kunnen bijdragen aan variatie in gezondheidsgedrag; b) om voorkeuren van patiënten te onderzoeken voor zorgverlenercommunicatie die uiteindelijk gericht is op ondersteuning van zelfmanagement, en hoe zorgverleners kunnen voldoen aan deze voorkeuren; en c) te onderzoeken wat zorgverleners verhindert of juist helpt om zelfmanagement effectief te ondersteunen.

    Zelfmanagementondersteuning door middel van communicatie is onderzocht voor twee chronische ziekten waarvoor zelfmanagement belangrijk is: HIV en diabetes mellitus type 2. Bij beide ziekten beïnvloedt zelfmanagement de progressie ervan, en bovendien doen patiënten aan zelfmanagement met het oog op hun welzijn, die kan worden aangetast door zowel de fysieke als sociale gevolgen van het hebben van HIV of diabetes type 2. Daarnaast geldt dat communicatie door zorgverleners effecten heeft op uitkomsten voor beide groepen patiënten, maar is er meer inzicht nodig in hoe zorgverleners kunnen communiceren om zelfmanagement effectief te ondersteunen. Het onderzoeken van zelfmanagementondersteuning voor twee verschillende ziekten biedt ook een bredere empirische basis en een beter begrip van de gebruikte concepten.

    Niet alleen wordt zelfmanagementondersteuning voor twee chronische ziekten bekeken, ook worden in de vier empirische studies van dit proefschrift verschillende methodes gebruikt, waaronder een cross-sectioneel surveyonderzoek (Hoofdstuk 2), een thematische analyse van interviews met HIV-patiënten en hun zorgverleners (Hoofdstuk 3), een literatuurstudie naar communicatie in de diabeteszorg (Hoofdstuk 4), en een analyse van opgenomen gesprekken tussen praktijkondersteuners en diabetespatiënten (Hoofdstuk 5). In Hoofdstuk 6 worden de bevindingen van de afzonderlijke hoofdstukken besproken en algemene conclusies gepresenteerd in het licht van de onderzoeksdoelstellingen.

    Hoofdstuk 2 dient als startpunt voor een centraal idee in dit proefschrift, namelijk dat de perceptie van controle een effect heeft op de gezondheid, hetzij direct, hetzij indirect door het effect ervan op gezondheidsgedrag. Zoals betoogd hebben controleconstructen een belangrijke rol in zelfmanagement en kunnen ze theoretisch gezien zowel oorzaak als resultaat daarvan zijn. Percepties van controle kunnen ook een onderdeel zijn van een psychosociale reservecapaciteit die sociaaleconomische gezondheidsverschillen helpt verklaren. Mensen uit de lagere sociaaleconomische strata hebben over het algemeen minder psychosociale hulpbronnen, zoals waargenomen controle over het leven en ervaren sociale steun, terwijl ze tegelijkertijd te maken hebben met meer stressoren die deze hulpbronnen belasten. Met minder hulpbronnen en meer stressoren hebben lagere sociaaleconomische groepen een psychosociale achterstandspositie, die slechtere objectieve en zelf-gerapporteerde gezondheid helpt verklaren, evenals hun suboptimale gezondheidsgedrag. Daarom werd in dit hoofdstuk onderzocht of hulpbronnen en stressoren de relatie tussen opleidingsniveau en gezondheidsgedrag mediëren. Bijkomende doelstellingen waren om te onderzoeken of het ontbreken van hulpbronnen en de aanwezigheid van stressoren kunnen worden weergegeven met een enkele onderliggende factor (d.w.z. de afwezigheid van een hulpbron heeft eenzelfde effect als de aanwezigheid van een stressor), en of een cumulatieve maat van stressoren en hulpbronnen een sterker effect heeft op gedrag dan de afzonderlijke maten.

    Cross-sectionele data werd verzameld onder 3050 inwoners van de stad Utrecht met betrekking tot sociaaldemografische variabelen, psychosociale hulpbronnen, stressoren en gezondheidsgedrag. De resultaten toonden aan dat hogere niveaus van stressoren en lagere niveaus van hulpbronnen inderdaad kunnen worden vertegenwoordigd door een enkele factor. Daarnaast hadden mensen met lagere opleidingsniveaus over het algemeen minder psychosociale hulpbronnen en rapporteren ze hogere stressoren. Stressoren en hulpbronnen medieerden gedeeltelijk de relatie tussen opleidingsniveau en lichaamsbeweging, ontbijtfrequentie, groenteconsumptie en roken. Financiële stress en een slechtere ervaren gezondheid waren sterke mediërende stressoren, terwijl waargenomen controle over het leven en sociale steun sterke mediërende hulpbronnen waren. Echter, de relatie tussen sociaaleconomische positie en gezondheidsgedrag was bescheiden, terwijl de directe associaties tussen stressoren en hulpbronnen met gezondheidsgedrag aanzienlijk waren. Daarom werd geconcludeerd dat de aanwezigheid van stressoren en afwezigheid van hulpbronnen sociaaleconomische verschillen in gezondheidsgedrag helpt verklaren, maar dat het aanpakken van hulpbronnen en stressoren door middel van gezondheidscommunicatie de bevolking als geheel ten goede kan komen. De aanzienlijke impact van slechtere ervaren gezondheidsstatus op gedrag geeft aan dat patiënten inderdaad ondersteuning nodig hebben met het omgaan met een chronische ziekte. Hun gevoel van controle versterken en het bieden van sociale steun zijn mogelijke manieren om dit te doen.

    Hoofdstuk 3 richt zich directer op ondersteuning van zelfmanagement door de communicatievoorkeuren van HIV-patiënten te onderzoeken. In dit hoofdstuk wordt verder gebouwd op studies waaruit blijkt dat de communicatie met zorgverleners belangrijk is voor de ondersteuning van patiënten om zich aan te passen aan hun HIV status en om therapietrouw te zijn, met het oog op het handhaven van hun gezondheid en kwaliteit van leven. Eerdere studies gaven ook aan dat de communicatie optimaal is wanneer die is afgestemd op de voorkeuren van patiënten. Patiënt-zorgverlenercommunicatie dient drie algemene doelstellingen, te weten uitwisseling van informatie, het opbouwen van een relatie tussen zorgverlener en patiënt, en de patiënt betrekken bij behandelingsbesluiten. Het doel van deze studie was om communicatievoorkeuren van HIV-patiënten te verkennen binnen elk van deze drie doelstellingen, en om te onderzoeken hoe patiënten afgestemde - of niet afgestemde - zorgverlenercommunicatie ervaren. Een tweede doel was het verkennen van de overtuigingen van zorgverleners over de voorkeuren van patiënten, alsmede hun perspectief op optimale communicatie. De gegevens werden verzameld door middel van interviews met 28 patiënten en 11 zorgverleners van twee academische ziekenhuizen.

    De resultaten gaven aan dat HIV-patiënten strategisch communiceren met hun zorgverleners om hun gevoel van controle te verhogen. Voorkeuren van patiënten weerspiegelden hun cognitieve, emotionele en praktische behoeften, en patiënten hadden als impliciet doel om hun gevoel van controle over hun HIV status te verhogen door communicatie die deze behoeften dient. Door middel van een vertrouwensvolle relatie met een competente en oprecht betrokken zorgverlener beoogden patiënten hun gevoel van controle te verhogen via ‘volmacht’. De relatie met de zorgverlener verschafte patiënten emotionele steun, maar stelde patiënten ook in staat om hun problemen en zorgen te onthullen, waardoor er verdere mogelijkheden voor het verkrijgen van ondersteuning ontstonden. Deze studie toont dus verder het belang en ook het onderlinge verband tussen controle en sociale steun aan.

    Zorgverleners waren zich terdege bewust van communicatievoorkeuren van patiënten en hun overtuigingen stemden over het algemeen overeen met deze voorkeuren. Echter, zorgverleners leken – tot op zekere hoogte – verantwoordelijkheid te nemen voor de behandeling en patiëntuitkomsten. Dit leek goed te passen bij de voorkeuren van patiënten die graag de verantwoordelijkheid met hun zorgverleners deelden, bijvoorbeeld door niet steeds of volledig betrokken te worden bij de medische besluitvorming. Het kon zorgverleners echter ook aanzetten tot het gebruik van overtuigende communicatie, zoals risicocommunicatie, wanneer patiënten niet therapietrouw waren. Bovendien bleek uit de interviews dat zorgverleners zich niet bewust waren van de controlebehoeften die ten grondslag liggen aan patiëntcommunicatie.

    Hoofdstuk 4 betreft de communicatie tussen type 2 diabetespatiënten en hun belangrijkste zorgverleners die hun zelfmanagement ondersteunen. In Nederland is dat doorgaans de praktijkondersteuner van de huisarts (poh). Eén van de expliciete doelstellingen van de consulten van de poh is het verbeteren van gezondheid van de patiënt door zelfmanagement- ondersteuning. Uit eerder onderzoek blijkt dat patiënten problemen hebben met zelfmanagement, wat resulteert in onvoldoende beheersing van de bloedsuikerspiegel en andere cardiovasculaire risicofactoren. Optimale communicatie kan directe en indirecte gunstige effecten op de gezondheid en het welzijn diabetespatiënten hebben. Echter, uit onderzoek blijkt ook dat poh’s in de praktijk moeite hebben met de communicatie met patiënten. Poh’s worden opgeleid vanuit een voornamelijk biomedisch perspectief en kunnen het daarom moeilijk vinden om de verantwoordelijkheid voor de behandeling en behandelingsresultaten met patiënten te delen. Hierdoor gebruiken poh’s mogelijk communicatiestrategieën die niet daadwerkelijk ondersteunend zijn. Bovendien kan het ondersteunen van zelfmanagement van patiënten problematisch zijn in termen van het veranderen van gezondheidsgedrag zoals voeding en lichamelijke activiteit. Deze gezondheidsgedragingen zijn vaak onderdeel van een jarenlange levensstijl die heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van type 2 diabetes. Het doel van dit hoofdstuk is om praktische aanbevelingen te doen om de communicatie tussen poh en patiënt te verbeteren. Dit wordt gedaan door middel van een gestructureerde literatuurstudie gericht op, ten eerste, factoren die effectieve communicatie met diabetespatiënten kunnen belemmeren. Een tweede focus ligt op het bespreken van empirisch bewijs voor methoden die tot doel hebben de communicatie effectiviteit van verpleegkundige communicatie te verhogen.

    Veel voorkomende communicatiebarrières zijn het lichamelijk onderzoek, gebrek aan communicatieve vaardigheden en eigen effectiviteit, en het ervaren van conflicten tussen de rol van medisch expert en de rol van ondersteuner van gedragsverandering. Deze barrières zijn mogelijk gerelateerd aan de context waarin verpleegkundigen werken. Poh’s beginnen namelijk vaak met biomedisch onderzoek en bespreken vervolgens gedragsverandering met patiënten. Echter, gebrek aan vaardigheden en eigen effectiviteit draagt bij aan het gebruik van minder effectieve strategieën zoals alleen advies geven. Effectievere strategieën, zoals het identificeren en aanpakken van belemmeringen om te veranderen, worden minder vaak gebruikt. Poh’s vinden het moeilijk om om te gaan met weerstand van patiënten, en kunnen hun toevlucht nemen tot directieve communicatie, zoals onderbreken van en discussiëren met patiënten.

    Uit de bespreking van effectieve communicatiemethoden blijkt dat het trainen van poh’s in patiëntgerichte counseling niet effectief is in het overwinnen van deze barrières, en mogelijks zelfs nadelige gevolgen heeft voor klinische uitkomsten van patiënten. Daarentegen suggereert beperkt bewijs dat communicatie effectief kan zijn als het is gebaseerd op psychologische principes van zelfregulering, met name het stellen van doelen, het opdelen van doelen in kleine stapjes en actieplanning. De autonomie van patiënten kan worden ondersteund door middel van een relatie met de zorgverlener die is gebaseerd op wederzijds vertrouwen, waarbij poh’s en patiënten samen werken en verantwoordelijkheid delen.

    In Hoofdstuk 5 wordt het 5A’s Model gebruikt om te beoordelen of, en hoe, verpleegkundigen de vijf kernelementen van zelfmanagementondersteuning toepassen. In het vorige hoofdstuk is namelijk besproken dat communicatie effectief kan zijn door de toepassing theorie-gebaseerde counseling voor gedragsverandering. Het 5As Model is gebaseerd op theorie en empirisch bewijs en kan worden gebruikt voor zowel het toepassen als het evalueren van communicatie. De 5As verwijzen naar huidig gedrag beoordelen (‘Assess’), adviseren van gedragsverandering (‘Advise’), afspreken welke duidelijke doelen voor het gedrag (‘Agree’), helpen bij het wegwerken van belemmeringen en het verkrijgen van sociale steun (‘Assist), en vervolgafspraken maken (‘Arrange’). De geïntegreerde en achtereenvolgende toepassing van de 5A’s resulteren in een individueel actieplan, waarin gedragsdoelen en strategieën om deze doelen te bereiken worden beschreven.

    Er is een bestaand instrument gebruikt om opnames van zeven praktijkondersteuners met 66 patiënten te evalueren. Naast de beoordeling óf de 5A’s worden toegepast, worden toegepaste A’s vergeleken met kwaliteitscriteria om te evalueren hoe ze door poh’s worden gebruikt.

    Resultaten lieten zien dat de poh’s gezondheidsgedrag in vrijwel ieder consult met de patiënt beoordeelden. Ook werden individuele vervolgafspraken gemaakt als onderdeel van de standaardzorg. Echter, in minder dan de helft van de consulten adviseerden poh’s gedragsverandering. Het stellen van doelen en het bijstaan van patiënten om belemmeringen voor gedragsverandering te overwinnen werden nog minder gebruikt. De vergelijking met de kwaliteitscriteria liet zien dat verpleegkundigen vrijwel nooit bestaande overtuigingen en emoties met betrekking tot gezondheidsgedrag beoordeelden. Bovendien was de gedragsbeoordeling niet specifiek, waardoor het geven van concrete adviezen en het stellen van doelen werden belemmerd. Als belemmeringen voor gedragsverandering wel werden besproken, dan werden barrières vaak bevestigd maar zonder te brainstormen over strategieën om ze te overwinnen. Alles tezamen werden belangrijke elementen van zelfmanagementondersteuning niet of niet goed toegepast. Daarom wordt aanbevolen dat poh’s worden getraind in het uitvoeren van assessments die de basis vormen voor specifiek advies, doelen stellen en het aanpakken van belemmeringen. Communicatie kan ook verbeteren wanneer poh’s leren hoe de rollen van medisch expert en gedragscounselor te combineren, bijvoorbeeld door beide rollen te verduidelijken aan patiënten.

    Hoofdstuk 6 biedt een samenvatting van de conclusies van de drie empirische hoofdstukken en de literatuurstudie, waardoor de belangrijkste bevindingen aan elkaar gerelateerd kunnen worden en conclusies kunnen worden gepresenteerd die de losse hoofdstukken overstijgen. HIV en type 2 diabetes worden vergeleken, en de belangrijkste bevindingen van het proefschrift worden vergeleken met bestaande literatuur. Hoofdstuk 6 eindigt met mogelijkheden voor toekomstig onderzoek en praktische aanbevelingen voor gezondheidscommunicatie.

    Op basis van de voorgaande hoofdstukken wordt het belang van hulpbronnen zoals gevoel van controle en sociale steun besproken, zowel binnen als buiten de gezondheidszorg. De relaties tussen controlepercepties en sociale steun worden beschreven, en hoe interpersoonlijke gezondheidscommunicatie deze hulpbronnen kan helpen verhogen teneinde zelfmanagement te ondersteunen. De vergelijking van de zorg voor HIV-patiënten en diabetespatiënten wijst op overeenkomsten en verschillen in bestaande communicatie die relevant zijn voor zelfmanagementondersteuning.

    De bevindingen van dit proefschrift worden vergeleken met drie terreinen binnen de wetenschappelijke literatuur die relevant zijn voor zelfmanagementondersteuning: empowerment van patiënten en patiëntgerichte zorg, controle en steun in de psychologie, en implicaties voor zelfmanagementondersteuning. Bijdragen aan de literatuur worden gevolgd door suggesties voor toekomstig onderzoek, gericht op de potentie van controleconstructen om theorieën en studies op het gebied van zelfmanagement te verduidelijken en te verenigen; op het gebied van verantwoordelijkheid nemen en delen in gezondheidscommunicatie; en op het testen van de effectiviteit om zorgverleners te trainen gebaseerd op drie algemene competenties: controlepercepties van patiënten versterken, steunende relaties opbouwen, en theorie-gebaseerde gedragsveranderingstechnieken toepassen. Ten slotte bieden de aanbevelingen voor de praktijk concrete suggesties om communicatie te verbeteren aan zowel individuele zorgverleners als aan de gezondheidszorg als geheel. Zorgverleners kunnen bewust zijn van de onderliggende controlepercepties en -behoeften van patiënten, en proberen deze te identificeren. Dit geldt ook voor de strategieën die patiënten gebruiken om hun gevoel van controle te versterken. Het ondersteunen van zelfmanagement door het ondersteunen van controlepercepties kan worden bereikt door middel van het opbouwen van een steunende relatie en door het bespreken van problemen en zorgen die controlepercepties bedreigen. Tot slot wordt gesteld dat wanneer zorgverleners patiënten willen begeleiden naar gedragsverandering, het systematisch gebruik van theoretisch-gebaseerde communicatiemethoden waarschijnlijk het meest effectief is.

    Zelfsturing en Profit in de Noordelijke Friese Wouden : catalogus van inspirerende voorbeelden
    Swagemakers, P. ; Wiskerke, J.S.C. - \ 2011
    Wageningen : Wageningen Universiteit, Leerstoelgroep Rurale Sociologie - 25
    werkgelegenheid - zelfbeheer - organisatie - plattelandsontwikkeling - regionale ontwikkeling - regio's - economische ontwikkeling - samenwerking - friese wouden - employment - self management - organization - rural development - regional development - regions - economic development - cooperation - friese wouden
    Als onderdeel van de verkenningsfase van het TransForum innovatieve praktijkproject in de Noordelijke Friese Wouden over zelfsturing en profit, wordt in deze bijdrage een aantal binnen- en buitenlandse voorbeelden gegeven die als inspiratiebron kunnen dienen voor toekomstige ontwikkelingen in de Noordelijke Friese Wouden.
    'Brussel' op afstand? Een verkenning naar mogelijkheden voor maatschappelijke diensten en ruimte voor zelfsturing bij agrarisch natuurbeheer in de Europese context
    Zwaan, P. ; Coninx, I. ; Termeer, C.J.A.M. ; Gerritsen, A.L. - \ 2010
    Wageningen : Wageningen UR - 19
    agrarisch natuurbeheer - natuurbeheer - zelfbeheer - autonomie - gemeenschappelijk landbouwbeleid - nationale landschappen - europese unie - friese wouden - agri-environment schemes - nature management - self management - autonomy - cap - national landscapes - european union - friese wouden
    De landbouw speelt een belangrijke rol bij het in stand houden en ontwikkelen van een aantrekkelijk cultuurlandschap en de biodiversiteit in de Noordelijke Friese Wouden. Het behoud van deze waarden steunt op de inzet en de vele activiteiten van de Vereniging Noordelijke Friese Wouden, op de status van Nationaal Landschap en op een aantal subsidieregelingen vanuit de overheid. Voor het aanbrengen en beheren van landschapselementen kunnen agrariërs een vergoeding van de overheid krijgen. Dit project richt zich specifiek op zelfsturingarrangementen die gericht zijn op agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Het verkent de mogelijkheden voor de Vereniging Noordelijke Friese Wouden om meer invloed te krijgen op en verantwoordelijkheid te nemen voor het verdelen, beheren en het controleren van de besteding van de overheidsgelden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Op het huidige moment zijn deze kaders onderhevig aan discussie binnen de Europese Unie. De hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) - van waaruit een deel van deze vergoedingen betaald worden - en de vereenvoudiging van het GLB staan op de politieke agenda en discussies hierover zijn in volle gang.
    Schoon spoelwater met lamellenseparator : i.s.m. Van Antwerpen Milieutechniek
    Dam, M.F.N. van; Duyvestein, R. ; Antwerpen, E. - \ 2010
    milieutechniek - waterzuivering - zelfbeheer - systemen - watersystemen - bollen - environmental engineering - water treatment - self management - systems - water systems - bulbs
    Informatieposter over schoon spoelwater met behulp van een lamellenseparator, milieutechniek. Met de lamellenseparator wordt het aantal micro-organismen in het spoelwater sterk gereduceerd
    Zelfsturing en de Noordelijke Friese Wouden
    Termeer, C.J.A.M. ; Werkman, R.A. ; Gerritsen, A.L. - \ 2009
    Wageningen : Wageningen UR - 5
    regionale ontwikkeling - regionale economie - ondernemerschap - samenwerking - innovaties - friese wouden - zelfbeheer - plattelandsontwikkeling - regional development - regional economics - entrepreneurship - cooperation - innovations - friese wouden - self management - rural development
    Er is een lange traditie van samenwerking tussen WUR en de NFW. Eind 2007 was er een bijeenkomst op het provinciehuis in Friesland waar besloten werd om door te pakken op zelfsturing. De ambitie was zelfs om te onderzoeken of het mogelijk zou zijn om de Vereniging NFW als een bedrijf te beschouwen door de overheid. Een uitdagende ambitie. Meteen werd eraan gekoppeld dat deze ambitie alleen te realiseren zou zijn wanneer het de betrokken ondernemers ook profit zou opleveren. Zo ontstond het Transforum project Zelfsturing en Profit.
    Zelfsturing en Profit Noordelijke Friese Wouden:analyse van zelfsturing in het gebied
    Termeer, C.J.A.M. ; Gerritsen, A.L. - \ 2008
    Wageningen : Alterra - 8
    zelfbeheer - autonomie - regio's - economische regio's - regionale ontwikkeling - economie - ecologie - landschap - friese wouden - self management - autonomy - regions - economic regions - regional development - economics - ecology - landscape - friese wouden
    In deze verkenning van de potenties voor zelfsturing in de Noordelijke Friese Wouden staan de volgende vragen centraal: Het gebied heeft al een lange geschiedenis wat zelfsturing betreft. Hoe zijn deze zelfsturing arrangementen tot stand gekomen en hoe worden ze door de betrokkenen beleefd. Wat betekent dit voor een vervolgtraject? Welke ambities staan betrokkenen voor ogen in hun streven naar verdergaande vormen van zelfsturing? Welke kansen zijn er voor de realisatie van deze zelfsturing ambities en welke hobbels moeten er genomen worden? Welke trajecten lijken kansrijk en hoe zien de contouren van een traject eruit om deze te realiseren?
    Integrale notitie Fase 1 innovatief Praktijkproject Zelfsturing en Profit in de Noardlike Fryske Wâlden
    Gerritsen, A.L. ; Strijker, D. ; Termeer, C.J.A.M. ; Wiskerke, J.S.C. - \ 2008
    [S.l.] : S.n. - 5
    regionale ontwikkeling - plattelandsontwikkeling - nationale landschappen - zelfbeheer - plattelandsbeleid - friese wouden - regional development - rural development - national landscapes - self management - rural policy - friese wouden
    Het TransForum innovatief praktijkproject Zelfsturing en profit Noardlike Fryske Wâlden richt zich op de verwaarding van het gebied met haar kwaliteiten en op het realiseren van een passend (zelf)sturingsarrangement. In fase 1 (januari t/m juni 2008) werd geconcentreerd op het vaststellen van de potenties voor regionale ontwikkeling en zelfsturing. Hiervoor zijn de volgende activiteiten uitgevoerd door Wageningen Universiteit (leerstoelgroepen Bestuurskunde en Rurale Sociologie), Rijksuniversiteit Groningen (Mansholt leerstoel) en Alterra, Wageningen UR: Een sociaal-economische schets van het gebied op basis van gedetailleerd secundair materiaal; Een uitwerking van voorbeelden van zelfsturing en regionale ontwikkeling; Een literatuurstudie naar vormen van zelfsturing en condities waaronder deze functioneren; Een interviewronde met betrokkenen uit en bij het gebied de Noardlike Fryske Wâlden (actoren- en netwerkanalyse); en een analyse van Europees plattelandsbeleid en het streekplan, voor zelfsturing en ontwikkeling van de Noardlike Fryske Wâlden. In deze notitie staan de overkoepelende conclusies.
    Zelfsturing en zelfregulering in de Noordelijke Friese Wouden : condities en ontwerpprincipes
    Gerritsen, A.L. ; Termeer, C.J.A.M. - \ 2008
    [S.l.] : S.n. - 11
    zelfbeheer - autonomie - regionale ontwikkeling - bestuur - bestuurskunde - bestuursrecht - friese wouden - Nederland - self management - autonomy - regional development - administration - public administration - administrative law - friese wouden - Netherlands
    In deze notitie wordt ingegaan op hoe zelfsturing en zelfregulering te bezien zijn als vormen van sturing, hoe in de bestuurskundige en juridische literatuur over voor- en nadelen gedacht wordt en wordt behandeld onder welke condities zelfsturing wel of niet kan functioneren en welke algemene principes er zijn om tot zelfsturing te komen. Deze informatie wordt gekoppeld aan wat er anno 2008 aan zelfsturingsarrangementen bestaat in het gebied Noordelijke Friese Wouden. Doel hiervan is om vanuit de bestuurskundige en juridische literatuur het denken over nieuwe sturingsarrangementen in de Noordelijke Friese Wouden te ondersteunen.
    Analyse streekplan Fryslân 2007 : zelfsturing en Profit Noordelijke Friese Wouden
    Gerritsen, A.L. - \ 2008
    [S.l.] : S.n. - 8
    regionale planning - regionaal beleid - regionale ontwikkeling - zelfbeheer - autonomie - friese wouden - friesland - regional planning - regional policy - regional development - self management - autonomy - friese wouden - friesland
    Deze notitie is het verslag van een quick-scan van het Streekplan Fryslân (2007), bezien vanuit ruimte voor zelfsturing en regionale ontwikkeling.
    Sustainable management after irrigation system transfer : experiences in Colombia - the RUT irrigation district
    Urrutia Cobo, N. - \ 2006
    Wageningen University. Promotor(en): E. Schultz. - [S.l. ] : S.n. - ISBN 9789085044956 - 289
    irrigatiesystemen - overdracht - bedrijfsvoering - regering - instellingen - zelfbeheer - duurzaamheid (sustainability) - colombia - associaties - irrigation systems - transfer - management - government - institutions - self management - sustainability - colombia - associations
    Colombiais a tropical country located in South America. It has a total area of 114 million ha. In Colombia two irrigation sectors are distinguished: the small-scale irrigation and the large-scale irrigation sector. The small-scale irrigation sector is developed on lands located on sloping areas, where food crops and cash products such as corn, potato and specially vegetables are cultivated. In these areas the technique of cultivation is not well developed and therefore agriculture with advanced technology is not yet found there. Small farmers with a low income, a high level of illiteracy and malnutrition, form the main part of the traditional sector. The large-scale irrigation sector corresponds to large landholdings, located on the flat areas and with soils of good quality, that are destined for the cultivation of cash crops such as sugar cane, cotton, sorghum, fruit trees, etc. In this type of cultivation mechanization prevails and advanced irrigation technologies are applied.

    The area of the large-scale irrigation sector that corresponds to the public sector is grouped in 24 irrigation districts covering 264,802 ha; 132,918 ha with an irrigation and drainage infrastructure and 131,884 with only drainage. The area covered by the irrigation districts has a total capacity of around 500 m 3 /s; the irrigation network is 1,905 km long, of which 37% is for the main canals, 45% for the secondary canals and 18% for the tertiary canals; the drainage network is 2,132 km long, of which 44% is for the main drains, 39% for the secondary drains and 17% for the tertiary drains; and the road network is 3,382 km long. About 9% of the land is used for permanent crops, 51% for non-permanent crops and 40% for grass. About 62% of the landholdings is smaller than 5 ha and cover about 9% of the total area, 17% of the properties is in the range of 5-10 ha and covers 13% of the area, about 16% of the landholdings is in the range of 10-50 ha, while 3% of the farms is larger than 50 ha and cover 38% of the total area.

    Potential for irrigated agriculture

    At the global scale, Colombia is considered as a country with abundant natural resources, especially in relation to the land and water resources that present a great potential for the development of agriculture under irrigation.

    Soils.The Agustin Codazzi Geography Institute (IGAC) carried out the soil study for Colombia in 1973. Two soil types were distinguished. The type-A soils correspond to the soil classes I, II and III and are suitable for mechanization, intensive agriculture and livestock, and for the development of irrigated agriculture. These soils are mainly located in the Caribbean plains and in the Orinoquia and Amazon regions. Most of the type-B soils correspond to class IV; their ground surface varies from flat to concave-flat requiring among others land improvement like flood protection, drainage, and leaching. Once they are improved, their potential use is similar to the soil type A. The type A and B soils together constitute a potential area of 10.6 million ha for mechanized and irrigated agriculture.

    Water resources.According to the World Water Balance and Water Resources for the Earth of UNESCO, Colombia has a specific surface water yield of 0.59 l/s per ha, and the country occupies the fourth place at world level. This specific yield is six and three times larger than the values for the continental world and Latin America, 0.10 and 0.21 l/s per ha, respectively.

    Colombiahas an average annual rainfall of 1,900 mm. On 70% of the area the average annual rainfall is 2,000 mm or more and on almost one third of the area the rainfall is more than 4,000 mm (Pacific Coast and East plains). These values are above the average of 1,600 mm per year for Latin America, and above the global average of 900 mm per year. In contrast, the Caribbean Coast has little rainfall and is considered as a dry region.

    Colombiahas more than 1,000 perennial rivers, a figure that is larger than for Africa (60). It has 10 interior rivers, which have an average annual discharge greater than 1,000 m 3 /s. Colombia has a natural drainage network of 740,000 micro-basins in view of the high rainfall, topography and geology. This natural drainage is distributed in 4 regions or main river basins.

    Irrigation development. Colombia contributes less than 3% of the irrigated land area in Latin America, occupying the sixth place among the South American countries in view of irrigated lands over the total cultivated lands (12.5%). Colombia has followed a similar tendency as the Latin American region for its irrigation development. The area increased rapidly up to the end of 1960s, but the growth considerably dropped during the last two decades. During the period 1990 - 2000 the public sector concentrated its resources on the rehabilitation, completion and enlargement of the existing irrigation districts.

    Expectations for the irrigated agriculture.According to the National Water Study of 1984 Colombia has 14.4 million ha suitable for agriculture, of which 6.6 million ha (45.8%) are suitable for mechanized agriculture and the development of irrigated agriculture through irrigation and drainage infrastructure. This figure could be increased to 10.6 million ha after the improvement of some soils, which at present limit the conditions for agricultural use. Of these 6.6 million ha only 11.4% has an infrastructure for irrigation and drainage, of which 38% has been developed by the public sector and the remainder by the private sector.

    The Colombian Government established the "Decade Land Improvement Program for 1991 - 2000" to improve 535,500 ha with an irrigation and drainage infrastructure. During the different periods the Government has adapted the land improvement policies with the purpose to follow the preliminary land improvement program that was established for this period by the National Planning Department. However, the land improvement programs had a slow development.

    Policy for the land improvement sector. The historic development of the land improvement in Colombia has been largely influenced by the policy as established by the different governments, which have implemented their policies through the formulation of respective legal frameworks. The policy for the land improvement sector has changed by mandate (directive) after mandate, which did not permit a consistent development on the long term.

    The political outlines of the Colombian Government for the sub-sector of land improvement were enclosed in the Economic-Social Development Plan for the period 1991 - 2000. In 1991 the Colombian Government considered that the public and private investments are good mechanisms to contribute to the modernization of the agricultural production. The investments in land improvement projects would preferably have to be promoted and developed jointly by the public and private sector. To facilitate the investment recovery the Government tried to promote community participation during the design process of the projects, which after construction would be transferred to the water users associations for administration, operation and maintenance. A new institutional framework was proposed in which the Government would change its role from being a simple executor to more an investment promoter with a major involvement of the community.The law 41 (1993) set up the rules by which the land improvement sector was organized.

    After 7 years of land improvement programs within the new institutional framework, strong criticism rose in view of the role of the governmental agency due to a ineffective management of the economic resources and an almost zero-development of the land improvement programs launched from 1990 by different governmental programs. The criticisms were among others related to the management of external resources for the land improvement program, the costs for the functioning of the agency, and the quality of the agency's performance.

    As a result, a change in the institutional framework was introduced at the beginning of 2003 and the existing Governmental Agency for the Land and Improvement Sector and other public institutions within the public agricultural sector were suppressed and integrated in a new organization called Colombian Institute for Rural Development (INCODER). The Agreement 03 of February 2004 was considered as a key element within the new institutional framework by which organizational guidelines were established for the users' organizations including the basic regulation for the functioning of the small, middle and large irrigation districts. However, this agreement contained controversial points causing a new regulation for the administration, operation and maintenance of the irrigation districts including the transfer forms (delegation, administration, and concession) and considering that INCODER must not have direct interference in the water users organizations, but only in the management of the infrastructure (Resolution 1399/2005).

    Irrigation management transfer

    At the middle of the 1970s the Colombian Government started a program to transfer the irrigation management to water users associations. The transfer of irrigation districts in Colombia has been carried out during three periods. In 1976, the irrigation districts Coello and Saldaña were transferred by request of the water users. The Rio Recio, Roldanillo-La Union-Toro (RUT), Samaca, and San Alfonso Irrigation Districts were transferred during the period 1989-1993 and finally, during 1994-1995, most of the remaining irrigation districts were transferred following the policy established by the Colombian Government. At the moment, 16 irrigation districts out of 24 have been transferred and the remaining districts are still under the administration of the Government Agency.

    However, serious problems were detected during and after the transfer process concerning disputes on water rights and legal aspects, inadequate operation and maintenance of the hydraulic infrastructure, disagreement about the role of the Government Agency and water user associations, environmental degradation, problems related to economic and financial aspects, insufficient community participation, lack of leadership, and insufficient training and irrigation management. For some irrigation districts, these problems and constraints resulted in an inefficient performance, deterioration of the physical infrastructure and conflicts related to the operation, maintenance and administration of the system causing an unsustainable development of the irrigation districts.

    In the framework of this research the background of the transfer program in Colombia, its implementation, current status and impacts were reviewed. In this way the irrigation districts of Rio Recio, Coello, Saldaña , Zulia and Maria La Baja were visited and fieldwork and interviews with technical staff and farmers were carried out. Staff from the Government Agency for the Land Improvement Sector, and from private and public entities at local and regional level was also contacted. A review of some experiences and characteristics of the transfer of the irrigation management in other countries with similar characteristics as Colombia was also carried out.

    The experiences with the transfer of irrigation management in Colombia showed that the governmental financial burden was significantly reduced by the shift of the total costs for administration, operation and maintenance to the water users associations. The partial and in many cases the total elimination of the subsidies and the reorganization of the new institutional structure for the Land Improvement Sector facilitated the implementation of the decentralization and delegation policy for the sector. The impact of the delegation of functions to regional and local institutions can not yet be evaluated, because the institutions only recently started to take up their tasks after the delegation; however, scepticism exists among the water users' organizations concerning the effective action of this delegation.

    The development of the transfer program showed a clear difference between the first phase of the transfer program and the following stages. During the first phase the management transfer was promoted by the users themselves and showed a clear opposition of the Government Agency; while for the following phases the motivation came mainly from the Government and was interpreted by the users as a governmental strategy to face the fiscal crisis of the 1990s and to obtain the acquired compromises with the international banking.

    About 30 years after the start of the transfer program the researched water users organizations offered diverse grades of development. Some of them, presented a very well developed organizational stability (Rio Recio, Coello, Saldaña Irrigation Districts) based on financial self-sufficiency as a result of the provision of adequate and reliable irrigation water services; other districts as Maria La Baja showed a serious organizational crisis that resulted in a governmental intervention. The Zulia Irrigation District presented a great organizational model with a dynamic character that was based on an integral and participatory approach around profitable agricultural activities that were focused on rice production and on a clear vision of the future development of the organization. Subsequently, it can be said that in the post-transfer process and from organizational point of view three crucial phases seem to take place: namely adaptation, maturity or full development, and consolidation.

    An increase in efficient water use was another objective of the management transfer to the water users associations. However, observations during the research showed that the water use in the irrigation districts is a critical issue that will hamper the environmental sustainability of the irrigation systems. The financial self-sufficiency as a result of the water selling for the provision of irrigation water, especially for crops demanding large quantities of water like rice seemed to be a factor which did not contribute to the efficient use of irrigation water.

    From environmental point of view it has to be mentioned that the growing deforestation process affects the watersheds of the main surface waters of most of the researched irrigation districts. This situation affects amongst others the quality and costs of the maintenance and operation activities and the availability of the water resource.

    Lastly, the experience of the irrigation management transfer in Colombia allowed for the consideration of a wider concept of the role of an irrigation system. An irrigation system must not be considered as a simple hydraulic infrastructure that only provides irrigation water to the farmers, but it should be recognized as an important component of a production system, whose final objective is to contribute to the improvement of the living conditions of the farmers through irrigated agriculture under criteria of profitability, equity, efficiency, and an integral and participative management approach.

    Sustainable management of transferred irrigation systems; conceptual framework

    A conceptual framework for the sustainable management of irrigation districts transferred to water users associations is formulated and developed based on general concepts and approaches of sustainable water management and especially the sustainable use of land and water resources and the management of land and water systems.This framework is supported by certain general principles, approaches and definitions, some of which were stated in numerous events and conferences concerning improvement and preservation of the natural resources with special emphasis on land and water resources.

    The sustainability of an irrigation and drainage system refers to the physical and organizational infrastructure for management, administration, operation and maintenance during the lifetime of the system according to established specifications and giving the users the expected benefits without causing damage to the environment. The concept of sustainability involves three elements that play an important role in the definition of the conceptual framework for sustainable management of an irrigation system. The three components are Community (C), Environment (E), and Science & Technology (S&T) and they are interconnected within the existing institutional and legal contexts. This interrelationship determines the sustainability of an irrigation system.

    Community (C) represents the different interest groups in the irrigation and drainage sector; in which the farmers are the main beneficiaries. The community with its specific socio-economic-cultural characteristics and organizational forms interconnects with the Environment and Science & Technology components in order to contribute to the sustainable management of the systems. Environment (E) provides the natural resources for irrigated agriculture as production system. Climatic conditions, soils, ecosystems, and water resources are the main inputs provided by the environment component. Factors that affect the relationship between Environment and Community in two directions form risk factors. Science and Technology (S&T) represents the scientific and technological knowledge, methods, tools, and experiences that are available and can be used for the community with the purpose to intervene in the natural environment in order to satisfy its needs and desires.The Science & Technology constitutes the mechanism by which the risk factors for the relation between Environment and Community can be controlled or overcome. The technological alternatives for the provision of an irrigation and drainage service must be in line with the cultural, socio-economic, technical, and financial conditions of the Community. The level of service specifications, cost of the service, willingness to pay for the service provision, organizational forms, technical capacity, participation for operation and maintenance, decision-making, conflict resolution, and resource mobilization, play an important role in the relation Science and Technology and Community.

    RUT Irrigation District

    The RUT Irrigation District was taken as case study for this research. The historic background; description and characteristics of the physical, management and socio-economic aspects of the district; and finally the characteristics and impacts after the transfer process are presented. The RUT Irrigation District is located in the South-west of Colombia, in the northern part of the Valle del Cauca Department. It lies within the three municipalities that give their name to it, namely Roldanillo, La Union, and Toro. The altitude of the district ranges between 915 and 980 m+MSL (Mean Sea Level). Before the construction of the RUT Irrigation District the area was regularly subject to floods from both the Cauca River and the streams descending from the Western Mountain Range. As a consequence an area of 1,500 and 3,500 ha was under permanent and periodic floods respectively. As a result of the high water an area of about 2,500 ha had a high moisture content that only allowed the growth of grass, and an area of 4,000 ha that could only be used for extensive cattle breeding.

    In general terms, the irrigation system is primarily a flood protection and irrigation/drainage scheme. The long and narrow bowl-shaped area is surrounded by a protection dike, running along the East border with the Cauca River and a flood interceptor canal on the West side. A main drain divides the area almost in half, running through the lowest elevations. Parallel to the river dike is the main irrigation canal, which is served by three pumping stations with a total capacity of 13.8 m 3 /s. The flood interceptor canal also acts as an irrigation canal for the water users who use small centrifugal pumps to serve their individual needs. There is a complementary network of both irrigation and drainage canals throughout the area. The main drain discharges freely into the Cauca River during low stages and the drainage water is pumped during the high stages of the river.

    The RUT Irrigation District is one of the most important irrigation systems in Colombia. The district has excellent characteristics for the development of agriculture, namely the good quality of the available natural resources (climate, soils, and water), its strategic geographical location, and its potential for further agro-industrial development in view of national and international markets. Nowadays, the RUT Irrigation District shows a growing crisis, which is a serious threat for the sustainability of the whole system, when the necessary measures are not taken on short notice. External and internal factors; with their social, economic, environmental, technical, and institutional characteristics have contributed in different grade to this situation.

    From its early beginning, the management of the RUT Irrigation District has met a strong opposition from the local community that considered the irrigation scheme as one imposed by the National Government. As many projects of the 1960s and 1970s, also this project was developed with minimal participation of the local community and under almost total responsibility of the Government, who considered the implementation and development of a land improvement project completely as mere physical interventions with limited attention to the social, cultural, and economic requirements within an acceptable social context. Therefore, the farmers showed a very low sense of togetherness and they believed that it was the responsibility of the Government to carry out all the administration, operation and maintenance activities. During the administration of the district by the Government (1971-1989), this attitude did not have a serious impact, because the government agency was in charge of the whole management that included the operation and maintenance of the system with financial resources provided by the government. However, the paternalistic attitude of the land improvement sector, the negative impact of the canal alignments on their farms and agricultural practices, insufficient compensation for their land acquired by the Government for construction works, and lack of credibility of the investment project did not improve the motivation and attitude of the farmers.

    After the transfer in 1989, the Water Users Association ASORUT became fully responsible for the administration, operation and maintenance activities covering all the costs without any subsidy from the Government. The actual transfer was mainly focused on activities related to the organization of the water users association and on considerations concerning water charges and repair of the intake and main canal. Even today, the farmers believe that the transfer has been too rapid without sufficient assistance from the Government side and that the main objective of the Government was an as-fast-as possible management transfer of the irrigation district in order to satisfy the wishes of international financial entities that were interested in the land improvement sector. The main focus of the present management is the provision of irrigation water, from which they will obtain the necessary revenues for the financing of the organization. As the present organization is acting in a comparable way as the previous government agency, the stakeholders believe that the transfer process brought only a change of actors within the management.

    Some time later ASORUT faced the following main negative characteristics: low collection of water charges, temporal and spatial suspension of the maintenance activities for the irrigation network, a low quality of the provided irrigation services, an inefficient use of the irrigation infrastructure and irrigation water, conflicts amongst water users and between them and the administrative and technical staff of the organization, and finally the failure of an agreement concerning the payment of the water tariffs.

    The present management attitude clearly shows that the management only provides irrigation water without questioning whether the water contributes to the success of the production system of the farmers. The present situation is a result of the growing discrepancy in interests of the two parties: the organization is focused on the provision of irrigation water that is paid through a tariff and the farmers expect actions from the organization that will support them in the development of projects that will improve their standard of living.

    This management approach and some external factors caused several problems on, for instance the interceptor canal, the water quality, salinization processes, maintenance of the infrastructure, and development projects with international cooperation for the modernization of the district. The present crisis can be seen from the poor conditions of ASORUT, especially in the technical, economic, social, environmental, and institutional parts of the organization.

    The operation of the district is nowadays much more complex and the water supply has been affected by changes in the cropping pattern, by lack of irrigation schedules and cropping plans. The farmers decide themselves about the crops, the planting date and the moment that they request irrigation water. Sugar cane covers one-third of the area and requires much more water than the traditional crops. Modern agriculture practices use fruit trees that require a water supply with short irrigation intervals.

    The major environmental problems are related to the water quality. The domestic and industrial waste-water and the deforestation of the adjacent catchment areas are affecting the water quality of the irrigation canals and the Cauca River. At several places the salinization process is intensified by the reuse of drainage water, inefficient irrigation practices, lack of a drainage system at farm level, and salinization caused by groundwater.

    One factor that seriously influences the critical situation is the fact that there are two types of farmers in the area, namely the small and middle farmers and the large ones. Their minimal economic resources together with a low technology and small land area, the small and middle farmers can not, like the large ones, introduce and grow crops with a high profitability, like fruit crops. This has caused a lot of tension and disagreement between the two groups.

    Sustainable Management for the RUT Irrigation District; implementation of a conceptual framework

    An analytical framework for integrated water resources management has been used to formulate a well developed proposal for an integrated and sustainable management plan for ASORUT. The assessment of the present situation, the formulation of this management plan and the required interventions have been derived from interviews with farmers, administrative, technical, and field personnel from ASORUT, representatives of the municipalities and representatives of public and private institutions closely related to the land improvement sector.

    Proposals for integrated and sustainable management scenarios will be based on the potential internal and external factors of the district and their influence on the management process. Two scenarios can be developed for the district, namely a Direct Governmental Intervention Scenario and a Participatory and Communal Approach: a New Role for ASORUT.

    Both scenarios start from the current critical condition, but the first scenario is based upon the assumption of a continuous deterioration due to the present low management capability to produce the necessary changes that can lead to a gradual recovery. Inegative factors willcontinue to build up, for instance an increase in non-profitable agricultural practices resulting in a low willingness and capability of the farmers to pay the water fees; an increase of outstanding bills as the water users are not able to pay for the services resulting in a decreasing financial capacity of the organization. Other factors include changes in land use, especially the expansion of extensive crops like sugar cane and of other, non-agricultural uses; changes in the land tenure and lack of incentives for investments, especially in cash crops, agro-industry and marketing; increase of the presence of illegal groups that will cause unemployment and poverty. In this scenario ASORUT will have a very low management capability and its credibility will be at a very low level for the farmers, government and supporting public and private entities and that will result in a serious isolation of the organization within the national, regional and local context. In this scenario the gap between the two groups of farmers will not be bridged, but even deepened by the large difference in socio-economic conditions.

    This situation will form the start for the next phase of this scenario in which the government takes over the total control of the district and will undertake the necessary actions for a new organizational model. In this case the government may decide for a concession model, which has recently been considered during the changes of the legal framework for the land improvement sector (August, 2005). According to the law a Concession Contract contains the provision, operation, exploitation, organization and partial or total management of a public service; or the construction, exploitation and partial or total conservation of a work or good for the public use or service. It also includes all the necessary activities to be developed by the concessionaire for the appropriate provision or functioning of the work or public service and the remuneration for the control and care of the work or service by the concessionary entity is arranged by rights, tariffs, tax, and valuation, amongst others.

    This scenario will result in a management organization that will concentrate its services as irrigation water supplier on the large farmers, which present a strong socio-economic entity due to their most profitable agriculture practices. This management model will result in economic, financial and technical sustainability in the short and middle term, but its social sustainability will be seriously endangered due to the deepening of the differences between the small-middle farmers and large ones; the expected benefits will result in social inequalities as the large farmers will be strengthened and the small-middle ones will be excluded from any benefit.

    In the second scenario the community consisting of the water users in the district will play the main role; the water users association as representative of the users will head the development process. The fear of the community that the government could give the system management to another private organization forms the main incentive to change the present management situation without the interference of the government. The development process towards a sustainable management will follow an integral and participatory approach involving all the internal and external actors: namely the farmers as first beneficiaries; the technical and administrative staff; representatives of each municipality located in the influence area of the irrigation district; the land improvement sector; other supporting private and public entities. As a legal organization, ASORUT will act on behalf of all the farmers before public and private institutions in order to develop programs in a mutual way. Within this participatory scenario the organization will have a clear statement about its mission, which is aimed at the improvement of the quality of life of the farmers through a sound management of the district under principles of equity, competitiveness, sustainability and multi-functionality in line with the legal framework established by the government. This means that the activities will have to be broad and be focused on improved socio-economic conditions and living standard of its beneficiaries in an integrated and sustainable way.

    In this scenario ASORUT will have a well developed ability to formulate, plan and implement development-coherent programs for the short, medium, and long term. These programs will include socio-economic, technical, and environmental components and will be based on an integral, participative, and communal approach, meaning the participation of all the directly and indirectly involved actors. The programs will be based upon the promotion and practice of irrigated agriculture under criteria of profitability, efficiency, competitiveness, and sustainability, and at the same time the protection and conservation of the natural resources.

    Some major expectations from the implementation of this participatory and communal approach might include:        active participation and an improved sense of belonging of the farmer's side due to a better standard of living as a result of new, successful commercial projects; the farmers will have a better opinion concerning the organization; they will see that the organization pursues the well-being of all of them and as a consequence conflicts will reduce; commercial agriculture and corresponding business will reduce poverty and unemployment and increase the standard of living and will create a favourable environment for the conservation of the natural resources; the management capability of the organization will get stronger resulting in an efficient water supply to all the farmers, but also in the formulation and implementation of profitable agricultural projects; the community in the district will obtain more authority in a gradual way and will develop a mutual decision-making process in which the major differences between the two groups of farmers can be brought down resulting in a harmonic development; ASORUT will be recognized at local, regional and national level by all the public and private entities in view of its sound management and it will have a high ability for inter-institutional relationships; the physical infrastructure (pumping stations and other installations) will be used in a more efficient way and ASORUT will support and enhance the marketing of agricultural products.

    As a final conclusion it can be said that this scenario is the most suitable one for the district, the water users and farmers in view an integrated and sustainable management. Its implementation and successful development will create new conditions that will empower the community and allow them to participate in an active way in the decision-making process, while they take their responsibilities as they are the central actors for the necessary change processes.

    Physical and non-physical interventions considering the new management scenario

    Before the implementation of the new management scenario it is important that the present physical infrastructure of the RUT Irrigation District is brought to a higher level. The most important interventions are related to the pumping stations together with the implementation of new sand traps; improvement of the marginal irrigation canal, conveyance canal, canal 1.0 and the interceptor canal to reduce seepage losses and costs for maintenance; the modernization of three water level control structures in the interceptor canal to assure a correct operation of the canal. The new management would have to pay special attention to a proper water management that will result in a more efficient water use, a proper use of the hydraulic infrastructure and a correct operation of the pumping stations in order to reduce the high energy costs. In this way the management will regain its authority.

    The interventions from an environmental point of view should be mainly focussed on the water quality, the proper disposal of solid waste, the protection and conservation of the micro-watersheds, the control of the salinization process, and the formulation of an elaborated plan for the environmental management. The operational function of the new organization will have to focus on the use, reuse and control of water for irrigation in order to fulfil the specific needs and demands of the farmers.

    One of the major problems to be solved by the new management concerns the financing of the administration, operation and maintenance activities. That financing should come from the establishment of a new tariff structure. Discussions with the farmers have shown that they are willing to pay for the service that supplies irrigation water, because until now agriculture is for them the only profitable economic activity. The tariff would have to be supported by incentives for an efficient water use and reuse; and fines by an inefficient use of irrigation water. Activities to improve the economic condition of the farmers will help to increase their willingness to pay for water, especially in the case of the small and middle farmers.

    ASORUT needs to consider other possibilities for additional economic resources different to those coming from water fees. On the short term new financial resources can be obtained from the participation in the identification and implementation of agricultural production projects; from obtaining new credit lines; provision of technical services for the development of agricultural activities; and marketing of agricultural products. On the mid- and long-term, ASORUT can obtain more economic income from other, but parallel money-making projects, like agro-tourism, small rural enterprises, agro-industrial processing; and training programs for other irrigation districts.

    Productive agriculture in the future would have to be based on to the existing natural conditions within the area. Some of the crops, like grains, fruits, vegetables, cotton and grass offer good perspectives in view of international markets (fruits and vegetables) and can get some added value through agro-industrial processes within the area. Corn for example offers good possibilities to meet the local and national demand and can provide raw material for the national industry. Sugar cane forms the basis for an important production chain in the Valle del Cauca Department, but the crop is not very suitable for the prevailing conditions of ASORUT and it had a very negative impact on the physical infrastructure.

    ASORUT would have to promote privately negotiated future contracts, especially for small and middle farmers that will assure favourable selling prices, volume and quality of the agricultural products. These contracts can be for example with large department stores, large farmers who need a certain production volume and with the agro-processing industry or the National Agricultural Stock Exchange.

    The new ASORUT needs to try to recover and strengthen the sense of togetherness of the farmers by adapting objectives of the organization that are in line with the interests and expectations of the farmers, who for instance expect the development of profitable agricultural practices and the improvement of their standard of living in an efficient and equitable way. Transparency, accountability, clear actions, administrative efficiency, and equity are requirements demanded by farmers to create confidence in the organization.

    Expectation for a New Role for ASORUT

    A process that clearly reflected a bottom-up approach was followed in the framework developed as part of this research. The different stakeholders and other actors involved got the opportunity to present their views and ideas in several participatory workshops and direct discussions. In this way, the key factors for the present critical situation of ASORUT, the wishes and expectations of the farmers and other actors, and the required interventions have been identified.

    Two scenarios for the management of ASORUT have been developed and after a thorough analysis, one model, namely the "Scenario for a Participatory and Communal Approach: a New Role for ASORUT" is considered as the most suitable one in view of an integrated and sustainable management of the RUT Irrigation District.

    The transition stage will start from the present low organization level of ASORUT that is a result of different socio-economic and political events during the lifetime of the organization and for which ASORUT had not yet the adequate answers and adaptation capability to tackle the new circumstances and acquired responsibilities after the transfer of the irrigation management. At this moment, ASORUT suffers under a process of destruction at different levels that will practically end in a state of total collapse of the organization. This meagre state of the organization is reflected for instance in the poor socio-economic condition of the farmers, especially the small and middle ones, in the poor management capability of the organization and in a low credibility in the eyes of the farmers and the society at large.

    The questions to be answered are: how is it possible to implement the selected scenario under the current situation of ASORUT; how long will it take to arrive at the desired management condition and what are the requirements for the envisaged development? A vision of the near future under the new management model shows that ASORUT will be an organization based on equity, efficiency, sustainability and competitive criteria with the mission to promote the welfare of all the beneficiaries (farmers), to improve their socio-economic conditions through profitable agricultural practices and to be involved in all the stages of the production chain: production, post-harvest management, added value process (agro-industry), and marketing.

    Therefore, the stakeholders of ASORUT and the different actors involved have to make very vital and wide-reaching decisions on the short term to safeguard the organization and the physical infrastructure. In the presented scenario the current situation is considered as a "transition stage", which bridges the present degenerating organization and the new one that will be characterized by a dynamic behaviour and a capability to interpret and satisfy the wishes of the stakeholders in view of the sought improvement of their socio-economic living conditions. Moreover, this dynamic attitude of the new organization will be able to maintain and develop stable and lasting contacts with supporting public and private organizations in the land improvement sector, and will take advantage of all the available opportunities for further development as they are offered within the new management framework and the recent government policy for the land improvement. Passing from the current status (transition stage) to the desired condition will take considerable time, which is based on the fact that the ongoing deterioration process of the organization started a long time ago. The formulation and implementation of some small productive agricultural pilot projects that will involve small groups of small and middle farmers will be used as a strategic approach.

    This knowledge is based upon successful experiences in the Zulia Irrigation District, in the north-east of Colombia, which has now reached a degree of sustainable development where the farmers perform the central role, meaning that they lead and determine the development policy of the organization. In order to embark on and to reach the new management conditions for ASORUT the key actors will have to play an important role. The Board of Directors would have to include representatives of the farmer's community along with the Government Agency represented by the Departmental Agriculture Secretary. Other supporting public and private entities will join their resources and efforts in a concerted way to contribute to the final realization of the new management model.
    Check title to add to marked list

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.