Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Current refinement(s):

    Records 1 - 20 / 120

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    • alert
      We will mail you new results for this query: keywords==vergelijkingen
    Check title to add to marked list
    Emissieloze kas haalbaar met gangbare techniek
    Os, E.A. van; Beerling, E.A.M. ; Staaij, M. van der; Ruijven, J.P.M. van; Janse, J. - \ 2015
    Kas techniek 2015 (2015)5. - p. 26 - 29.
    glastuinbouw - teeltsystemen - emissiereductie - recirculatiesystemen - substraten - cultuur zonder grond - kweekmedia - vergelijkingen - kastechniek - landbouwkundig onderzoek - gewaskwaliteit - greenhouse horticulture - cropping systems - emission reduction - recirculating systems - substrates - soilless culture - culture media - comparisons - greenhouse technology - agricultural research - crop quality
    Vorig jaar startte Wageningen UR Glastuinbouw samen met een aantal partijen uit de tuinbouw een project om te onderzoeken of emissieloos telen mogelijk is bij dezelfde productie en kwaliteit. En om te ontdekken welke technieken daarvoor nodig zijn. In dit artikel gaan de betrokken onderzoekers dieper in op deze waterefficiënte emissieloze kas en presenteren zij de eerste resultaten
    Plastic raakt zoek in de oceaan (interview met Jan Andries van Franeker)
    Kleis, R. ; Franeker, J.A. van - \ 2015
    Resource: weekblad voor Wageningen UR 10 (2015)2. - ISSN 1874-3625 - p. 18 - 19.
    mariene gebieden - microplastics - oceanen - ecotoxicologie - vogels - vergelijkingen - marine areas - microplastics - oceans - ecotoxicology - birds - comparisons
    De plastic eilanden op de oceanen verliezen in hoog tempo .....plastic. Jan Andries van Franeker toont dat aan door plastic vangsten in die eilanden te vergelijken met de maaginhoud van Noordse stormvogels op de Noordzee. Waar al dat plastic blijft, is vooralsnog een raadsel.
    NPK balans, N-verlies en beddingsamenstelling van vrijloopstal Hoogland in 2014
    Boer, H.C. de - \ 2015
    Wageningen : Wageningen UR Livestock Research (Livestock Research rapport 886) - 24
    rundvee - huisvesting van koeien - loopstallen - dierenwelzijn - stikstofkringloop - stikstof - vervluchtiging - bemesting - vergelijkingen - landbouw en milieu - stikstofverliezen - dierlijke productie - melkvee - milieu - cattle - cow housing - loose housing - animal welfare - nitrogen cycle - nitrogen - volatilization - fertilizer application - comparisons - agriculture and environment - nitrogen losses - animal production - dairy cattle - environment
    Een aantal Nederlandse melkveehouders stapt de laatste jaren over van een ligboxenstal met roostervloer naar een vrijloopstal zonder boxen en met een organische bedding. Een belangrijke reden voor deze overstap is het realiseren van een beter dierenwelzijn in de stal. Naast een beter dierenwelzijn heeft de overstap ook andere effecten, waaronder op de stikstofkringloop op het bedrijf. Stikstof (N) verdwijnt uit deze kringloop onder andere door vervluchtiging uit de stal, uit de mestopslag en na het uitrijden van mest op het land. N kan vervluchtigen in de vorm van ammoniak (NH3), lachgas (N2O), stikstofgas (N2) en overige stikstofoxiden (NOx). De vervluchtiging van ammoniak kan bijdragen aan verzuring en eutrofiëring van de natuur en vervluchtiging van lachgas aan opwarming van de aarde. De vervluchtiging van stikstofgas heeft geen directe negatieve effecten op de omgeving. Echter, door het verdwijnen van N uit de bedrijfskringloop moet er wel meer N op het bedrijf aangevoerd worden om de productiviteit van de bodem, de gewassen en de koeien op niveau te houden. Gebeurt dit met dierlijke mest of kunstmest, dan leidt dit alsnog tot een hogere milieubelasting. Gezien de bovenstaande consequenties is het wenselijk om de N-vervluchtiging op het melkveebedrijf zo laag mogelijk te houden. Om inzicht te krijgen in milieu- en productiviteitseffecten van de omschakeling van een ligboxenstal naar een vrijloopstal is het dus nodig om inzicht te krijgen in de hoeveelheid N die vervluchtigt uit de vrijloopstal en deze te vergelijken met de ligboxenstal. N vervluchtigt niet alleen uit de stal maar ook na het uitrijden van mest uit de stal op het land. Een stalsysteem met een relatief lage Nvervluchtiging direct uit de stal kan een relatief hoge N-vervluchtiging na mesttoediening hebben, en omgekeerd. Bij de ligboxenstal met productie van drijfmest wordt bijna de helft van de totale Nvervluchtiging (stal + land) na het emissiearm uitrijden van de mest op het land gerealiseerd (zie paragraaf 2.4). Om een meer volledig en betrouwbaar beeld te hebben van de N-vervluchtiging van een stalsysteem is het daarom gewenst om de N-vervluchtiging direct uit de stal en na mestaanwending gezamenlijk te beoordelen.
    Duurzaam elektrisch beregenen
    Spruijt, J. ; Russchen, H.J. - \ 2015
    Lelystad : PPO AGV (Rapport / PPO-AGV 649) - 20
    akkerbouw - beregening - duurzaamheid (sustainability) - watervoorziening - elektrische kracht - zonnecollectoren - alternatieve methoden - energiegebruik - kennisoverdracht - vergelijkingen - irrigatiesystemen - arable farming - overhead irrigation - sustainability - water supply - electric power - solar collectors - alternative methods - energy consumption - knowledge transfer - comparisons - irrigation systems
    De landbouw wordt geconfronteerd met een aantal belangrijke knelpunten, onder andere klimaatverandering, de beschikbaarheid van voldoende water en afhankelijkheid van fossiele energie. Het praktijknetwerk Duurzaam elektrisch beregenen wil bijdragen aan kennisontwikkeling en kennisverspreiding over duurzame methoden van beregening. Als doel wil het praktijknetwerk beoordelen de economische en milieutechnische duurzaamheid van twee beregeningstechnieken. Als eerste de reguliere beregening met beregeningshaspel aangedreven met dieselmotor en als tweede een beregeningshaspel met een elektrische pomp voor de watervoorziening en aandrijving. Tevens wil het praktijknetwerk een dak met zonnepanelen in de optie meenemen, zodat de installatie vanuit eigen zonnepanelen kan worden voorzien van energie.
    Wat levert een Zonneweide per ha op?
    Spruijt, J. - \ 2015
    Wageningen : ACRRES - Wageningen UR - 15
    zonne-energie - zonnecollectoren - energie - rentabiliteit - prestatieniveau - vergelijkingen - akkerbouw - kosten-batenanalyse - solar energy - solar collectors - energy - profitability - performance - comparisons - arable farming - cost benefit analysis
    Agrarische ondernemers vragen zich wel eens af hoeveel zonnestroom er op een zonnepark opgewekt kan worden en of het aantrekkelijk is om minder productieve percelen uit productie te nemen en er stroom op te gaan produceren. Op de Zonneweide van ACRRES - Wageningen UR in Lelystad worden stroomproductie en rentabiliteit van verschillende typen PV panelen en vrije veldopstellingen vergeleken. Op basis van de onderzoekservaringen in de afgelopen jaren wordt in dit rapport beschreven wat de opbrengst van een zonneweide per ha kan zijn, hoe het saldo zich verhoudt tot dat van akkerbouwgewassen en of aanleg van een zonnepark op landbouwgrond rendabel kan zijn.
    Otter en lynx
    Kistenkas, F.H. - \ 2015
    Vakblad Natuur Bos Landschap 12 (2015)111. - ISSN 1572-7610 - p. 30 - 30.
    fauna - wildbescherming - verkeersongevallen - natuurbescherming - wetgeving - vergelijkingen - fauna - wildlife conservation - traffic accidents - nature conservation - legislation - comparisons
    toevoegen: WASS OVR 0702 FNP, KB: 04-010-036.56 en Alterra 5200041779 ( juridische belemmeringen)
    Evaluatie rapportage over karperuitzet in Nederland
    Couperus, A.S. ; Keeken, O.A. van - \ 2015
    IJmuiden : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C020/15) - 39
    visstand - sportvissen - karper - visserijbeheer - waterkwaliteit - onderzoek - vergelijkingen - fish stocks - game fishes - carp - fishery management - water quality - research - comparisons
    De afgelopen jaren zijn vier rapporten verschenen over de ecologische impact van karper (Cyprinus carpio) in relatie tot de uitzet van deze soort in Nederlandse wateren. De vier rapporten geven verschillende weergaven van het effect van karper op de waterkwaliteit en ook hoeveel karper per hectare in Nederlandse wateren kan worden uitgezet. Het doel van deze desk-studie is om te bepalen waar verschillen tussen conclusies over het uitzetten van karper in de vier rapporten door kunnen worden verklaard. De vastgestelde verschillen in dit rapport zullen als uitgangspunt dienen voor een bijeenkomst met de betrokken partijen om tot een consensus te komen.
    Betrouwbaarheid van aantalsschattingen van schadeveroorzakende watervogelsoorten - Deel 2 : Watervogels
    Ebbinge, B.S. ; Goedhart, P.W. ; Kiers, M.A. ; Naeff, H.S.D. - \ 2014
    Alterra Wageningen UR / Fauna fonds (Alterra rapport 2427) - 138
    fauna - wildbeheer - schade - ganzen - watervogels - populatiedichtheid - monitoring - zintuiglijke waarneming - vergelijkingen - fauna - wildlife management - damage - geese - waterfowl - population density - monitoring - organolepsis - comparisons
    Tellingen van ganzen en zwanen worden in Nederland sinds 1993 verricht door Sovon en sinds 2005 door de KNJV, met als voornaamste doel een schatting te geven van totale aantallen. Hier is onderzocht in hoeverre de Sovon-tellingen en KNJV-tellingen van watervogels tussen 2005 en 2010 verschillen. Ook worden aandachtspunten bij het tellen van 11 soorten schadeveroorzakende watervogels beschreven. Vergelijking van de telprotocollen levert belangrijke verschillen op die een verklaring zouden kunnen vormen voor uiteenlopende telresultaten. Op grond van de geanalyseerde gegevens is het niet mogelijk de werkelijk aanwezige aantallen nauwkeurig te bepalen, omdat daarvoor validatie met behulp van onafhankelijke tellingen noodzakelijk is. Tot slot worden er aanbevelingen gedaan ter verbetering van telprotocollen door Sovon en KNJV.
    The ecosystem services approach as an instrument for action : on the experiences in the United Kingdom, Belgium and the Netherlands
    Verburg, R.W. ; Selnes, T. - \ 2014
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-paper 30) - 8
    ecosysteemdiensten - stakeholders - natuurbeleid - overheidsbeleid - vergelijkingen - nederland - belgië - verenigd koninkrijk - ecosystem services - stakeholders - nature conservation policy - government policy - comparisons - netherlands - belgium - uk
    Scientific knowledge about ecosystem services is rapidly being translated into policy objectives, and several EU member states have included ecosystem services in their policy programmes. However, stakeholders are experiencing many problems applying such policies in rural areas. This WOt paper describes early experiences with the ecosystem services approach in terms of opportunities and barriers. It also formulates alternative application pathways that could be supported by the many stakeholders involved.
    Bio-slurry as fertilizer : is bio-slurry from household digesters a better fertilizer than manure? : a literature review
    Bonten, L.T.C. ; Zwart, K.B. ; Rietra, R.P.J.J. ; Postma, R. ; Haas, M.J.G. de; Nysingh, S.L. - \ 2014
    Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-report 2519) - 45
    bemesting - digestaat - biogasmest - fermentatie - vergelijkingen - ontwikkelingslanden - biobased economy - fertilizer application - digestate - biogas slurry - fermentation - comparisons - developing countries - biobased economy
    In many developing countries manure is anaerobically digested to produce biogas. The residue of manure digestion, bio-slurry, can be used as fertilizer for crop production and aquaculture. This study compared bio-slurry and manure as fertilizers. Nutrients in bio-slurry, especially nitrogen, are more readily available then in manure, leading to a larger short term fertilisation effect. However, risks for N losses through volatilisation and leaching are large for bio-slurry than for manure during storage, handling and application. Unfortunately, most studies that compared bio-slurry and manure exhibited methodological shortcomings that hamper an adequate comparison.
    Evaluatie van gewassen als mogelijke equivalente maatregel voor ecologische aandachtsgebieden in het nieuwe GLB
    Belder, E. den; Korevaar, H. ; Geerts, R.H.E.M. ; Schaap, B.F. - \ 2014
    Wageningen : Plant Research International, Business Unit Agrosysteemkunde (Rapport / Plant Research International 547) - 72
    gewassen - ecologie - agrobiodiversiteit - gemeenschappelijk landbouwbeleid - inventarisaties - agrarisch natuurbeheer - vergelijkingen - akkerbouw - vollegrondsgroenten - crops - ecology - agro-biodiversity - cap - inventories - agri-environment schemes - comparisons - arable farming - field vegetables
    Om voorbereid te zijn op mogelijke verzoeken vanuit de landbouwsector om bepaalde gewassen aan te melden als equivalente maatregel voor EFA's (Ecological Focus Area's) heeft het Ministerie van Economische Zaken gevraagd om een inventarisatie uit te voeren naar de ecologische waarde van die gewassen. De basis van deze inventarisatie wordt gevormd door wetenschappelijke publicaties en teelthandleidingen over deze gewassen, aangevuld met informatie die via internet beschikbaar is en expertise van gewasdeskundigen en biologen, eigen veldkennis en ongepubliceerde resultaten.
    Reactive versus anticipative adaptive management of Deltas: The Sacramento-San Joaquin Delta and the Rhine-Meuse Delta compared
    Vlieg, T.J. ; Zandvoort, M. - \ 2013
    Water Governance 2013 (2013)05-06. - ISSN 2211-0224 - p. 52 - 57.
    waterbeheer - onzekerheidsanalyse - risicobeheersing - governance - nederland - californië - vergelijkingen - water management - uncertainty analysis - risk management - governance - netherlands - california - comparisons
    In this paper Californian Adaptive Management (AM) and Dutch Adaptive Delta Management (ADM) are compared. The concepts are introduced in a policy context to deal with prevailing types of uncertainty in water management in the Californian Sacramento-San Joaquin Delta and the Dutch Rhine-Meuse Delta respectively. While having the same objective, we show that adaptive management in these Deltas differs considerably, because the concepts address different uncertainties. Californian AM is primarily applied to ecosystem management while Dutch ADM is primarily developed for flood risk management and fresh water supply purposes. Californian AM is based on modeling the performance of different actions. It emphasizes that, once management actions are selected, formal and continuous learning is required to deal with uncertain effects and effectiveness of management actions. Thus it reacts on present states in a continuous fashion as adequately and flexible as possible. In contrary Dutch ADM anticipates on possible futures through projections of climate change and socio-economic circumstances. Different sets of measures to avoid or postpone projected problems are developed. In ADM uncertainty in projections is recognized, and possible rejection of projections over time is acknowledged. For climatic and socio-economic circumstances ADM aims to ensure that alternative adaptation pathways can still be opted. We argue that good Delta management should be based on long term projections, as in Dutch ADM, and scientific learning from implemented actions, as in Californian AM. A hybrid of both concepts can thus be created in order to strengthen adaptive management practice in the face of future uncertainty.
    Appraising fertilisers: origins of current regulations and standards for contaminants in fertilisers : background of quality standards in the Netherlands, Denmark, Germany, United Kingdom and Flanders
    Ehlert, P.A.I. ; Posthuma, L. ; Römkens, P.F.A.M. ; Rietra, R.P.J.J. ; Wintersen, A.M. ; Wijnen, H. van; Dijk, T.A. van; Schöll, L. van; Groenenberg, J.E. - \ 2013
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 336) - 128
    rioolslib - compost - bemesting - kwaliteitsnormen - verontreiniging - overheidsbeleid - vergelijkingen - nederland - denemarken - duitsland - verenigd koninkrijk - vlaanderen - sewage sludge - composts - fertilizer application - quality standards - pollution - government policy - comparisons - netherlands - denmark - germany - uk - flanders
    The standards for contaminants in fertilisers in Denmark, Germany, Flanders, the Netherlands and United Kingdom, are given in the context of the proposals for new European fertiliser legislation. This EU legislation might result in generic limit values for contaminants and input lists of materials, and importantly specific waste materials, per categories of fertiliser. With the national and European targets of recycling and energy recovery, the sustainable use of waste materials as fertilisers is becoming more and more important. A revision of the fertiliser legislation is therefore not only relevant for agriculture but also for the waste and energy sector. Compared to the surrounding countries the limit values in the Netherlands are low for heavy metals and high for organic contaminants. The origin of the limit values, the basic protection policies and the risk analysis have been traced especially for the Netherlands, and roughly for the surrounding countries. The limits for heavy metals in fertilisers in the Netherlands are based on the protection of the soil, on practice, and in case of organic contaminants, also on a risk analysis. Also in the surrounding countries, the limit values have been derived using the same basic concepts of protection and risk analysis. The differences and similarities between the basic concepts to derive limit values between the countries give a starting point for a revaluation and new limit values for fertilisers
    Biologische bestrijding van californische trips in chrysant met roofmijten
    Linden, A. van der; Staaij, M. van der; Messelink, G.J. - \ 2013
    snijbloemen - chrysanthemum - organismen ingezet bij biologische bestrijding - roofmijten - thrips - landbouwkundig onderzoek - proeven - vergelijkingen - cut flowers - chrysanthemum - biological control agents - predatory mites - thrips - agricultural research - trials - comparisons
    Postpresentatie over plaagbestrijding in chrysant met inzet van natuurlijke vijanden. Roofmijten zijn een belangrijke groep tegen trips en spint. Het doel van dit onderzoek is om een selectie te maken van één of meer soorten roofmijten die goed passen bij chrysant.
    DNA technieken voor de boomkwekerij
    Hop, M.E.C.M. - \ 2012
    Bomen, het vakblad voor de boomverzorging (2012)21. - p. 8 - 13.
    bomen - rassen (planten) - uitwendige kenmerken - karakteristieken - dna - technieken - vergelijkingen - soorten - plantenveredeling - trees - varieties - external traits - characteristics - dna - techniques - comparisons - species - plant breeding
    Bij het gebruik van DNA-technieken bij planten denken de meeste mensen meteen aan genetische modificatie. Deze speelt bij boomkwekerijgewassen echter nog niet of nauwelijks een rol. Maar er bestaan wel degelijk bruikbare en betaalbare DNA-technieken voor deze branche. Het gaat dan niet om het veranderen van eigenschappen van planten, maar alleen om het meten ervan, bijvoorbeeld voor identificatie van planten en ter ondersteuning van klassieke kruisingsveredeling. Dit type DNA-technieken is bekend uit politieseries als CSI, of van nieuwsberichten over het opsporen van biologische vaders. Maar wat kunnen ze betekenen voor boomkwekerijgewassen?
    Verbetering spuittechniek in de teelt van potplanten
    Staaij, M. van der; Weel, P.A. van; Hamelink, R. - \ 2012
    Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapporten GTB 1207) - 36
    spuiten - verbetering - technieken - glastuinbouw - potplanten - vergelijkingen - teeltsystemen - optimalisatie - nederland - spraying - improvement - techniques - greenhouse horticulture - pot plants - comparisons - cropping systems - optimization - netherlands
    In de teelt van potplanten is spuittechniek een belangrijk aandachtspunt. Twee type potplantenbedrijven zijn te onderscheiden: teelten op de grond/betonvloer (vaste teelten) of op rolcontainers (mobiele teelten). Beide typen vragen om een verschillende aanpak. Potplanten op rolcontainer (Calathea): Voor potplanten op rolcontainers (mobiele teelt) werden een spuitboom met luchtondersteuning, het Hoge Druk Systeem van Arend-Sosef en het Pieton Systeem van Van der Ende Pompen vergeleken met een conventionele spuitboom. De bedekking van de onderkant van de bladeren verbeterde bij alle spuitconfiguraties t.o.v. de conventionele spuitboom. De percentages bedekking liepen op van 15 naar 30 procent bij grote planten van 50 cm hoogte tot 60 procent op kleine planten van 30 cm hoog. Het heen en weer spuiten leverde bij alle methoden een verbetering van 7 tot 14 procent op t.o.v. een enkelvoudige bespuiting. Hierbij moet worden aan getekend dat dit alleen in grote planten is uitgevoerd. Tijdens de proeven werd stekend gespoten onder een hoek van 45°. Bij grote planten bleek deze hoek te groot. De wolk druppeltjes rolde over het gewas heen in plaats van er doorheen. Verkleinen van de hoek naar 35° en 25° gaf een verbetering van de bedekking van de onderkant van de bladeren. Potplanten op betonvloeren (Bananenplanten): Voor potplanten op beton vloeren (vaste teelt) werden aan een conventionele spuitboom spuitlansen met elk twee spuitkopjes gemonteerd. Met de spuitlansen werd van onderaf in het gewas gespoten (onderdoor spuiten). Met een conventionele spuitboom werd een bedekkingspercentage op de onderkant van de bladeren behaald van 0,5 tot 5 procent. Met het onderdoor-spuiten werden bedekkingspercentages behaald tot 50 procent. Abstract Spraying techniques are a major concern in the cultivation of potted plants. Two types of potted plant cultivation can be distinguished: crops on the ground / concrete floor (immobile culture), or crops on roll containers (mobile culture). Each type requires a different approach. Pot plants on a mobile container (Calathea): For pot plants in mobile containers (mobile culture), two spraybars with air support, were compared to a conventional spraybar. The spraybars with air support were the high pressure system from Arend-Sosef and the Pieton system from Van der Ende Pumps. The deposition of liquid on the untherside of the leaves increased with with both spraybars compared to the conventional spraybar. The coverage rates rose from 15 to 30% for large plants (50 cm high) to 60% for small plants (30 cm high). Spraying back and forth improved coverage by 7 to 14% for all methods compared to a single spraying. It should be noted that this was only performed with large plants. The spray was applied at an angle of 45 degrees during the trials, however this angle was to large for large plants. The droplets passed over the crop, rather than through it. Reduction of the angle to 35 and 25 degrees improved the deposition on the untherside of the leaves. Pot on concrete floors (Banana Plants): For potted plants on concrete floors (immobile culture) spraylances with two spray nozzles were added to a conventional spraybar. The crop was sprayed from below (spraying underneath) with the lances. The covered area on the untherside of the leaves was 0.5 to 5% with the conventional spraybar, whereas the coverage percentages achieved went up to 50% by spraying from below.
    Broeikasgas metingen Energieboerderij en proef Attero 2011
    Wijk, C.A.P. van; Berg, W. van den; Uijthoven, W. ; Verstegen, H.A.G. ; Voort, M.P.J. van der - \ 2012
    Lelystad : PPO AGV - 28
    broeikasgassen - meting - berekening - vergelijkingen - distikstofmonoxide - suikerbieten - akkerbouw - brandstofgewassen - biobased economy - greenhouse gases - measurement - calculation - comparisons - nitrous oxide - sugarbeet - arable farming - fuel crops - biobased economy
    In project Energieboerderij zijn in 2011 zijn op 3 deelnemende bedrijven en op het proefveld met verschillende bemesting – compost varianten broeikaskasmissies gemeten in een suikerbietenteelt gedurende het hele seizoen. Alle meetlocaties liggen op zandgrond in Noord-Limburg. Daarnaast zijn voor deze locaties ook de directe lachgas emissies berekend. De vergelijking van de resultaten laat zien, dat er grote verschillen zitten tussen de gemeten emissies van lachgas en de berekende directe emissies op basis van de kg N in de grond.
    A methodology to compare specialized and mixed farming systems : case studies, in the Netherlands and France
    Guillaume, D. ; PRI, - \ 2012
    Wageningen : Plant Research International - 129
    bedrijfssystemen - gemengde landbouw - gespecialiseerde landbouw - vergelijkingen - indicatoren - gevalsanalyse - nederland - frankrijk - farming systems - mixed farming - specialized farming - comparisons - indicators - case studies - netherlands - france
    In this thesis, the aim was to create a methodology, composed of a set of economic, social and environmental indicators, in order to compare mixed and specialized farming system and to test the methodology in two case studies in the Netherlands and in France. The analysis relies on two farm typologies based on the concepts of representative and typical farms. Accordingly, the two-scale methodology uses the farm accountancy data network (FADN) to compare farming systems over large areas and agri-environmental data collected on-farm to design innovative farming systems. The results are a first step towards understanding up scaling procedure of innovative mixed farming systems at district level. While the municipality of Winterswijk shows a higher potential to develop between-farm mixing, the Ribéracois however presents better possibilities to develop diversified on-farm mixing. Very heterogeneous areas of Europe render difficult to set up a harmonized methodology. The data heterogeneity of case studies and the importance to make good use of existing information and specificities of each case study prevails on harmonizing the set of indicators. The scientific soundness and efficacy of the methodology is empirically verified but further study is needed to validate all indicators. Additionally, a selection of a primary set of information that is required by all work packages and all case studies is necessary to have a common basis for work.
    Vergelijking roofwantsen en roofmijten in aubergine
    Messelink, G.J. ; Holstein, R. van; Kok, L.W. - \ 2012
    Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapporten GTB 1152) - 21
    aubergines - vruchtgroenten - plantenplagen - mijten - reduviidae - roofmijten - organismen ingezet bij biologische bestrijding - vergelijkingen - teelt onder bescherming - effecten - landbouwkundig onderzoek - nederland - aubergines - fruit vegetables - plant pests - mites - reduviidae - predatory mites - biological control agents - comparisons - protected cultivation - effects - agricultural research - netherlands
    Referaat In twee kassen met een aubergineteelt is gevolgd hoe biologische bestrijders zich vestigen in het gewas en hoe de plagen zich ontwikkelen. Het uitgangspunt daarbij was om alle plagen zolang mogelijk biologisch te bestrijden. De roofwantsen Orius majusculus en Macrolophus pygmaeus (= caliginosus) en 3 soorten roofmijten, Amblyseius swirskii, Amblyseius montdorensis en Typhlodromalus limonicus, zijn daarbij vergeleken. Zowel O. majusculus als M. pygmaeus vestigen zich goed in aubergine. De dichtheden van M. pygmaeus waren aanzienlijk hoger dan die van O. majusculus. Beide soorten lijken ook naast elkaar te kunnen opereren. Er was al vroeg vermenging van roofwantsen in beide kasafdelingen, maar dit leidde niet tot uitroeiing van een van de soorten. Alle getest roofmijtsoorten konden zich uitstekend vestigen in aubergine, maar de hoogste dichtheden werden bereikt bij de soort A. montdorensis. In sommige gevallen kon de dichtheid oplopen tot meer dan 300 roofmijten per blad. Deze soort verdrong uiteindelijk T. limonicus en A. swirskii. Mineervlieg, trips, echinotrips, witte vlieg en spint waren goed beheersbaar met de gangbare natuurlijke vijanden, maar de bestrijding van bladluis was niet afdoende, waardoor uiteindelijk ingegrepen moest worden met insecticiden. Abstract The establishment of natural enemies in eggplant was followed in two greenhouse comportments. The aim was to control all pests with natural enemies as long as possible. We compared predatory bugs Orius majusculus and Macrolophus pygmaeus (= caliginosus) and 3 species of predatory mites: Amblyseius swirskii, Amblyseius montdorensis and Typhlodromalus limonicus. Both O. majusculus and M. pygmaeus were able to build up population densities in eggplant, but the densities of M. pygmaeus were much higher than those of O. majusculus. All predatory mites established well in eggplant, but A. montdorensis reached the highest densities up to 300 mites per leaf. This predator finally outcompeted T. limonicus and A. swirskii. Leafminers, whiteflies spider mites and thrips were all controlled well with commonly used natural enemies. However, biological control of aphids did finally not succeed and the crops needed to be sprayed with insecticides.
    Implementation of high nature value farmland in agri-environmental policies : what can be learned from other EU member states?
    Doorn, A.M. van; Elbersen, B.S. - \ 2012
    Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-report 2289) - 64
    natuurbeleid - biodiversiteit - agrobiodiversiteit - vergelijkingen - nature conservation policy - biodiversity - agro-biodiversity - comparisons
    The term High Nature Value farmland (HNV) refers to types of farmland that are important for biodiversity. In the European agri-environmental policy arena HNV is gaining interest, especially in the ongoing debate about the greening of the Common Agricultural Policy. At present The Netherlands lags behind in terms of HNV policy adoption. This reports describes in what way three EU member states implement HNV farmland in their agri-environmental policy and discusses which lessons can be drawn from the cases. The report concludes with a roadmap on how The Netherlands could proceed in the further integration of HNV farmland in its agri-environmental policy.
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.