Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 100 / 281

    • help
    • print

      Print search results

    • export
      A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
    Check title to add to marked list
    Water distribution in an arid zone soil : Numerical analysis of data from a large weighing lysimeter
    Dijkema, J. ; Koonce, J.E. ; Shillito, R.M. ; Ghezzehei, T.A. ; Berli, M. ; Ploeg, M.J. Van Der; Genuchten, M.T. Van - \ 2018
    Vadose Zone Journal 17 (2018)1. - ISSN 1539-1663
    Although desert soils cover approximately one third of the Earth’s land surface, surprisingly little is known about their physical properties and how those properties affect the ecology and hydrology of arid environments. The main goal of this study was to advance our understanding of desert soil hydrodynamics. For this purpose, we developed a process-based component within HYDRUS-1D to describe the moisture dynamics of an arid zone soil as a function of water fluxes through the soil surface. A modified van Genuchten model for the dry end of the soil water retention curve was developed to better capture the basic flow processes for very dry conditions. A scaling method was further used to account for variabilities in water retention because of changes in the bulk density vs. depth. The model was calibrated and validated using hourly soil moisture, temperature, and mass data from a 3-m-deep weighing lysimeter of the Scaling Environmental Processes in Heterogeneous Arid Soils facility at the Desert Research Institute (Las Vegas, NV). Measurements and simulations during a 1-yr period agreed better under precipitation (wetting) than under evaporation (drying) conditions. Evaporation was better simulated for wet than for dry soil surface conditions. This was probably caused by vapor-phase exchange processes with the atmosphere, which were unaccounted for and need to be further explored. Overall, the model provides a promising first step toward developing a more realistic numerical tool to quantify the moisture dynamics of arid ecosystems and their role in climate change, plant growth, erosion, and recharge patterns.
    4. Ontwikkeling kwelder Ameland-Oost : Evaluatie bodemdalingsonderzoek 1986-2016
    Elschot, Kelly ; Groot, Alma de; Dijkema, Kees ; Sonneveld, Cor ; Wal, Jan Tjalling van der; Vries, Pepijn de; Brinkman, A.G. ; Duin, Willem van; Molenaar, W. ; Krol, J. ; Kuiters, A.T. ; Vries, Daisy de; Wegman, R.M.A. ; Slim, P.A. ; Koppenaal, E.C. ; Vlas, J. de - \ 2017
    In: Monitoring effecten van bodemdaling op Oost-Ameland / de Vlas, J., - p. 185 - 328.
    Adaptation of thermal power plants : The (ir)relevance of climate (change) information
    Bogmans, Christian W.J. ; Dijkema, Gerard P.J. ; Vliet, Michelle T.H. van - \ 2017
    Energy Economics 62 (2017). - ISSN 0140-9883 - 18 p.
    Adaptation - Climate change - Real options - Thermal power plants

    When does climate change information lead to adaptation? We analyze thermal power plant adaptation by means of investing in water-saving (cooling) technology to prevent a decrease in plant efficiency and load reduction. A comprehensive power plant investment model, forced with downscaled climate and hydrological projections, is then numerically solved to analyze the adaptation decisions of a selection of real power plants. We find that operators that base their decisions on current climatic conditions are likely to make identical choices and perform just as well as operators that are fully ‘informed’ about climate change. Where electricity supply is mainly generated by thermal power plants, heat waves, droughts and low river flow may impact electricity supply for decades to come.

    CO2-schadedrempel voor lelieplantgoed : Ademhaling, warmteproductie en CO2-schade
    Wildschut, J. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Slootweg, G. - \ 2016
    Wageningen University and Research Centre, Wageningen
    Moderate livestock grazing of salt, and brackish marshes benefits breeding birds along the mainland coast of the Wadden Sea
    Mandema, F.S. ; Tinbergen, J.M. ; Ens, B.J. ; Koffijberg, K. ; Dijkema, K.S. ; Bakker, J.P. - \ 2015
    The Wilson Journal of Ornithology 127 (2015)3. - ISSN 1559-4491 - p. 467 - 476.
    Our study investigated how bird species richness and abundance was related to livestock grazing on salt, and brackish marshes, with an emphasis on songbirds, and shorebirds. Survey areas with a high percentage cover of tall vegetation were assumed to have experienced lower livestock grazing intensities than survey areas with a low percentage cover of tall vegetation. This relationship was verified for the tall grass Elytrigia atherica. The species richness, and abundance of birds was related to the percentage cover of tall vegetation on the survey areas. We found that total bird species richness was positively related to the percentage cover of tall vegetation. We also found that all of the investigated species, except Pied Avocet (Recurvirostra avosetta), showed a positive relation to the percentage cover of tall vegetation up to a specific percentage of cover. The abundance of investigated songbird species increased up to an intermediate percentage cover of tall vegetation, and decreased at higher percentage cover of tall vegetation, suggesting that moderate grazing of marshes may maximize the abundance of the investigated songbirds. Abundances of Common Redshank (Tringa totanus) and Eurasian Oystercatcher (Haematopus ostralegus) were positively related to the percentage cover of tall vegetation on salt marshes, but negatively related to the percentage cover of tall vegetation on brackish marshes. With intermediate livestock grazing species number, and abundance of most breeding birds can be maintained in coastal marshes. However, specific goals for management should be set before applying a grazing regime to a marsh.
    Uitdrogingssnelheid en het effect van kleine temperatuursverschillen tijdens de bewaring
    Wildschut, J. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2015
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 21 p.
    Om te laten zien wat in een bewaarcel gebeurt, is door PPO Bloembollen in 2013 een rekenmodel omtwikkeld. Hiermee kan op basis van omstandigheden (het percentage zure bollen, de ademhaling, de uitdrogingssnelheid, en de temperatuur en RV van de buitenlucht) en van instellingen (de ventilatie- en de circulatiehoeveelheid, de spreiding hierin en de gewenste bewaartemperatuur) het klimaat in de bewaarcel op verschillende niveaus worden berekend: gemiddeld in de cellucht, gemiddeld tussden de bollen en gemiddeld in de meest en in de minst beluchte kubbskist. Dit bewaarklimaat wordt gekarakteriseerd door het ethyleengehalte, het CO2-gehalte, de RV en de temperatuur. Het model rekent ook de bijbehorende energiekosten uit. Met dit BewaarModel kan de teler nagaan hoe onder uiteenlopende omstandigheden het optimale bewaarklimaat tegen de laagste energiekosten te realiseren is. Doelstelling van dit project is om voor een aantal belangrijke bolgewassen (lelie, tulp, hyacint) gedetailleerdere kennis te genereren met betrekking tot de uitdroging en tot het maximaal toelaatbare temperatuurverschil tussen de bollen in de minst en die in de meest beluchte kuubskist. Ter bepaling van de uitdrogingssnelheid zijn op 4 praktijkbedrijven en in klimaatkasten bij PPO in Lisse 8 verschillende tulpencultivars ruim 3 maanden bewaard en om de 2-3 weken gewogen. Op van 9 cultivers van hyacint zijn op 3 bedrijven monsters genomen en in klimaatkasten bewaard. Het gewichtsverlies bij de bewaring van tulpenbollen (na de nadroogfase) bleek constant en kan oplopen tot 9,5 liter/week per m3 bollen. Bij hyacintenbollen was het gewichtsverlies tijdens de bewaring ook constant, en kan oplopen tot 5,3 liter/week. Ter bepaling van het maximaal toelaatbare temperatuurverschil zijn 4 tulpencultivars en 2 leliecultivars vanaf week 1 in januari respectievelijk 40 dagen en 82 dagen in klimaatkasten bewaard bij ingestelde geoogst waarna plantgewicht, plantlengte en gemiddelde oogstdatum zijn bepaald. De leliebollen zijn beoordeeld op aantal uitgelopen spruiten. De temperatuurbehandelingen van de tulpenbollen in de klimaatkasten leidden bij de oogst niet tot verschillen in plantgewicht, plantlengte en oogstdatum. Voor de leliecultivar Nova Zembla kon geen betrouwbare toe- of afname van het percentage uitgelopen spruiten per graad temperatuursverschil in de range van 0,6 tot 3,5°C worden afgeleid. Bij Original Love komt uit deze proef dat het percentage uitlopers per graad temperatuursverschil in die range tussen 0,4% en 3,5% ligt (gemiddeld 2%). Bij een temperatuursverschil van 0,1°C tussen de minst en de meest beluchte kist is her verschil in percentage uitlopers dan slecht 0,2%. Uit het doorrekenen van de consequenties van bovenstaande bevindingen met het BewaarModel volgt dat bij een hogere verdamping iets meer geventileerd moet worden om een te hoge RV tussen de bollen te voorkomen. Loopt daarnaast de buitentemperatuur op, dan is het laten oplopen van de celtemperatuur een ernegetisch duurdere oplossing dan het laten oplopen van de RV, maar beter voor de bolkwaliteit. Wanneer de verdamping hoger is loopt het maximale temperatuursverschil tussen de minst en de meest beluchte kist echter minder op. Er kan daardoor in voorkomende gevallen zonder verlies van productkwaliteit meer worden terggetoerd en zo meer energie worden bespaard. Bij de heetstook van hyacint is het verbeteren van de luchtverdeling over de kisten de beste optie. Door bij zowel de warme als bij de koude bewaring een hoger maximaal temperatuursverschil tussen de minst en de meest beluchte kist toe te staan kan met minder toeren worden gecirculeerd en kan meer energie worden bespaard. Gezien het bovenstaande is het aanbevolen om bij het doorrekenen van bewaarscenario's met het BewaarModel van de hogere verdamping uit te gaan. Hierdoor worden realistischer resultaten berekend. De bewaarproeven naar de effecten van de kleine temperatuursverschillen bij de bewaring zouden herhaald moeten worden. Als ook bij herhaling geen of nauwelijks effecten kleine temperatuursverschillen worden gevonden kan met grotere zekerheid en vertrouwen in behoud van productkwaliteit de circulatie teruggetoerd worden en zo meer op energie(kosten) worden bespaard.
    Bacterieziekten in de bloemisterij
    Slootweg, G. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Wolf, J.M. van der; Meekes, E. ; Westerhof, J. - \ 2015
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant en Omgeving BBF - 59
    sierteelt - plantenziekteverwekkende bacteriën - microbiële besmetting - vermeerderingsmateriaal - bedrijfshygiëne - maatregelen - bestrijdingsmethoden - elicitoren - bacterieziekten - ornamental horticulture - plant pathogenic bacteria - microbial contamination - propagation materials - industrial hygiene - measures - control methods - elicitors - bacterial diseases
    In de bloemisterij kunnen een flink aantal bacterieziekten voorkomen, veroorzaakt door verschillende bacteriën. Ziekteverwekkende bacteriën kunnen een grote variatie aan symptomen laten zien, waaronder natrot, kankers, bladvlekken en dwerggroei. Uit bronnenonderzoek blijkt dat in de kasteelt van paprika bacteriën (Pectobacterium carotovorum subsp. carotovorum) in al het water op de kwekerij aanwezig kunnen zijn en ook goed kunnen overleven in grond en op oppervlakten. Daarnaast is deze bacterie aangetoond op fruitvliegjes in het gewas. In de buitenteelt van Prunus zijn ziekteverwekkende bacteriën (Xanthomonas arboricola pv. pruni en Pseudomonas syringae pv. morsprunorum) aangetoond op onkruidspuitkappen, laarzen, snoeischaren, het doek van het containerveld en buiten- én binnenzijde van beregeningsystemen. Ook op vliegen op vangplaten tussen besmette Prunusplanten zijn deze bacteriën gevonden. Visuele diagnostiek van bacterieziekten is erg lastig. De symptomen lijken erg op elkaar en kunnen snel worden verward met bladvlekkenziekten veroorzaakt door schimmels. In de meeste gevallen wordt de bacterie uit het aangetaste weefsel geïsoleerd. Voor het op naam brengen wordt altijd een serologische (ELISA) of PCR (DNA-)techniek gebruikt. Het is daarvoor echter wel noodzakelijk dat men beschikt over een positieve controle van de op naam te brengen soort. Als men niet weet om welke soort het zou kunnen gaan wordt DNA-sequencing toegepast, om de bacterie op naam te brengen. Bovengenoemde technieken worden zowel bij Naktuinbouw als bij Wageningen UR toegepast. In Sedum is onderzocht of latente besmettingen met Erwinia betrouwbaar zijn aan te tonen. Hiervoor is, onder andere, gebruikt gemaakt van een door PRI ontwikkelde methode waarmee het plantmateriaal onder vacuüm wordt gebracht. Erwinia’s vermeerderen wel goed uit bij een lage zuurstofconcentratie terwijl veel andere bacteriën dan afsterven. Uit dit onderzoek blijkt dat er bij de vacuümmethode niet meer infecties aangetoond worden dan bij (‘klassieke’) verrijking van plantenextracten in een groeimedium. Bij Sedum en Phlox is het effect van een warmwaterbehandeling om plantmateriaal vrij te maken van bacteriebesmetting onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd met stekken van Sedum, waarvan onbekend was of de stekken besmet waren met Dickeya dianthicola en/of Pectobacterium spp. En planten van Phlox, die besmet waren met woekerziek. Na twee dagen voorwarmte zijn twee warmwaterbehandelingen uitgevoerd (30 minuten bij 47°C en 15 min. Bij 50°C. De sedumplanten in de proef waren niet of nauwelijks besmet met Dickeya dianthicola en Pectobacterium spp. waardoor er geen conclusies getrokken kunnen worden over de effectiviteit van de geteste warmwaterbehandelingen. De warmwaterbehandelingen veroorzaakten aan het begin van de groei lichte schade (bladschade, groeivertraging). Al snel waren deze effecten in het gewas niet meer zichtbaar. Bij Phlox bleken beide warmwaterbehandelingen niet effectief tegen woekerziek en gaven veel schade (uitval en afname aantal stelen per plant). Er zijn verschillende stoffen bekend die het afweermechanisme van de plant stimuleren waardoor de plant weerbaarder wordt tegen ziekten en plagen (elicitors). Elicitors zijn met name voor beheersing van bacterieziekten interessant, omdat antibiotica (bacteriedodende middelen) geen toelating kennen voor gewassen. Deze geïnduceerde weerstand is niet specifiek en kan een effect hebben op zowel schimmels, bacteriën en virussen. Elicitors hebben geen direct effect op de bacterie, waardoor geen resistentie kan ontstaan. Het tijdstip van toediening is echter vaak kritischer dan bij toepassing van gangbare (chemische) gewasbeschermingsmiddelen, en bescherming wordt vaak pas enige tijd na toediening verkregen. Voor de beheersing van bacterieziekten op de bedrijven is een lijst met hygiënemaatregelen opgesteld. Deze maatregelen zijn ook kort samengevat in 10 geboden.
    Aanpak van Burkholderia gladioli in gladiool
    Dam, M.F.N. van; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2014
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Sector Bomen, Bollen & Fruit - 29
    bloembollen - gladiolus - burkholderia - bacterieziekten - bestrijdingsmethoden - ziekteoverdracht - besmetting - tests - verdedigingsmechanismen - ziekteresistentie - ornamental bulbs - gladiolus - burkholderia - bacterial diseases - control methods - disease transmission - contamination - tests - defence mechanisms - disease resistance
    Wateroverlast in een Teelt de grond uit-systeem kan grote schade geven aan lelies. Drie dagen wateroverlast in augustus leidde in dit onderzoek tot grote opbrengstderving. Eén dag wateroverlast in september of in oktober veroorzaakte nauwelijks uitval of een lager bolgewicht bij de oogst. Wateroverlast leidt tot ethanolvorming in de bollen. De ethanolvorming vertoonde dit jaar geen mooi verband met de tijd: drie dagen wateroverlast gaf meer ethanol dan één of twee dagen, maar twee dagen niet meer dan één. In 2013 vertoonde de concentratie ethanol een rechtlijnig verband met de duur van de wateroverlast. De voorspellende waarde van een ethanolmeting blijkt na de experimenten in 2014 minder zeker. Het beluchten van het natte substraat door het doorblazen van perslucht leidde bij de behandeling in augustus tot minder ethanolvorming, maar juist tot meer opbrengstderving. Het systeem van beluchting via een slang onderin het substraat had een iets gunstiger effect op de ethanolvorming dan beluchting via slangetjes, die in het substraat gestoken waren. De grotere opbrengstderving door beluchting tijdens de periode van wateroverlast is mogelijk een gevolg van mechanische beschadiging van de (haar)wortels door de beweging, of van structuurbederf die optreedt als het doorborrelde substraat weer droogvalt. Dit onderzoek bevestigt de conclusie uit 2013 dat lelies bestand zijn tegen maximaal 1 dag wateroverlast (anaerobie). Een periode van anaerobie leidt tot ethanolvorming in de bollen, maar de correlatie tussen duur van de anaerobie is te zwak om het ethanolgehalte als indicator toe te passen. Het beluchten van grond tijdens periodes van wateroverlast is geen oplossing voor het anaerobieprobleem.
    Opslibbing en vegetatie kwelder Ameland-Oost; Jaarrapportage 2013
    Groot, A.V. de; Duin, W.E. van - \ 2014
    Den Burg : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C082/14) - 31
    vegetatiemonitoring - bodemdaling - kweldergronden - aardgas - nederlandse waddeneilanden - friesland - vegetation monitoring - subsidence - salt marsh soils - natural gas - dutch wadden islands - friesland
    Dit onderzoek is onderdeel van de lopende monitoring van de effecten van de bodemdaling door gaswinning. De observaties over 2013 passen binnen de tot nu toe geobserveerde trends in maaiveldhoogte en vegetatieontwikkeling als gevolg van de bodemdaling op Ameland (Dijkema et al., 2011) en de natuurlijke variatie in opslibbing en vegetatieontwikkeling. De vegetatieontwikkeling heeft op een aantal meetpunten een regressie naar een lagere vegetatiezone of veranderingen binnen een zone laten zien. Dit werd vaak veroorzaakt door een afname van gewone zoutmelde en het innemen van de open plekken door andere soorten, zoals bv. klein schorrenkruid.
    Ventilatie sturen op CO2 kost alleen maar extra energie
    Wildschut, J. ; Lans, A.M. van der; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2014
    BloembollenVisie 2014 (2014)298. - ISSN 1571-5558 - p. 26 - 26.
    bloembollen - opslag - kooldioxide - ventilatie - schadepreventie - landbouwkundig onderzoek - ornamental bulbs - storage - carbon dioxide - ventilation - loss prevention - agricultural research
    Bij de bewaring van bloembollen leeft de vraag sterk hoe hoog de schadedrempel voor de CO2 is. Op veel bedrijven wordt de ventilatie gestuurd op basis van het gemeten CO2-gehalte. In veel gevallen niet nodig, zo bleek uit onderzoek van PPO onder een flink aantal voorjaarsbloeiers.
    Teelt de grond uit zomerbloemen : teelt in kisten 2012-2013
    Slootweg, G. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2014
    Lisse : PPO sector Bloembollen, Boomkwekerij en Fruit - 19
    zomerbloemen - teeltsystemen - proeven - substraten - tests - emissie - reductie - economische haalbaarheid - summer flowers - cropping systems - trials - substrates - tests - emission - reduction - economic viability
    In 2012 en 2013 is de mogelijkheid van teeltsturing, bij het telen van zomerbloemen in kisten onderzocht. Hiervoor is een teelt opgezet worden met vijf gewassen (Aconitum, Astrantia, Delphinium, Monarda en Phlox), deze gewassen zijn in 2012 in bakken buiten geteeld. Het fertigatiesysteem is aangepast om een uniforme groei te krijgen. De productie in het eerste jaar is bijgehouden. In het najaar van 2012 zijn de bakken overgebracht naar koelcellen. In 2013 zijn de bakken op verschillende tijdstippen uit de cel gehaald en overgebracht naar kas en veld, waar de kwaliteit en productie is bepaald. Daarnaast zijn vijf overblijvende gewassen uit de teelt van 2011 in de koelcel overgehouden en in 2012 als pilot in de kas en buiten verder geteeld. De planten stonden in kisten van 1x1m, 20cm diep, gevuld met grof rivierzand. Onderin de kisten lag een drainagelaag, met daarop anti-worteldoek. Er zijn 2 substraatvolumes per plant aangelegd, waarbij de kist geheel gevuld was met substraat of met de halve volume substraat, waardoor het beschikbare substraatvolume per plant halveerde. De methode van watergift (fertigatie) is aangepast door 4 slangen per bak te installeren, waarbij een slang langs elke rij planten lag. De teelt van zomerbloemen in kisten met substraat bleek goed mogelijk. Grof zand als substraat voldeed goed. Het aangepaste ertigatiesysteem bleek te voldoen; er traden geen randeffecten (meer) op. Voor een optimale oogst verdient het aanbeveling de bemesting (gewasafhankelijk) te optimaliseren. Bloeispreiding door vroeg inhalen in de kas en laat inhalen naar buiten bleek bij de meeste gewassen goed mogelijk. Slechts Monarda gaf minder opkomst na lang invriezen. Wellicht geeft aanpassing van het invriesprotocol betere groei. Het halveren van het substraatvolume per plant bleek bij de meeste gewassen de productie en/of kwaliteit negatief te beinvloeden. Dit betekent dat de keuze van de container en het aantal planten per container goed gekozen moet worden. Dit kan het beste in een test worden bepaald.
    Vegetatie en opslibbing in de Peazemerlannen en het referentiegebied west - Groningen : Evaluatie 2007 - 2012
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. ; Leeuwen, P.W. van; Sonneveld, C. - \ 2013
    Den Burg : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C082/13) - 59
    kweldergronden - bodemdaling - vegetatiebeheer - polders - plantengemeenschappen - groningen - salt marsh soils - subsidence - vegetation management - polders - plant communities - groningen
    Deze rapportage beschrijft de monitoring in het kader van de bodemdaling onder de kwelder de Peazemerlannen. Er wordt een overzicht gegeven van de activiteiten en meetresultaten in de kwelder en zomerpolder van de Peazemerlannen en het referentiegebied in de kwelderwerken in West-Groningen van de jaren 2007 t/m 2012. De meeste gegevens worden weergegeven vanaf 2007, het startjaar van de gaswinning. Oudere data worden, waar nuttig, ook weergegeven of er wordt verwezen naar eerdere rapporten.
    Screening herbiciden voor toepassing na opkomst in bloembolgewassen
    Bulle, A.A.E. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2013
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Bloembollen, Boomkwekerij en Fruit - 79
    bloembollen - onkruidbestrijding - herbiciden - fytotoxiciteit - toelating van bestrijdingsmiddelen - tests - ornamental bulbs - weed control - herbicides - phytotoxicity - authorisation of pesticides - tests
    Voor de onkruidbestrijding in de teelt van bloembollen worden na opkomst contactherbiciden toegepast. Het aantal herbiciden dat hiervoor beschikbaar is, is zeer beperkt. In dit onderzoeksproject zijn negen herbiciden onderzocht voor toepassing na opkomst. De proeven zijn gedurende twee jaar uitgevoerd in lelie, gladiool, tulp, narcis en hyacint. De keuze voor de te testen middelen is gemaakt in overleg met fabrikanten en de KAVB. Veel van de geteste herbiciden hebben al een toelating in de land- en/of tuinbouwsector. Doel van het project is het testen van de fytotoxiciteit (gewasveiligheid) van herbiciden in verschillende bloembolgewassen toegepast na opkomst, met als doel een toelating te krijgen voor de perspectiefvolle middelen. De proeven zijn uitgevoerd in de periode 2010 – 2012. Zes middelen zijn in de proeven waarin ze waren opgenomen veilig gebleken (middelen A, B, C, E, F en H). Een aantal middelen heeft in één of enkele proeven schade of opbrengstderving gegeven. Eén middel (middel G) bleek niet veilig en gaf in de meeste proeven flinke schade. In de combinaties van middelen is soms wat opbrengstderving gezien. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de middelen-(combinaties) in de verschillende gewassen en of deze middelen gewasschade hebben gegeven. Vijf van de onderzochte middelen zijn perspectiefvol voor de praktijk. Voor drie hiervan is inmiddels ook de fabrikant met onderzoek bezig om tot toelating in de bloembollen te komen. Voor de twee andere middelen zal ook bekeken worden of toelating mogelijk is. Middel H bleek bij nader inzien kieming tegen te gaan en geen dodende werking op aanwezig onkruid te hebben. Bekeken zal moeten worden of dit middel perspectief heeft voor toepassing in bloembollen.
    Ventilatie, Ademhaling en CO²-schadedrempels
    Wildschut, J. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Lans, A.M. van der - \ 2013
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 11
    bloembollen - opslag met klimaatbeheersing - temperatuur - kooldioxide - klimaatregeling - schade - ventilatie - landbouwkundig onderzoek - ornamental bulbs - controlled atmosphere stores - temperature - carbon dioxide - air conditioning - damage - ventilation - agricultural research
    Bij de bewaring van bloembollen leeft de vraag sterk hoe hoog de schadedrempel voor CO2 is. PPO onderzocht dit voor voorjaarsbloeiers tulp, narcis (tête-à-tête), hyacint, krokus, iris, muscari, allium, scilla, iris reticulata en chionodoxa. Hiervan werden bollen 2 maanden bewaard bij 385 ppm CO2 (buitenlucht), 5000, 15.000 en 30.000 ppm CO2. Daarna zijn deze gebroeid en/of op het proefveld geplant en bij oogst beoordeeld, geteld en gewogen. Voor narcis, krokus, irissen, scilla en chionodoxa bleek de CO2-schadedrempel = 30.000 ppm. Voor tulp, muscari en allium tussen 15.000 en 30.000 ppm, en voor plantgoed hyacint en iris tussen 5.000 en 15.000 ppm. Zelfs bij extreem lage ventilatie/circulatie (resp. 6m3 en 100 m3/uur per kuub) wordt de schadedrempel niet overschreden. Sturen van ventilatie/circulatie op CO2 kost alleen maar extra energie. Gebruik CO2-meting als indicator van stress, warmteproductie of het functioneren van klep of ventilator.
    Dromen van ideale 'meetkit'; interview met Leendert Molendijk
    Dijkema, W. - \ 2013
    Nieuwe oogst / Magazine gewas 5-10-2013 (2013). - ISSN 1871-093X - p. 10 - 11.
    Netwerk MA-verpakkingen bloembollen en vaste planten
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2013
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 59
    overblijvende planten - bloembollen - verpakkingsmaterialen - gemodificeerde atmosfeer opslag - substraten - uitlopen - houdbaarheid (kwaliteit) - folie - landbouwkundig onderzoek - export - perennials - ornamental bulbs - packaging materials - modified atmosphere storage - substrates - sprouting - keeping quality - foil - agricultural research - exports
    In een netwerk van 10 exportbedrijven is gedurende twee jaar verpakkingsonderzoek uitgevoerd, met als doel om het gebruik van een dichtere folie in combinatie met een droger vulmiddel voor de consumentenverpakking van vaste planten en leliebollen breder in de praktijk te stimuleren. Genoemd verpakkingsconcept bleek in eerder onderzoek van PPO het uitstalleven van vaste planten en bollen aanzienlijk te verlengen. Tevens is een aantal nieuwe substraten getest op hun toepasbaarheid als vulmiddel in consumentenverpakking van vaste planten en leliebollen. Gedurende de loop van het project is het netwerk regelmatig bijeengekomen voor overleg over de opzet en de resultaten van de verpakkingsproeven en over de implementatie van de nieuwe verpakkingsconcepten op het bedrijf. In het eerste onderzoeksjaar, waarin op tien exportbedrijven vaste planten en leliebollen zijn verpakt, werd nog eens bevestigd dat in een dichtere folie met droger turfmolm de kwaliteit van planten langer behouden blijft. Na dit jaar is een groot deel van de exportbedrijven die nog gebruik maakte van consumentenverpakkingen van microperforatie met vochtig turfmolm, overgestapt op dit nieuwe verpakkingsconcept. Het onderzoek in het tweede jaar heeft geresulteerd in mogelijke alternatieven voor turfmolm als vulmiddel voor vaste planten en bollen in consumentenverpakkingen; in bark en houtvezel, beide gemengd met rijstkaf, bleef de productkwaltiteit beter behouden dan in turfmolm. De exportbedrijven waren zeer positief over de productkwaliteit in deze substraatmengsels.
    Friese en Groninger kwelderwerken : monitoring en beheer 1960-2010
    Dijkema, K.S. ; Duin, W.E. van; Dijkman, E.M. ; Nicolai, A. ; Jongerius, H. ; Keegstra, H. ; Jongsma, J.J. - \ 2013
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-rapport 122) - 124
    kweldergronden - vegetatietypen - kustgebieden - natuurbeheer - polders - begrazing - groningen - friesland - salt marsh soils - vegetation types - coastal areas - nature management - polders - grazing - groningen - friesland
    Zowel in nationaal als in trilateraal verband geldt als één van de ecologische doelen voor de Waddenzee een zo groot en natuurlijk mogelijk areaal aan kwelders. Actief ingrijpen om bestaande kwelders in stand te houden dient op een zo natuurlijk mogelijke wijze plaats te vinden. In de kwelderwerken en zomerpolders langs Friese en Groninger vastelandskust is een omslag in beheer ingezet richting duurzamer en minder kunstmatig. Langetermijnmonitoring van onder meer de hoogte- en vegetatieontwikkeling begeleidt deze verandering en dient ook om te zien of de meer natuurlijke wijze van beheer zich verdraagt met de effecten van zeespiegelstijging. De resultaten worden jaarlijks op gepubliceerd en zijn verder onder andere ook input voor de vijfjaarlijkse Quality Status Reports in het kader van de trilaterale samenwerking tussen de Wadddenzee-landen. De Waddenzee is het belangrijkste gebied voor éénjarige pioniervegetaties van Zeekraal. Deze pionierzone is de overgang van wadplaten naar kwelder en beschermt de hoger gelegen kwelderzones. Door opslibbing worden kwelders hoger, waarbij de vegetatie door successie verandert. De vegetatie ontwikkelt zich tijdens dat proces tot een eindstadium of climaxbegroeiing. De biodiversiteit neemt sterk af als een kwelder in zijn eindfase komt door veroudering met als eindstadium een soortenarme vegetatie van Zeekweek. Begreppeling versnelt de veroudering van de kwelderzone. Beweiding stelt de ontwikkeling van een climaxvegetatie uit. De ideale natuurlijke situatie zou cyclische successie zijn, daarbij zijn aangroei en afslag van kwelders in evenwicht. De kwaliteit van kwelders kan worden verbeterd door de variatie aan hoogtezones, geomorfologische vormen (groene stranden, slufters, zandige kwelders, kleiige kwelders) en beheervormen (beweide en onbeweide kwelders) te behouden of te herstellen
    Gezondheidsrace Laarbeek. Burgerparticipatie en wedstrijdelement in een community project ter bevordering van een gezonde leefstijl
    Wijenberg, E. ; Dijkema, P. ; Schwillens, R. ; Wagemakers, A. - \ 2013
    In: Nederlands Congres Volksgezondheid 2013 " Passie voor Gezondheid", 3-4 april 2013, Ede. - - p. 11 - 14.
    Gemeente Laarbeek heeft in de periode 2010-2012 samen met GGD Brabant-Zuidoost en andere lokale partners, twee keer het community project ‘Gezondheidsrace Laarbeek’ uitgevoerd. Het doel van de Gezondheidsrace was de inwoners van Laarbeek bewust te maken van en te stimuleren tot een gezonde leefstijl. Burgerparticipatie en een wedstrijdelement stonden hierin centraal, hetgeen de interventie uniek maakt. Met in totaal 102 georganiseerde activiteiten werden ruim 13.000 deelnemers uit diverse bevolkingsgroepen bereikt. De Gezondheidsrace heeft een positieve invloed gehad op inwoners, bijvoorbeeld dat zij door de gezondheidsrace meer sociale contacten hebben. Werkzame elementen behalve burgerparticipatie en het wedstrijdelement zijn het gebruik van sociale netwerken en tussentijdse feedback en waardering.
    Tuliposides and tulipalins in tulip Gum
    Lubbe, A. ; Verpoorte, R. ; Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2013
    In: Proceedings of the XIth International Symposium on Flowerbulbs and Herbaceous Perennials (ISHS), Antalya, Turkey, 28-04-2012. - - p. 333 - 338.
    Gummosis in tulip bulbs is one of the negative effects of ethylene gas that is produced during storage by Fusarium-infected bulbs on the healthy bulbs. Several aspects of the gummosis process, like the factors inducing it, the underlying carbohydrate metabolism and the composition of the gum have been described in detail in a review by Saniewski et al. (2007). The composition of tulip gum has mostly been studied in terms of large macromolecules. The gum polysaccharides have been analyzed to determine sugar composition and molecular mass. Up to now relatively little was known about the gum in terms of small (low molecular weight) metabolite content. Gummosis was induced in tulip bulbs of the cultivar ‘Apeldoorn’ by exposing the bulbs to air containing 30 ppm ethylene for 24, 48 or 72 h. Gum was collected after 3 to 4 days. A maximum amount of approximately 5 g per 100 g bulbs was obtained. Extracts of the gum were analyzed by 1H Nuclear Magnetic Resonance (1H NMR) and were found to contain tuliposides, in concentrations up to around 25% (DW). Tuliposides are glycosides consisting of glucose with one or more a-methylene-¿-butyrolactone side chains. The side chains, when separated from the glucose, form ring structures known as tulipalins. Six different tuliposides and two tulipalins have been reported in various parts of the tulip plant. However, this is the first time they are reported in the gum from tulip bulbs. Isolated tulipalins and tuliposides have previously been tested for various bioactivities, and have been reported to possess antibacterial, antifungal and insecticidal properties. The presence of these bioactive molecules in tulip gum may suggest a protective role for this physiological response
    Biosubstraat : Duurzaam substraat op basis van BioFoam
    Baltissen, A.H.M.C. ; Molenveld, K. ; Bosch, C. ; Blok, C. ; Reuler, H. van; Sluis, B.J. van der; Dijkema, M.H.G.E. ; Gude, H. - \ 2013
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. - 53
    substraten - schuimplastic - biopolymeren - tuinbouw - polymelkzuur - proeven - materialen uit biologische grondstoffen - biobased economy - substrates - plastic foam - biopolymers - horticulture - polylactic acid - trials - biobased materials - biobased economy
    Doelstelling van het project was het ontwikkelen van een hernieuwbare grondstof/substraat, welke voldoet aan de wensen en eisen van de kwekers en waar een kwalitatief goed product op geteeld kan worden met handhaving of verbetering van het rendement. Het belangrijkste eindproduct is een bio substraat op basis van gemodificeerde BioFoam. De volgende activiteiten hebben bijgedragen aan het realiseren van de doelstelling: • Het ontwikkelen en produceren van diverse varianten gemodificeerde BioFoam en het uitvoeren van een aantal fysische en chemische testen in het laboratorium. • Het bepalen van belangrijke eigenschappen van deze gemodificeerde BioFoam als substraat in combinatie en vergelijking tot andere grondstoffen in het laboratorium • Het uitvoeren van diverse teeltproeven met mengsels van BioFoam met andere grondstoffen • Het in beeld brengen van de voordelen met betrekking tot de ketenkosten. Er is maar een teeltjaar (alleen 2012) gebruikt om testen uit te voeren. Ketens moeten daarom nog deels opgezet worden. • Op basis van de (teelt)proeven zijn wel meer partijen bij het project betrokken geraakt en heeft de markt belangstelling getoond. Het belangrijkste eindproduct is een getest substraat op basis van gemodificeerde BioFoam.
    De kwelders uit mijn jeugd
    Dijkema, K.S. - \ 2013
    Golden Raand 29-01 (2013). - ISSN 1382-8061 - p. 16 - 16.
    Netwerk van exporteurs ontwikkelt slimme verpakkingen
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2013
    Measuring sedimentation in tidal marshes: a review on methods and their applicability in biogeomorphological studies
    Nolte, S. ; Koppenaal, E.C. ; Esselink, P. ; Dijkema, K.S. ; Schuerch, M. ; Groot, A.V. de; Bakker, J.P. ; Temmerman, S. - \ 2013
    Journal of Coastal Conservation 17 (2013)3. - ISSN 1400-0350 - p. 301 - 325.
    sea-level rise - fallout pb-210 measurements - high-precision measurements - regenerative-dose protocol - rapidly subsiding wetland - barrier salt-marsh - san-francisco bay - fresh-water - ecosystem engineers - accumulation rates
    It is increasingly recognised that interactions between geomorphological and biotic processes control the functioning of many ecosystem types as described e.g. by the ecological theory of ecosystem engineering. Consequently, the need for specific bio-geomorphological research methods is growing recently. Much research on bio-geomorphological processes is done in coastal marshes. These areas provide clear examples of ecosystem engineering as well as other bio-geomorphological processes: Marsh vegetation slows down tidal currents and hence stimulates the process of sedimentation, while vice versa, the sedimentation controls ecological processes like vegetation succession. This review is meant to give insights in the various available methods to measure sedimentation, with special attention to their suitability to quantify bio-geomorphological interactions. The choice of method used to measure sedimentation is important to obtain the correct parameters to understand the biogeomorphology of tidal salt marshes. This review, therefore, aims to be a tool for decision making regarding the processes to be measured and the methods to be used. We, subdivide the methods into those measuring suspended sediment concentration (A), sediment deposition (B), accretion (C) and surface-elevation change (D). With this review, we would like to further encourage interdisciplinary studies in the fields of ecology and geomorphology.
    Spatio-temporal dynamics of the invasive plant species Elytrigia atherica on natural salt marshes
    Veeneklaas, R.M. ; Dijkema, K.S. ; Hecker, N. ; Bakker, J.P. - \ 2013
    Applied Vegetation Science 16 (2013)2. - ISSN 1402-2001 - p. 205 - 216.
    sea-level rise - long-term - vegetation changes - elymus-athericus - tidal marshes - wadden sea - deposition - gradient - impact - opportunities
    Question In the past decades, the tall native invasive grass, Elytrigia atherica, has been increasing in frequency and dominance on salt marshes along the Wadden Sea coast. Is this rapid expansion an outcome of natural succession or is it driven by anthropogenic eutrophication resulting from atmospheric deposition? Location Salt marshes on four back-barrier islands, Wadden Sea on the coast of the Netherlands and Germany. Methods We used a combination of time series of vegetation maps and chronosequence data of four naturally developed salt marshes to address our questions. These salt marshes have not been grazed by livestock or subject to other management regimes. By comparing development within and between four different salt marshes, we were able to study the spatial and temporal dynamics of the community dominated by E. atherica on natural salt marshes. Results The expansion rate of the E. atherica community was highest on young salt marshes (up to 30yr old) with vertical accretion rates of 0.35cm center dot yr1. The rate of expansion decreased on older marshes and the direction reversed, becoming negative, on the oldest marshes (around 90yr old), which have no vertical accretion and are under waterlogged conditions. Conclusions The expansion of E. atherica on natural, back-barrier islands along the Wadden Sea coast is more influenced by the age of the salt marsh and patterns in vertical accretion of soil than by uniformly spread atmospheric deposition.
    State formation in dispute: Local governance as an arena in Chiapas, Mexico
    Haar, G. van der - \ 2012
    In: Rethinking the foundations of the state, an analysis of post-crisis situations / Dijkema, C., Gatelier, K., Samson, I., Tercinet, J., Brussels : Bruylant - ISBN 9782802735137 - p. 181 - 194.
    Kwelderherstel Groningen: uitgangssituatie (2009) maaiveldhoogte en vegetatie in de RWS meetvakken
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. - \ 2012
    Den Burg : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C077/12) - 62
    kweldergronden - vegetatietypen - ecologisch herstel - hoogteligging - monitoring - kustgebieden - wetlands - groningen - salt marsh soils - vegetation types - ecological restoration - altitude - monitoring - coastal areas - wetlands - groningen
    Door sturing van natuurlijke processen zijn langs de kust van Groningen halfnatuurlijke kwelders gevormd. En wel door middel van rijshoutdammen en begreppeling gevormd en de kweldervegetatie heeft zich natuurlijk gevestigd. De Groninger kwelders verouderen door natuurlijke successie. Dit heeft tot gevolg dat de kweldervegetatie eenzijdiger wordt, het gebied minder aantrekkelijk wordt voor broedvogels en ganzen en de algehele biodiversiteit afneemt. Het Kwelderherstelplan Groningen heeft tot doel de biodiversiteit weer te vergroten door middel van beweiding. Op termijn (minimaal ca. 5 jaar) moet een evaluatie plaatsvinden om te bepalen in welke mate het gevoerde beheer een effect heeft gehad op de biodiversiteit van de kwelders. Om de effecten van het programma te kunnen toetsen is het van belang dat de uitgangssituatie (2009) goed beschreven is. Het voorliggende rapport van IMARES heeft als doel de vegetatie- en maaiveldhoogte in de meetvakken van Rijkswaterstaat in de Groninger kwelderwerken in 2009 te beschrijven. Daarnaast is er een terugblik op de ontwikkeling die deze parameters lieten zien van ca. 1990-2009, waarbij de nadruk ligt op de gegevens uit het beweidbare deel van de kwelder.
    Praktijkproef substraatbedden vaste planten
    Slootweg, G. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Leijden, J.P.H. van - \ 2012
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 27
    cultuur zonder grond - sierplanten - zandgronden - fertigatie - voedingsstoffenopname (planten) - teeltsystemen - teelt - soilless culture - ornamental plants - sandy soils - fertigation - nutrient uptake - cropping systems - cultivation
    In het kader van het programma ‘Teelt de grond uit’ is het teeltsysteem voor vaste planten in ingegraven zandbedden verder geoptimaliseerd. Er zijn 3 fertigatiesystemen getest: fertigatie via druppelslangen, fertigatie via sproeileiding op de grond en fertigatie tot half augustus via sproeileiding op de grond en vanaf half augustus via druppelslangen. De voedingsoplossing werd gerecirculeerd. Fertigatie met druppelslangen bleek bij de meeste soorten de beste groei te geven. Bij fertigatie met sproeileiding was bij sommige soorten een randeffect waarneembaar. Na rooien was bij 5 soorten het gemiddelde plantgewicht bij fertigatie via druppelslangen het hoogst, bij 3 soorten bij fertigatie via sproeileiding. Bij beide systemen waren de wortelstelsels goed tot zeer goed gegroeid. Recirculatie van het drain water heeft in deze proef niet geleid tot ziekte problemen. Bewaring en hergroei van planten die geteeld zijn op zandbedden bleek goed mogelijk te zijn.
    Leerzame klein- en steenfruitdag : Interview met Marcel Wenneker
    Dijkema, W. ; Wenneker, M. - \ 2012
    Nieuwe Oogst
    Een ruimere jas voor natuurontwikkeling in de Waddenzee, uitgewerkt voor een casus Afsluitdijk
    Baptist, M.J. ; Dijkema, K.S. ; Duin, W.E. van; Smit, C.J. - \ 2012
    Den Burg : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C084/12) - 27
    habitats - natuurontwikkeling - wetlands - wadden - afsluitdijk - natura 2000 - oppervlakte (areaal) - habitats - nature development - wetlands - tidal flats - afsluitdijk - natura 2000 - acreage
    In de afgelopen jaren zijn verscheidene plannen voor natuurontwikkeling in de Waddenzee ontwikkeld. In essentie leiden deze plannen tot een aanpassing van de reeds aanwezige natuurlijke habitats. Dit gebeurt meestal met een intentie om de natuur te herstellen of te verbeteren, maar het leidt naar de letter van de wet tot een conflict met de Nederlandse natuurwetgeving volgend uit Natura 2000 waarbij behoud van areaal van een bepaald habitattype vaak het instandhoudingsdoel is. In dit rapport wordt uitgelegd onder welke condities en randvoorwaarden toch invulling gegeven kan worden aan natuurontwikkeling. Dit wordt nader uitgewerkt voor een hypothetische casus van kwelderontwikkeling langs de Afsluitdijk.
    Vegetatie en opslibbing in de Peazemerlannen en het referentiegebied west-Groningen: Jaarrapportage 2011
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. ; Leeuwen, P.W. van - \ 2012
    Den Burg : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C010/12) - 57
    bodemdaling - aardgas - bodem - vegetatie - kweldergronden - monitoring - wadden - groningen - subsidence - natural gas - soil - vegetation - salt marsh soils - monitoring - tidal flats - groningen
    Deze vijfde jaarrapportage over de monitoring in het kader van de bodemdaling onder de kwelder de Peazemerlannen bevat een overzicht t/m 2011 van de activiteiten en meetresultaten in de kwelder en zomerpolder van de Peazemerlannen en in het referentiegebied in de kwelderwerken in west-Groningen. De meeste gegevens worden weergegeven vanaf 2007, het startjaar van de gaswinning. Oudere data worden waar nuttig ook weergegeven of er wordt verwezen naar eerdere rapporten. In elk jaarrapport is de rapportage van 2007 als basis gebruikt, aangevuld met de gegevens tot en met het jaar van verslaglegging, zodat voor een overzicht van de beschikbare informatie in principe alleen het laatste jaarrapport nodig is.
    Randvoorwaarden voor kwelderontwikkeling in de Waddenzee en aanzet voor een kwelderkansenkaart
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. - \ 2012
    Texel : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C076/12) - 51
    kweldergronden - kustgebieden - bescherming - wadden - natuurontwikkeling - groningen - friesland - salt marsh soils - coastal areas - protection - tidal flats - nature development - groningen - friesland
    Aanleiding tot dit rapport is de groeiende belangstelling bij beleid en beheer om kwelders aan te leggen, zowel uit natuur- als kustbeschermingsoogpunt. Het doel is op basis van kwantiteits- en kwaliteitskenmerken van bestaande kwelders een overzicht te maken van de randvoorwaarden waaraan een kwelder bij voorkeur moet voldoen. Deze randvoorwaarden zouden een hulpmiddel kunnen zijn bij actieve stimulering van kwelders of verbetering van kwelders.
    Pleidooi voor ketenaanpak: Site helpt bij kiezen juiste boom (Interview metJelle Hiemstra)
    Dijkema, W. ; Hiemstra, J.A. - \ 2012
    Nieuwe oogst / Magazine gewas 8 (2012)13. - ISSN 1871-093X - p. 15 - 15.
    De website en de maatschappelijke kosten-batenanalyse van TEEB Stad maken het gemeenten makkelijker bij de beslissing of ze meer bomen in de stad planten.
    50 jaar monitoring van kwelderwerken
    Dijkema, K.S. ; Duin, W.E. van - \ 2012
    De Levende Natuur 113 (2012)3. - ISSN 0024-1520 - p. 118 - 122.
    kweldergronden - bodem - vegetatie - oppervlakte (areaal) - biodiversiteit - monitoring - waddenzee - salt marsh soils - soil - vegetation - acreage - biodiversity - monitoring - wadden sea
    In de Waddenzee liggen langs de noordkust van het vasteland van Groningen en Friesland 6000 ha voormalige 'landaanwinningswerken'. Door middel van rijshoutdammen en begreppeling zijn daarin halfnatuurlijke kwelders ontstaan. Sturing van de natuurlijke processen heeft de opslibbing bevorderd, waarna zich spontaan kweldervegetatie heeft gevestigd. Meer dan 50 jaar monitoring blijkt een belangrijke kennisbasis voor beheer van kwelders, biodiversiteit en zeespiegelstijging.
    Effectanalyse uitbreiding gaswinning Ameland
    Cleveringa, J. ; Kater, B. ; Kouwenberg, A.M.C. ; Bolle, C.M. ; Koolstra, B.J.H. ; Slim, P.A. ; Heuvelink, G.B.M. ; Brus, D.J. ; Heidema, A.H. ; Dobben, H.F. van; Dijkema, K. - \ 2011
    Emmeloord : ARCADIS / Alterra / IMARES - 157 p.
    Vegetatie en opslibbing in de Peazemerlannen en het referentiegebied west-Groningen: Jaarrapportage 2010
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. ; Leeuwen, P.W. van - \ 2011
    Den Burg : IMARES (Report / IMARES Wageningen UR C018/11) - 57
    bodemdaling - aardgas - bodem - vegetatie - kweldergronden - monitoring - wadden - friesland - groningen - subsidence - natural gas - soil - vegetation - salt marsh soils - monitoring - tidal flats - friesland - groningen
    Deze vierde jaarrapportage over de monitoring in het kader van de bodemdaling onder de kwelder de Peazemerlannen bevat een overzicht t/m 2010 van de activiteiten en meetresultaten in de kwelder en zomerpolder van de Peazemerlannen en in het referentiegebied in de kwelderwerken in west-Groningen. De meeste gegevens worden weergegeven vanaf 2007, het startjaar van de gaswinning
    Virusbestrijding in lelie en Zantedeschia met mogelijke alternatieven voor minerale olie
    Bulle, A.A.E. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2011
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 43
    pesticiden - gewasbescherming - bloembollen - virussen - aphididae - mineraaloliën - eu regelingen - lelies - zantedeschia - pesticides - plant protection - ornamental bulbs - viruses - aphididae - mineral oils - eu regulations - lilies - zantedeschia
    Door het niet plaatsen van minerale olie op de Annex I lijst dreigt dit middel binnenkort te verdwijnen. In dit project worden de mogelijkheden van alternatieven voor minerale olie in lelie en Zantedeschia in kaart gebracht. Er wordt getracht het effect van minerale olie te benaderen dmv een combinatie van alternatieve olie plus insecticiden.
    Fruittelers ontmoeten en leren : Interviews op Kennisdag van PPO-fruitteelt
    Dijkema, W. ; Jong, P.F. de; Schaik, A. van - \ 2011
    Nieuwe oogst / Magazine gewas 7 (2011)22. - ISSN 1871-093X - p. 10 - 11.
    Extending the shelf life of flower bulbs and perennials in consumer packages by modiefied atmosphere packaging
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Miller, C.T. - \ 2011
    In: Proceedings of the tenth international symposium on flower bulbs and herbaceous perennials. - Leuven : ISHS - ISBN 9789066056930 - p. 99 - 104.
    The quality of flower bulbs and herbaceous perennials in consumer packages declines rapidly due to sprouting and drying out. The present study was undertaken to develop Modified Atmosphere Packages (MAP) with suitable filling materials for a prolonged shelf life of different species of flower bulbs (e.g., Lilium, Anemone, Erythronium) and herbaceous perennials (e.g., Hemerocallis, Hosta, Phlox). As filling materials peat moss and Toresa (wood fiber) were tested. So-called continuous MA films were used, i.e., without laser holes, which means that they are virtually impermeable to water. The shelf life of plants and bulbs was tested in packages produced from these films after addition of filling materials with different moisture contents. The shelf life was determined in a climate chamber at 23°C with a high ventilation rate. The same products were packed in traditional packages with microperforation for comparison. The shelf life of bulbs and perennials was extended dramatically from 3 to 4 weeks in the traditional package with microperforation to 2 to 3 months by the use of MA packaging. It was however not the low oxygen level inside the packages that caused this effect but the reduction of water loss by using MA films. In microperforation packages the products dried out completely in 3 to 4 weeks, whereas in the MA packages the products remained turgescent and vital for 2 to 3 months. Sprouting was inhibited by using dry filling materials. The term Modified Humidity Packaging therefore seems to be more appropriate for this type of packaging. To prevent too low oxygen levels inside MA packages it is recommended to use an MA film with a high permeability for oxygen. This also enables the use of one film for a wide range of products.
    Boomkwekers waarderen vinding (interview met Ton Baltissen)
    Dijkema, W. ; Baltissen, A.H.M.C. - \ 2011
    Nieuwe oogst / Magazine gewas 7 (2011)17. - ISSN 1871-093X - p. 8 - 9.
    boomteelt - teeltsystemen - potcultuur - tensiometers - onkruidbestrijding - innovaties - arboriculture - cropping systems - pot culture - tensiometers - weed control - innovations
    Pot-in-potsysteem, tensiometers en onkruidbestrijding kwamen aan bod tijdens de drukbezocht PPO Kennismiddag over actuele ontwikkelingen in de boomkwekerij bij De Buurte Kwekerijen in Oene.
    Vijftig jaar monitoring en beheer van de Friese en Groninger kwelderwerken: 1960-2009
    Dijkema, K.S. ; Duin, W.E. van; Dijkman, E.M. ; Nicolai, A. ; Jongerius, H. ; Keegstra, H. ; Egmond, L. ; Venema, H.J. ; Jongsma, J.J. - \ 2011
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-werkdocument 229) - 96
    wetlands - kustgebieden - polders - vegetatiemonitoring - ontginning - natuurontwikkeling - noord-nederland - wadden - wetlands - coastal areas - polders - vegetation monitoring - reclamation - nature development - north netherlands - tidal flats
    Dit WOt-werkdocument is een update van het kwelderboek uit 2001 en gaat ook over de bescherming door de kwelderwerken tegen de Allerheiligenvloed van 2006, over de Kaderrichtlijn Water en over de Sylt Conferentie van 2010. In 2007 verscheen in de WOT IN serie al een deel over Monitoring van kwelders in de Waddenzee, met beheermaatregelen voor alle kwelders ( In de publicaties is ook aandacht voor beweiding, vegetatiekaarten, veroudering van de vegetatie, zeegras, grondwerk, ontwatering, en duurzaamheid van de rijshoutdammen.
    Onderzoek met nieuwe middelen en ontwikkeling van resistentiestrategieën
    Bulle, A.A.E. ; Hollinger, T.C. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2011
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 72
    fungiciden - schimmelbestrijding - plantenziektebestrijding - bloembollen - rhizoctonia - pythium - stromatinia - tulipa - gladiolus - hyacinthus - landbouwkundig onderzoek - nederland - fungicides - fungus control - plant disease control - ornamental bulbs - rhizoctonia - pythium - stromatinia - tulipa - gladiolus - hyacinthus - agricultural research - netherlands
    Voor bedrijven in de bloembollensector is het van belang dat er voldoende effectieve middelen beschikbaar zijn om ziekten te beheersen. Het aantal (breedwerkende) gewasbeschermingsmiddelen is de laatste jaren door een steeds strenger Europees toelatingsbeleid behoorlijk afgenomen. In de nieuwe middelen die worden ontwikkeld zijn de actieve stoffen meestal vrij specifiek werkzaam. Deze zeer specifieke werking brengt risico’s met zich mee als het gaat om de ontwikkeling van resistentie van schimmels. Bovendien hebben deze nieuwe middelen vaak een dossier waarvan de blootstellings- en milieugegevens slechts een relatief lage dosering dekken. Deze lage dosering is vaak te laag voor een effectieve bestrijding. Het is daarom interessant om nieuwe middelen met een specifieke werking te combineren om enerzijds een voldoende effectieve bestrijding van verschillende schimmels te krijgen en anderzijds daarmee het risico op resistentie verkleinen. In dit onderzoek zijn een aantal nieuwe middelen tegen de bodemschimmels Rhizoctonia solani, Pythium en Stromatinia gladioli getest in resp. tulp, hyacint en gladiool. De middelen zijn alleen en in combinaties getest. Doel van dit project was de effectiviteit van nieuwe middelen en combinaties van middelen te onderzoeken tegen Rhizoctonia solani, Pythium en Stromatinia gladioli in genoemde gewassen, waarbij het risico op de ontwikkeling van resistentie optimaal wordt voorkomen. De keuze voor de middelen is gemaakt in overleg met de gewasbeschermingsfirma’s en met het Gewasbeschermingsalarm van de KAVB. Per gewas-ziekte combinatie zijn bij PPO in Lisse veldproeven uitgevoerd in twee opeenvolgende jaren. De proeven zijn aangelegd op besmette grond (Pythium en droogrot) of er is een kunstmatige besmetting aangebracht (Rhizoctonia solani). Voor of tijdens het planten van de bollen zijn de middelen toegepast als boldompeling of als grondbehandeling.
    Zoeken naar alternatieven voor het wegvallen van middelen als gevolg van herprioritering : voor de fungiciden pyrimethanil, thiofanaat-methyl en tolclofos-methyl, voor de herbicide dazomet en voor de insecticide dimethoaat zijn alternatieve middelen onderzocht op hun werking
    Bulle, A.A.E. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2011
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 77
    pesticiden - toelating van bestrijdingsmiddelen - plantenziekten - botrytis cinerea - rhizoctonia tuliparum - onkruidbestrijding - plantenplagen - thrips - bloembollen - tulipa - lilium - iris (spermatophyta) - gladiolus - landbouwkundig onderzoek - nederland - pesticides - authorisation of pesticides - plant diseases - botrytis cinerea - rhizoctonia tuliparum - weed control - plant pests - thrips - ornamental bulbs - tulipa - lilium - iris (spermatophyta) - gladiolus - agricultural research - netherlands
    Voor fungiciden pyrimenthanil, thiofanaat-methyl en tolclofos-methyl, voor de herbicide dazomet en voor de insecticide dimenthoaat zijn alternatieve middelen onderzocht op hun werking
    Zeestijging noopt tot bijvullen wad ( interview met K.S. Dijkema)
    Dijkema, Kees - \ 2011
    Bestrijding schimmels met combi van middelen
    Bulle, A.A.E. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Hollinger, T.C. ; Haaster, A.J.M. van; Aanholt, J.T.M. van; Korsuize, C.A. - \ 2011
    bestrijdingsmethoden - beschermingsmiddelen - combinatie - schimmelbestrijding - tegen herbiciden resistente onkruiden - preventie - control methods - protectants - combination - fungus control - herbicide resistant weeds - prevention
    Informatieposter over de bestrijding van schimmels met een combinatie van middelen
    SynBioSys Fynbos. (interview door Rolien Dijkema)
    Schaminee, J.H.J. - \ 2010
    Nieuwsbrief mondiaal 7 (2010)3. - p. 11 - 12.
    An intracellular pH gradient in the anammox bacterium Kuenenia stuttgartiensis as evaluated by P-31 NMR
    Star, W.R.L. van der; Dijkema, C. ; Waard, P. de; Picioreanu, C. ; Strous, M. ; Loosdrecht, M.C.M. van - \ 2010
    Applied Microbiology and Biotechnology 86 (2010)1. - ISSN 0175-7598 - p. 311 - 317.
    ammonium-oxidizing bacteria - nuclear-magnetic-resonance - proton gradients - 4 genera - compartmentation - enrichment - oxidation - reactor - cells - identification
    The cytoplasm of anaerobic ammonium oxidizing (anammox) bacteria consists of three compartments separated by membranes. It has been suggested that a proton motive force may be generated over the membrane of the innermost compartment, the "anammoxosome". P-31 nuclear magnetic resonance (NMR) spectroscopy was employed to investigate intracellular pH differences in the anammox bacterium Kuenenia stuttgartiensis. With in vivo NMR, spectra were recorded of active, highly concentrated suspensions of K. stuttgartiensis in a wide-bore NMR tube. At different external pH values, two stable and distinct phosphate peaks were apparent in the recorded spectra. These peaks were equivalent with pH values of 7.3 and 6.3 and suggested the presence of a proton motive force over an intracytoplasmic membrane in K. stuttgartiensis. This study provides for the second time-after discovery of acidocalcisome-like compartments in Agrobacterium tumefaciens-evidence for an intracytoplasmic pH gradient in a chemotrophic prokaryotic cell
    Salt marshes: applied long-term monitoring
    Dijkema, K.S. ; Kers, A.S. ; Duin, W.E. van - \ 2010
    In: 12th International Scientific Wadden Sea Symposium Science for Nature Conservation and Management, Wilhelmshave, Germany, 30 March - 04 April, 2009. - Common Wadden Sea Secretariat - p. 35 - 40.
    Beheersingsmaatregelen HVX
    Kock, M.J.D. de; Dijkema, M.H.G.E. ; Slootweg, G. ; Dalfsen, P. van - \ 2010
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 39 p.
    Detectie van tulpengalmijt voor gerichte galmijtbestrijding
    Lans, A.M. van der; Dijkema, M.H.G.E. ; Lommen, S.T.E. - \ 2010
    Lisse : PPO Bloembollen, Boomkwekerij en Fruit
    bloembollen - gewasbescherming - aceria tulipae - preventie - bestrijdingsmethoden - detectie - methodologie - alternatieve methoden - ornamental bulbs - plant protection - aceria tulipae - prevention - control methods - detection - methodology - alternative methods
    mijtenval doorlopen moet worden duurt echter te lang voor toepassing in de praktijk. De doelstelling van dit onderzoek was om een alternatieve, snelle en betrouwbare detectie-methode te ontwikkelen om tulpengalmijt (vroegtijdig) in partijen tulp aan te kunnen tonen. De effectiviteit van een teentje knoflook en van een tulpenbol die behandeld is met ethyleen, is vergeleken met de effectiviteit van de mijtenval.
    Toepassingsmogelijkheden van Modified Atmosphere Packaging (MAP) in rozen en sierheesters
    Dalfsen, P. van; Smits, A.P. ; Meijer, H. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Steeg, P.A.H. van der - \ 2010
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 67
    houdbaarheid (kwaliteit) - rozen - rosa - houtachtige planten als sierplanten - siergewassen - verpakkingsmaterialen - folie - luchtdichte opslag - keeping quality - roses - rosa - ornamental woody plants - ornamental crops - packaging materials - foil - airtight storage
    Boomkwekerijgewassen, zoals rozen en siergewassen, zijn in diverse stadia van de keten gevoelig voor kwaliteitsverlies. Dit kan uitdroging zijn door vochttekort, verrotting bij vochtovermaat of ongewenst uitlopen van het product. Uit eerder onderzoek is gebleken dat toepassing van zogenaamde Modified Atmosphere folies (MA, zie kader) al dan niet in combinatie met bepaalde vulmiddelen dergelijke problemen sterk kan verminderen en daarmee de houdbaarheid van producten kan verlengen. Dit rapport geeft de resultaten van een onderzoek naar de mogelijkheden van toepassing van MA-folie bij bewaring van rozen en siergewassen in verschillende delen van de keten.
    Kans op zwarte spruiten bij lelie in ijs blijft onvoorspelbaar
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2010
    BloembollenVisie 2010 (2010)205. - ISSN 1571-5558 - p. 16 - 17.
    bloembollen - gewasbescherming - verkleuring - lelies - ijs - koudeopslag - ornamental bulbs - plant protection - discoloration - lilies - ice - cold storage
    Leliebollen worden na de oogst en verwerking meestal koel bewaard om daarna te worden gebruikt voor de bloementeelt. Al enkele jaren zorgt het verschijnsel zwarte spruiten voor de nodige problemen. Reden voor PPO om samen met een aantal praktijkbedrijven na te gaan wat de oorzaak hiervan kan zijn.
    Bestrijding droogrot met combi van middelen: effectiviteit en resistentiestrategie
    Bulle, A.A.E. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Aanholt, J.T.M. van; Koster, A.T.J. - \ 2010
    bodemschimmels - stromatinia gladioli - resistentiemechanismen - gewasbescherming - grondbehandeling - soil fungi - stromatinia gladioli - resistance mechanisms - plant protection - soil treatment
    Informatieposter over de bestrijding van droogrot met combinaties van verschillende middelen. Gekeken is naar de effictiviteit en de resistentiestrategie.
    Vegetatie en opslibbing in de Peazemerlannen en het referentiegebied west-Groningen: Jaarrapportage 2009
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. ; Leeuwen, P.W. van - \ 2010
    Texel : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR nr. C008/10) - 46
    kweldergronden - bodem - aardgas - mijnbouw - bodemdaling - groningen - salt marsh soils - soil - natural gas - mining - subsidence - groningen
    Deze derde jaarrapportage over de monitoring in het kader van de bodemdaling onder de kwelder de Peazemerlannen bevat een overzicht t/m 2009 van de activiteiten en meetresultaten in de kwelder en zomerpolder van de Peazemerlannen en in het referentiegebied in de kwelderwerken in Groningen. De meeste gegevens worden weergegeven vanaf 2007, het startjaar van de gaswinning.
    Alternatieven voor Gramoxone en Actor in de bloembollenteelt
    Bulle, A.A.E. ; Koster, A.T.J. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2010
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 57
    bloembollen - tulipa - gladiolus - lelies - onkruidbestrijding - gewasbescherming - proefprojecten - ornamental bulbs - tulipa - gladiolus - lilies - weed control - plant protection - pilot projects
    De contactherbiciden Gramoxone, Agrichem paraquat en Actor, met als werkzame stof paraquat-dichloride, mogen sinds 1 december 2007 niet meer worden toegepast. Ze werden veel gebruikt vóór opkomst van bloembolgewassen en op leeg land om aanwezig onkruid te doden. In dit project is onderzocht of er andere middelen zijn, die ingezet kunnen worden als niet-selectieve onkruidbestrijder. In de praktijk worden deze middelen voor opkomst gespoten, maar in de proeven is de toepassing van de middelen zo veel mogelijk bij opkomst van de bloembolgewassen tulp, lelie en gladiool uitgevoerd om risico’s op schade zo goed mogelijk in beeld te krijgen. Dit werd vastgesteld aan de hand van effecten op de stand van het gewas, de opbrengst van de bollen en de afbroei in de kas. Daarnaast was het bepalen van de onkruidbestrijdende werking een belangrijk punt van onderzoek.
    Profiling human gut bacterial metabolism and its kinetic using [U-(13)C]glucose and NMR
    Graaf, A.A. de; Maathuis, A. ; Waard, P. de; Deutz, N.E.P. ; Dijkema, C. ; Vos, W.M. de; Venema, K. - \ 2010
    NMR in Biomedicine 23 (2010)1. - ISSN 0952-3480 - p. 2 - 12.
    chain fatty-acids - amino-acids - fermentation products - large-intestine - colon-cancer - human feces - butyrate - ethanol - spectrometry - acetaldehyde
    This study introduces a stable-isotope metabolic approach employing [U-(13)C]glucose that, as a novelty, allows selective profiling of the human intestinal microbial metabolic products of carbohydrate food components, as well as the measurement of the kinetics of their formation pathways, in a single experiment. A well-established, validated in vitro model of human intestinal fermentation was inoculated with standardized gastrointestinal microbiota from volunteers. After culture stabilization, [U-(13)C]glucose was added as an isotopically labeled metabolic precursor. System lumen and dialysate samples were taken at regular intervals. Metabolite concentrations and isotopic labeling were determined by NMR, GC, and enzymatic methods. The main microbial metabolites were lactate, acetate, butyrate, formate, ethanol, and glycerol. They together accounted for a (13)C recovery rate as high as 91.2%. Using an NMR chemical shift prediction approach, several minor products that showed (13)C incorporation were identified as organic acids, amino acids, and various alcohols. Using computer modeling of the (12)C contents and (13)C labeling kinetics, the metabolic fluxes in the gut microbial pathways for synthesis of lactate, formate, acetate, and butyrate were determined separately for glucose and unlabeled background substrates. This novel approach enables the study of the modulation of human intestinal function by single nutrients, providing a new rational basis for achieving control of the short-chain fatty acids profile by manipulating substrate and microbiota composition in a purposeful manner.
    Vervanging van Dosanex vooronkruidbestrijding in iris : onderzoek naar de onkruidbestrijding en fytotoxiciteit van alternatieve herbiciden in iris
    Bulle, A.A.E. ; Koster, A.T.J. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2009
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Businessunit Bloembollen, Boomkwekerij & Fruit - 33
    iris (spermatophyta) - onkruidbestrijding - herbiciden - bloembollen - sierteelt - plantenziektebestrijding - iris (spermatophyta) - weed control - herbicides - ornamental bulbs - ornamental horticulture - plant disease control
    In een tweejarig project zijn vier alternatieve middelen voor Dosanex onderzocht op hun selectiviteit en op hun werkzaamheid. Dit om in 2009/10 een nieuw advies te kunnen geven ter vervanging van Dosanex. De onderzochte middelen zijn: - Stomp (pendimethalin), bodemherbicide, vanaf eind 2005 toegelaten in bloembolgewassen, doch kon nog niet geadviseerd vanwege onvoldoende ervaring in iris. - A 9396B, bodemherbicide, nog niet toegelaten in iris. - Herbasan SC (fenmedifam), contactherbicide na opkomst, toegelaten in iris als éénmalige toepassing of in een LDS (Lage Dosering Systeem) met het contactherbicide Goltix (metamitron). - Afalon (linuron), contactherbicide, na opkomst van het gewas en toegelaten in iris.
    Mogelijke oorzaken van zwarte spruiten in lelie: praktijkproef bij VWS, in samenwerking met PPO
    Looijestein, L. ; Sijm, G. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Gude, H. - \ 2009
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 25
    lilium - lelies - forceren van planten - koudeopslag - oogstschade - temperatuur - ademhaling - bloembollen - afwijkingen, planten - lilium - lilies - forcing - cold storage - crop damage - temperature - respiration - ornamental bulbs - plant disorders
    In de broeierij van lelie, en met name bij de Oriëntals, is het ontstaan van zwarte spruiten een groot probleem dat jaarlijks vele tonnen schade oplevert. Zwarte spruiten is het verschijnsel waarbij leliespruiten tijdens de bewaring in ijs geheel of gedeeltelijk zwart worden, afsterven en volledig verloren gaan voor de bloemproductie. Bij VWS is een uitgebreide praktijkproef uitgevoerd waarin bij 3 partijen van de cultivar Conca d’Or, afkomstig van verschillende telers, de rol van de volgende factoren in het ontstaan van zwarte spruiten is onderzocht: de temperatuur tussen rooien en invriezen, het moment van invriezen en de invriestemperatuur, de ademhaling van de bollen tijdens de bewaring, het zuurstofgehalte in de kisten, het vochtgehalte van het vulmiddel en het suiker- en zetmeelgehalte van de bollen tijdens de bewaring.
    Monitoring en beheer van de kwelderwerken in Friesland en Groningen 1960 - 2007
    Dijkema, K.S. ; Duin, W.E. van; Nicolai, A. ; Frankes, J. ; Jongerius, H. ; Keegstra, H. ; Swierstra, J. - \ 2009
    Texel : IMARES (Rapport / IMARES C005/09) - 90 p.
    Jaarrapportage 2008: vegetatie en opslibbing in de Peazmerlannen en referentiegebied west-Groningen
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. ; Leeuwen, P.W. van - \ 2009
    Texel : IMARES (Rapport / Wageningen IMARES nr. C006/09) - 42
    bodemdaling - aardgas - bodem - vegetatie - kweldergronden - monitoring - wadden - friesland - groningen - subsidence - natural gas - soil - vegetation - salt marsh soils - monitoring - tidal flats - friesland - groningen
    Deze tweede jaarrapportage betreffende de monitoring in het kader van de bodemdaling onder de kwelder de Peazemerlannen bevat een overzicht van de activiteiten en meetresultaten in de kwelder en zomerpolder van de Peazemerlannen en in het referentiegebied in de kwelderwerken in west-Groningen t/m 2008. Voor een betere vergelijking worden de meeste gegevens vanaf 2007 weergegeven, het startjaar van de gaswinning.
    Langer uitstalleven door MAP-verpakking
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Dalfsen, P. van; Leeuwen, P.J. van - \ 2009
    bloembollen - tuinplanten - overblijvende planten - verpakkingen - verpakkingsmaterialen - houdbaarheid (kwaliteit) - kwaliteit na de oogst - ornamental bulbs - bedding plants - perennials - wrappings - packaging materials - keeping quality - postharvest quality
    Microaerobic and anaerobic metabolism of a Methylocystis parvus strain isolated from a denitrifying bioreactor
    Vecherskaya, M. ; Dijkema, C. ; Ramirez Saad, H. ; Stams, A.J.M. - \ 2009
    Environmental Microbiology Reports 1 (2009)5. - ISSN 1758-2229 - p. 442 - 449.
    methane-dependent denitrification - external carbon source - methanotrophic bacteria - renaturation rates - dna hybridization - acid - community - sequence - sediments - oxygen
    An obligate methanotrophic bacterium, strain MTS, was isolated from a methane-fed microaerobic denitrifying bioreactor. 16S rRNA and DNA–DNA hybridization analysis revealed that this organism was most closely related to Methylocystis parvus, a Type II methanotroph, belonging to the a-subclass of the Proteobacteria. The metabolism of the bacterium under microaerobic and anaerobic conditions was studied by 13C-NMR. 13C-labelled poly-ß-hydroxybutyrate (PHB) formation occurred in cell suspensions incubated with 13C-labelled methane at low (5–10%) oxygen concentration. Under these conditions low levels of succinate, acetate and 2,3-butanediol were formed and excreted into the culture medium. Intracellular PHB degradation was observed in intact cells under anaerobic conditions in the absence of an exogenous carbon source during a long-term incubation of 90 days. Multiple 13C-labelled ß-hydroxybutyrate, butyrate, acetate, acetone, isopropanol, 2,3-butanediol and succinate were identified as products in in vivo13C-NMR spectra and in the spectra of culture medium during the dynamic PHB degradation. The isolated obligate methanotroph clearly shows a fermentative metabolism of PHB under anaerobic conditions. The excreted products may serve as substrates for denitrifying bacteria
    Haalbaarheid bulkbewaring leliebollen boven nul in MAP
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2009
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 23
    verpakken - bloembollen - opslag - kwaliteit - packing - ornamental bulbs - storage - quality
    Lange bewaring van leliebollen bij temperaturen boven nul in transitbags volgens het Modified Atmosphere-principe, gecombineerd met een droog vulmiddel, leidt tot een slechtere kwaliteit bollen dan de standaard-bewaring bij temperaturen onder nul in plastic zakken met gaten en een vochtig vulmiddel. In Modified Atmosphere-verpakkingen (MAP, Modified Atmosphere Packaging) kunnen bollen en planten in principe langer bewaard worden. MAP-folies zijn beperkt doorlaatbaar voor zuurstof en ondoorlaatbaar voor water. De combinatie van beperkte doorlaatbaarheid voor zuurstof en de ademhaling van de verpakte producten veroorzaakt een verlaagd zuurstofniveau in de verpakking. Hierdoor wordt de ademhaling en daarmee de ontwikkeling van verpakte producten geremd. Door de ondoordringbaarheid voor water kunnen producten in MAP-folies (de types zonder lasergaatjes) niet uitdrogen. Dat laatste maakt het gebruik van een veel droger vulmiddel mogelijk.
    Vervolgonderzoek Hosta Virus X (2006 - 2008) - vertrouwelijk
    Dijkema, M.H.G.E. ; Dalfsen, P. van; Stijger, I. ; Kock, M.J.D. de - \ 2009
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 75 p.
    Vervanging naar de onkruidbestrijding en fytotoxiteit van alternatieve herbiciden in iris
    Bulle, A.A.E. ; Koster, A.T.J. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2009
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 32 p.
    MA-verpakking verbetert houdbaarheid
    Dalfsen, P. van; Dijkema, M.H.G.E. ; Gude, H. - \ 2009
    De Boomkwekerij 22 (2009)38. - ISSN 0923-2443 - p. 14 - 15.
    gewassen - houdbaarheid (kwaliteit) - opslag - gemodificeerde atmosfeer opslag - folie - verpakkingen - snijgroen - crops - keeping quality - storage - modified atmosphere storage - foil - wrappings - cut foliage
    Hoe zorg je dat planten hun kwaliteit tijdens de afzetfase zo goed mogelijk behouden? MA-verpakking kan hier een belangrijke rol in spelen
    FreshStart voorkomt ethyleenproblemen in tulp
    Gude, H. ; Dam, M.F.N. van; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2009
    bloembollen - ethyleen - tulpen - plantenziekten - behandeling na de oogst - onderzoek - kwaliteitszorg - ornamental bulbs - ethylene - tulips - plant diseases - postharvest treatment - research - quality management
    Ethyleen is nog steeds één van de grootste problemen van telers, broeiers en exporteurs. Ethyleen wordt geproduceerd door zure bollen en met het groter worden van het zuurprobleem neemt ook het ethyleenprobleem toe. Proeven wijzen uit dat ethyleenproblemen zijn te voorkomen, door op het juiste moment FreshStart toe te passen
    Monitoring en beheer van de kwelderwerken in Friesland en Groningen 1960-2007 : rapport in het kader van het WOT programma Informatievoorziening Natuur i.o. (WOT IN)
    Dijkema, K.S. ; Duin, W.E. van; Nicolai, A. ; Frankes, J. ; Jongerius, H. ; Keegstra, H. ; Swierstra, J. - \ 2009
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1857) - 90
    kweldergronden - kustgebieden - monitoring - vegetatie - biodiversiteit - plantensuccessie - natuurgebieden - ecologische successie - natuurbeheer - groningen - friesland - salt marsh soils - coastal areas - monitoring - vegetation - biodiversity - plant succession - natural areas - ecological succession - nature management - groningen - friesland
    In de Waddenzee liggen langs de noordkust van het vasteland van Groningen en Friesland 6000 ha voormalige landaanwinningswerken. Door middel van sturing van de natuurlijke processen zijn daarin halfnatuurlijke kwelders gevormd. De kwelders zijn door middel van rijshoutdammen en begreppeling gecreëerd en de kweldervegetatie heeft zich natuurlijk gevestigd. De landaanwinningswerken zijn in 1991 omgedoopt tot "kwelderwerken". Zonder de vroegere “werken” zouden de vastelandkwelders er nu niet zijn en zonder “werken” nu zouden deze kwelders weer verdwijnen. Vanaf 1960-2007 is door het RWS Waterdistrict Waddenzee en IMARES Texel de ontwikkeling van de kwelders gemonitord. 25 meetvakken geven een jaarlijkse feedback naar het kwelderbeheer, dat volgens het “hand aan de kraan” principe met de stakeholders wordt doorgesproken in de Stuurgroep Kwelderwerken. Op grond daarvan zijn de kwelderwerken verder aangepast aan de natuurlijke processen. Beperken van de bezinkvelden tot waar ze echt nodig zijn en vakverkleining van de pionierzone tussen GHW-60 cm en GHW zijn de sleutel. De pionierzone beschermt de kwelder. Dit nieuwste monitoringrapport gaat ook over de kustbescherming die de kwelderwerken boden tegen de Allerheiligenvloed van 2006
    Schadedrempels voor ethyleen tijdens bewaring, preparatie en beworteling van tulpenbollen
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2008
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Sector Bloembollen - 29
    ethyleen - opslag - plantmateriaal - bloembollen - ethylene - storage - planting stock - ornamental bulbs
    Ethyleengas, geproduceerd door ‘zure’ tulpenbollen, veroorzaakt tijdens bewaring en vervoer van tulpenbollen schade aan de gezonde bollen: schade aan de bloem in leverbare bollen en een toename in verklistering bij plantgoed. Als schadedrempel wordt een concentratie van 0.1 ppm (100 ppb) gehanteerd. Sinds de Hatech/MSE-ethyleenmeter gebruikt wordt in bewaarcellen blijkt dat de schadedrempel regelmatig overschreden wordt. Het is niet bekend of deze overschrijdingen tot schade kunnen leiden. In dit onderzoek zijn de effecten van verhoogde ethyleenconcentraties op verschillende momenten tijdens de bewaring van leverbare bollen en plantgoed onderzocht.
    Bladbemesting ter voorkoming van N-gebrek bij hyacint
    Dam, A.M. van; Korsuize, C.A. ; Vreeburg, P.J.M. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2008
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 23
    hyacinthus orientalis - hyacinten - bemesting - toediening op blad - stikstof - bloembollen - teelt - hyacinthus orientalis - hyacinths - fertilizer application - foliar application - nitrogen - ornamental bulbs - cultivation
    Hyacint wordt, ter voorkoming van ziektenverspreiding, niet of nauwelijks beregend. Hierbij treedt in droge perioden vaak een stikstofgebrek op in de wortelzone, omdat N-giften aan de grond niet ingespoeld worden. Hierdoor hebben hyacintenbollen bij de oogst een laag N-gehalte, waardoor de kwaliteit van de bloemen sterk kan verminderen. Ook bij andere gewassen kan dit optreden, met name in de Bollenstreek, waar beregening voor de watervoorziening niet nodig is. Stikstof kan echter ook opgenomen worden door het blad, waarop meststoffen direct toegediend kunnen worden. Hierbij is geen neerslag of beregening nodig, zodat het gewas ook tijdens droogte gevoed kan worden. Het is echter niet bekend hoeveel stikstof door het blad opgenomen kan worden, en hoe snel de opname plaatsvindt. Nu nieuwe gebruiksnormen het gebruik van stikstof nog meer dreigen te beperken dan tot nog toe, is een efficiënte N-bemesting extra van belang. Doel van dit project was te bepalen in welke mate en op welke manier N-bladbemesting ingezet kan worden voor betrouwbare en efficiënte bemesting van hyacint. Het effect van N-bladbemesting op de opbrengst van hyacint is getest in een veldproef met de cultivars Pink Pearl en Anna Marie. Omdat het hier resultaten van slechts één proefjaar betreft, met specifieke proefomstandigheden, kunnen de conclusies niet als algemeen geldig beschouwd worden.
    Transport and compartmentation of phosphite in higher plant cells - kinetic and 31P nuclear magnetic resonance studies
    Danova-Alt, R. ; Dijkema, C. ; Waard, P. de; Köck, M. - \ 2008
    Plant, Cell & Environment 31 (2008)10. - ISSN 0140-7791 - p. 1510 - 1521.
    phytophthora-palmivora - suspension cells - saccharomyces-cerevisiae - physiological-responses - fungicide phosphonate - starvation responses - arabidopsis - inhibition - tomato - deprivation
    Phosphite (Phi, H(2)PO(3)(-)), being the active part of several fungicides, has been shown to influence not only the fungal metabolism but also the development of phosphate-deficient plants. However, the mechanism of phosphite effects on plants is still widely unknown. In this paper we analysed uptake, subcellular distribution and metabolic effects of Phi in tobacco BY-2 cells using in vivo(31)P nuclear magnetic resonance ((31)P-NMR) spectroscopy. Based on the kinetic properties of the phosphate transport system of tobacco BY-2 cells, it was demonstrated that phosphite inhibited phosphate uptake in a competitive manner. To directly follow the fate of phosphate and phosphite in cytoplasmic and vacuolar pools of tobacco cells, we took advantage of the pH-sensitive chemical shift of the Phi anion. The NMR studies showed a distinct cytoplasmic accumulation of Phi in Pi-deprived cells, whereas Pi resupply resulted in a rapid efflux of Phi. Pi-preloaded cells shifted Phi directly into vacuoles. These studies allowed for the first time to follow Phi flux processes in an in vivo setting in plants. On the other hand, the external Pi nutrition status and the metabolic state of the cells had a strong influence on the intracellular compartmentalization of xenobiotic Phi.
    Malic acid production by Saccharomyces cerevisiae: engineering of pyruvate carbosylation, oxaloacetate reduction and malate export
    Zelle, R.M. ; Hulster, E. de; Winden, W.A. van; Waard, P. de; Dijkema, C. ; Winkler, A.A. ; Geertman, J.M.A. - \ 2008
    Applied and Environmental Microbiology 74 (2008)9. - ISSN 0099-2240 - p. 2766 - 2777.
    metabolic-flux analysis - aspergillus-flavus - chemostat cultures - alcoholic fermentation - carbon metabolism - escherichia-coli - organic-acids - mdh2 isozyme - yeast - glucose
    Malic acid is a potential biomass-derivable "building block" for chemical synthesis. Since wild-type Saccharomyces cerevisiae strains produce only low levels of malate, metabolic engineering is required to achieve efficient malate production with this yeast. A promising pathway for malate production from glucose proceeds via carboxylation of pyruvate, followed by reduction of oxaloacetate to malate. This redox- and ATP-neutral, CO2-fixing pathway has a theoretical maximum yield of 2 mol malate (mol glucose)¿1. A previously engineered glucose-tolerant, C2-independent pyruvate decarboxylase-negative S. cerevisiae strain was used as the platform to evaluate the impact of individual and combined introduction of three genetic modifications: (i) overexpression of the native pyruvate carboxylase encoded by PYC2, (ii) high-level expression of an allele of the MDH3 gene, of which the encoded malate dehydrogenase was retargeted to the cytosol by deletion of the C-terminal peroxisomal targeting sequence, and (iii) functional expression of the Schizosaccharomyces pombe malate transporter gene SpMAE1. While single or double modifications improved malate production, the highest malate yields and titers were obtained with the simultaneous introduction of all three modifications. In glucose-grown batch cultures, the resulting engineered strain produced malate at titers of up to 59 g liter¿1 at a malate yield of 0.42 mol (mol glucose)¿1. Metabolic flux analysis showed that metabolite labeling patterns observed upon nuclear magnetic resonance analyses of cultures grown on 13C-labeled glucose were consistent with the envisaged nonoxidative, fermentative pathway for malate production. The engineered strains still produced substantial amounts of pyruvate, indicating that the pathway efficiency can be further improved
    Jaarrapportage 2007: vegetatie en opslibbing in de Peazemerlannen en referentiegebied west-Groningen
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. ; Leeuwen, P.W. van - \ 2008
    IJmuiden : IMARES (Rapport / IMARES ) - 27
    bodemdaling - aardgas - bodem - vegetatie - kweldergronden - wadden - groningen - friesland - subsidence - natural gas - soil - vegetation - salt marsh soils - tidal flats - groningen - friesland
    Midden jaren 90 heeft de NAM door middel van proefboringen gas ontdekt in zeven velden waaronder Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen. Deze gasvelden maken deel uit van de vigerende winningvergunningen en liggen geheel of gedeeltelijk onder de Waddenzee, net ten noorden van het Lauwersmeer, in het noordoosten van Friesland en het noordwesten van Groningen. Begin 2007 heeft de NAM het genoemde gasveld op de landlocatie Moddergat in productie genomen. In dit deel van Friesland bevinden zich ook de Peazemerlannen, een natuurgebied bestaande uit een zomerpolder en een kwelder. De beschikbare meetgegevens van dit gebied tot en met 2006 betreffende de opslibbing en vegetatie zijn vastgelegd in een rapport met de uitgangssituatie. Om eventuele veranderingen in opslibbing en vegetatieontwikkeling in de Peazemerlannen te kunnen waarnemen worden tijdens de gaswinningsperiode jaarlijks metingen gedaan in het gebied zelf en in een nabijgelegen referentiegebied
    Participatief actiebegeleidend onderzoek wijkgezondheidswerk Eindhoven
    Wagemakers, M.A.E. ; Dijkema, M.T. - \ 2008
    In: Wetenschappelijke uitdagingen van collaborative research in gezondheidsbevordering. - Groningen : - p. 16 - 17.
    Phase behavior of phosphatidylglycerol in spinach thylakoid membranes as revealed by 31P-NMR
    Krumova, S.K.B. ; Dijkema, C. ; Waard, P. de; As, H. van; Garab, G. ; Amerongen, H. van - \ 2008
    Biochimica et Biophysica Acta. Biomembranes 1778 (2008)4. - ISSN 0005-2736 - p. 997 - 1003.
    violaxanthin de-epoxidase - photosystem-ii - photosynthetic membranes - structural flexibility - lipid polymorphism - nonbilayer lipids - protein complexes - deepoxidation - temperature - particles
    Non-bilayer lipids account for about half of the total lipid content in chloroplast thylakoid membranes. This lends high propensity of the thylakoid lipid mixture to participate in different phases which might be functionally required. It is for instance known that the chloroplast enzyme violaxanthin de-epoxidase (VDE) requires a non-bilayer phase for proper functioning in vitro but direct evidence for the presence of non-bilayer lipid structures in thylakoid membranes under physiological conditions is still missing. In this work, we used phosphatidylglycerol (PG) as an intrinsic bulk lipid label for 31P-NMR studies to monitor lipid phases of thylakoid membranes. We show that in intact thylakoid membranes the characteristic lamellar signal is observed only below 20 °C. But at the same time an isotropic phase is present, which becomes even dominant between 14 and 28 °C despite the presence of fully functional large membrane sheets that are capable of generating and maintaining a transmembrane electric field. Tris-washed membranes show a similar behavior but the lamellar phase is present up to higher temperatures. Thus, our data show that the location of the phospholipids is not restricted to the bilayer phase and that the lamellar phase co-exists with a non-bilayer isotropic phase.
    Optimale bewaring- en transportcondities van vaste planten
    Dalfsen, P. van; Dijkema, M.H.G.E. ; Gude, H. ; Miller, B. - \ 2007
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 60
    overblijvende planten - opslag - transport - kwaliteit - sierteelt - agrarische handel - perennials - storage - transport - quality - ornamental horticulture - agricultural trade
    In de periode tussen rooien en planten doorlopen vaste planten een ketentraject waarbij verschillende ketenpartijen betrokken zijn. In de praktijk gaat dit soms, zeker bij gevoelige soorten, gepaard met kwaliteitsverlies, slechte hergroei en zelfs volledige uitval. De schade als gevolg hiervan kan oplopen tot enkele duizenden euro’s per partij. In de periode 2004 - 2006 is onderzoek gedaan naar een aantal factoren, die de hergroei van de planten zouden kunnen beïnvloeden, zoals rooitijdstip, bewaartemperatuur en invloed van uitdroging tijdens transport en bewaring. Daarnaast is een ketenonderzoek gedaan om na te gaan in welke fase van de keten kwaliteitsverlies optreedt.
    Verbetering vaasleven van snijhyacinten afkomstig van waterbroei
    Vreeburg, P.J.M. ; Korsuize, C.A. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2007
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 29
    vaasleven - houdbaarheid (kwaliteit) - hyacinthus - forceren van planten - landbouwkundig onderzoek - vase life - keeping quality - hyacinthus - forcing - agricultural research
    Vanuit de praktijk en onderzoek waren er aanwijzingen dat Delft Blue afkomstig van de waterbroei op de vaas een minder goede houdbaarheid had dan Delft Blue afkomstig van broei op grond. Dit uitte zich in eerder omknikken van de stelen. Omdat de markt steeds duidelijker vraagt naar schone producten zou waterbroei meer navolging verdienen. De kwaliteit van het product mag echter niet ter discussie komen te staan. Doel van dit onderzoek was om vaststellen of het vaasleven van hyacinten afkomstig van waterbroei minder goed was dan van hyacinten afkomstig van grondbroei. In dit project werd onderzocht of dit vooral een cultivareigenschap of partijherkomst van Delft Blue betrof en of het probleem was te verhelpen met een aangepaste kastemperatuur of door voeding aan het water tijdens de broei toe te voegen. In dit onderzoek werd bevestigd dat planten van Delft Blue afkomstig van waterbroei een minder goede houdbaarheid hebben dan planten afkomstig van grondbroei. De planten knikten eerder om. Dit gold ook voor de cultivars Blue Star en China Pink die verwant zijn aan Delft Blue. De cultivars Minos en Atlantic hadden veel minder last van omknikken. Tussen enkele partijen Delft Blue waren soms ook verschillen aanwezig. Door (tulpen)voeding aan het water toe te voegen werd de groei gewijzigd waardoor de oogst een dag later was en het blad relatief langer werd, maar dit gaf geen of onvoldoende verbetering van de uitbloeikwaliteit. Het verlagen van de kastemperatuur van 20°C naar 18 of 16°C gaf wel een iets tragere groei en iets meer bloei in het blad maar had op het omknikken geen duidelijke invloed. Het toevoegen van een houdbaarheidsmiddel op de vaas had een positief effect op de waterkwaliteit in de vaas, maar een negatief effect op de uitbloeikwaliteit, omknikken maar vooral ook op het vergelen van het blad. De uitbloeikwaliteit werd later in het seizoen steeds slechter. Gezien de resultaten van dit onderzoek is in overleg met KAVB-Produktgroep Hyacint en PT, besloten dit onderzoek niet met het tweede jaar te vervolgen. Het probleem van Delft Blue ten aanzien van het omknikken werd eveneens gezien in uitbloeiproeven van snijhyacinten van grondbroei op FloraHolland Rijnsburg in het voorjaar van 2006. Omdat er ook partijen tussen zaten die veel omknikten, gaf dit reden om onderzoek voor te stellen naar de oorzaak van die verschillen.
    'Modified Atmosphere' - verpakking en vulmiddel voor bloembollen en vaste planten
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Dalfsen, P. van; Leeuwen, P.J. van - \ 2007
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 85
    verpakken - gemodificeerde atmosfeer opslag - bloembollen - overblijvende planten - packing - modified atmosphere storage - ornamental bulbs - perennials
    Sommige soorten vaste planten en bollen hebben tijdens de bewaring bij de handels-of exportbedrijven of bij de retailer sterk de neiging tot uitlopen en/of uitdroging. Het uitlopen en uitdrogen kan voorkomen of geremd worden door ze te verpakken in een MAP-folie. Deze folie heeft een beperkte doorlaatbaarheid voor zuurstof waardoor, ten gevolge van de ademhaling van het product, het zuurstofgehalte in de verpakking daalt en de groei, en dus uitloop, geremd worden. Het zuurstofgehalte dat ontstaat in de verpakking wordt bepaald door de doorlaatbaarheid van de verpakking én door de ademhalingsactiviteit (afhankelijk van de temperatuur) van het product. Doordat een MAP-folie volledige ondoorlaatbaar is voor water wordt uitdroging voorkomen. Om condensvorming en dus ziekte te voorkomen, moet in combinatie met een MAP-folie een vulmiddel toegepast worden dat het overtollige vocht in de verpakking in voldoende mate kan opnemen en afgeven. Het doel van het onderzoek was om voor verschillende soorten bloembollen en vaste planten die gevoelig zijn voor uitdroging en/of uitlopen, een consumentenverpakking (t.b.v. de retail) en/of ‘bulk’-verpakking (t.b.v. handels- en exportbedrijven) van MAP-folie te ontwikkelen en tevens een vulmiddel te vinden, waarbij het product geen (of een aanvaardbare) spruitgroei vertoont en vochtproblemen (uitdroging of condensvorming) voorkómen worden. Het onderzoek bestond uit 3 onderdelen: I. De bepaling van de ademhalingsactiviteit tijdens een ketensimulatie. Dit was nodig om een MAP-folie met de juiste zuurstofdoorlaatbaarheid te kunnen ontwikkelen. II. M.b.v. de verkregen ademhalingsgegevens zijn door een foliefabrikant MAP-folies ontwikkeld voor de consumentenverpakking (t.b.v. retailer) en de ‘bulk’-verpakking (bewaring bij handels-of exportbedrijf). Een aantal soorten planten/bollen is verpakt in MAP-verpakkingen met verschillende type vulmiddelen en verschillende vochtgehaltes. De planten/bollen zijn gedurende een aantal weken/maanden op het laboratorium bewaard onder ketenomstandigheden. De kwaliteit van planten/bollen uit de MAP- verpakkingen is vergeleken met die van planten/bollen uit praktijkverpakkingen. III. Planten en/of bollen zijn bij bedrijven verpakt in consumenten- of in ‘bulk’-verpakkingen van MAP-folie in combinatie met de vulmiddelen die uit het onderzoek als meest perspectiefvol naar voren kwamen. Na (langdurige) bewaring is de kwaliteit van planten/bollen uit de MAP-verpakkingen vergeleken met die van planten/bollen uit praktijkverpakkingen.
    Optimizing a closed greenhouse
    Molenaar, J. ; Bokhove, O. ; Ramaekers, L. ; Leur, J. van de; Gvozdenovic, N. ; Bakri, T. ; Archer, C. ; Reeves, C. - \ 2007
    In: Proceedings of the 58th European Study Group Mathematics with Industry, Utrecht, The Netherlands, January 29 ¿ February 2, 2007. - Utrecht : Faculty of Science Mathematics - p. 55 - 68.
    Ecologische onderbouwing van het Kwelderherstelplan in Groningen
    Dijkema, K.S. ; Smit, C.J. - \ 2007
    Den Burg, Texel : IMARES (Rapport / IMARES ) - 49 p.
    Ecologische onderbouwing van een Kwelderherstelplan Balgzand
    Dijkema, K.S. ; Smit, C.J. - \ 2007
    Den Burg, Texel : IMARES (Rapport / IMARES ) - 25 p.
    Uitgangssituatie maaiveldhoogte en kweldervegetatie in de Peazemerlannen (2006)
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. ; Leeuwen, P.W. van - \ 2007
    IJmuiden : IMARES (Rapport / Wageningen IMARES C128/07) - 82
    bodemdaling - aardgas - bodem - kweldergronden - waddenzee - subsidence - natural gas - soil - salt marsh soils - wadden sea
    Deze studie is verricht in het kader van het bodemdalingsonderzoek door gaswinning in de velden Nes, Moddergat, Lauwersoog-C, Lauwersoog-West, Lauwersoog-Oost en Vierhuizen. Net zo als de overige vastelandskwelders langs de Friese en Groninger kust is de opslibbing ook in de Peazemerlannen ruim voldoende om de gemiddelde zeespiegelstijging bij te houden. Door de toenemende maaiveldhoogte vindt successie van de vegetatie plaats. Deze successie, ook wel veroudering genaamd, treedt een verschuiving in de vegetatiesamenstelling op naar het climax-stadium. Door veroudering neemt de biodiversiteit af tot een stadium waar Zeekweek als vrijwel enige plantensoort aanwezig is. Deze autonome ontwikkeling wordt in de Peazemerlannen slechts vertraagd waar beweiding is of waar de ontwatering achterblijft
    Monitoring en beheer van de kwelderwerken in Friesland en Groningen 1960-2006
    Dijkema, K.S. ; Nicolai, A. ; Frankes, J. ; Jongerius, H. - \ 2007
    IJmuiden : IMARES (Rapport / IMARES ) - 53
    wetlands - vegetatie - monitoring - kweldergronden - groningen - friesland - wetlands - vegetation - monitoring - salt marsh soils - groningen - friesland
    Monitoring van de hoogteligging en het areaal kwelders en pionierzone, Vergelijking van vegetatiekaarten 1960-2003
    Monitoring van kwelders in de Waddenzee : rapport in het kader van het WOT programma Informatievoorziening Natuur i.o. (WOT IN)
    Dijkema, K.S. ; Duin, W.E. van; Dijkman, E.M. ; Leeuwen, P.W. van - \ 2007
    Wageningen : Alterra (WOT IN serie nr. 5) - 63
    kustgebieden - monitoring - biodiversiteit - plantensuccessie - natuurbescherming - vegetatie - planten - bodemdaling - nederland - kweldergronden - natura 2000 - zeespiegelschommelingen - waddenzee - coastal areas - monitoring - biodiversity - plant succession - nature conservation - vegetation - plants - subsidence - netherlands - salt marsh soils - natura 2000 - sea level fluctuations - wadden sea
    Zowel in nationaal als in trilateraal verband geldt als één van de ecologische doelen voor de Waddenzee een zo groot en natuurlijk mogelijk areaal aan kwelders. Actief ingrijpen om bestaande kwelders in stand te houden dient op een zo natuurlijk mogelijke wijze te geschieden. In de kwelderwerken en zomerpolders langs het vasteland van de Waddenzee is een omslag in beheer ingezet naar duurzamer en minder kunstmatig. Lange termijn monitoring begeleidt deze verandering en dient ook om te zien of de meer natuurlijke wijze van beheer zich verdraagt met de effecten van zeespiegelstijging. De resultaten worden jaarlijks op gepubliceerd en dienen als input voor vijfjaarlijkse Quality Status Reports in het kader van de drielanden samenwerking in de Wadddenzee. De Waddenzee is het belangrijkste gebied voor éénjarige pioniervegetaties van Zeekraal. Deze pionierzone is de overgang van wadplaten naar kwelder en beschermt de hoger gelegen kwelderzones. Door opslibbing worden kwelders hoger, waarbij de vegetatie door successie verandert. De vegetatie ontwikkelt zich tijdens dat proces tot een eindstadium of climaxbegroeiing. De biodiversiteit neemt sterk af als een kwelder in zijn eindfase komt door veroudering met als eindstadium een soortenarme vegetatie van Zeekweek. Begreppeling versnelt de veroudering van de kwelderzone. Beweiding stelt de ontwikkeling van een climaxvegetatie uit. De ideale natuurlijke situatie zou cyclische successie zijn, hierbij zijn aangroei en afslag van kwelders in evenwicht. De kwaliteit van kwelders kan worden verbeterd door de variatie aan hoogtezones, geomorfologische vormen (groene stranden, slufters, zandige kwelders, kleiige kwelders) en beheervormen (beweide en onbeweide kwelders) te behouden of te herstellen
    Sea level change and salt marshes in the Wadden Sea: A time series analysis
    Dijkema, K.S. ; Duin, van, W.E. ; Meesters, H.W.G. ; Zuur, A.F. ; Ieno, E.N. ; Smith, G.M. - \ 2007
    In: Analysing Ecological Data / Smith, G.M Zuur, A.F., Ieno, E.N, New York : Springer Verlag - ISBN 9780387459677 - p. 601 - 614.
    Sociaal draagvlak : verslag van de uitwerking van 'sociaal draagvlak' voor het pilot project Referentiekader Gezondheidsbevordering
    Wagemakers, M.A.E. ; Vaandrager, L. ; Koelen, M.A. ; Dijkema, P. ; Corstjens, R. - \ 2007
    Wageningen : Gezondheid en Maatschappij, Wageningen Universiteit - 115
    gezondheidsbevordering - attitudes - volksgezondheid - maatschappelijk draagvlak - health promotion - attitudes - public health - public support
    Sociaal draagvlak is uitgewerkt aan de hand van de begrippen participatie en samenwerken. Immers, door participatie en door samenwerking ontstaat sociaal draagvlak. Dit is een belangrijke reden dat in zogeheten community-based programma’s op het terrein van gezondheidsbevordering zowel participatie als samenwerken als essentiële elementen opgenomen worden. In verschillende stappen komen aan bod: het definiëren en operationaliseren van sociaal draagvlak, het in kaart brengen van de werkwijzen en meetinstrumenten om sociaal draagvlak te meten en te evalueren, het (verder) ontwikkelen van een aantal meetinstrumenten en het toetsen van deze meetinstrumenten in de praktijk.
    Identification of glucose-fermenting bacteria present in an in-vitro model of the human inetstine by RNA-stable isotope probing
    Egert, M.G.G. ; Graaf, A.A. de; Maathuis, A. ; Waard, P. de; Plugge, C.M. ; Smidt, H. ; Deutz, N.E.P. ; Dijkema, C. ; Vos, W.M. de; Venema, K. - \ 2007
    FEMS microbiology ecology 60 (2007)1. - ISSN 0168-6496 - p. 126 - 135.
    microbial community structure - fragment-length-polymorphism - chain fatty-acids - propionate oxidation - diversity - pcr - microorganisms - tract - colon - bias
    16S rRNA-based stable isotope probing (SIP) and nuclear magnetic resonance (NMR) spectroscopy-based metabolic profiling were used to identify bacteria fermenting glucose under conditions simulating the human intestine. The TIM-2 in vitro model of the human intestine was inoculated with a GI tract microbiota resembling that of the small intestine, to which subsequently 4, 20 or 40 mM of [U-13C]-glucose were added. RNA was extracted from lumen samples after 0 (control), 1, 2 and 4 h and subjected to density-gradient ultracentrifugation. Phylogenetic analysis of unlabeled 16S rRNA revealed a microbial community dominated by lactic acid bacteria and Clostridium perfringens. Distinct 13C-incorporation into bacterial RNA was only observed for the 40-mM addition. 16S rRNA fingerprinting showed an activity drop of Lactobacillus fermentum after glucose addition, while Streptococcus bovis and C. perfringens were identified as the most active glucose-fermenters. Accordingly, NMR analysis identified lactate, acetate, butyrate and formate as the principal fermentation products, constituting up to 91% of the 13C-carbon balance. RNA-SIP combined with metabolic profiling allowed us to detect differential utilization of a general model carbohydrate, indicating that this approach holds great potential to identify bacteria involved in the fermentation of dietary relevant oligo- and polymeric carbohydrates in the human intestine.
    Ecologische atlas Waddenzee
    Dankers, N.M.J.A. ; Cremer, J.S.M. ; Dijkman, E.M. ; Brasseur, S.M.J.M. ; Dijkema, K.S. ; Fey-Hofstede, F.E. ; Jong, M.L. de; Smit, C.J. - \ 2007
    Texel : IMARES
    habitats - ecologie - geomorfologie - sediment - luchtkarteringen - kaarten - aquatische ecologie - waddenzee - habitats - ecology - geomorphology - sediment - aerial surveys - maps - aquatic ecology - wadden sea
    Deze atlas is samengesteld met informatie uit verschillende bronnen, en bestaat uit gecombineerde kaarten van luchtfoto’s en geomorfologische informatie. Voor het beleid is het belangrijk dat uit de kaarten op te maken is waar kenmerkende landschapstypen liggen, en dan vooral die typen die in nationale of internationale regelgeving een bepaalde status hebben, zoals de habitattypen uit de EU-habitatrichtlijn, of kenmerken die essentieel zijn voor de kwaliteit van de EU-habitats. Binnen de EU-habitattypen zoals droogvallende wadplaten en kwelders is het mogelijk een verdere onderverdeling te geven op basis van sedimentsamenstelling, dynamiek en successiestadium in de vegetatieontwikkeling
    Archaeoglobus fulgidus couples CO oxidation to sulfate reduction and acetogenesis with transient formate accumulation
    Henstra, A.M. ; Dijkema, C. ; Stams, A.J.M. - \ 2007
    Environmental Microbiology 9 (2007)7. - ISSN 1462-2912 - p. 1836 - 1841.
    carbon-monoxide - carboxydothermus-hydrogenoformans - methanobacterium-formicicum - methanogenic bacteria - dehydrogenase genes - complex - sequence - growth - tetrahydromethanopterin - archaebacterium
    The genome sequence of Archaeoglobus fulgidus VC16 encodes three CO dehydrogenase genes. Here we explore the capacity of A.¿fulgidus to use CO as growth substrate. Archaeoglobus fulgidus VC16 was successfully adapted to growth medium that contained sulfate and CO. In the presence of CO and sulfate the culture OD660 increased to 0.41 and sulfide, carbon dioxide, acetate and formate were formed. Accumulation of formate was transient. Similar results, except that no sulfide was formed, were obtained when sulfate was omitted. Hydrogen was never detected. Under the conditions tested, the observed concentrations of acetate (18¿mM) and formate (8.2¿mM) were highest in cultures without sulfate. Proton NMR spectroscopy indicated that CO2, and not CO, is the precursor of formate and the methyl group of acetate. Methylviologen-dependent formate dehydrogenase activity (1.4¿¿mol formate oxidized min¿1¿mg¿1) was detected in cell-free extracts and expected to have a role in formate reuptake. It is speculated that formate formation proceeds through hydrolysis of formyl-methanofuran or formyl-tetrahydromethanopterin. This study demonstrates that A.¿fulgidus can grow chemolithoautotrophically with CO as acetogen, and is not strictly dependent on the presence of sulfate, thiosulfate or other sulfur compounds as electron acceptor.
    Uitdroging in keten grootste gevaar voor vaste planten
    Dalfsen, P. van; Dijkema, M.H.G.E. ; Gude, H. ; Miller, B. - \ 2007
    De Boomkwekerij 2007 (2007)1. - ISSN 0923-2443 - p. 12 - 13.
    stekken - kwekers - hergroei - gewaskwaliteit - dehydratie (fysiologisch) - export - stress omstandigheden - cuttings - growers - regrowth - crop quality - dehydration (physiological) - exports - stress conditions
    Na export hebben diverse soorten vaste planten problemen met de hergroei. Onderzoek werd gedaan door PPO naar de omstandigheden in de keten die tot deze problemen leiden, welke kunnen worden aangeduid als een algemene verslechtering van de plantkwaliteit. Uitdroging blijkt een belangrijke rol te spelen, een overzicht.
    Glycolytic pathway and hydrogen yield studies of the extreme thermophile Caldicellulosiruptor saccharolyticus
    Vrije, G.J. de; Mars, A.E. ; Budde, M.A.W. ; Lai, M.H. ; Dijkema, C. ; Waard, P. de; Claassen, P.A.M. - \ 2007
    Applied Microbiology and Biotechnology 74 (2007)6. - ISSN 0175-7598 - p. 1358 - 1367.
    glucose fermentation - thermotoga-maritima - embden-meyerhof - biohydrogen - archaea - energy - hyperthermophiles - biotechnology - metabolism - bacterium
    NMR analysis of 13C-labelling patterns showed that the Embden¿Meyerhof (EM) pathway is the main route for glycolysis in the extreme thermophile Caldicellulosiruptor saccharolyticus. Glucose fermentation via the EM pathway to acetate results in a theoretical yield of 4 mol of hydrogen and 2 mol of acetate per mole of glucose. Previously, approximately 70% of the theoretical maximum hydrogen yield has been reached in batch fermentations. In this study, hydrogen and acetate yields have been determined at different dilution rates during continuous cultivation. The yields were dependent on the growth rate. The highest hydrogen yields of 82 to 90% of theoretical maximum (3.3 to 3.6 mol H2 per mol glucose) were obtained at low growth rates when a relatively larger part of the consumed glucose is used for maintenance. The hydrogen productivity showed the opposite effect. Both the specific and the volumetric hydrogen production rates were highest at the higher growth rates, reaching values of respectively 30 mmol g¿1 h¿1 and 20 mmol l¿1 h¿1. An industrial process for biohydrogen production will require a bioreactor design, which enables an optimal mix of high productivity and high yield
    Cyclisch beheer kwelderwerken Friesland
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. ; Bos, D. - \ 2007
    Texel : IMARES (A&W-rapport 887) - 66
    wetlands - vegetatie - begrazing - vogels - natuurbescherming - kustgebieden - kweldergronden - friesland - gebiedsontwikkeling - wetlands - vegetation - grazing - birds - nature conservation - coastal areas - salt marsh soils - friesland - area development
    Door autonome ontwikkeling vindt in de huidige situatie binnen de kwelderwerken veroudering van kwelders plaats: door opslibbing verdwijnt de lage kwelder ten gunste van de midden kwelder die uiteindelijk voor een groot deel begroeid raakt met Strandkweek. Beweiding kan deze uniforme begroeiing terugdringen en er voor zorgen dat de biodiversiteit verhoogd wordt. Hiermee kan echter niet voorkomen worden dat de ophoging van het maaiveld doorgaat en daarmee in feite ook de veroudering van de kwelder. Voor vogels (ganzen en broedvogels) is het effect van de autonome ontwikkeling voornamelijk afhankelijk van het gevoerde beweidingsbeheer. Vanwege het idee om verjonging van de Friese kwelderwerken door maaiveldverlaging te bewerkstelligen is in opdracht van Rijkswaterstaat Dienst Noord-Nederland een verkenning uitgevoerd waarin twee (cyclische) beheermethodes zijn onderzocht op hun mogelijkheden: cyclisch beheer van kwelders door tijdelijk stoppen van het onderhoud aan de rijshouten dammen. Kleiputten leiden, na afgraven van de midden kwelder, via wad, pionierzone en lage kwelder na ca. 50 jaar weer tot midden kwelder
    Uitdroging in keten grootste gevaar voor vaste planten
    Dalfsen, P. van; Dijkema, M.H.G.E. ; Gude, H. ; Miller, B. - \ 2007
    BloembollenVisie 2007 (2007)107. - ISSN 1571-5558 - p. 20 - 21.
    stekken - kwekers - hergroei - gewaskwaliteit - dehydratie (fysiologisch) - export - stress omstandigheden - cuttings - growers - regrowth - crop quality - dehydration (physiological) - exports - stress conditions
    Diverse soorten vaste planten hebben na het exporteren problemen met de hergroei. PPO deed onderzoek naar omstandigheden in de keten, die een verslechtering van de kwaliteit van de planten kunnen geven. Uitdrogen blijkt daarin een belangrijke factor te zijn
    Weefselkweekvermeerdering van diverse bolgewassen. Hippeastrum, Nerine, Hyacint en Zantedeschia
    Leeuwen, P.J. van; Dijkema, M.H.G.E. ; Bouman, H. ; Paffen, A.M.G. - \ 2006
    Lisse : PPO Bloembollen - 79
    weefselkweek - hippeastrum - nerine - hyacinthus - zantedeschia - bloembollen - landbouwkundig onderzoek - nederland - tissue culture - hippeastrum - nerine - hyacinthus - zantedeschia - ornamental bulbs - agricultural research - netherlands
    Bij de in vitro vermeerdering van Hippeastrum leveren drie stappen problemen op. Ten eerste is er veel uitval van explantaten na inzetten vanwege inwendige besmettingen. Ten tweede verloopt de vermeerdering in weefselkweek traag. Ten derde is de uitgroei van de bolletje na het uitplanten slecht. Bij de in vitro vermeerdering van Nerine leveren drie stappen problemen op. Ten eerste is er veel uitval van explantaten na inzetten vanwege inwendige besmettingen. Ten tweede verloopt de vermeerdering in weefselkweek traag. Ten derde is de uitgroei van de bolletje na het uitplanten slecht. Bij de weefselkweekvermeerdering van hyacint vormt de bolvorming aan het einde van de vermeerdering een probleem evenals het overlevingspercentage van de bolletjes na uitplanten. Het onderzoek was gericht op de snelle productie van veel grote scheuten in weefselkweek omdat grote scheuten grote bolletjes geven. Grote bolletjes zijn noodzakelijk om de overgang naar de in vivo teelt te overleven. Zantedeschia is een gewas in opkomst. De verkoop als snijbloem of potplant is de afgelopen jaren zeer sterk toegenomen. Daardoor nam ook de vraag naar knollen toe. Een mogelijkheid om snel aan grote aantallen van bestaande én nieuwe cultivars te komen is vermeerdering via weefselkweek. Deze methode van vermeerdering is inmiddels niet meer weg te denken voor Zantedeschia. De laatste jaren zijn echter in de praktijk steeds meer problemen geconstateerd die worden toegeschreven aan de vermeerdering via weefselkweek.
    Jaarverslag 2005 monitoring en beheer van de kwelderwerken in Friesland en Groningen (november 2005 - juli 2006)
    Dijkema, K.S. ; Nicolai, A. ; Frankes, J. ; Jongerius, H. - \ 2006
    Texel : IMARES (Rapport / IMARES ) - 34
    natuurbescherming - kustgebieden - kweldergronden - wadden - natuurtechniek - noord-nederland - nature conservation - coastal areas - salt marsh soils - tidal flats - ecological engineering - north netherlands
    Het beheer van de kwelderwerken is de afgelopen 15 jaar drastisch aangepast aan de natuurdoelstelling. Het veranderingsproces heeft geleid tot een natuurlijker kwelderbeheer. Het grondwerk aan afwateringen (vnl. greppels) is geleidelijk gestopt. In de periode 1989-1998 is het dammensysteem vrijwel compleet aangepast en gerenoveerd. Dankzij de betere lay-out en werking kon de lengte van het dammenbestand afnemen van 220 km naar 138 km in 2005. Daardoor is tevens het ruimtebeslag van de bezinkvelden op het wad met ca. 2.000 ha verminderd
    Energiebesparing bij de broeierij van bolbloemen door temperatuurintegratie
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2006
    Lisse : PPO Bloembollen (PPO rapport 330844) - 22
    teelt onder bescherming - bloembollen - temperatuur - integratie - forceren van planten - energiebesparing - klimaatregeling - protected cultivation - ornamental bulbs - temperature - integration - forcing - energy saving - air conditioning
    Planten beschikken over een zekere tolerantie ten aanzien van schommelingen rond een gemiddelde etmaaltemperatuur. Van deze eigenschap wordt gebruik gemaakt om energie te besparen door middel van temperatuurintegratie (TI). Hie rbij wordt een stijging in temperatuur op zonnige dagen getolereerd en wordt deze stijging ’s nachts gecompenseerd met een even grote temperatuurdaling. De lagere temperatuur in de nacht bespaart veel energie voor verwarming. In het hieronder beschreven onderzoek zijn de mogelijkheden van TI in de broeierij van tulp, hyacint en narcis onderzocht door het vaststellen van de tolerantie van de gewassen voor verhogingen van de dagtemperatuur en verlagingen van de nachttemperatuur.
    Praktijk introductie FreshStart TM: Demonstratie en kennisoverdracht ten behoeve van Energiebesparing 2004 en 2005
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2006
    Lisse : PPO Bloembollen (PPO rapport ) - 28 p.
    Energiebesparing bij de bewaring van plantgoed van tulp door temperatuurintegratie
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2006
    Lisse : PPO Bloembollen (PPO rapport 330843) - 13
    tulpen - opslag - opslag met klimaatbeheersing - temperatuur - regulatie - milieubeheersing - tolerantie van variëteiten - energiebesparing - bloembollen - tulips - storage - controlled atmosphere stores - temperature - regulation - environmental control - varietal tolerance - energy saving - ornamental bulbs
    Onderzoek naar de mogelijkheden van TI (temperatuurintegratie) bij de bewaring van tulpenplantgoed door het vaststellen van de tolerantie van enkele cultivars voor verhogingen van de dagtemperatuur en verlagingen van de nachttemperatuur
    Natuurwaarden in de kombergingsgebieden Pinkegat en Zoutkamperlaag en mogelijke effecten van bodemdalng door gaswinnig
    Meesters, H.W.G. ; Dijkema, K.S. ; Duin, W.E. van; Smit, C.J. ; Dankers, N.M.J.A. ; Reijnders, P.J.H. ; Kats, R.K.H. ; Jong, M.L. de - \ 2006
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1310) - 191
    aardgas - extractie - bodem - milieueffectrapportage - natuurbescherming - planten - dieren - nederland - waddenzee - habitatrichtlijn - groningen - natural gas - extraction - soil - environmental impact reporting - nature conservation - plants - animals - netherlands - wadden sea - habitats directive - groningen
    In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de biologische variabelen in gebieden waar door de gaswinning van de velden Nes, Moddergat, Lauwersoog-C, Lauwersoog-West, Lauwersoog-Oost en Vierhuizen bodemdaling verwacht wordt. De focus is vooral op de buitendijkse vastelandkwelders en de kombergingsgebieden het Pinkegat en de Zoutkamperlaag. Alterra is verzocht een voorspelling te doen ten aanzien van de effecten van de voorziene gaswinning op de plant- en diersoorten in het gebied, waarbij bijzondere aandacht wordt gegeven aan de beschermde dieren en planten als gevolg van de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Van habitat-, vegetatietypen en plant/diersoorten met een beschermde status die in de betroffen gebieden voorkomen wordt de huidige staat en de historische ontwikkeling beschreven alsmede relaties met de abiotiek. Aan de hand van de voorspelde bodemdaling worden de verwachte gevolgen voor de relevante habitats en soorten beschreven en worden aanbevelingen voor monitoring gedaan. De algemene conclusie is dat op basis van de voorspelde bodemdaling (vertaald in bodemhoogte, plaatoppervlak en bodemsamenstelling) er geen significante effecten op aanwezige plant- en diersoorten te verwachten zijn.
    Kwelderonderzoek rond de waddenzee
    Dijkema, Kees - \ 2005
    salt marsh soils - erosion - land forming - research - wadden sea
    Salt marshes in the water Framework Directive
    Dijkema, K.S. ; Jong, D.J. de; Vreeken-Buijs, M.J. ; Duin, W.E. van - \ 2005
    Texel : Alterra / Rijkswaterstaat (Rapport RIKZ 2005.020) - 67
    wetlands - zout water - mariene ecologie - kwaliteitsnormen - wetlands - saline water - marine ecology - quality standards
    The Water Framework Directive requires the description of reference conditions and good ecological statuses of several ecological parameters and multimetrics for assessment. One of these parameters is 'salt marshes'. Due to many changes (embankments in particular) within the water bodies no directly applicable reference conditions can be developed for them
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.