Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 1 - 20 / 67

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Balans in bemesting : proefbedrijf Vredepeel onderzoekt de optimale bemstingsstrategie voor bioteelt
    Haan, J.J. de; Verstegen, H.A.G. - \ 2015
    Ekoland 35 (2015)10. - ISSN 0926-9142 - p. 20 - 22.
    biologische landbouw - bemesting - groenteteelt - vollegrondsteelt - preien - veldproeven - bedrijfssystemen - stikstofbalans - proefbedrijven - emissiereductie - groenbemesters - organic farming - fertilizer application - vegetable growing - outdoor cropping - leeks - field tests - farming systems - nitrogen balance - pilot farms - emission reduction - green manures
    Juiste bemesting is essentieel voor goede gewasopbrengsten, opbouw van bodemvruchtbaarheid en het voorkomen van emissies. Onderzoekers Janjo Haan en Harry Verstegen zochten op proefbedrijf Vredepeel naar de beste bemesting voor het biologische bedrijfssysteem. Bijbemesting in de prei en het goed inschatten van de mineralisatie en stikstofbenutting blijkt het lastigst.
    Ontwikkeling van de N-balans, het N-verlies en de beddingsamenstelling van vrijloopstal Hartman in 2013/2014
    Boer, H.C. de - \ 2015
    Wageningen : Wageningen UR Livestock Research (Livestock Research rapport 885) - 43
    stikstofbalans - stikstofverliezen - stallen - landbouwschuren - huisvesting van koeien - stikstofkringloop - melkveehouderij - duurzame veehouderij - mest - landbouw en milieu - rundveehouderij - dierenwelzijn - loopstallen - nitrogen balance - nitrogen losses - stalls - barns - cow housing - nitrogen cycle - dairy farming - sustainable animal husbandry - manures - agriculture and environment - cattle husbandry - animal welfare - loose housing
    Een aantal Nederlandse melkveehouders stapt de laatste jaren over van een ligboxenstal met een roostervloer naar een vrijloopstal met een organische bedding. Deze overstap heeft meerdere effecten, waaronder op de stikstofkringloop op het melkveebedrijf. Stikstof (N) verdwijnt uit deze kringloop onder andere door vervluchtiging uit de stal, uit de mestopslag en na het uitrijden van mest op het land. N-vervluchtiging kan negatieve effecten hebben op de milieukwaliteit en leiden tot verlies van productiviteit. Daarom is het wenselijk om het N-verlies door vervluchtiging op het melkveebedrijf zo laag mogelijk te houden. Het onderzoek in dit rapport richtte zich op het vaststellen van het totale N-verlies door vervluchtiging uit de vrijloopstal van de familie Hartman in Heibloem (Limburg).
    Ontwikkeling van de N-balans, het N-verlies en de beddingsamenstelling van vrijloopstal Ottema-Wiersma in 2013/2014
    Boer, H.C. de - \ 2015
    Wageningen : Wageningen UR Livestock Research (Livestock Research rapport 881)
    huisvesting van koeien - melkveehouderij - stikstofbalans - stikstofverliezen - stikstofkringloop - vervluchtiging - rundveemest - stalinrichting - loopstallen - rundveeteelt - dierenwelzijn - landbouw en milieu - cow housing - dairy farming - nitrogen balance - nitrogen losses - nitrogen cycle - volatilization - cattle manure - animal housing design - loose housing - cattle farming - animal welfare - agriculture and environment
    Een aantal Nederlandse melkveehouders stapt de laatste jaren over van een ligboxenstal met een roostervloer naar een vrijloopstal met een organische bedding. Deze overstap heeft meerdere effecten, waaronder op de stikstofkringloop op het melkveebedrijf. Het onderzoek in dit rapport richtte zich op het vaststellen van het N-verlies door vervluchtiging uit de vrijloopstal van de VOF Ottema-Wiersma in Midwolde (Groningen).
    Recirculatie potorchidee 10. Scenarioberekeningen stikstof emissie - 1
    Os, E.A. van; Kromwijk, J.A.M. - \ 2014
    sierplanten - potplanten - orchideeën als sierplanten - bemesting - vloeibare kunstmeststoffen - recirculatiesystemen - glastuinbouw - stikstofbalans - stikstofmeststoffen - ornamental plants - pot plants - ornamental orchids - fertilizer application - liquid fertilizers - recirculating systems - greenhouse horticulture - nitrogen balance - nitrogen fertilizers
    Voor andere gewassen zijn rekenprogramma’s ontwikkeld om effecten van bv. het natriumgehalte in het water en de natrium grenswaarde op de stikstof emissie door te rekenen. Met behulp van zo’n waterstromen model zijn verschillende scenario’s doorgerekend om inzicht te geven in het effect op de stikstof emissie bij recirculatie in de teelt van potorchideeën.
    Effect van gebruik mineralenconcentraat op nitraatuitspoeling : verkennend onderzoek in het kader van de Pilot Mineralenconcentraten
    Schils, R.L.M. ; Geerts, R.H.E.M. ; Oenema, J. ; Verloop, J. ; Assinck, F.B.T. ; Velthof, G.L. - \ 2014
    Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2570) - 43
    graslanden - maïs - teeltsystemen - nitraatuitspoeling - bemesting - stikstofbalans - grondwaterkwaliteit - grasslands - maize - cropping systems - nitrate leaching - fertilizer application - nitrogen balance - groundwater quality
    Het effect van het gebruik van mineralenconcentraten op de nitraatuitspoeling onder gras en maïs is getoetst op praktijkbedrijven van het ‘Koeien en Kansen’ netwerk. Op twintig percelen is in het voorjaar van 2014 het nitraatgehalte in het bovenste grondwater gemeten. Er is geen significant verschil gemeten tussen stroken bemest met kunstmest of stroken bemest met mineralenconcentraat.
    On farm development of bedded pack dairy barns in The Netherlands : nutrient balances and manure quality of bedding material
    Boer, H.C. de - \ 2014
    Lelystad : Wageningen UR Livestock Research (Report / Wageningen UR Livestock Research 709) - 30
    melkveehouderij - huisvesting van koeien - verandering - ligboxen - loopstallen - dierlijke meststoffen - compostering - bemesting - bodemvruchtbaarheid - stikstof - emissie - stikstofbalans - dairy farming - cow housing - change - cubicles - loose housing - animal manures - composting - fertilizer application - soil fertility - nitrogen - emission - nitrogen balance
    Nitrogen balances, total gaseous nitrogen emissions from barn and farmland, and manure quality of bedded-pack barns are compared with the free-stall barn.
    Strategies to reduce losses and improve utilisation of nitrogen from solid cattle manure
    Shah, G.M. - \ 2013
    Wageningen University. Promotor(en): Oene Oenema, co-promotor(en): Egbert Lantinga; Jeroen Groot. - S.l. : s.n. - ISBN 9789461735188 - 156
    stikstof - dierlijke meststoffen - ammoniakemissie - mineralisatie - stikstofverliezen - stikstofbalans - bodem - uitspoelen - rundveemest - opslag - voedingsstoffenbeschikbaarheid - nitrogen - animal manures - ammonia emission - mineralization - nitrogen losses - nitrogen balance - soil - leaching - cattle manure - storage - nutrient availability

    Background and objectives

    The number of domesticated cattle in the world has steadily increased during the last decades, and thereby also the amount of manure produced annually. The excrements of grazing cattle are dropped in pastures and left unmanaged, but that of confined and housed cattle are collected and managed. The collected manure is often a variable mixture of urine, faeces, bedding material and spoiled feed and (drinking) water. On most modern farms, excrements are usually collected in leak-tight storages and handled as slurry: a mixture of urine, faeces and spoiled water. However, on a significant fraction of farms, cattle excrements are ‘source-separated’ in a liquid fraction and a solid fraction. The solid cattle manure (SCM) is usually a mixture of faeces and bedding material with some absorbed urine. The production of SCM is increasing due to the renewed interest in straw-based housing systems for better animal health and welfare. It has been observed that a significant loss of N can occur, especially from the storage and application phases of the SCM management chain. This N loss pollutes the air, groundwater and surface waters, and also reduces its N fertiliser value. Thus the challenge is to develop an effective SCM management system that retains as much of the excreted N in the system as possible, and thereby improving on-farm N cycling through the cattle-manure-soil-crop continuum (Chapter 1). Themain objective of this PhD thesis research was to increase the understanding of the factors controlling N losses during storage and after field application, and to develop and test strategies to decrease N losses and improve crop utilisation of N from SCM. The specific objectives were:

    To study the interactions between a number of animal manures and soil types on N mineralisation and plant N recovery (Chapter 2) To investigate the effects of storage conditions on (i) magnitude and pathways of C and N losses during storage of SCM, and (ii) crop apparent N recovery (ANR) and DM yield (Chapter 3) To examine manure disappearance rates, N release pattern and herbage ANR during the year of application and the year thereafter from surface applied SCM subjected to different storage conditions (Chapter 4), and To analyse the effect of various application strategies on NH3 emission and/or crop ANR from applied SCM to grassland and arable (maize) land (Chapters 3 and 5)

    To pursue these objectives a pot experiment in a glasshouse (Chapter 2) and a number of field experiments (Chapters 3 to 5) were conducted on experimental facilities of Wageningen University, the Netherlands. The pot experiment dealt with net N mineralisation and herbage ANR from SCM, cattle slurry and poultry manure, all applied to peat, sandy and clay soils. The field experiments examined (i) total C and N losses from stockpiled, composted, covered and roofed SCM heaps, (ii) manure decomposition, N release and herbage ANR after surface application of fresh and stored SCM on grassland, and (iii) the effects of irrigation and soil incorporation after SCM application, and lava meal as an additive on NH3 emission and/or crop ANR by grassland herbage or arable maize.

    Major findings of the thesis

    Results of the pot experiment showed that net N mineralisation and herbage ANR varied as function of manure storage method and soil type. Irrespective of the manure types, net N mineralisation and herbage ANR were highest in peat soil, which was characterised by the greatest N delivering capacity. Between the clay and sandy soils, both having similar N delivering capacity, net N mineralisation and herbage ANR were lower in the clay soil than in the sandy soil, likely because of immobilisation and fixation of ammonium-N by its inherited higher clay content. On each soil type,ANR was lower from SCM than cattle slurry and poultry manure(Chapter 2). The N recovery fraction was low when SCM was stored traditionally (i.e. stockpiling or composting) due to (i) loss of the initial mineral N content and readily degradable organic N compounds, and (ii) conversion of part of the remaining N into more stable forms as compared to that originally present before storage. Up to 31% of the initial total N from the stockpiled and 46% from the composted SCM heaps were lost during a period of about four months. Covering and roofing of SCM heaps reduced the losses down to 6 and 12%, respectively. Of the total N losses from each storage method, only about one fourth could be traced back as NH3-N and N2O-N emissions, and/or N leaching. The remainder could not be accounted for and constituted, in all probability, of harmless N2 gas. Of the total measured gaseous and liquid N losses together, N leaching contributed the most. The leaching N losses were reduced by almost three times through protection of SCM heap against precipitation either by its covering or roofing when compared to its stockpiling or composting in the open air. Although stockpiling of SCM under a roof significantly reduced overall total N losses, NH3 and N2O emissions were much higher as compared to stockpiling of SCM in the open air. Composting of SCM resulted in higher gaseous N emissions as well as N leaching with respect to the other storage methods. In view of these finding I conclude that covering of SCM heaps with an impermeable sheet is the best option to reduce storage N losses (Chapters 3 and 4).

    In addition, because of N conservation and slow mineralisation of the organically bound N during the covered storage, mineral N content of SCM increased at the end of the storage phase. This, together with high mineralisation activities after field application of covered SCM, led to greater crop ANR and DM yield especially when compared to composted SCM, both in the year of application and in the subsequent year. When N losses during storage was taken into account to arrive at the crop ANR of the collected manure from the barn, it turned out that the ANR value was about three times larger in case of covered storage compared to composting of SCM, both for grassland (21 vs. 7%; Chapter 4) and arable land (37 vs. 13%, Chapter 3). Interestingly, despite of some N losses during covered storage (~10% of the initial N), crop ANR and DM yield were significantly larger from covered than fresh SCM taken directly from the barn, again in both situations.

    Irrigation immediately after SCM spreading and use of lava meal as an additive significantly (i) reduced NH3 emission and (ii) improved crop ANR as well as DM yield (Chapters 3 and 5).Irrigation at a level of 5 mm immediately after surface application of fresh and covered SCM to grassland reduced NH3 emission by 30 and 65%, respectively, whereas it was not effective in case of composted SCM, likely because of its greater DM content. Addition of lava meal before application at a rate of 80 g per kg of covered SCM resulted in an emission reduction of 46%. By combining it with 10 mm irrigation, an almost 100% reduction in NH3 emissions from covered SCM was realised, whereas herbage ANR increased from 18 to 26% of the applied N over a growing period of five months (Chapter 5). Incorporation of SCM just before sowing of maize resulted in an ANR value of 39% from covered SCM, whereas this fraction was 20, 29 and 31% in case of composted, stockpiled and roofed manure, respectively (Chapter 3).

    Overall conclusions

    The ANR from applied manure in harvested herbage depends on manure type and soil type, and varies widely. It is lower from SCM than from cattle slurry Total N losses during storage of SCM can be reduced remarkably by covering the heap with an impermeable sheet. Covering reduced two N loss pathways: (i) gaseous N emissions to air, and (ii) N leaching to surface waters and groundwater. Field application of SCM that was covered by a sheet during storage, decomposed faster and more N was available for plant uptake, both in the year of application and the subsequent year, when compared to SCM that was stored in traditional ways Emission of NH3 following land application of SCM can be reduced greatly by irrigation or incorporation immediately after SCM spreading, and using lava meal as an additive. Irrigation appeared to be more effective in reducing NH3 emission than the addition of lava meal. All these NH3 emission abatement measures substantially increased crop ANR and DM yield Overall, combining covered storage with either direct irrigation following application of SCM to vegetated soil or direct incorporation in the soil following application of SCM to arable land is the best practical option to reduce losses and improve utilisation of N from SCM management systems. Depending on the farm infrastructure, losses may be further reduced by the use of lava meal, preferably as a bedding additive in the barn

    Implication for efficient manure management

    In many industrialised countries, animal manure is a major source of environmental pollution. In contrast, in most of the developing countries animal manure is considered as a key nutrient source to maintain or improve crop productivity and therefore N losses from manure management are more seen as ‘loss of plant nutrient’ rather than ‘pollution problems’. In either case development of efficient SCM management systems is highly important. Based on the results of this thesis, I propose some key management actions to improve the agro-environmental value of SCM.

    If economically attractive, apply lava meal to straw bedding in the barn (Chapter 5) Store the barn-produced SCM under impermeable sheet (Chapters 3 and 4) Crop and soil-specific SCM application rates must take into account the potential available N (Chapter 2) and degradability of organic N compounds (Chapter 4) Incorporate the SCM from covered storages directly into the soil when applied to arable land (Chapter 3) In situations where incorporation is not feasible, like on grassland, spread SCM just before a predicted rainfall event or apply irrigation otherwise (Chapter 5) Take into account the expected residual N contribution from earlier manure input when determining the manure application rate(Chapter 4)
    Implementatie Kaderrichtlijn water op melkveebedrijven
    Hoving, I.E. ; Roelsma, J. ; Heuvel, J.J.A.A. van den; Wientjes, H.A. ; Bos, A.J. ; Middelaar, J.A. van; Deurzen, J.H.M. van; Hamans, R.J.G. ; Janssen, H.L. ; Verhoeven, F.P.M. - \ 2012
    Lelystad : Wageningen UR Livestock Research (Rapport / Wageningen UR Livestock Research 581)
    melkveehouderij - veevoeding - bemesting - stikstofbalans - fosfor - fosfaatuitspoeling - nitraatuitspoeling - waterkwaliteit - kaderrichtlijn water - dairy farming - livestock feeding - fertilizer application - nitrogen balance - phosphorus - phosphate leaching - nitrate leaching - water quality - water framework directive
    As an alternative to application of more generic measures, in 'Landbouw Centraal' a method is tested to improve water quality by dairy farmers. Reduction of emmissions of at least 10% (N) to 20% (P2O5) towards ground- and surface waters should be possible, without harming the economical farm result.
    The European Nitrogen Assessment. Bevindingen en lessen uit eerste Europese stikstofanalyse
    Grinsven, H. van; Erisman, J.W. ; Oenema, O. ; Bouwman, L.A. ; Vries, W. de; Westhoek, H. ; Bleeker, A. - \ 2011
    Milieu dossier 3 (2011). - p. 17 - 22.
    milieubeheer - stikstofbalans - stikstofdioxide - ammoniak - verontreiniging - luchtverontreiniging - bodemverontreiniging - environmental management - nitrogen balance - nitrogen dioxide - ammonia - pollution - air pollution - soil pollution
    Stikstof is een belangrijke voorwaarde voor productieve landbouw en daarmee voor de voeding van de wereldbevolking. Stikstof uit de landbouw, de industrie en het verkeer veroorzaakt echter schade aan volksgezondheid en natuur. De totale jaarlijkse maatschappelijke schade in de EU27 wordt geschat op 70-320 miljard euro, of 150-750 euro per inwoner. Er is waarschijnlijk welvaartswinst te boeken door de emissies te beperken en de efficiëntie in de landbouw te verhogen. De vraag is alleen hoe: stap voor stap en stof voor stof is een meer integrale aanpak beter?
    Effecten van verzuring op bodemleven en stikstofstromen in bossen : verkenning van mogelijkheden voor herstelmaatregelen
    Kemmers, R.H. - \ 2011
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 2204) - 42
    verzuring - bodemchemie - bodembiodiversiteit - bosgronden - stikstofbalans - stikstofkringloop - ecologisch herstel - acidification - soil chemistry - soil biodiversity - forest soils - nitrogen balance - nitrogen cycle - ecological restoration
    Dit rapport geeft een samenvatting van de resultaten van de analyses van het bodemleven, de stikstofstromen en bodemcondities over een brede range van bosgronden. In dit rapport staat de vraag centraal of door verzuring de relatie tussen ondergrondse en bovengrondse biodiversiteit via de N-kringloop is beinvloed. De conclusie is dat door verzuring de activiteit van bacterien (protozoa) en regenwormen is afgenomen en die van schimmels, nematoden en potwormen is toegenomen. Hierdoor is een verschuiving opgetreden in de stikstofbalans van N-immobilisatie naar netto N-mineralisatie. Hiervan profiteren opportunistische soorten in de ondergroei door het extra N-aanbod om te zetten in biomassa waardoor kritischer soorten worden benadeeld. Herstelmaatregelen moeten gericht zijn op herstel van de N-balans tussen bovengronds en ondergronds leven in de richting van een grotere N-retentie door het bodemleven. Hierin kan via het beheer worden gestuurd.
    Klimaatbestendigheid van de EHS 2 : simulatieruns met de modellen NHI-SMART2-SUMO2 voor klimaat- scenario's
    Wamelink, G.W.W. ; Wieggers, H.J.J. ; Mol-Dijkstra, J.P. ; Voogd, J.C.H. - \ 2011
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 2136) - 51
    klimaatverandering - stikstofbalans - simulatiemodellen - ecologische hoofdstructuur - vegetatie - nederland - climatic change - nitrogen balance - simulation models - ecological network - vegetation - netherlands
    De Ecologische Hoofd Structuur (EHS) is in ontwikkeling om het voorbestaan van de Nederlandse natuur te waarborgen. Processen als gevolg van klimaatverandering zouden deze doelstelling echter negatief kunnen beïnvloeden, wat tot een her-evaluatie van de ligging en inrichting van de EHS zou kunnen leiden. Om de effecten van klimaatverandering gecombineerd met de effecten van stikstofdepositie te evalueren zijn de modellen SMART2-SUMO2-NTM3 gedraaid voor vier verschillende klimaat- en stikstofdepositiescenario’s, waarbij de hydrologische input afkomstig was van het NHI. Het effect van klimaatverandering in de vorm van veranderende neerslag en verdamping is naast het effect van temperatuurverandering meegenomen. Zoals verwacht leidt een lagere stikstofdepositie tot een lagere stikstofbeschikbaarheid en lagere biomassa en een hogere plantendiversiteitwaarde. Klimaatverandering leidt gemiddeld tot een hogere stikstofbeschikbaarheid, een hogere biomassa en, voor een groot deel van de doorgerekende locaties, tot een lagere plantendiversiteit. De meeste indicatoren wijzen er op dat klimaatverandering (W-scenario) via vooral de verhoging van de stikstofbeschikbaarheid negatieve effecten zal hebben. Effectgerichte maatregelen en brongerichte maatregelen die ook worden toegepast om het effect van stikstofdepositie teniet te doen zouden ook kunnen helpen om een deel van de effecten van klimaatverandering te beperken.
    Effect van bijvoeren van runderen op de N-balans; Een studie in de Amsterdamse Waterleidingduinen
    Klimkowska, A. ; Dobben, H.F. van; Wamelink, G.W.W. ; Slim, P.A. - \ 2010
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 2067) - 40
    rundvee - bijvoeding - begrazing - stikstof - depositie - stikstofbalans - duingebieden - natuurgebieden - vegetatie - noord-holland - bodemchemie - cattle - supplementary feeding - grazing - nitrogen - deposition - nitrogen balance - duneland - natural areas - vegetation - noord-holland - soil chemistry
    In de Amsterdamse Waterleidingduinen wordt verruiging bestreden door het inscharen van runderen van een nabije boer. Deze worden in de winter bijgevoerd. Doel van dit project was het schatten van het belang van bijvoeren als import-term van stikstof, naast atmosferische depositie. Het blijkt dat de import van stikstof met bijvoeren niet verwaarloosbaar is ten opzichte van de atmosferische depositie, en voor de gevoelige vegetatietypen kan leiden tot een overschrijding, of tot een vergroting van de al bestaande overschrijding, van de critical load. Aanbevolen wordt maatregelen te nemen om deze gevoelige typen te beschermen tegen extra input van stikstof, bij voorbeeld door uitrasteren, door het verplaatsen van de voerplaats, door minder of niet bij te voeren, door in de winter geen koeien in te scharen, of door waar mogelijk de mest op te ruimen.
    Milieu en economie kunnen goed samengaan
    Ham, A. van den - \ 2010
    Wageningen : Wageningen Universiteit (BO-12.07 infobladen 14) - 2
    milieubeheer - agrarische economie - stikstofmeststoffen - stikstofbalans - landbouw en milieu - environmental management - agricultural economics - nitrogen fertilizers - nitrogen balance - agriculture and environment
    Milieu en economie kunnen op bedrijfsniveau goed samengaan. Dat blijkt uit de resultaten van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Er zijn melkveehouder-deelnemers die zowel goede economische resultaten als goede milieuresultaten halen. Bovendien blijkt dat zo’n combinatie niet aan één bepaalde bedrijfsstrategie is gebonden. Wel blijven er grote verschillen tussen bedrijven met een vergelijkbare strategie, zowel qua economische resultaten als qua milieuresultaten. Al houden melkveehouders zich in grote lijnen allen aan dezelfde wettelijke gebruiksnormen, ze doen dat dus toch niet allen op dezelfde wijze.
    Stikstofbemesting in rabarber
    Ruijter, F.J. de; Visser, W. de - \ 2010
    Wageningen : Plant Research International (Rapport / Plant Research International 349) - 9
    rabarber - teelt - groenteteelt - stikstofbalans - stikstof - verhoudingen - bemesting - rhubarb - cultivation - vegetable growing - nitrogen balance - nitrogen - ratios - fertilizer application
    In de rabarberteelt leeft sterk de vraag hoeveel stikstof het gewas nodig heeft en of via efficientere bemestingsmethoden aan die behoefte is te voldoen. Wanneer de stikstofbehoefte van de totale teelt bekeken wordt, was het in de uitgevoerde en hier beschreven proef mogelijk om binnen de huidige gebruiksnorm voldoende N te bemesten.
    Gebruik van varkensdrijfmestdigestaat in de akkerbouw : Verslag van een vierjarige demo, uitgevoerd binnen het project Nutriënten Waterproof op proefboerderij Vredepeel
    Geel, W.C.A. van; Haan, J.J. de; Verstegen, H.A.G. - \ 2010
    Lelystad : PPO AGV (Projectrapport ) - 27
    varkensdrijfmest - mest - meststofdragers - stikstof - stikstofbalans - biogasmest - agro-industriële bijproducten - digestaat - pig slurry - manures - fertilizer carriers - nitrogen - nitrogen balance - biogas slurry - agroindustrial byproducts - digestate
    Digestaat is een restproduct dat overblijft na de (co)-vergisting van drijfmest voor de productie van biogas. Het kan evenals drijfmest als meststof worden gebruikt in de akker- en tuinbouw. In de jaren 2006 t/m 2009 is het gebruik van digestaat van varkensdrijfmest (VDM-digestaat) opgenomen in een demo in het bedrijfssystemenonderzoekproject Nutrienten Waterproof (NWP) op proefboerderij Vredepeel (zuidoostelijke zandgrond). Uit deze demo is gebleken dat het varkensdrijfmestdigestaat een waardevolle meststof is, maar er is nader onderzoek nodig om de stikstofwerking ervan te kunnen voorspellen, opdat bij toepassing van dit digestaat de juiste hoeveelheid werkzame stikstof aan het gewas kan worden gedoseerd.
    The NDICEA model: a supporting tool for nitrogen management in arable farming
    Burgt, G.J.H.M. van der; Timmermans, B.G.H. - \ 2010
    stikstofbalans - computeranalyse - biologische landbouw - bemesting - stikstofverliezen - nutriëntengebruiksefficiëntie - mineralenboekhouding - nitrogen balance - computer analysis - organic farming - fertilizer application - nitrogen losses - nutrient use efficiency - nutrient accounting system
    Nitrogen use ef ficiency is an important item i n organic farmi ng. Modelling nitrogen dynamics can help to understand the impact of alter native agronomic practices and thus assist in decision making. In three exampl es in the Netherlands, the role of the NDICEA model is demonstrated. I t is concluded that NDICEA is an easy to use and helpful tool for optimizing nitrogen efficiency and mi nimizing losses
    Indicator voor stikstofmineralisatie op gescheurd grasland = Indicator of nitrogen mineralisation on broken meadowland
    Schooten, H.A. van; Hoving, I.E. ; Dekker, P.H.M. ; Riel, J.W. van - \ 2008
    Wageningen : Animal Sciences Group (Rapport / Animal Sciences Group 89) - 45
    scheuren - stikstof - indicatoren - stikstofbalans - maïs - aardappelen - shakes - nitrogen - indicators - nitrogen balance - maize - potatoes
    This report addresses the results of an experiment with field trials with potatoes and silage maize onsandy soil in 2006 in order to obtain a suitable indicator for predicting N-mineralisation after ploughing the grassland. This study is part of a larger project with more field trials and a laboratory experiment. Ploughed grassland on the locations selected provided much nitrogen, due to which it was not possible to infer an indicator from the crop response for adjusting nitrogen recommendation. N-total seems to be the most promising parameter in predicting nitrogen mineralisation
    Future carbon sequestration in Europe - Effects of land use change
    Schulp, C.J.E. ; Nabuurs, G.J. ; Verburg, P.H. - \ 2008
    Agriculture, Ecosystems and Environment 127 (2008)3-4. - ISSN 0167-8809 - p. 251 - 264.
    landgebruik - kooldioxide - gewassen - bodemchemie - stikstofbalans - modellen - europa - land use - carbon dioxide - crops - soil chemistry - nitrogen balance - models - europe - gefsoc modeling system - organic-carbon - soil carbon - projected changes - landscape units - cover change - scenarios - dynamics - belgium - stocks
    Important land use changes are expected in the European Union (EU) the coming decades, having effects on carbon stocks in soil and vegetation. We assessed how future land use change (LUC) can influence future carbon stock change in soil and vegetation in the EU. The emphasis is on the role of LUC in the overall carbon balance of the EU biosphere. Because LUC is the most dynamic driving factor of terrestrial carbon stock change, it is important to account for the dynamics of LUC in carbon stock change modelling. The major challenge in coupling a carbon model and a LUC model is the difference in spatial and temporal resolution generally used in these modelling approaches. We used a high-resolution LUC model and a carbon bookkeeping approach that takes into account effects of soil and forest age on carbon stock changes. These approaches best fit the chosen resolution and extent in a consistent manner. Four SRES scenarios that cover a range of possible future developments were evaluated: Global Economy (A1): lean government, strong globalization; Continental Markets (A2): lean government, regional cultural and economic development; Global Co-operation (B1): much governmental intervention, strong globalization; Regional Communities (B2): much governmental intervention, regional cultural and economic development. If land use remains unchanged, carbon sequestration rates are expected to decrease by 4% in 2030 relative to 2000. LUC causes an additional sequestration rate decrease in the A2 scenario of 2% in 2030. In the other three scenarios, sequestration rate increases by 9¿16% in 2030 relative to 2000. In 2030, the terrestrial biosphere in the EU is expected to sequester between 90 and 111 Tg C year¿1. This is 6.5¿8% of the projected anthropogenic emissions. In the B2 scenario, the highest sequestration rate increase is expected (15 Tg C year¿1). Clear differences are found in the spatial distribution of sinks and sources between the scenarios, illustrating that land use is an important factor in future carbon sequestration changes that cannot be ignored.
    Productivity and resource use in ageing tea plantations
    Kamau, D.M. - \ 2008
    Wageningen University. Promotor(en): Huub Spiertz; Oene Oenema, co-promotor(en): P.O. Owuor. - [S.l.] : S.n. - ISBN 9789085048084 - 140
    camellia sinensis - thee - gewasproductie - gewasopbrengst - verouderen - bodemvruchtbaarheid - stikstofbalans - voedingsstoffen - kringlopen - kenya - camellia sinensis - tea - crop production - crop yield - aging - soil fertility - nitrogen balance - nutrients - cycling - kenya
    Keywords: Kenya, Camellia sinensis L., clones, seedlings, tea industry, management, N-P-K, biomass, made tea yields.

    The tea industry in Kenya is rural-based and provides livelihood to over three million people along the value chain. The industry which started in the first quarter of the 20th century has continued to increase in terms of production and total acreage. Tea is grown in prime agricultural and forest land and can be in production for up to 100 years if well managed. However, peak yields are obtained at 20–40 years after planting followed by a decline to a level where the plantations may become degraded and uneconomical. In the past, several hypotheses have been postulated, but the cause of this degradation largely remains unclear. The big question still lingers, is it the tea bush that degrades, the soil or both?
    In this study, trends in tea yields were first assessed by analysing long-term tea production data, from 1969 to 2006, for the two sectors of the Kenyan tea industry. The plantations are characterized by differences in age and genotypes (seedling or clonal). To explore plausible management options for tea productivity improvement, a simple decision-support (DS) model for Managing Ageing Plantations of Tea (MAP-Tea) was developed and scenario analyses were done to explore some promising management interventions. It was found that uprooting and replanting of degraded old seedling tea plantations with clonal cultivars would be profitable. However, management practices that prevent degradation are most cost effective.
    The experimental part of the study was carried out during two years, 2002/2003 and 2003/2004, in a chronosequence of existing tea plantations (14, 29, 43 and 76 years old), adjacent to a natural forest in Kericho, Kenya. Soil-plant-environment relations and effects on tea bush productivity, C and N-P-K stocks and soil quality traits were analysed. Younger clonal tea plantations established at high densities outyielded the older seedling plantations with a lower densities. Ageing per se did not reduce the N-response or the productivity of tea plantations. It was shown that seedling tea bushes acquire much higher C and N-P-K nutrient stocks with age than clonal bushes. This may enable seedling plantations to depend less on limiting nutrient(s) supply under adverse conditions, i.e. drought. The top soils of the four tea plantations showed small differences in chemical and biological characteristics, also in comparison to the natural forest. Soil pH and total organic carbon were weakly related to the productivity of the ageing tea plantations. Additions of tea prunings in incubated soils caused immobilization of N and lowered the net N-mineralization compared to the forest soil, but the differences were relatively small and unlikely to cause degradation of the ageing tea plantations. Further improvement in productivity and resource use of ageing tea plantations should come from a better timing and dosing of nitrogen, and from the transition from old low-yielding seedling plantations to modern higher-yielding clonal plantations taking into account Genotype × Environment × Management (G×E×M) relationships.

    Stikstofbemesting bij andijvie : timing (start, bijmesting) en plaatsing (plant, rij, bed)
    Ruijter, F.J. de - \ 2007
    Wageningen : Plant Research International (Rapport / Plant Research International 164) - 21
    cichorium endivia - andijvie - mestgift bij het zaaien - stikstofmeststoffen - stikstofbalans - gebruiksefficiëntie - plaatsing (van meststoffen) - rijenbemesting - cichorium endivia - endives - starter dressings - nitrogen fertilizers - nitrogen balance - use efficiency - placement - band placement
    In een demoproef met meststoffen werd in 2006 gevonden dat een startgift een positief effect had op de opbrengst van andijvie, ondanks een hoge Nmin-voorraad in de bodem. Dit sloot aan bij ervaringen van telers, en discussie hierover in de bladgewassenwerkgroep van Telen Met Toekomst leidde tot de huidige proef, waarin het effect van timing en plaatsing van stikstofkunstmest op de productie van andijvie bekeken is. De proef is uitgevoerd in twee plantingen: begin juli (proef 1) en begin augustus (proef 2). In proef twee is meer bemest dan in proef 1 en is er gevarieerd met de verdeling van de meststof (Kas) tussen planttijdstip en drie weken na planten. Een gift bij start blijkt een snellere weggroei te hebben en kan een hogere opbrengst bij oogst. Wanneer een startgift volvelds gegeven wordt, komt er veel N tussen de planten en tussen de rijen, dus nog buiten bereik van de pas geplante plantjes. Om het risico op uitspoeling te beperken kan volstaan worden met een kleiner startgift specifiek toegediend bij de plantjes
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.