Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 5 / 5

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Garnalenkweek zet muizenstapjes richting duurzaamheid
    Wiegertjes, Geert - \ 2019
    garnaal

    Belgen zijn verzot op garnalen, en dat is duidelijk te merken aan de winkelrekken. Die bieden de consument een ruim aanbod, van de eigen noordzeegarnaal tot diverse tropische variëteiten. Die laatste worden steeds vaker gekweekt in plaats van op zee gevangen. Op zich een goede zaak, want vele garnalenpopulaties zijn overbevist. Alleen moet er dan wel werk gemaakt worden van duurzame kweekmethodes.

    Ooit gold de garnaal als eten voor arme mensen in de kuststreek. Maar zodra het grote publiek de smaak van garnalen te pakken kreeg, is de vraag alleen maar blijven stijgen. Net als het aanbod trouwens, uitgebreid met een gamma aan tropische garnalen uit Azië of Latijns-Amerika. Die tropische garnalen worden steeds vaker gekweekt in plaats van op zee gevangen. Hoewel de kweek in aquacultuur op commerciële schaal relatief nieuw is, groeit de sector sterk, aangedreven door onze niet te stillen zin in garnalen.

    Anno 2019 komt zo’n 55 procent van alle tropische garnalen uit kweekvijvers, een percentage dat alleen maar zal toenemen, want de vangst op zee stagneert al meer dan een decennium. De populaties wilde garnalen in vele tropische zeeën zijn overbevist, wat maakt dat aquacultuur in deze zeker een duurzaam alternatief kan bieden.

    Controle over het leven van een kweekgarnaal

    Garnalen kweken biedt wel degelijk voordelen in vergelijking met garnalen vangen op zee. “Kwaliteitscontrole en traceerbaarheid zijn er daar twee van”, zegt professor Geert Wiegertjes, hoofd van de onderzoeksgroep Aquacultuur en Visserij van Wageningen Universiteit. “Over garnalen die op zee gevangen werden, weet je nagenoeg niets. Hoe en in welke omstandigheden heeft dat dier geleefd? Wat zit er precies in die garnaal? Dat is anders voor gekweekte garnalen, want daar heeft men een perfect overzicht van geboorte tot eindproduct. Dat geeft dan ook een beter beeld van hoe gezond een garnaal precies is.”

    De mate van duurzaamheid hangt af van hoe de kweek plaatsvindt. “Als je in een ecosysteem op zee dieren vangt, en de populaties de kans geeft zich te herstellen, dan is daar niet veel mis mee”, verduidelijk professor Wiegertjes.

    “Alleen is er wel zoiets als een maximum aan garnalen (of andere zeedieren) dat je op een duurzame manier kan vangen. Als er meer gevist wordt, zullen populaties zich niet herstellen. Dat maximum hangt onder andere af van de snelheid waarmee een soort zich voortplant en de gezondheid van het ecosysteem in kwestie. Maar globaal genomen is dat maximum al een tijdje bereikt. Toch kan je niet zwart op wit stellen dat kweek op zich duurzamer is. Aquacultuur kan net zo goed destructief voor het milieu zijn. Het kappen van mangrovebossen voor garnalenkweek is een goed voorbeeld van een foute aanpak."

    Explosieve groei ten koste van het milieu

    De kweek van garnalen – zowel in zoet als zout water – kent een lange traditie in Azië, maar het was pas in de jaren zeventig dat aquacultuur doorbrak op commerciële schaal en uitgroeide tot een belangrijke economische sector. Het kweken van garnalen en vis in aquacultuur werd door overheden en ontwikkelingsorganisaties gestimuleerd als middel tegen armoede. Aquacultuur bleek een relatief goedkope en eenvoudige manier om huishoudens een bron van voedsel en inkomsten te bieden.

    Aan de opmars van de garnalenkweek hing echter een hoog prijskaartje, meer bepaald voor het milieu. Vooral in Azië heeft de explosieve groei van de oppervlakte aan kweekvijvers stevig ingehakt op de mangrovebossen in de kustregio’s. De garnalenkweek zou in maar liefst 40 procent van de gevallen rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het verdwijnen van mangrovebossen. Net die mangrovebossen zijn enorm waardevolle ecosystemen op de grens van land en zee. Het verdwijnen ervan heeft negatieve effecten op de rest van het maritieme milieu. Voor heel wat vissen en andere zeedieren zijn mangrovebossen essentieel als paaiplaatsen waar ze paren en eieren leggen.

    Mangrovebossen werken bovendien als een soort filter die slib vanop het land vasthouden en op die manier water zuiveren. Daarnaast vormen de bossen een soort buffer die kustregio’s beschermt tegen erosie, stormen en overstromingen.

    De intensivering van de kweek betekent dat men veel meer garnalen op kleine oppervlaktes houdt. Die hoge densiteit maakt garnalen gevoelig voor ziektes, wat leidt tot overmatig antibioticagebruik in de kweek. Uitwerpselen van garnalen, onverteerd voer, chemicaliën en antibioticaresiduen verzamelen zich op de bodem van kweekvijvers. Vaak kuisen kwekers dit slib wel uit, maar wordt het gedumpt zodat de toxische mix alsnog in het water terecht komt.

    Stapjes richting duurzamere kweek

    Gelukkig groeit het besef dat een andere aanpak nodig is. De onderzoeksgroep Aquacultuur en Visserij van Wageningen Universiteit heeft onderzoeksprogramma’s over aquacultuur lopen in verschillende Aziatische landen. “Voor kleinere telers is ecologische intensivering een optie”, zegt professor Wielertjes. “Tropische garnalen eten van nature plankton, niet het voer dat telers hen geven. Door de gezondheid van vijvers te verbeteren, komt er meer plankton in het water en zal de garnaal sneller groeien. Die ecologische intensivering is voor kleinere telers een eenvoudige manier om op duurzame manier hun productie te verhogen.”

    Die kleinere telers richten zich evenwel meestal op de lokale markt. Het zijn dan ook niet hun garnalen, maar wel die van de grote producenten die we doorgaans in onze winkelrekken vinden. Ook daar lijkt een omslag naar meer duurzame kweekmethodes ingezet, deels uit eigenbelang. De explosieve, ongecontroleerde groei van intensieve garnalenkweek in Azië, maar ook in Latijns-Amerika zorgde voor heel wat ziektes, vaak met desastreuze gevolgen voor de sector. Vooral virale ziektes richtten ware ravages aan. Thailand bijvoorbeeld, na China het land met de hoogste productie gekweekte garnalen, werd in 2011 getroffen door een nieuwe infectie, het early morality syndrome, dat de opbrengst van de sector met 40 procent deed dalen.

    Daarom dat de industrie kijkt naar kweeksystemen die meer controle over de keten bieden. “Met recirculatiesystemen kan dat”, weet professor Wiegertjes. “Natuurlijk blijft het de vraag of het een goed idee is om garnalen in een dergelijke dichtheid te kweken. Maar dergelijke systemen recycleren hun water, en gaan efficiënter om met energie. Ook is er meer controle over de afvalstromen, de mest van de garnalen, zeg maar. Garnalen geteeld in een dergelijk systeem kan je gerust een stuk duurzamer noemen."

    Garnalen op een plantaardig dieet

    Hergebruik van water is maar een voorbeeld van nieuwe methodes die de ecologische voetafdruk van de garnalenkweek kunnen verminderen. Ook op vlak van voeding valt er vooruitgang te boeken. Nu krijgen garnalen vaak nog vismeel voorgeschoteld, maar gezien de precaire toestand van vele visbestanden en de groei van aquacultuur is die praktijk niet houdbaar. Daarom dat men zoekt naar plantaardige alternatieven.

    Sojameel is een optie, maar dat bevat een aantal chemische stoffen zoals saponinen die de spijsvertering van sojameel bemoeilijken. Nieuwe bewerkingstechnieken slagen er echter steeds beter in om deze stoffen uit soja te filteren, zodat garnalen voer op basis van soja beter verteren. Ook algen en insecten zijn mogelijke alternatieven voor vismeel, al ligt de kostprijs nog te hoog.

    Naast waterverbruik en voer kan de druk van ziektes en plagen anders aangepakt worden. Vaak zijn het vogels die zieke exemplaren oppikken uit kweekvijvers en zo pathogenen verspreiden via hun uitwerpselen. Het kweken van garnalen in overdekte vijvers of in serres kan dit voorkomen. Verder helpt een minder hoge densiteit van garnalen de gezondheid van een kweeksysteem, net als polycultuur, waarbij garnalen kweekvijvers delen met vissoorten zoals de tilapia of de bandeng. In Thailand – een koploper op vlak van het verduurzamen van aquacultuur – lopen kleinschalige projecten waarbij mangrovebossen hersteld worden om tegelijk de waterkwaliteit van de kweekvijvers te verbeteren.

    Garnalenkweek in België

    Ook bij ons wordt er geëxperimenteerd met de kweek van tropische garnalen. In België kweekt het bedrijf Crevetec tropische garnalen en ontwikkelt tegelijk nieuwe kweekmethodes en voer voor een meer duurzame kweek. Maar aan het kweken van noordzeegarnalen heeft zich echter tot nu toe nog niemand gewaagd, want het blijft veel eenvoudiger ze op zee te vissen. Wel voerde het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) een onderzoek uit naar het potentieel van de kweek. Een geheel nieuw terrein, want het kweken van noordzeegarnalen in aquacultuur lijkt in niets op dat van tropische garnalen, waarvoor wel al heel wat expertise bestaat.

    In tegenstelling tot sommige tropische soorten zoals de tijgergarnaal lijdt de noordzeegarnaal niet onder overbevissing. De populatie is gezond, hoewel er niet veel natuurlijke slikken en schorren – de paaiplaatsen van de garnaal – overblijven aan de kust. Het helpt dat garnalen een erg korte levenscyclus hebben en dat dat populaties zich makkelijk herstellen. Daarom dat de EU geen quota voor garnalen oplegt. De soort mag vrij bevist worden, en naar schatting 15 tot 55 procent van het garnalenbestand in de gehele Noordzee wordt bovengehaald.

    Vraag naar levende noordzeegarnalen

    Om ecologische redenen hoeft het dus niet, de kweek van noordzeegarnalen. Het onderzoek naar de mogelijkheid van garnalen in aquacultuur kwam er in de eerste plaats vanuit een economische logica, laat Daan Delbare, hoofd van de Onderzoeksgroep Aquacultuur bij ILVO via mail weten. “Er is vraag naar grote, levende noordzeegarnalen. Culinair bieden die meer mogelijkheden dan gekookte garnalen. Men kan ze immers bakken of frituren, of zelfs rauw serveren.”

    “Alleen voldoet de visserij vandaag niet aan die vraag”, aldus Delbare. “Grote garnalen maken slechts 2 procent uit van de vangst. Levende garnalen worden enkel uit de laatste sleep van een vangst gehaald, iets wat manueel dient te gebeuren. Men moet de garnaal van vangst tot klant in leven houden en dat is een enorm arbeidsintensief proces.”

    Het lijkt dus mogelijk om noordzeegarnalen te telen in aquacultuur, al zijn er nog wat obstakels. “Een groot probleem is het kannibalisme onder de noordzeegarnaal. Die is eigenlijk een omnivoor, maar met een voorkeur voor dierlijke voeding, zoals wormen en onvolgroeide zeedieren. Maar ook kleinere soortgenoten staan op het menu, en dat is lastig voor telers. Ook aan de precieze samenstelling van een optimaal dieet voor de noordzeegarnalen moet nog gesleuteld worden."

    Duidelijke labels voor duurzame garnalen

    De kweek van noordzeegarnalen is dus nog niet voor morgen. “Maar tropische garnalen worden wel steeds meer in aquacultuur geteeld. De laatste vijf jaar is de productie met zo’n 20 procent gestegen, terwijl de vangst op zee stagneert. Hoewel de mistoestanden in de sector zeker nog niet verdwenen zijn, lijkt de trend naar een meer ecologisch verantwoorde kweek ingezet”, aldus professor Wiegertjes. “Produceren enkel om maar zoveel mogelijk te produceren, daar is men ook in Azië van af aan het stappen. In de gehele sector vinden meer duurzame teeltmethodes ingang zoals recirculatiesystemen die water zuiveren en hergebruiken.”

    Voor consumenten die duurzame keuzes willen maken bieden labels een houvast. Voor vangst op zee is er het Maritime Stewardship Council label (MSC), en naar analogie werd er in 2012 ook een Aquaculture Stewardship Council label (ASC) in het leven geroepen. Een goede zaak, vindt Wiegertjes. “In Nederland bijvoorbeeld is er een supermarktketen die enkel nog aquacultuurproducten met dat label aanbiedt. Dat soort keuzes maakt een groot verschil. Er is een maatschappelijke tendens die duurzaamheid belangrijk vindt en daar meer voor wil betalen. Alleen zet zich dat nog niet altijd door in koopgedrag. Maar ik denk wel dat deze trend aan belang zal winnen in de toekomst."

    Development and application of a duplex PCR assay for detection of Crangon crangon bacilliform virus in populations of European brown shrimp (Crangon crangon)
    Eynde, Benigna Van; Christiaens, Olivier ; Delbare, Daan ; Cooreman, Kris ; Bateman, Kelly S. ; Stentiford, Grant D. ; Dullemans, Annette M. ; Oers, Monique M. van; Smagghe, Guy - \ 2018
    Journal of Invertebrate Pathology 153 (2018). - ISSN 0022-2011 - p. 195 - 202.
    Aquaculture - CcBV - Crustacean - Diagnostic - Disease - Nudiviridae
    Crangon crangon bacilliform virus (CcBV) was first discovered in 2004 in European brown shrimp (Crangon crangon) caught along the English coast. This study describes a duplex PCR assay developed for the detection of CcBV, based on amplification of the lef-8 gene (211 bp) of CcBV and the E75 gene (105 bp) of C. crangon as an internal amplification control. The lef-8 and E75 primer pairs were designed based on preliminary genome sequencing information of the virus and transcriptomic data available for C. crangon, respectively. Sequencing of the resulting amplicons confirmed the specificity of this PCR assay and sequence analysis of the lef-8 fragment revealed amino acid identity percentages ranging between 31 and 42% with members of the Nudiviridae, proposing that CcBV may reside within this family.Finally, the duplex PCR assay was applied to samples of C. crangon hepatopancreas tissue collected along the Belgian coast to screen for the presence of CcBV. The prevalence of CcBV averaged 87%, which is comparable to previous reports of high prevalence, based upon histological analysis, in shrimp collected along the English coast. Development of a specific and sensitive PCR assay to detect CcBV will provide a useful tool for future aquaculture and research programs involving C. crangon.
    Ecohydrologische systeemanalyse van het Rotbroek en Gorenbroek; Ecohydrologisch functioneren en knelpunten - potenties en herstelmogelijkheden : Rapport 9y2139
    Pals, Annemarie ; Mars, Hans de; Delbare, Elke ; Delft, S.P.J. van; Jacobs, M.H. - \ 2016
    Mechelen : HASKONING BELGIOM SA/NV/Wageningen Environmental Research - 191 p.
    Development of a duplex PCR as screening tool for the detection of Crangon crangon bacilliform virus in the European brown shrimp Crangon crangon
    Eynde, B. van; Christaens, O. ; Delbare, D. ; Bateman, K.S. ; Stentiford, G. ; Dullemans, A.M. ; Oers, M.M. van; Smagghe, G. - \ 2016
    The brown shrimp Crangon crangon is an important species ecologically and economically. Due to low landings of large animals (less than 2 % > 7cm) and a growing demand for living shrimps, C. crangon was identified as a candidate for aquaculture. However, in 2004, researchers found thatthis species could be infected with C. Crangon Bacilliform Virus, an intranuclear bacilliform virus mainly infecting the hepatopancreas. This virus,acting as an extra stress factor, could affect the health status of C. crangon reared in captivity, resulting in higher mortality. CCBV could therefore bethe reason why the life cycle of C. crangon was never closed in captivity. A screening tool for the detection of CCBV was developed in order toexamine the infection severity. The research focused on the optimization of a duplex PCR, which amplifies an internal amplification control geneand a viral gene. Once the duplex PCR was optimized with reared shrimp, a prevalence study was conducted with wild samples from several regionsof the Belgian Coast. Results indicate that the prevalence of CCBV is between 80 and 94 % in the examined populations. The high prevalence canindicate that the virus is transmitted from female to offspring. To confirm this hypothesis, more experiments are needed to determine how thisvirus is transmitted to the offspring. The development of a detection tool for CCBV offers the ability to rapidly and reliably screen wild and reared C.crangon and also transmission can be studied in more detail. This will enable us to select healthy and virus-free individuals, which will not onlycontribute to the rearing of this species, but also for research purposes, allowing us to use standardized bioassay tests.
    A review of the culture potential of Solea solea and S. senegalensis
    Imsland, A.K. ; Foss, A. ; Conceicao, L.E.C. ; Dinis, M.T. ; Delbare, D. ; Schram, E. ; Kamstra, A. ; Rema, P. ; White, P. - \ 2003
    Reviews in Fish Biology and Fisheries 13 (2003)4. - ISSN 0960-3166 - p. 379 - 407.
    turbot scophthalmus-maximus - halibut hippoglossus-hippoglossus - juvenile dover sole - parr-smolt transformation - salmo-salar l - bass dicentrarchus-labrax - seabream sparus-aurata - gilthead sea bream - free amino-acids - atlantic halibut
    A number of scientific studies have investigated aspects of soles ( Solea solea and S. senegalensis) ecology, population genetics and biology in their natural environment, and the species have been extensively studied in captivity during the last decade. Studies on the genetic population structure of sole indicate that several distinct breeding populations exist within its distributional range in European waters. Recent studies suggest a phylogenetic relatedness of S. solea and S. senegalensis, being found as closest sister lineages in most reconstructions. However, studies on molecular genetics and morphological traits give diagnostic differences that consistently lead to their taxonomic separation at the specific rank. Studies show that sole spawn readily in captivity, and the buoyant, fertilized eggs are easily collected. Stocking density during maturation should be 1-1.5 kg/m(2), and temperature should be kept above 16degreesC ( S. senegalensis) or between 8 and 12degreesC ( S. solea). In nature, the onset of spawning is related to a rise in temperature occurring during spring ( March-June). Salinity should be kept constant around 33-35& and the fish reared under simulated natural photoperiod ( LDN). In other cultured flatfish species, a change in the photoperiod is the key environmental signal used to manipulate and control maturation, but at present time there are no published work that verifies or contradicts this for either S. senegalensis or S. solea. Studies indicate that a mixture of inert and live food may increase the weaning success of sole fry, and this can be further enhanced by using attractants in the dry feed. Future experiments are needed to determine the ideal time to commence weaning and determine the minimum duration of this period. Studies on alternative feeding strategies are also required. The effect of temperature and photoperiod on juvenile growth has not been studied systematically in neither of the two species and the relative importance of a direct photoperiod effect on growth in sole therefore remains to be defined.
    Check title to add to marked list

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.