Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 20 / 692

    • help
    • print

      Print search results

    • export
      A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
    Check title to add to marked list
    Kansen voor nieuw zuiveringsconcept buiten glastuinbouw
    Groot, Jim - \ 2020
    Vitamine D bijslikken? Best lastig om voldoende buiten te zijn
    Groot, Lisette de - \ 2020
    Vitamine D
    The environment in Ghanaian greenhouses
    Elings, Anne ; Warmenhoven, Mary - \ 2020
    Bleiswijk : Wageningen University & Research, BU Greenhouse Horticulture (Report / Stichting Wageningen Research, Wageningen Plant Research, Business Unit Greenhouse Horticulture WPR-928) - 30
    The project “Safe and accessible greenhouse production of (fruit) vegetables in Ghana” (“Fresh Green Ghana”), among others, intends to achieve improvement and enlargement of protected horticulture through data sharing and technology improvement, including the post-harvest chain, in collaboration with growers. This can contribute to greater availability of fresh (fruit) vegetables for the urban poor in Ghana. Data on environmental conditions outside and inside four greenhouses in southern Ghana were obtained from January 2018 – August 2019. The most important environmental character is temperature. Outdoor temperatures vary between 21 and 35oC, and indoor temperatures can be up to 10oC higher. Such high temperatures are have negative effects on crop growth and production. Influencing factors are altitude, size and orientation of the greenhouse, use of screens, and wind speed and direction. A number of management options to reduce the temperature increase are discussed. With this quantitative information, greenhouse designers and constructors and growers are better informed to make the right decisions.---Het project “Safe and accessible greenhouse production of (fruit) vegetables in Ghana” (“Fresh Green Ghana”) wil onder anderen bijdragen aan de verbetering en verbreding van de beschermde tuinbouw door in samenwerking met tuinders gegevens te delen en technologie te verbeteren, inclusief de na-oogst keten. Dit kan bijdragen aan een grotere beschikbaarheid van verse (vrucht)groenten voor de arme stedelijke bevolking in Ghana. Gegevens van groeiomstandigheden binnen en buiten vier kassen in zuidelijk Ghana werden van januari 2018 tot en met augustus 2019 verzameld. De belangrijkste milieueigenschap is temperatuur. De temperatuur van de buitenlucht varieert tussen 21 en 35oC, en de binnentemperatuur kan tot 10oC hoger liggen. Zulke hoge temperaturen werken negatief op groei en productie van het gewas. De kastemperatuur wordt beïnvloed door hoogte, kasformaat en -oriëntatie, het gebruik van schermen en windsnelheid en -richting. Een aantal opties om de kastemperatuur te beheersen worden besproken. Met deze kwantitatieve informatie kunnen kasontwerpers en -bouwers en tuinders betere beslissingen nemen.
    Hoogste tijd om honingbijen te beschermen
    Blacquiere, T. - \ 2020
    Bijenhouden 14 (2020)1. - ISSN 1877-9786 - p. 4 - 7.
    Er zijn zo’n 360 bijensoorten inheems in Nederland. Niet al die 360 kunnen ook nog werkelijk worden aangetroffen buiten opgeprikte verzamelingen, want vele zijn bedreigd. De honingbij (Apis mellifera) is ook een bedreigde inheemse soort. Veel natuurbeschermers en imkers denken hier anders over, maar het is precies wat de auteurs van een recent artikel betogen, en met goede argumenten. Zij doen bovendien suggesties hoe je wilde honingbijen zou kunnen beschermen. Hier beschrijf ik in grote lijnen de inhoud van het artikel van Requier et al., 2019.
    Gekleurde glasalen
    Griffioen, A.B. ; Winter, Hendrik V. ; Beentjes, R. ; Schaub, B. ; Zwerver, K. - \ 2020
    Visionair : het vakblad van sportvisserij Nederland 55 (2020). - ISSN 1569-7533 - p. 8 - 11.
    Het Noordzeekanaal is niet alleen een belangrijke scheepvaartverbinding tussen Amsterdam en de Noordzee, maar vormt ook een belangrijke ecologische verbindingszone voor vissen. Bekend is dat 5 tot 10 procent van de schieraal die uit Nederland wegtrekt door dit kanaal naar buiten trekt. Minder bekend is de omvang van de intrek van glasaal door het Noordzeekanaal.
    Vervanging kunstmest door dierlijke mest : Verkenning van opties voor de inzet van financiële instrumenten
    Koeijer, Tanja de; Luesink, Harry ; Helming, John - \ 2019
    Wageningen : Wageningen Economic Research (Wageningen Economic Research rapport 2019-103) - ISBN 9789463951791 - 35
    Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wil het gebruik van kunstmest ontmoedigen ten gunste van dierlijke mest. Deze notitie onderzoekt de verschillende financiële prikkels om te stimuleren dat dierlijke mest gebruikt wordt, zoals een heffing op kunstmest of het verstrekken van subsidies. Uit de analyse blijkt dat in de Nederlandse landbouw het gebruik van fosfaat uit dierlijke mest al vrijwel maximaal is. Het gebruik van stikstofkunstmest daarentegen is aanzienlijk. Een heffing op kunstmest is echter weinig effectief omdat de stikstof uit dierlijke mest samen met het fosfaatoverschot via export en verwerking van mest buiten de Nederlandse landbouw wordt afgezet en daarom onvoldoende beschikbaar is. Om zo veel mogelijk stikstof te behouden voor de Nederlandse landbouw is aanpassing van deze mix van mestproducten nodig. Om dit te stimuleren is een subsidie denkbaar op hoogwaardige verwerking van varkens- en rundveedrijfmest.
    Zoeken naar een kleine kever. Hoe inspecteer je bijenvolken op de aanwezigheid van kleine bijenkastkevers?
    Cornelissen, A.C.M. - \ 2019
    Bijenhouden 13 (2019)2. - ISSN 1877-9786 - p. 32 - 33.
    De kleine bijenkastkever (Aethina tumida) raakt geleidelijk aan verspreid over de hele wereld en komt nu voor op alle continenten, behalve Antarctica. Landen waar de soort nog niet gesignaleerd wordt, hanteren verschillende manieren waarop ze proberen de soort buiten de deur te houden. Dit doen ze onder andere door actief te monitoren. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van vangvolkjes. Dit zijn vijf- of zesraams bijenvolken die op strategische locaties, zoals zeehavens worden geplaatst.
    Neoplasie in schelpdieren : Wat weten we? Een korte Q&A
    Jansen, H.M. ; Capelle, J. ; Engelsma, M.Y. - \ 2019
    IJmuiden : Wageningen Marine Research - 3 p.
    De afgelopen tijd zijn verschillende (buiten-landse) publicaties verschenen die het voorkomen en de verspreiding van neoplasie in schelpdieren beschrijven. Neoplasie isabnormale celgroei (kanker)en staat daarmee snel in de belang-stelling. De vraag is dan ook of we ons in Neder-land zorgen moeten maken?DezeQ&A factsheet heeft als doel een kort over-zicht te geven van wat neoplasie is, wat bekend is over het voorkomen van neoplasie in schelpdieren in de Nederlandse wateren, en of schadelijke ef-fecten te verwachten zijn voor overleving van schelpdieren en/of voor de volksgezondheid. Hierbij ligt de focus op neoplasie in mosselen.Uit deze gegevens blijkt dat neoplasie een ver-schijnsel is dat wereldwijd in veel schelpdieren voorkomt. In Nederland is het incidenteel waarge-nomen. Recentemosselsterftein Frankrijk geeft aandat gerichte metingennaar het voorkomen van neoplasiein mosselen uit Nederlandse wate-renaan te bevelen zijn.
    Species selection and assessment of eco-engineering effects of seedlings for biogeomorphological landscape experiments
    Lokhorst, Ivar R. ; Lange, Sjoukje I. de; Buiten, Gerard van; Selaković, Sanja ; Kleinhans, Maarten G. - \ 2019
    Earth Surface Processes and Landforms 44 (2019)14. - ISSN 0197-9337 - p. 2922 - 2935.
    bank strength - biogeomorphology - flow resistance - landscape experiments - plant species

    Landscape experiments of fluvial environments such as rivers and deltas are often conducted with live seedlings to investigate effects of biogeomorphological interactions on morphology and stratigraphy. However, such experiments have been limited to a single species, usually alfalfa (Medicago sativa), whereas important environments in nature have many different vegetation types and eco-engineering effects. Landscape experimentation would therefore benefit from a larger choice of tested plant species. For the purpose of experimental design our objective was to identify fast-germinating and fast-growing species and determine their sensitivity to flow conditions during and after settling, their maximum growth, hydraulic resistance and added bank strength. We tested germination time and seedling growth rate of 18 candidate species with readily available seeds that are fast growing and occur at waterlines, plus Medicago sativa as a control. We selected five species that germinate and develop within days and measured properties and eco-engineering effects depending on plant age and density, targeting typical experimental conditions of 0–0.3 m/s flow velocity and 0–30 mm water depth. Tested eco-engineering effects include bank strength and flow resistance. We found that Rumex hydrolapathum can represent riparian trees. The much smaller Veronica beccabunga and Lotus pedunculatus can represent grass and saltmarsh species as they grow in dense patches with high flow resistance but are readily erodible. Sorghum bicolor grows into tall, straight shoots, which add significantly to bank strength, but adds little flow resistance and may represent sparse hardwood trees. Medicago sativa also grows densely under water, suggesting a use for mangroves and perhaps peat. In stronger and deeper flows the application of all species changes accordingly. These species can now be used in a range of landscape experiments to investigate combined effects on living landscape patterns and possible facilitation between species. The testing and treatment methodology can be applied to new species and other laboratory conditions.

    Schelpdierbestanden in de Nederlandse kustzone in 2019
    Perdon, K.J. ; Troost, K. ; Zwol, J. van; Asch, M. van; Pool, J. van der - \ 2019
    IJmuiden : Stichting Wageningen Research, Centrum voor Visserijonderzoek (CVO) (CVO rapport 19.010) - 50
    De visserij op schelpdieren in de Nederlandse kustwateren heeft zich ontwikkeld van een vrije visserij tot een sterk gereguleerde visserij waarbij naast economische ook ecologische doelstellingen nagestreefd worden. In het kader van de uitvoering van dit beleid wordt jaarlijks een bestandsopname van mesheften (Ensis sp.), halfgeknotte strandschelpen (Spisula subtruncata), en de overige veel voorkomende soorten met een potentieel belang voor visserij, uitgevoerd door Wageningen Marine Research (WMR). Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: programma Wettelijke Onderzoekstaken visserij. In deze rapportage staat het resultaat van de bemonstering van de kustzone in het voorjaar van 2019 en is de 25ste opeenvolgende gebieds-dekkende survey die op deze manier sinds 1995 wordt uitgevoerd. Het primaire doel van deze inventarisatie is een schatting te maken van de bestanden van de economisch en ecologisch belangrijke soorten, te weten, mesheft (Ensis sp.), halfgeknotte strandschelp (Spisula subtruncata), mossel (Mytilus edulis) en kokkel (Cerastoderma edule) in de Nederlandse kustwateren en de daarin gelegen Natura-2000 gebieden Noordzeekustzone, Voordelta, Vlakte van de Raan en de monding van de Westerschelde. Over overige soorten schelpdieren die van economische betekenis kunnen zijn, wordt gerapporteerd indien bestanden van enige omvang aanwezig zijn. In 2019 is dit het geval voor otterschelpen (Lutraria lutraria), venusschelpen (Chamelea striatula) en zaagjes (Donax vittatus). In 2019 werd een totale biomassa geschat van 796,5 miljoen kg vers gewicht aan mesheften en 1.517,9 miljoen kg vers gewicht aan halfgeknotte strandschelpen. Daarnaast is een bestand aangetroffen van 16,4 miljoen kg vers gewicht aan venusschelpen en 16,7 miljoen kg vers gewicht aan zaagjes. Voor otterschelpen is het bestand geschat op 3.424 miljoen individuen. Het bestand aan mosselen is geschat op 3,3 miljoen kg vers gewicht. Het aantal mesheften is bijna drie maal hoger dan in 2018 en wordt grotendeels veroorzaakt door de grote hoeveelheid juveniele mesheften. De biomassa van mesheften lag in 2019 iets hoger: 796,5 miljoen kg vers gewicht tegenover 671,5 miljoen kg vers gewicht in 2018. Van het bestand ligt 24% buiten de Natura-2000 gebieden. Daarnaast zien we een lichte afname in het aantal berekende halfgeknotte strandschelpen terwijl de biomassa is toegenomen tot de hoogst gemeten waarde sinds 1995. De verklaring hiervoor is dat de gemeten strandschelpen groter zijn dan in 2018 en hierdoor een hogere biomassa hebben. Van het bestand ligt 92% buiten de Natura-2000 gebieden. De bestanden aan otterschelpen, zaagjes en venusschelpen zijn licht afgenomen ten opzichte van 2018. Voor de zaagjes valt dit te verklaren door een grote hoeveelheid juveniele beesten. Het bestand aan mosselen is toegenomen tot een redelijke omvang en daarom opgenomen in dit rapport.
    Het percentage regionaal eiwit in het Nederlandse mengvoer : actualisatie voor 2018
    Krimpen, Marinus van; Cormont, Anouk - \ 2019
    Wageningen : Wageningen Livestock Research (Wageningen Livestock Research rapport 1222) - 22
    Wageningen University & Research onderzocht de herkomst van eiwitrijke diervoedergrondstoffen (>154 g/kg ruw eiwit) in het Nederlandse mengvoer voor de jaren 2011, 2013, 2014, 2015 en 2018. Daarbij werd 'regionaal geproduceerde eiwit' gedefinieerd als eiwit in diervoeder, geleverd door eiwitrijke grondstoffen die afkomstig zijn van in Europa geteelde gewassen. Gegevens over de gebruikte hoeveelheden grondstoffen, eiwitgehaltes van deze producten en hun oorsprong (regionaal versus niet-regionaal) zijn gecombineerd om het aandeel regionaal geproduceerde eiwitten in de vijf grootste Nederlandse veehouderijsectoren (melkvee, vleesvee, varkenshouderij, leghennen en vleespluimvee) te verkrijgen, alsmede voor de veehouderij als geheel. De regionaal geproduceerde volumes eiwitrijke diervoedergrondstoffen werden berekend als eiwitvolume en totaal volume. In deze studie ligt de focus op eiwit afkomstig uit mengvoergrondstoffen en is eiwit afkomstig uit ruwvoer en enkelvoudige grondstoffen buiten beschouwing gelaten. Wel is een variant doorgerekend waarin ook de hoeveelheid eiwit uit eiwitrijke vochtrijke diervoeders is meegenomen. Op basis van eiwitvolume was het aandeel eiwit afkomstig van eiwitrijke diervoedergrondstoffen van regionale oorsprong in mengvoeders voor alle diercategorieën samen 39% in 2011, 41% in 2013, 48% in 2014, 38% in 2015 en 47% in 2018. Wanneer ook eiwitrijke vochtrijke bijproducten worden meegenomen, was het aandeel eiwit van regionale oorsprong in 2018 50%. Als we kijken naar de herkomst van het eiwit uit alle mengvoergrondstoffen, waarbij we dus ook de grondstoffen meenemen met minder dan 154 g/kg ruw eiwit zoals de granen, dan blijkt over de periode 2011 - 2018 dat 56 tot 65% van het eiwit in mengvoer van regionale herkomst is.
    Melkveehouders buiten Europa houden fors meer koeien
    Evers, A.G. ; Haan, M.H.A. de - \ 2019
    Verantwoorde veehouderij
    Het gemiddelde melkveebedrijf in Nederland kent een omvang van 100 melkkoeien. Herkenbare bedrijven in Californië tellen een veestapel van gemiddeld 1100 melkkoeien. Maandelijks wordt een vergelijking gemaakt tussen de Nederlandse melkveehouderij en een aantal andere exporterende zuivellanden landen via een specifiek kengetal. Deze keer ligt de focus op het aantal aanwezige koeien per bedrijf.
    Grote verschillen in tussenkalftijd buiten Europa
    Evers, A.G. ; Haan, M.H.A. de - \ 2019
    Verantwoorde veehouderij
    Natuur binnen of buiten het hek? : Een reflectie vanuit bestuurskundig perspectief
    Runhaar, Hens - \ 2019
    Podium voor Bio-ethiek 26 (2019)3. - p. 9 - 12.
    De Wilde Ruimte met Anna
    Wamelink, Wieger - \ 2019

    Wat moeten kolonisten eten in de ruimte? Dat is de vraag waarmee Wieger Wamelink van de Universiteit Wageningen zich bezighoudt. Hij kweekt aardappelen op maangrond en maakt groente geschikt voor groei buiten de aarde.

    Onderzoekers meten hitte met weerballon
    Steeneveld, Gert-Jan ; Heusinkveld, Bert ; Tsiringakis, Aristofanis - \ 2019

    Om het stadsklimaat beter te begrijpen, meten onderzoekers van Wageningen University & Research met een weerballon tot welke hoogte de hitte in de stad verschilt van de temperaturen buiten de stad. De metingen werden verricht in Amsterdam en Breukelen.

    Weerballonnen meten hoe warm het is in de lucht
    Steeneveld, Gert-Jan ; Heusinkveld, Bert - \ 2019

    Het is warm, heel warm. Het hitterecord kan zelfs vandaag al worden gesneuveld. In het zuidoosten van ons land wordt een maximumtemperatuur van 39 graden verwacht; het record uit 1944 staat op 38,6 graden. Maar hoe warm is in het de lucht?

    Die vraag proberen onderzoekers van de Wageningen University en AMS Institute te beantwoorden door meerdere luchtballonnen op te laten in Amsterdam. De hele dag worden ballonnen opgelaten om te meten hoe de hitte in de hoofdstad verschilt van de temperaturen van buiten de stad. En dat levert mooie plaatjes op

    Het belang van sublitorale mosselen als voedselbron in de Westelijke Waddenzee : helpdeskvraag 2c in het kader van mosseltransitie (KD-2019-028)
    Jansen, H.M. - \ 2019
    Yerseke : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C038/19) - 19
    Deze rapportage geeft duiding aan het belang van sublitorale mosselen als voedselbron voor de verschillende predatoren in de Waddenzee op basis van een literatuurreview. Onderstaande tabel vat de bevindingen samen, waarbij onderscheid gemaakt is tussen mosselen op wilde banken en op kweekpercelen.Soort Belang wilde mosselbanken Belang kweekpercelen Eidereenden Wilde mosselen zijn in sommige seizoenen van mindere kwaliteit voor de Eidereend in vergelijking met kweekmosselen. Aan het einde van de winter, wanneer kwaliteit van mosselen op wilde banken en percelen gelijk is, worden eidereenden ook gezien op wilde banken.Kweekmosselen zijn een belangrijke voedselbron voor Eidereenden, met name in periodes wanneer de mosselkwaliteit (hoge vlees/schelp ratio) relatief gunstig is.Topper Toppers komen worden vooral waargenomen rond de afsluitdijk. Rond de afsluitdijk zijn ook wilde mosselbanken aanwezig zijn, toppers komen echter vooral voor op locaties waar kleine strandgapers aanwezig zijn, en er wordt daarom aangenomen dat dit een belangrijke voedselbron is. Mosselen lijken van minder groot belang in het dieet van de Topper.Op de locaties waar veel toppers voorkomen (afsluitdijk) liggen weinig percelen.Krabben Bestand van krabben in het sublitoraal neemt geleidelijk toe, en is sterk gelinkt aan het voorkomen van mosselen. Mosselzaad en halfwas mosselen zijn een geschikte voedselbron voor krabben, volwassen mosselen zijn veelal te groot voor predatie.Het krabben bestand op de percelen is ongeveer ¼ van het bestand buiten de percelen.Predatie door krabben is bepalend voor het rendement van het perceel. Vooral mosselzaad in de eerste weken nadat het op de percelen gelegd is, is een belangrijke prooi voor krabben.Zeesterren Zeesterren bepalen in grote mate de overleving van wilde mosselbanken in de Waddenzee. In gebieden met een lager zoutgehalte (nabij afsluitdijk) komen minder zeesterren voor. Zeesterren consumeren alle grootteklassen mosselen, mits verhouding predator/prooi voldoetPercelen zijn gelegen in gebieden met een hoog zoutgehalte, en daarmee geschikt habitat voor zeesterren. Het totale bestand zeesterren op percelen is in zelfde orde grote als voor krabben.GarnalenKlein mosselzaad (2-3mm) is een voedselbron voor garnalen.
    Als ik niet naar buiten ben geweest, wordt dat aan het einde van de dag terugbetaald - Vital@SSG
    Wagemakers, Annemarie - \ 2018

    Vital@SSG - Interview met Annemarie Wagemakers, universitair hoofddocent Gezondheid en Maatschappij bij het Departement Maatschappijwetenschappen en naast haar werk ook yogadocent.

    Omvang melkleverantie van Nederlandse melkveebedrijf eindigt in middenmoot
    Evers, A.G. ; Haan, M.H.A. de - \ 2018
    Verantwoorde veehouderij
    Een gemiddeld Nederlands melkveebedrijf produceert rond de 900.000 kilogram melk. Met deze melkleverantie eindigt Nederland in de middenmoot in de rij van belangrijke zuivellanden. In Europa levert alleen de Deense melkveehouder meer melk af. Landen buiten Europa leveren substantieel veel meer melk af. Elke maand wordt er een vergelijking gemaakt aan de hand van een specifiek kengetal. Deze keer ligt de focus op de geleverde melk per bedrijf.
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.