Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Records 1 - 20 / 2584

  • help
  • print

    Print search results

  • export
    A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
  • alert
    We will mail you new results for this query: series=Alterra-rapport
Check title to add to marked list
Advies Noord-Brabantse vrijstellingslijst onder de nieuwe Wet natuurbescherming : analyse in relatie tot artikel 75 Flora- en faunawet
Vos, C.C. ; Broekmeyer, M.E.A. ; Lammertsma, D.R. ; Jansman, H.A.H. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2736) - 69
natuurbescherming - natuurbeschermingsrecht - milieuwetgeving - soorten - noord-brabant - nature conservation - nature conservation law - environmental legislation - species - noord-brabant
Dit rapport geeft een advies over welke soorten in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling onder de nieuwe Wet natuurbescherming. In een juridische analyse is ingegaan op de beschermingsregimes en vrijstelling van soorten onder de Flora- en faunawet en onder het wetsvoorstel Wet natuurbescherming. Op basis van een ecologische analyse is voor 45 soorten een advies gegeven over de wenselijkheid om de soort op de Noord-Brabantse vrijstellingslijst te plaatsen. De analyse is gebaseerd op landelijke verspreidingsgegevens en op landelijke populatietrends. Indien aanwezig, is ook specifieke informatie over trends en voorkomen in de provincie Noord-Brabant in beschouwing genomen.
Afstand tussen veehouderij en woningen : een onderzoek naar aantallen veehouderijen en woningen op minder dan 250 meter van elkaar
Os, J. van; Smidt, R.A. ; Jeurissen, L.J.J. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2658) - 51
veehouderij - landbouwbedrijven - woningen - milieu - milieufactoren - nederland - livestock farming - farms - dwellings - environment - environmental factors - netherlands
Ter voorbereiding op een debat in de Tweede Kamer op 15 september 2014 heeft het ministerie van Economische Zaken aan Alterra gevraagd om te bepalen hoeveel veehouderijen er liggen op een afstand van 250 m of minder van burgerwoningen, niet zijnde agrarische bedrijfswoningen. Achtergrond van deze vraag is de mogelijke negatieve beïnvloeding van de omgevingskwaliteit van woningen door veehouderijen. Naar aanleiding van het debat en het eerste gepubliceerde document heeft het ministerie van Economische Zaken Alterra gevraagd om een actualisatie en nadere detaillering te maken van de eerste resultaten. Met behulp van GIS heeft Alterra daarop zowel voor de jaren 2011 en 2013 bepaald dat ca. 70-90% van de veehouderijen op minder dan 250 m van een woning ligt. Andersom geredeneerd ligt ca. 30-40% van de woningen in het buitengebied op minder dan 250 m van een veehouderij; voor woningen in bevolkingskernen is dat 3%. Binnen Nederland zijn er aanzienlijke verschillen tussen regio’s, vooral veroorzaakt door verschillen in dichtheid van veehouderijen en woningen.
EUROBATS : Analyse van de resoluties die zijn aangenomen tijdens de vergadering van de partijen (Meeting of the Parties) in 2014
Ottburg, F.G.W.A. ; Adrichem, N.H.C. van; Limpens, H.J.G.A. ; Schillemans, M.J. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport ) - 31
chiroptera - wildbescherming - monitoring - bosbedrijfsvoering - milieubeleid - nederland - wildlife conservation - forest management - environmental policy - netherlands
Nederland is Party van ‘the Agreement on the Conservation of Populations of European Bats’, ofwel EUROBATS. De EUROBATS-agreement is een verdrag onder de conventie van Bern en met name de conventie van Bonn, de ‘Convention on the Conservation of Migratory Species of Wild Animals’. EUROBATS is een instrument bij de uitvoering van de verplichtingen vanuit de Europese Habitatrichtlijn. De Scientific Advisory Committee ontwikkelt resoluties, welke door de overheden van de Party-States van de EUROBATS-Agreement gezamenlijk worden aangenomen. Deze resoluties benoemen – specifiek vanuit de ecologie van de vleermuizen – knelpunten, speciale aandachtspunten en kansen, welke helpen de uitvoering van wet- en regelgeving in het kader van de Flora- en faunawet en Habitatrichtlijn effectief te focussen. De voorliggende rapportage geeft een overzicht van de resoluties en maakt inzichtelijk wat de Rijksoverheid, provincies of andere organisaties reeds doen voor vleermuizen. Tevens is een kennisagenda opgenomen met aanbevelingen ten behoeve van vleermuizen voor de nabije toekomst.
Camping De Braamhorst : quickscan naar het voorkomen van beschermde natuurwaarden op camping De Braamhorst e.o. i.r.t. de mogelijke komst van een asielzoekerscentrum voor 300 bewoners
Ottburg, F.G.W.A. ; Lammertsma, D.R. ; Jansman, H.A.H. ; Vries, D. de - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2756) - 27
natuurwaarde - natuur - inventarisaties - kampeerplaatsen - milieubeheer - natura 2000 - natuurbeheer - veluwe - natural value - nature - inventories - camp sites - environmental management - nature management
Dit is een quickscan van campingterrein De Braamhorst waar is gekeken naar beschermde natuurwaarden in relatie tot een voorgenomen locatie voor 300 asielzoekers.
Herstel en ontwikkeling van laagdynamische, aquatische systemen in het rivierengebied
Arts, Gertie ; Verdonschot, Ralf ; Maas, Gilbert ; Massop, Harry ; Ottburg, Fabrice ; Weeda, Eddy - \ 2016
Driebergen : Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren, VBNE (Alterra-rapport 2729) - 128
aquatische ecosystemen - aquatisch milieu - ecologisch herstel - rivierengebied - nederland - aquatic ecosystems - aquatic environment - ecological restoration - netherlands
Na een inleiding (Hoofdstuk 1) beschrijft het rapport achtereenvolgens de macro-evertebraten (Hoofdstuk 2); de vissen, amfibieën en reptielen (Hoofdstuk 3); en de waterplanten van het rivierengebied (Hoofdstuk 4). Hoofdstuk 5 beschrijft de uitgevoerde GIS analyse en presenteert de resultaten en de kansenkaarten. Alle gegenereerde kaarten zijn opgenomen in twee bijlagerapporten. Hoofdstuk 6 geeft een discussie van het uitgevoerde onderzoek ten aanzien van de methode, de beschikbare gegevens en de analyse en plaatst de resultaten in het licht van uitgevoerde herstelmaatregelen in het rivierengebied. Hoofdstuk 7 vat de voornaamste conclusies samen. Hoofdstuk 8 geeft een overzicht van de gebruikte literatuur.
Bronnen van nutriënten in het oppervlaktewater in het beheergebied van Wetterskip Fryslân : studie naar de herkomst en beïnvloedbaarheid van stikstof en fosfor in het oppervlaktewater voor zes polders in het beheergebied van Wetterskip Fryslân
Boekel, E.M.P.M. van; Groenendijk, P. ; Renaud, L.V. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2727) - 50
oppervlaktewater - voedingsstoffen - stikstof - fosfor - modellen - oppervlaktewaterkwaliteit - mestbeleid - friesland - surface water - nutrients - nitrogen - phosphorus - models - surface water quality - manure policy - friesland
Om inzicht te krijgen in de herkomst en beïnvloedbaarheid van stikstof en fosfor in het oppervlaktewater in het beheergebied van Wetterskip Fryslân zijn met de ECHO-methodiek stofbalansen opgesteld voor een zestal polders. De beïnvloedbaarheid van bronnen is afgeleid conform de werkwijze die wordt toegepast door de Nutriëntenwerkgroep Rijn-West. Daarnaast is het effect van het mestbeleid op de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater in beeld gebracht op basis van uit het landelijke STONE-model afgeleide resultaten voor de uitspoeling bij gebruiksnormen van het 5e Nitraat Actieprogramma (5e NAP). Uit de resultaten blijkt dat het grootste deel (46 −74%) van de stikstof- en fosforbelasting van het oppervlaktewater afkomstig is van beïnvloedbare bronnen (actuele bemesting en nalevering bodem) met een effect op de korte en lange termijn. Bronnen met een direct effect (voornamelijk inlaatwater) dragen voor 5 − 45% bij aan de totale nutriëntenbelasting. De stikstofbelasting van het oppervlaktewater is voor 7 − 22% afkomstig van niet of moeilijk te beïnvloeden bronnen, voor fosfor ligt dit tussen 1 en 12%. Het doorrekenen van het mestbeleid (5e NAP) resulteert in een reductie van de uit- en afspoeling tussen 1,9 en 9,1%. Voor de totale nutriëntenbelasting ligt de reductie als gevolg van de maatregelen in het 5e NAP tussen 1,1 en 7,7%.
Kansen voor meer natuurlijkheid in Natura 2000-gebieden
Bijlsma, R.J. ; Jansen, A.J.M. ; Janssen, J.A.M. ; Maas, G.J. ; Schipper, P.C. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2745) - 73
natura 2000 - habitatrichtlijn - natuurbeheer - natuurbeleid - natuurbescherming - landschapsecologie - natura 2000 - habitats directive - nature management - nature conservation policy - nature conservation - landscape ecology
De Rijksnatuurvisie 2014 schetst een visie op het publieke belang van toekomstbestendige natuur. Dit rapport werkt enkele aspecten van deze visie nader uit. Het brengt in beeld welke rol ‘natuurlijkheid’ in het huidige natuurbeleid en -beheer speelt en hoe deze rol is veranderd. Vervolgens presenteert het een nieuwe werkwijze voor de formulering en prioritering van coherente en toekomstbestendige natuurdoelen in Natura 2000-gebieden. Uit interviews met terreinbeheerders en enkele provincies blijkt dat veel in de jaren 1980 ontstane aandacht voor aspecten van natuurlijkheid, zoals natuurlijke verjonging van bos, ontsnippering en herstel van hydrologische systemen nu structureel is opgenomen in het natuurbeheer, ongeacht terreinbeherende instantie. Natuurlijkheid geldt niet meer expliciet als sturend beheerprincipe, maar in de vorm van landschapsecologische systeemanalyses, is het een belangrijke ondersteuning voor beleid en beheer geworden. Een toekomstbestendige(r) formulering en prioritering van gebiedsdoelen voor Natura 2000-gebieden vereist een systeemgerichte benadering met aandacht voor landschapsecologische samenhang, uitwijkmogelijkheden, interacties en natuurlijke dynamiek. De nieuwe werkwijze voorziet in een systeemvisie zonder daarbij de huidige Natura 2000-doelen als vast uitgangspunt te nemen. De visie resulteert in systeemkarakteristieke en niet-karakteristieke doelen. Niet-karakteristieke doelen bemoeilijken de ontwikkeling van systeemkarakteristieke doelen en mogen daarom uit het gebied verdwijnen. Binnen de karakteristieke doelen wordt onderscheid gemaakt tussen kwetsbare en robuuste doelen. Door deze prioritering ontstaat ecologische en bestuurlijke ruimte doordat waarden die als niet-karakteristiek of robuust worden beoordeeld minder aandacht en inzet vragen.
Klassenindelingen voor de fosfaattoestand van de bodem, ten behoeve van de afleiding van fosfaatgebruiksnormen
Oenema, O. ; Mol, J.P. ; Voogd, J.C.H. ; Ehlert, P.A.I. ; Velthof, G.L. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2743) - 39
bodem - fosfaten - graslanden - bouwland - akkergronden - graslandgronden - soil - phosphates - grasslands - arable land - arable soils - grassland soils
In 2006 is het stelsel van gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat ingevoerd in de Nederlandse landbouw om de uit- en afspoeling van stikstof en fosfaat vanuit de landbouw naar grondwater en oppervlaktewater te verminderen. In 2010 zijn de gebruiksnormen voor fosfaat gedifferentieerd naar de fosfaattoestand van de bodem. Daarbij worden vier klassen voor de fosfaattoestand van de bodem onderscheiden, namelijk arm, laag, neutraal en hoog. De grenzen tussen de klassen worden bepaald via een bepaling van het Pw-getal (voor bouwland) en het P-AL-getal (voor grasland). In 2015 heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) voorgesteld om de fosfaattoestand te bepalen op basis van een gecombineerde indicator, namelijk P-CaCl2 en het P-AL-getal, omdat een gecombineerde indicator in theorie een betere voorspelling geeft van de fosfaattoestand, en de gecombineerde indicator reeds in de praktijk en voor de bemestingsadviezen van grasland en maisland wordt toegepast. Ook speelt een rol dat het Pw-getal door verschillende analyselaboratoria niet meer wordt bepaald. In onderhavig rapport worden voor de gecombineerde indicator klassengrenzen afgeleid voor de fosfaattoestand van de bodem. Daarbij is gebruikgemaakt van een grote database (ruim 55.000 monsters) en van statistische analyses om een klassenindeling gebaseerd op het Pw-getal voor bouwland en op het P-AL-getal voor grasland om te rekenen naar een klassenindeling voor de gecombineerde indicator P-CaCl2 en het P-AL-getal. Verschillende varianten zijn voorgesteld. Effecten van de varianten op fosfaatplaatsingsruimte zijn verkend.
Effectiviteit wildschadepreventie : beoordelingsmethodiek en literatuurreview
Buij, R. ; Lammertsma, D.R. ; Melman, T.C.P. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2740) - 41
schade - beweidingsschade - wilde dieren - methodologie - schadepreventie - damage - browsing damage - wild animals - methodology - loss prevention
Er is een methodiek opgesteld om studies naar middelen voor wildschadepreventie te kunnen beoordelen. De methodiek betreft enerzijds de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek en anderzijds de effectiviteit van de middelen. Naast effectiviteit van de middelen wordt ook aandacht geschonken aan aspecten als ontwikkelingsfase van het middel, aanschaf- en gebruikskosten, neveneffecten e.d. Aan de hand van deze methodiek is voor de tien belangrijkste schadesoorten in Nederland een literatuurreview gemaakt van onderzoeken naar de effectiviteit van verjagingsmiddelen. Wat betreft internationale literatuur hebben we ons beperkt tot peer-reviewed publicaties, voor Nederlands onderzoek is ook gekeken naar grijze literatuur.
Oude bosgroeiplaatsen in Noord-Holland : een GIS-bestand van boslocaties aanwezig op de Topografische en Militaire Kaart van 1850
Bijlsma, R.J. ; Dorland, G.J. van - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2744) - 47
bossen - geschiedenis - kaarten - noord-holland - forests - history - maps
Dit rapport beschrijft en documenteert een GIS-bestand van oude bosgroeiplaatsen in de provincie Noord-Holland, afgeleid van kaartvlakken bos op de Topografische en Militaire Kaart (TMK) van omstreeks 1850. In totaal ligt er 8432 ha oude bosgroeiplaats in de provincie. Voor alle fysischgeografische regio’s in de provincie worden oude bosgroeiplaatsen beschreven aan de hand van gegevens uit het kadaster van 1832. Voor toepassing van het GIS-bestand in beleid en beheer is een vijfstappenplan opgesteld waarmee op grond van bronnen, terreinkenmerken, aandachtsoorten en kwaliteitskenmerken van de bosstructuur een oordeel kan worden gegeven over de huidige waarde van de oude bosgroeiplaats.
How much Biodiversity is in Natura 2000? : the “Umbrella Effect” of the European Natura 2000 protected area network : technical report
Sluis, T. van der; Foppen, R. ; Gillings, Simon ; Groen, T.A. ; Henkens, R.J.H.G. ; Hennekens, S.M. ; Huskens, K. ; Noble, David ; Ottburg, F.G.W.A. ; Santini, L. ; Sierdsema, H. ; Kleunen, A. van; Schaminee, J.H.J. ; Swaay, C. van; Toxopeus, Bert ; Wallis de Vries, M.F. ; Jones-Walters, L.M. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2738) - 147
biodiversity - habitats directive - birds directive - natura 2000 - statistical analysis - geographical information systems - biodiversiteit - habitatrichtlijn - vogelrichtlijn - natura 2000 - statistische analyse - geografische informatiesystemen
In order to assess the significance of the presumed “umbrella effect” of Natura 2000 areas the European Commission initiated a study, in 2013, to address the following questions: 1) Which are, amongst the species regularly occurring within the European territory of the EU-28 Member States, those that significantly benefit from the site conservation under the EU Birds and Habitats Directive? 2) What is the percentage of all species occurring in the wild in the EU that benefit significantly from Natura 2000? 3) How significant is the contribution of Natura 2000 in relation to the objective of halting and reversing biodiversity loss? The approach used existing data, and covered the terrestrial mammals, birds, reptiles, amphibian, butterfly and plant species. The analysis is mostly based on statistical distribution models and GIS processing of species distribution data in relation to their presence within protected areas of the Natura 2000 network. The main findings for all species groups were: Animal species for which Natura 2000 areas were not specifically designated occur more frequently inside Natura 2000 than outside (in particular breeding birds and butterflies). These species do, therefore, gain benefit from the protected areas network. The species for which Natura 2000 areas were designated generally occur more frequently within the Natura 2000 site boundaries than the nonannex species; this is in particular the case for birds and butterflies, for amphibians and reptiles the difference is negligible. More specific conclusions and findings, as well as discussion of these results and implications for further studies are included in the report.
The “Umbrella Effect” of the Natura 2000 network : an assessment of species inside and outside the European Natura 2000 protected area network : executive summary
Jones-Walters, L.M. ; Gillings, Simon ; Groen, T.A. ; Hennekens, S.M. ; Noble, David ; Huskens, K. ; Santini, L. ; Sierdsema, H. ; Kleunen, A. van; Swaay, C. van; Sluis, T. van der - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 273A) - 11
biodiversity - natura 2000 - birds directive - habitats directive - biogeography - biodiversiteit - natura 2000 - vogelrichtlijn - habitatrichtlijn - biogeografie
Data-architectuur natuur
Bulens, J.D. ; Boss, M. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2737) - 35
milieumonitoring - ecologie - monitoring - informatiemanagement - milieuwetgeving - natuur - environmental monitoring - ecology - monitoring - information management - environmental legislation - nature
Het Rijk en de provincies werken samen aan één samenhangend systeem voor de ecologische
monitoring en natuurinformatie. Er wordt gezamenlijk gewerkt aan een samenhangend systeem van
onder andere landelijke en gebiedsgerichte ecologische monitoring om efficiënt gegevens in te winnen
en doelmatig met middelen om te gaan. Vaak is nu nog onbekend welke data nu precies beschikbaar
zijn, waar en in welke vorm. Juist omdat geput wordt uit diverse databronnen, is het belangrijk deze
inzichtelijk en vergelijkbaar voor betrokkenen beschikbaar te stellen. Het samenbrengen en
harmoniseren van data heeft een grote toegevoegde waarde om transparant en eenduidig deze data
te kunnen gebruiken. De beschreven data-architectuur als basis voor een informatievoorziening is
daarvoor een onmisbaar uitgangsprincipe.
In dit rapport is beschreven wat de basis is om tot een informatievoorziening te komen. Dit omvat het
ontwikkelen van domeinstandaarden (informatiemodellen), de inrichting van een infrastructuur en het
vormgeven van samenhangende processen of systemen om onder andere tot natuurrapportages te
komen. Dit laatste is in 2015 is in een aantal inventarisaties vastgelegd met aangegeven wat de
huidige situatie (IST) en de toekomstige, gewenste situatie (SOLL) van het natuurnetwerk in
Nederland is. Samen met deze inventarisaties maakt dit het beeld compleet. Dit vormt een kader om
komende, nieuwe ontwikkelingen aan te toetsen.
Voor de data-architectuur voor de informatievoorziening Natuur wordt in dit rapport als basis een
grondplaat geschetst en gevisualiseerd, waarin de basisobjecten voor de informatievoorziening zijn
benoemd. De Nederlandse referentie-architecturen, NORA en PETRA, zijn goed bruikbaar met de
aanvulling dat, uitstijgend boven de eigen organisatie, goede afspraken gemaakt moeten worden met
partners in de natuurinformatieketen. In het rapport Monitoring en Informatievoorziening
Natuurrapportages [Batenburg 2015] is dit aspect benoemd en uitgewerkt. Voor het samenbrengen en
harmoniseren is het belangrijk het principe van het scheiden van data en processen voor informatie
verwerkende systemen te hanteren. Voor een beschrijving in de vorm van objecten met
eigenschappen is het cruciaal dat er eenduidige definities worden gebruikt. Hiervoor moeten
bestaande definities afkomstig uit verschillenden bronnen goed op elkaar afgestemd zijn. Het verdient
aanbeveling definities in een gegevenscatalogus bij elkaar te brengen en centraal via een register te
ontsluiten.
Dit betekent ook dat de data los van de gebruikte systemen opgeslagen moeten worden. Deze komen
zo ook beschikbaar voor andere processen. Hergebruik vergroot dan in sterke mate de waarde van de
gegenereerde data. Scheiding van data enerzijds en processen en regels anderzijds zijn daarmee
cruciaal en kunnen veel meerwaarde creëren. Ruwe (maar wel gevalideerde) data zijn de basis voor
afgeleide data en informatie. Het is daarom van belang te investeren in kwalitatief goede basisdata.
Houd de data (informatie) bij de bron. Daar is de kennis voor het onderhoud en beheer van de
inhoudelijk component het best belegd. Maar realiseer wel slechts één toegang tot alle informatie voor
Natuur. Dit kan in de vorm van een landelijke voorziening, informatiehuis of soortgelijk. In dit licht zijn
relevante ontwikkelingen als het Digitale Stelsel Omgevingswet (voorheen de Laan van de
Leefomgeving) en INSPIRE lopende ontwikkelingen waarop aansluiting moet worden gezocht.
De betekenis van Fryslân voor de instandhouding van soorten en habitattypen : toelichting op de totstandkoming van de tabellen die als hulpmiddel dienen voor het beoordelen van de betekenis van provinsje Fryslân voor de instandhouding van soorten en habitattypen onder de nieuwe Wet natuurbescherming
Bink, R.J. ; Schmidt, A.M. ; Vreeswijk, Tessa van; Swaay, C.A.M. van; Turnhout, C.A.M. van; Verweij, R. ; Woltjer, I. ; Broekmeyer, M.E.A. ; Soldaat, L. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2734) - 27
natuurbeschermingsrecht - natuurbescherming - habitatrichtlijn - vogelrichtlijn - natura 2000 - habitats - soorten - friesland - nature conservation law - nature conservation - habitats directive - birds directive - natura 2000 - habitats - species - friesland
Op 1 januari 2017 wordt de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. De provincies krijgen door deze wet een grotere verantwoordelijkheid voor het beschermen en in stand houden van vele soorten en habitattypen. Elke provincie moet daartoe een provinciale natuurvisie opstellen die door Provinciale Staten wordt vastgesteld en door Gedeputeerde Staten uitgevoerd. De provinsje Fryslân stelt zich de vraag wat de betekenis is van de provinsje voor de instandhouding van de soorten en habitattypen in Nederland onder de Wet natuurbescherming. Het antwoord op deze vraag wordt gebruikt voor twee doeleinden: een goede inzet van beleid en instrumentarium en – daar waar mogelijk – het gebruik van vrijstellingen bij de vergunningverlening. Beide zullen worden uitgewerkt in de natuurvisie van Fryslân. De provinsje Fryslân wil daartoe over een hulpmiddel beschikken waarmee zij de betekenis van de provinsje kan bepalen. Alterra, het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS), Sovon vogelonderzoek Nederland, de Vlinderstichting en andere PGO’s hebben gezamenlijk gewerkt aan dat hulpmiddel. Het resultaat is een aantal tabellen (Excelbestand) met een toelichtend rapport.
Woningbouw Abbekerk : effect op weidevogelgrasland in open landschap
Schotman, A.G.M. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2732) - 23
weidevogels - woningbouw - woningbouwbeleid - graslanden - ecologie - ruimtelijke ordening - landschapsecologie - noord-holland - grassland birds - house building - housing policy - grasslands - ecology - physical planning - landscape ecology - noord-holland
De gemeente Medemblik wil in Abbekerk woningbouw realiseren. Hiervoor zijn drie scenario’s met twee bouwfasen. Deze woningbouw is strijdig met de provinciale ruimtelijke verordening, artikel 25. Het te bebouwen gebied is op kaart gezet als ‘weidevogelleefgebied’. Een bestemmingsplan mag daar alleen woningbouw toelaten als er van ‘netto geen verstoord’ weidevogelgebied sprake is. Uit het onderzoek blijkt dat in de eerste bouwfase van de drie scenario’s het netto verstoorde oppervlak varieert van 2,9 tot 9,4 ha en het aantal verstoorde gruttoterritoria (2014) daarin van 0 tot 4. Formeel is er dus netto-verstoring. In een inbreidingslocatie is dit niet het geval. Er worden argumenten aangevoerd dat er in ecologische zin geen sprake is van verstoring van het door het beleid beoogde weidevogelkerngebied, o.a. omdat de gebieden op de kaart in 2014 al niet voldeden aan de criteria en in 2016 ook niet.
Monitoring landbouwkundige risico’s bij actief bodembeheer in Krimpenerwaard : monitoringsplan en nulmeting
Groenenberg, J.E. ; Rietra, R.P.J.J. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2726) - 27
sloten - stortterreinen - vuilnisbelten - verontreiniging - bodemverontreiniging - monitoring - afdeklagen - bodembeheer - krimpenerwaard - ditches - landfills - refuse tips - pollution - soil pollution - monitoring - coatings - soil management - krimpenerwaard
In de Krimpenerwaard liggen circa 6500 slootdempingen en vuilstorten. Het dempingsmateriaal bevat regelmatig verontreinigingen, zodat voor de hele regio sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het gebiedsgerichte bodembeheerplan voorziet in het afdekken van de verontreinigde slootdempingen met gebiedseigen schone grond. De effectiviteit van de sanering wordt geëvalueerd op basis van monitoring van ecologische en landbouwkundige risico’s. Dit rapport beschrijft de resultaten van de monitoring in het kader van de landbouwkundige risico’s. Er zijn metingen verricht aan het dempingsmateriaal, de afdeklaag en het gras, zowel voorafgaand aan als na het afdekken. Het gras dat groeide op de demping had verhoogde gehalten aan met name zink. De kwaliteit van het gras op de afgedekte dempingen wijkt niet af van de referentielocaties zonder dempingsmateriaal. De zeer lage PCB-concentraties in de afdeklaag en de hoge concentraties in de demping op de monitoringslocaties maken het in principe mogelijk om eventueel optredende veranderingen als gevolg van bioturbatie te monitoren.
Boseigendom in Twente en Salland : resultaten van een enquête onder kleine boseigenaren in Twente en Salland
Clerkx, A.P.P.M. ; Hengeveld, G.M. ; Schelhaas, M. ; Helmink, A.T.F. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2731) - 57
bossen - bosbezit - bosbedrijfsvoering - biomassa - opbrengsten - salland - twente - forests - forest ownership - forest management - biomass - yields - salland - twente
In de regio Twente/Salland is onderzoek uitgevoerd naar het boseigendom en motivatie van boseigenaren. Alle eigenaren met bosbezit van ten minste 0,5 ha hebben een enquête ontvangen met persoonlijke vragen over de eigenaar, het eigendom, beheer en oogst. Daarnaast is gekeken hoe gevoelig de eigenaren zijn voor verschillende strategieën die gericht zijn op vergroting van de houten biomassaoogst uit hun bos. Met deze antwoorden is voor de regio een indeling in eigenaarsgroepen gemaakt. Voor elke groep is een schatting gemaakt van het effect van de mobilisatiestrategieën en de hoeveelheid extra te mobiliseren hout.
Building with Nature pilot Zandmotor Friese IJsselmeerkust : hoe effectief is de zandmotor als ecodynamische strategie voor het versterken van de Friese IJsselmeerkust
Wiersma, A.P. ; Hattum, T. van; Lange, H.J. de; Slobbe, E.J.J. van - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2706) - ISBN 9789462578357 - 150
coastal management - coastal areas - sand - lake ijssel - netherlands - sand suppletion - kustbeheer - kustgebieden - zand - ijsselmeer - nederland - zandsuppletie
Dit rapport beschrijft de resultaten van de monitoring van de Building with Nature pilot langs de Friese IJsselmeerkust in de periode 2011 t/m 2015. De monitoring van de experimenten met zandmotors bij Workum en Oudemirdum is gericht op het begrijpen van het gedrag van de zandmotor, de effecten op de kust en op de ecologie. De monitoring loopt door tot en met 2017, dit rapport is dan ook te beschouwen als een tussenstand. Omdat er in 2016 een MIRT-pre-verkenning start met als doel het vaststellen van compenserende maatregelen langs de Friese IJsselmeerkust voor het veranderende peilregime van het IJsselmeer is het opportuun om nu met deze tussenstand van monitoringsresultaten te komen. In 2017 worden de definitieve resultaten gepubliceerd.
Damherten in de Manteling van Walcheren en de kop van Schouwen : beheer van damhertpopulaties in relatie tot beheerdoelstellingen en welzijnsaspecten
Kuiters, A.T. ; Vries, Daisy de - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2723) - 43
cervus - damherten - wildbeheer - natura 2000 - dierenwelzijn - zeeuwse eilanden - wilde dieren - wild - diergezondheid - cervus - fallow deer - wildlife management - natura 2000 - animal welfare - zeeuwse eilanden - wild animals - wildlife - animal health
In dit rapport is nagegaan of eerdere Alterra-rapporten (2001, 2005 en 2009) nog actueel zijn wat betreft de adviezen voor het beheer van damhertpopulaties in de Manteling van Walcheren en de Kop van Schouwen. Tevens is op verzoek van de provincie Zeeland verkend welke ontwikkelingen te verwachten zijn als niet langer wordt ingegrepen in de aantalsontwikkeling van beide damhertpopulaties. Daarbij wordt ingegaan op natuurlijke aantalsregulatie, ecologische draagkracht, welzijnsaspecten en beheer(s)baarheid van niet-gereguleerde damhertpopulaties. Te verwachten effecten van aantalstoename voor de realisatie van instandhoudingsdoelen van beide Natura 2000- gebieden worden beschreven op basis van ervaringen met damhertpopulaties elders.
Herkomst en migratie van Nederlandse edelherten en wilde zwijnen : een basiskaart van de genetische patronen in Nederland en omgeving
Groot, G.A. de; Spek, G.J. ; Bovenschen, J. ; Laros, I. ; Meel, Tom van; Jansman, H.A.H. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2724) - 71
cervus elaphus - sus scrofa - migration - genetic variation - wildlife conservation - netherlands - cervus elaphus - sus scrofa - migratie - genetische variatie - wildbescherming - nederland
De laatste jaren worden in toenemende mate incidentele waarnemingen van edelherten en wilde zwijnen buiten de toegewezen leefgebieden gedaan. De vraag is vervolgens of dit om natuurlijke immigratie vanuit (niet-omrasterde) leefgebieden in binnen- of buitenland gaat en waar ze dan vandaan zijn gekomen, of dat het een ontsnapt of losgelaten dier betreft. Om deze vraag in de toekomst in voorkomende gevallen effectief te kunnen beantwoorden, stelde Alterra in opdracht van BIJ12 – Faunafonds en Vereniging Het Edelhert een landelijke genetische referentiedatabase op van de zwijnen- en edelhertenpopulaties in Nederland en nabijgelegen populaties in België en Duitsland. In dit rapport worden de mogelijkheden van deze databases voor herkomstbepalingen nader onderzocht. Tevens geeft dit onderzoek, op basis van de verkregen databases, een overzicht van de genetische vitaliteit van de Nederlandse populaties van beide soorten met betrekking tot diversiteit, inteeltrisico’s en uitwisselingsmogelijkheden.
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.