Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 20 / 281

    • help
    • print

      Print search results

    • export
      A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
    Check title to add to marked list
    Water distribution in an arid zone soil : Numerical analysis of data from a large weighing lysimeter
    Dijkema, J. ; Koonce, J.E. ; Shillito, R.M. ; Ghezzehei, T.A. ; Berli, M. ; Ploeg, M.J. Van Der; Genuchten, M.T. Van - \ 2018
    Vadose Zone Journal 17 (2018)1. - ISSN 1539-1663
    Although desert soils cover approximately one third of the Earth’s land surface, surprisingly little is known about their physical properties and how those properties affect the ecology and hydrology of arid environments. The main goal of this study was to advance our understanding of desert soil hydrodynamics. For this purpose, we developed a process-based component within HYDRUS-1D to describe the moisture dynamics of an arid zone soil as a function of water fluxes through the soil surface. A modified van Genuchten model for the dry end of the soil water retention curve was developed to better capture the basic flow processes for very dry conditions. A scaling method was further used to account for variabilities in water retention because of changes in the bulk density vs. depth. The model was calibrated and validated using hourly soil moisture, temperature, and mass data from a 3-m-deep weighing lysimeter of the Scaling Environmental Processes in Heterogeneous Arid Soils facility at the Desert Research Institute (Las Vegas, NV). Measurements and simulations during a 1-yr period agreed better under precipitation (wetting) than under evaporation (drying) conditions. Evaporation was better simulated for wet than for dry soil surface conditions. This was probably caused by vapor-phase exchange processes with the atmosphere, which were unaccounted for and need to be further explored. Overall, the model provides a promising first step toward developing a more realistic numerical tool to quantify the moisture dynamics of arid ecosystems and their role in climate change, plant growth, erosion, and recharge patterns.
    4. Ontwikkeling kwelder Ameland-Oost : Evaluatie bodemdalingsonderzoek 1986-2016
    Elschot, Kelly ; Groot, Alma de; Dijkema, Kees ; Sonneveld, Cor ; Wal, Jan Tjalling van der; Vries, Pepijn de; Brinkman, A.G. ; Duin, Willem van; Molenaar, W. ; Krol, J. ; Kuiters, A.T. ; Vries, Daisy de; Wegman, R.M.A. ; Slim, P.A. ; Koppenaal, E.C. ; Vlas, J. de - \ 2017
    In: Monitoring effecten van bodemdaling op Oost-Ameland / de Vlas, J., - p. 185 - 328.
    Adaptation of thermal power plants : The (ir)relevance of climate (change) information
    Bogmans, Christian W.J. ; Dijkema, Gerard P.J. ; Vliet, Michelle T.H. van - \ 2017
    Energy Economics 62 (2017). - ISSN 0140-9883 - 18 p.
    Adaptation - Climate change - Real options - Thermal power plants

    When does climate change information lead to adaptation? We analyze thermal power plant adaptation by means of investing in water-saving (cooling) technology to prevent a decrease in plant efficiency and load reduction. A comprehensive power plant investment model, forced with downscaled climate and hydrological projections, is then numerically solved to analyze the adaptation decisions of a selection of real power plants. We find that operators that base their decisions on current climatic conditions are likely to make identical choices and perform just as well as operators that are fully ‘informed’ about climate change. Where electricity supply is mainly generated by thermal power plants, heat waves, droughts and low river flow may impact electricity supply for decades to come.

    CO2-schadedrempel voor lelieplantgoed : Ademhaling, warmteproductie en CO2-schade
    Wildschut, J. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Slootweg, G. - \ 2016
    Wageningen University and Research Centre, Wageningen
    Moderate livestock grazing of salt, and brackish marshes benefits breeding birds along the mainland coast of the Wadden Sea
    Mandema, F.S. ; Tinbergen, J.M. ; Ens, B.J. ; Koffijberg, K. ; Dijkema, K.S. ; Bakker, J.P. - \ 2015
    The Wilson Journal of Ornithology 127 (2015)3. - ISSN 1559-4491 - p. 467 - 476.
    Our study investigated how bird species richness and abundance was related to livestock grazing on salt, and brackish marshes, with an emphasis on songbirds, and shorebirds. Survey areas with a high percentage cover of tall vegetation were assumed to have experienced lower livestock grazing intensities than survey areas with a low percentage cover of tall vegetation. This relationship was verified for the tall grass Elytrigia atherica. The species richness, and abundance of birds was related to the percentage cover of tall vegetation on the survey areas. We found that total bird species richness was positively related to the percentage cover of tall vegetation. We also found that all of the investigated species, except Pied Avocet (Recurvirostra avosetta), showed a positive relation to the percentage cover of tall vegetation up to a specific percentage of cover. The abundance of investigated songbird species increased up to an intermediate percentage cover of tall vegetation, and decreased at higher percentage cover of tall vegetation, suggesting that moderate grazing of marshes may maximize the abundance of the investigated songbirds. Abundances of Common Redshank (Tringa totanus) and Eurasian Oystercatcher (Haematopus ostralegus) were positively related to the percentage cover of tall vegetation on salt marshes, but negatively related to the percentage cover of tall vegetation on brackish marshes. With intermediate livestock grazing species number, and abundance of most breeding birds can be maintained in coastal marshes. However, specific goals for management should be set before applying a grazing regime to a marsh.
    Uitdrogingssnelheid en het effect van kleine temperatuursverschillen tijdens de bewaring
    Wildschut, J. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2015
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 21 p.
    Om te laten zien wat in een bewaarcel gebeurt, is door PPO Bloembollen in 2013 een rekenmodel omtwikkeld. Hiermee kan op basis van omstandigheden (het percentage zure bollen, de ademhaling, de uitdrogingssnelheid, en de temperatuur en RV van de buitenlucht) en van instellingen (de ventilatie- en de circulatiehoeveelheid, de spreiding hierin en de gewenste bewaartemperatuur) het klimaat in de bewaarcel op verschillende niveaus worden berekend: gemiddeld in de cellucht, gemiddeld tussden de bollen en gemiddeld in de meest en in de minst beluchte kubbskist. Dit bewaarklimaat wordt gekarakteriseerd door het ethyleengehalte, het CO2-gehalte, de RV en de temperatuur. Het model rekent ook de bijbehorende energiekosten uit. Met dit BewaarModel kan de teler nagaan hoe onder uiteenlopende omstandigheden het optimale bewaarklimaat tegen de laagste energiekosten te realiseren is. Doelstelling van dit project is om voor een aantal belangrijke bolgewassen (lelie, tulp, hyacint) gedetailleerdere kennis te genereren met betrekking tot de uitdroging en tot het maximaal toelaatbare temperatuurverschil tussen de bollen in de minst en die in de meest beluchte kuubskist. Ter bepaling van de uitdrogingssnelheid zijn op 4 praktijkbedrijven en in klimaatkasten bij PPO in Lisse 8 verschillende tulpencultivars ruim 3 maanden bewaard en om de 2-3 weken gewogen. Op van 9 cultivers van hyacint zijn op 3 bedrijven monsters genomen en in klimaatkasten bewaard. Het gewichtsverlies bij de bewaring van tulpenbollen (na de nadroogfase) bleek constant en kan oplopen tot 9,5 liter/week per m3 bollen. Bij hyacintenbollen was het gewichtsverlies tijdens de bewaring ook constant, en kan oplopen tot 5,3 liter/week. Ter bepaling van het maximaal toelaatbare temperatuurverschil zijn 4 tulpencultivars en 2 leliecultivars vanaf week 1 in januari respectievelijk 40 dagen en 82 dagen in klimaatkasten bewaard bij ingestelde geoogst waarna plantgewicht, plantlengte en gemiddelde oogstdatum zijn bepaald. De leliebollen zijn beoordeeld op aantal uitgelopen spruiten. De temperatuurbehandelingen van de tulpenbollen in de klimaatkasten leidden bij de oogst niet tot verschillen in plantgewicht, plantlengte en oogstdatum. Voor de leliecultivar Nova Zembla kon geen betrouwbare toe- of afname van het percentage uitgelopen spruiten per graad temperatuursverschil in de range van 0,6 tot 3,5°C worden afgeleid. Bij Original Love komt uit deze proef dat het percentage uitlopers per graad temperatuursverschil in die range tussen 0,4% en 3,5% ligt (gemiddeld 2%). Bij een temperatuursverschil van 0,1°C tussen de minst en de meest beluchte kist is her verschil in percentage uitlopers dan slecht 0,2%. Uit het doorrekenen van de consequenties van bovenstaande bevindingen met het BewaarModel volgt dat bij een hogere verdamping iets meer geventileerd moet worden om een te hoge RV tussen de bollen te voorkomen. Loopt daarnaast de buitentemperatuur op, dan is het laten oplopen van de celtemperatuur een ernegetisch duurdere oplossing dan het laten oplopen van de RV, maar beter voor de bolkwaliteit. Wanneer de verdamping hoger is loopt het maximale temperatuursverschil tussen de minst en de meest beluchte kist echter minder op. Er kan daardoor in voorkomende gevallen zonder verlies van productkwaliteit meer worden terggetoerd en zo meer energie worden bespaard. Bij de heetstook van hyacint is het verbeteren van de luchtverdeling over de kisten de beste optie. Door bij zowel de warme als bij de koude bewaring een hoger maximaal temperatuursverschil tussen de minst en de meest beluchte kist toe te staan kan met minder toeren worden gecirculeerd en kan meer energie worden bespaard. Gezien het bovenstaande is het aanbevolen om bij het doorrekenen van bewaarscenario's met het BewaarModel van de hogere verdamping uit te gaan. Hierdoor worden realistischer resultaten berekend. De bewaarproeven naar de effecten van de kleine temperatuursverschillen bij de bewaring zouden herhaald moeten worden. Als ook bij herhaling geen of nauwelijks effecten kleine temperatuursverschillen worden gevonden kan met grotere zekerheid en vertrouwen in behoud van productkwaliteit de circulatie teruggetoerd worden en zo meer op energie(kosten) worden bespaard.
    Bacterieziekten in de bloemisterij
    Slootweg, G. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Wolf, J.M. van der; Meekes, E. ; Westerhof, J. - \ 2015
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant en Omgeving BBF - 59
    sierteelt - plantenziekteverwekkende bacteriën - microbiële besmetting - vermeerderingsmateriaal - bedrijfshygiëne - maatregelen - bestrijdingsmethoden - elicitoren - bacterieziekten - ornamental horticulture - plant pathogenic bacteria - microbial contamination - propagation materials - industrial hygiene - measures - control methods - elicitors - bacterial diseases
    In de bloemisterij kunnen een flink aantal bacterieziekten voorkomen, veroorzaakt door verschillende bacteriën. Ziekteverwekkende bacteriën kunnen een grote variatie aan symptomen laten zien, waaronder natrot, kankers, bladvlekken en dwerggroei. Uit bronnenonderzoek blijkt dat in de kasteelt van paprika bacteriën (Pectobacterium carotovorum subsp. carotovorum) in al het water op de kwekerij aanwezig kunnen zijn en ook goed kunnen overleven in grond en op oppervlakten. Daarnaast is deze bacterie aangetoond op fruitvliegjes in het gewas. In de buitenteelt van Prunus zijn ziekteverwekkende bacteriën (Xanthomonas arboricola pv. pruni en Pseudomonas syringae pv. morsprunorum) aangetoond op onkruidspuitkappen, laarzen, snoeischaren, het doek van het containerveld en buiten- én binnenzijde van beregeningsystemen. Ook op vliegen op vangplaten tussen besmette Prunusplanten zijn deze bacteriën gevonden. Visuele diagnostiek van bacterieziekten is erg lastig. De symptomen lijken erg op elkaar en kunnen snel worden verward met bladvlekkenziekten veroorzaakt door schimmels. In de meeste gevallen wordt de bacterie uit het aangetaste weefsel geïsoleerd. Voor het op naam brengen wordt altijd een serologische (ELISA) of PCR (DNA-)techniek gebruikt. Het is daarvoor echter wel noodzakelijk dat men beschikt over een positieve controle van de op naam te brengen soort. Als men niet weet om welke soort het zou kunnen gaan wordt DNA-sequencing toegepast, om de bacterie op naam te brengen. Bovengenoemde technieken worden zowel bij Naktuinbouw als bij Wageningen UR toegepast. In Sedum is onderzocht of latente besmettingen met Erwinia betrouwbaar zijn aan te tonen. Hiervoor is, onder andere, gebruikt gemaakt van een door PRI ontwikkelde methode waarmee het plantmateriaal onder vacuüm wordt gebracht. Erwinia’s vermeerderen wel goed uit bij een lage zuurstofconcentratie terwijl veel andere bacteriën dan afsterven. Uit dit onderzoek blijkt dat er bij de vacuümmethode niet meer infecties aangetoond worden dan bij (‘klassieke’) verrijking van plantenextracten in een groeimedium. Bij Sedum en Phlox is het effect van een warmwaterbehandeling om plantmateriaal vrij te maken van bacteriebesmetting onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd met stekken van Sedum, waarvan onbekend was of de stekken besmet waren met Dickeya dianthicola en/of Pectobacterium spp. En planten van Phlox, die besmet waren met woekerziek. Na twee dagen voorwarmte zijn twee warmwaterbehandelingen uitgevoerd (30 minuten bij 47°C en 15 min. Bij 50°C. De sedumplanten in de proef waren niet of nauwelijks besmet met Dickeya dianthicola en Pectobacterium spp. waardoor er geen conclusies getrokken kunnen worden over de effectiviteit van de geteste warmwaterbehandelingen. De warmwaterbehandelingen veroorzaakten aan het begin van de groei lichte schade (bladschade, groeivertraging). Al snel waren deze effecten in het gewas niet meer zichtbaar. Bij Phlox bleken beide warmwaterbehandelingen niet effectief tegen woekerziek en gaven veel schade (uitval en afname aantal stelen per plant). Er zijn verschillende stoffen bekend die het afweermechanisme van de plant stimuleren waardoor de plant weerbaarder wordt tegen ziekten en plagen (elicitors). Elicitors zijn met name voor beheersing van bacterieziekten interessant, omdat antibiotica (bacteriedodende middelen) geen toelating kennen voor gewassen. Deze geïnduceerde weerstand is niet specifiek en kan een effect hebben op zowel schimmels, bacteriën en virussen. Elicitors hebben geen direct effect op de bacterie, waardoor geen resistentie kan ontstaan. Het tijdstip van toediening is echter vaak kritischer dan bij toepassing van gangbare (chemische) gewasbeschermingsmiddelen, en bescherming wordt vaak pas enige tijd na toediening verkregen. Voor de beheersing van bacterieziekten op de bedrijven is een lijst met hygiënemaatregelen opgesteld. Deze maatregelen zijn ook kort samengevat in 10 geboden.
    Aanpak van Burkholderia gladioli in gladiool
    Dam, M.F.N. van; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2014
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Sector Bomen, Bollen & Fruit - 29
    bloembollen - gladiolus - burkholderia - bacterieziekten - bestrijdingsmethoden - ziekteoverdracht - besmetting - tests - verdedigingsmechanismen - ziekteresistentie - ornamental bulbs - gladiolus - burkholderia - bacterial diseases - control methods - disease transmission - contamination - tests - defence mechanisms - disease resistance
    Wateroverlast in een Teelt de grond uit-systeem kan grote schade geven aan lelies. Drie dagen wateroverlast in augustus leidde in dit onderzoek tot grote opbrengstderving. Eén dag wateroverlast in september of in oktober veroorzaakte nauwelijks uitval of een lager bolgewicht bij de oogst. Wateroverlast leidt tot ethanolvorming in de bollen. De ethanolvorming vertoonde dit jaar geen mooi verband met de tijd: drie dagen wateroverlast gaf meer ethanol dan één of twee dagen, maar twee dagen niet meer dan één. In 2013 vertoonde de concentratie ethanol een rechtlijnig verband met de duur van de wateroverlast. De voorspellende waarde van een ethanolmeting blijkt na de experimenten in 2014 minder zeker. Het beluchten van het natte substraat door het doorblazen van perslucht leidde bij de behandeling in augustus tot minder ethanolvorming, maar juist tot meer opbrengstderving. Het systeem van beluchting via een slang onderin het substraat had een iets gunstiger effect op de ethanolvorming dan beluchting via slangetjes, die in het substraat gestoken waren. De grotere opbrengstderving door beluchting tijdens de periode van wateroverlast is mogelijk een gevolg van mechanische beschadiging van de (haar)wortels door de beweging, of van structuurbederf die optreedt als het doorborrelde substraat weer droogvalt. Dit onderzoek bevestigt de conclusie uit 2013 dat lelies bestand zijn tegen maximaal 1 dag wateroverlast (anaerobie). Een periode van anaerobie leidt tot ethanolvorming in de bollen, maar de correlatie tussen duur van de anaerobie is te zwak om het ethanolgehalte als indicator toe te passen. Het beluchten van grond tijdens periodes van wateroverlast is geen oplossing voor het anaerobieprobleem.
    Opslibbing en vegetatie kwelder Ameland-Oost; Jaarrapportage 2013
    Groot, A.V. de; Duin, W.E. van - \ 2014
    Den Burg : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C082/14) - 31
    vegetatiemonitoring - bodemdaling - kweldergronden - aardgas - nederlandse waddeneilanden - friesland - vegetation monitoring - subsidence - salt marsh soils - natural gas - dutch wadden islands - friesland
    Dit onderzoek is onderdeel van de lopende monitoring van de effecten van de bodemdaling door gaswinning. De observaties over 2013 passen binnen de tot nu toe geobserveerde trends in maaiveldhoogte en vegetatieontwikkeling als gevolg van de bodemdaling op Ameland (Dijkema et al., 2011) en de natuurlijke variatie in opslibbing en vegetatieontwikkeling. De vegetatieontwikkeling heeft op een aantal meetpunten een regressie naar een lagere vegetatiezone of veranderingen binnen een zone laten zien. Dit werd vaak veroorzaakt door een afname van gewone zoutmelde en het innemen van de open plekken door andere soorten, zoals bv. klein schorrenkruid.
    Ventilatie sturen op CO2 kost alleen maar extra energie
    Wildschut, J. ; Lans, A.M. van der; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2014
    BloembollenVisie 2014 (2014)298. - ISSN 1571-5558 - p. 26 - 26.
    bloembollen - opslag - kooldioxide - ventilatie - schadepreventie - landbouwkundig onderzoek - ornamental bulbs - storage - carbon dioxide - ventilation - loss prevention - agricultural research
    Bij de bewaring van bloembollen leeft de vraag sterk hoe hoog de schadedrempel voor de CO2 is. Op veel bedrijven wordt de ventilatie gestuurd op basis van het gemeten CO2-gehalte. In veel gevallen niet nodig, zo bleek uit onderzoek van PPO onder een flink aantal voorjaarsbloeiers.
    Teelt de grond uit zomerbloemen : teelt in kisten 2012-2013
    Slootweg, G. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2014
    Lisse : PPO sector Bloembollen, Boomkwekerij en Fruit - 19
    zomerbloemen - teeltsystemen - proeven - substraten - tests - emissie - reductie - economische haalbaarheid - summer flowers - cropping systems - trials - substrates - tests - emission - reduction - economic viability
    In 2012 en 2013 is de mogelijkheid van teeltsturing, bij het telen van zomerbloemen in kisten onderzocht. Hiervoor is een teelt opgezet worden met vijf gewassen (Aconitum, Astrantia, Delphinium, Monarda en Phlox), deze gewassen zijn in 2012 in bakken buiten geteeld. Het fertigatiesysteem is aangepast om een uniforme groei te krijgen. De productie in het eerste jaar is bijgehouden. In het najaar van 2012 zijn de bakken overgebracht naar koelcellen. In 2013 zijn de bakken op verschillende tijdstippen uit de cel gehaald en overgebracht naar kas en veld, waar de kwaliteit en productie is bepaald. Daarnaast zijn vijf overblijvende gewassen uit de teelt van 2011 in de koelcel overgehouden en in 2012 als pilot in de kas en buiten verder geteeld. De planten stonden in kisten van 1x1m, 20cm diep, gevuld met grof rivierzand. Onderin de kisten lag een drainagelaag, met daarop anti-worteldoek. Er zijn 2 substraatvolumes per plant aangelegd, waarbij de kist geheel gevuld was met substraat of met de halve volume substraat, waardoor het beschikbare substraatvolume per plant halveerde. De methode van watergift (fertigatie) is aangepast door 4 slangen per bak te installeren, waarbij een slang langs elke rij planten lag. De teelt van zomerbloemen in kisten met substraat bleek goed mogelijk. Grof zand als substraat voldeed goed. Het aangepaste ertigatiesysteem bleek te voldoen; er traden geen randeffecten (meer) op. Voor een optimale oogst verdient het aanbeveling de bemesting (gewasafhankelijk) te optimaliseren. Bloeispreiding door vroeg inhalen in de kas en laat inhalen naar buiten bleek bij de meeste gewassen goed mogelijk. Slechts Monarda gaf minder opkomst na lang invriezen. Wellicht geeft aanpassing van het invriesprotocol betere groei. Het halveren van het substraatvolume per plant bleek bij de meeste gewassen de productie en/of kwaliteit negatief te beinvloeden. Dit betekent dat de keuze van de container en het aantal planten per container goed gekozen moet worden. Dit kan het beste in een test worden bepaald.
    Vegetatie en opslibbing in de Peazemerlannen en het referentiegebied west - Groningen : Evaluatie 2007 - 2012
    Duin, W.E. van; Dijkema, K.S. ; Leeuwen, P.W. van; Sonneveld, C. - \ 2013
    Den Burg : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C082/13) - 59
    kweldergronden - bodemdaling - vegetatiebeheer - polders - plantengemeenschappen - groningen - salt marsh soils - subsidence - vegetation management - polders - plant communities - groningen
    Deze rapportage beschrijft de monitoring in het kader van de bodemdaling onder de kwelder de Peazemerlannen. Er wordt een overzicht gegeven van de activiteiten en meetresultaten in de kwelder en zomerpolder van de Peazemerlannen en het referentiegebied in de kwelderwerken in West-Groningen van de jaren 2007 t/m 2012. De meeste gegevens worden weergegeven vanaf 2007, het startjaar van de gaswinning. Oudere data worden, waar nuttig, ook weergegeven of er wordt verwezen naar eerdere rapporten.
    Screening herbiciden voor toepassing na opkomst in bloembolgewassen
    Bulle, A.A.E. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2013
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Bloembollen, Boomkwekerij en Fruit - 79
    bloembollen - onkruidbestrijding - herbiciden - fytotoxiciteit - toelating van bestrijdingsmiddelen - tests - ornamental bulbs - weed control - herbicides - phytotoxicity - authorisation of pesticides - tests
    Voor de onkruidbestrijding in de teelt van bloembollen worden na opkomst contactherbiciden toegepast. Het aantal herbiciden dat hiervoor beschikbaar is, is zeer beperkt. In dit onderzoeksproject zijn negen herbiciden onderzocht voor toepassing na opkomst. De proeven zijn gedurende twee jaar uitgevoerd in lelie, gladiool, tulp, narcis en hyacint. De keuze voor de te testen middelen is gemaakt in overleg met fabrikanten en de KAVB. Veel van de geteste herbiciden hebben al een toelating in de land- en/of tuinbouwsector. Doel van het project is het testen van de fytotoxiciteit (gewasveiligheid) van herbiciden in verschillende bloembolgewassen toegepast na opkomst, met als doel een toelating te krijgen voor de perspectiefvolle middelen. De proeven zijn uitgevoerd in de periode 2010 – 2012. Zes middelen zijn in de proeven waarin ze waren opgenomen veilig gebleken (middelen A, B, C, E, F en H). Een aantal middelen heeft in één of enkele proeven schade of opbrengstderving gegeven. Eén middel (middel G) bleek niet veilig en gaf in de meeste proeven flinke schade. In de combinaties van middelen is soms wat opbrengstderving gezien. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de middelen-(combinaties) in de verschillende gewassen en of deze middelen gewasschade hebben gegeven. Vijf van de onderzochte middelen zijn perspectiefvol voor de praktijk. Voor drie hiervan is inmiddels ook de fabrikant met onderzoek bezig om tot toelating in de bloembollen te komen. Voor de twee andere middelen zal ook bekeken worden of toelating mogelijk is. Middel H bleek bij nader inzien kieming tegen te gaan en geen dodende werking op aanwezig onkruid te hebben. Bekeken zal moeten worden of dit middel perspectief heeft voor toepassing in bloembollen.
    Ventilatie, Ademhaling en CO²-schadedrempels
    Wildschut, J. ; Dijkema, M.H.G.E. ; Lans, A.M. van der - \ 2013
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 11
    bloembollen - opslag met klimaatbeheersing - temperatuur - kooldioxide - klimaatregeling - schade - ventilatie - landbouwkundig onderzoek - ornamental bulbs - controlled atmosphere stores - temperature - carbon dioxide - air conditioning - damage - ventilation - agricultural research
    Bij de bewaring van bloembollen leeft de vraag sterk hoe hoog de schadedrempel voor CO2 is. PPO onderzocht dit voor voorjaarsbloeiers tulp, narcis (tête-à-tête), hyacint, krokus, iris, muscari, allium, scilla, iris reticulata en chionodoxa. Hiervan werden bollen 2 maanden bewaard bij 385 ppm CO2 (buitenlucht), 5000, 15.000 en 30.000 ppm CO2. Daarna zijn deze gebroeid en/of op het proefveld geplant en bij oogst beoordeeld, geteld en gewogen. Voor narcis, krokus, irissen, scilla en chionodoxa bleek de CO2-schadedrempel = 30.000 ppm. Voor tulp, muscari en allium tussen 15.000 en 30.000 ppm, en voor plantgoed hyacint en iris tussen 5.000 en 15.000 ppm. Zelfs bij extreem lage ventilatie/circulatie (resp. 6m3 en 100 m3/uur per kuub) wordt de schadedrempel niet overschreden. Sturen van ventilatie/circulatie op CO2 kost alleen maar extra energie. Gebruik CO2-meting als indicator van stress, warmteproductie of het functioneren van klep of ventilator.
    Dromen van ideale 'meetkit'; interview met Leendert Molendijk
    Dijkema, W. - \ 2013
    Nieuwe oogst / Magazine gewas 5-10-2013 (2013). - ISSN 1871-093X - p. 10 - 11.
    Netwerk MA-verpakkingen bloembollen en vaste planten
    Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2013
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 59
    overblijvende planten - bloembollen - verpakkingsmaterialen - gemodificeerde atmosfeer opslag - substraten - uitlopen - houdbaarheid (kwaliteit) - folie - landbouwkundig onderzoek - export - perennials - ornamental bulbs - packaging materials - modified atmosphere storage - substrates - sprouting - keeping quality - foil - agricultural research - exports
    In een netwerk van 10 exportbedrijven is gedurende twee jaar verpakkingsonderzoek uitgevoerd, met als doel om het gebruik van een dichtere folie in combinatie met een droger vulmiddel voor de consumentenverpakking van vaste planten en leliebollen breder in de praktijk te stimuleren. Genoemd verpakkingsconcept bleek in eerder onderzoek van PPO het uitstalleven van vaste planten en bollen aanzienlijk te verlengen. Tevens is een aantal nieuwe substraten getest op hun toepasbaarheid als vulmiddel in consumentenverpakking van vaste planten en leliebollen. Gedurende de loop van het project is het netwerk regelmatig bijeengekomen voor overleg over de opzet en de resultaten van de verpakkingsproeven en over de implementatie van de nieuwe verpakkingsconcepten op het bedrijf. In het eerste onderzoeksjaar, waarin op tien exportbedrijven vaste planten en leliebollen zijn verpakt, werd nog eens bevestigd dat in een dichtere folie met droger turfmolm de kwaliteit van planten langer behouden blijft. Na dit jaar is een groot deel van de exportbedrijven die nog gebruik maakte van consumentenverpakkingen van microperforatie met vochtig turfmolm, overgestapt op dit nieuwe verpakkingsconcept. Het onderzoek in het tweede jaar heeft geresulteerd in mogelijke alternatieven voor turfmolm als vulmiddel voor vaste planten en bollen in consumentenverpakkingen; in bark en houtvezel, beide gemengd met rijstkaf, bleef de productkwaltiteit beter behouden dan in turfmolm. De exportbedrijven waren zeer positief over de productkwaliteit in deze substraatmengsels.
    Friese en Groninger kwelderwerken : monitoring en beheer 1960-2010
    Dijkema, K.S. ; Duin, W.E. van; Dijkman, E.M. ; Nicolai, A. ; Jongerius, H. ; Keegstra, H. ; Jongsma, J.J. - \ 2013
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-rapport 122) - 124
    kweldergronden - vegetatietypen - kustgebieden - natuurbeheer - polders - begrazing - groningen - friesland - salt marsh soils - vegetation types - coastal areas - nature management - polders - grazing - groningen - friesland
    Zowel in nationaal als in trilateraal verband geldt als één van de ecologische doelen voor de Waddenzee een zo groot en natuurlijk mogelijk areaal aan kwelders. Actief ingrijpen om bestaande kwelders in stand te houden dient op een zo natuurlijk mogelijke wijze plaats te vinden. In de kwelderwerken en zomerpolders langs Friese en Groninger vastelandskust is een omslag in beheer ingezet richting duurzamer en minder kunstmatig. Langetermijnmonitoring van onder meer de hoogte- en vegetatieontwikkeling begeleidt deze verandering en dient ook om te zien of de meer natuurlijke wijze van beheer zich verdraagt met de effecten van zeespiegelstijging. De resultaten worden jaarlijks op gepubliceerd en zijn verder onder andere ook input voor de vijfjaarlijkse Quality Status Reports in het kader van de trilaterale samenwerking tussen de Wadddenzee-landen. De Waddenzee is het belangrijkste gebied voor éénjarige pioniervegetaties van Zeekraal. Deze pionierzone is de overgang van wadplaten naar kwelder en beschermt de hoger gelegen kwelderzones. Door opslibbing worden kwelders hoger, waarbij de vegetatie door successie verandert. De vegetatie ontwikkelt zich tijdens dat proces tot een eindstadium of climaxbegroeiing. De biodiversiteit neemt sterk af als een kwelder in zijn eindfase komt door veroudering met als eindstadium een soortenarme vegetatie van Zeekweek. Begreppeling versnelt de veroudering van de kwelderzone. Beweiding stelt de ontwikkeling van een climaxvegetatie uit. De ideale natuurlijke situatie zou cyclische successie zijn, daarbij zijn aangroei en afslag van kwelders in evenwicht. De kwaliteit van kwelders kan worden verbeterd door de variatie aan hoogtezones, geomorfologische vormen (groene stranden, slufters, zandige kwelders, kleiige kwelders) en beheervormen (beweide en onbeweide kwelders) te behouden of te herstellen
    Gezondheidsrace Laarbeek. Burgerparticipatie en wedstrijdelement in een community project ter bevordering van een gezonde leefstijl
    Wijenberg, E. ; Dijkema, P. ; Schwillens, R. ; Wagemakers, A. - \ 2013
    In: Nederlands Congres Volksgezondheid 2013 " Passie voor Gezondheid", 3-4 april 2013, Ede. - - p. 11 - 14.
    Gemeente Laarbeek heeft in de periode 2010-2012 samen met GGD Brabant-Zuidoost en andere lokale partners, twee keer het community project ‘Gezondheidsrace Laarbeek’ uitgevoerd. Het doel van de Gezondheidsrace was de inwoners van Laarbeek bewust te maken van en te stimuleren tot een gezonde leefstijl. Burgerparticipatie en een wedstrijdelement stonden hierin centraal, hetgeen de interventie uniek maakt. Met in totaal 102 georganiseerde activiteiten werden ruim 13.000 deelnemers uit diverse bevolkingsgroepen bereikt. De Gezondheidsrace heeft een positieve invloed gehad op inwoners, bijvoorbeeld dat zij door de gezondheidsrace meer sociale contacten hebben. Werkzame elementen behalve burgerparticipatie en het wedstrijdelement zijn het gebruik van sociale netwerken en tussentijdse feedback en waardering.
    Tuliposides and tulipalins in tulip Gum
    Lubbe, A. ; Verpoorte, R. ; Gude, H. ; Dijkema, M.H.G.E. - \ 2013
    In: Proceedings of the XIth International Symposium on Flowerbulbs and Herbaceous Perennials (ISHS), Antalya, Turkey, 28-04-2012. - - p. 333 - 338.
    Gummosis in tulip bulbs is one of the negative effects of ethylene gas that is produced during storage by Fusarium-infected bulbs on the healthy bulbs. Several aspects of the gummosis process, like the factors inducing it, the underlying carbohydrate metabolism and the composition of the gum have been described in detail in a review by Saniewski et al. (2007). The composition of tulip gum has mostly been studied in terms of large macromolecules. The gum polysaccharides have been analyzed to determine sugar composition and molecular mass. Up to now relatively little was known about the gum in terms of small (low molecular weight) metabolite content. Gummosis was induced in tulip bulbs of the cultivar ‘Apeldoorn’ by exposing the bulbs to air containing 30 ppm ethylene for 24, 48 or 72 h. Gum was collected after 3 to 4 days. A maximum amount of approximately 5 g per 100 g bulbs was obtained. Extracts of the gum were analyzed by 1H Nuclear Magnetic Resonance (1H NMR) and were found to contain tuliposides, in concentrations up to around 25% (DW). Tuliposides are glycosides consisting of glucose with one or more a-methylene-¿-butyrolactone side chains. The side chains, when separated from the glucose, form ring structures known as tulipalins. Six different tuliposides and two tulipalins have been reported in various parts of the tulip plant. However, this is the first time they are reported in the gum from tulip bulbs. Isolated tulipalins and tuliposides have previously been tested for various bioactivities, and have been reported to possess antibacterial, antifungal and insecticidal properties. The presence of these bioactive molecules in tulip gum may suggest a protective role for this physiological response
    Biosubstraat : Duurzaam substraat op basis van BioFoam
    Baltissen, A.H.M.C. ; Molenveld, K. ; Bosch, C. ; Blok, C. ; Reuler, H. van; Sluis, B.J. van der; Dijkema, M.H.G.E. ; Gude, H. - \ 2013
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. - 53
    substraten - schuimplastic - biopolymeren - tuinbouw - polymelkzuur - proeven - materialen uit biologische grondstoffen - biobased economy - substrates - plastic foam - biopolymers - horticulture - polylactic acid - trials - biobased materials - biobased economy
    Doelstelling van het project was het ontwikkelen van een hernieuwbare grondstof/substraat, welke voldoet aan de wensen en eisen van de kwekers en waar een kwalitatief goed product op geteeld kan worden met handhaving of verbetering van het rendement. Het belangrijkste eindproduct is een bio substraat op basis van gemodificeerde BioFoam. De volgende activiteiten hebben bijgedragen aan het realiseren van de doelstelling: • Het ontwikkelen en produceren van diverse varianten gemodificeerde BioFoam en het uitvoeren van een aantal fysische en chemische testen in het laboratorium. • Het bepalen van belangrijke eigenschappen van deze gemodificeerde BioFoam als substraat in combinatie en vergelijking tot andere grondstoffen in het laboratorium • Het uitvoeren van diverse teeltproeven met mengsels van BioFoam met andere grondstoffen • Het in beeld brengen van de voordelen met betrekking tot de ketenkosten. Er is maar een teeltjaar (alleen 2012) gebruikt om testen uit te voeren. Ketens moeten daarom nog deels opgezet worden. • Op basis van de (teelt)proeven zijn wel meer partijen bij het project betrokken geraakt en heeft de markt belangstelling getoond. Het belangrijkste eindproduct is een getest substraat op basis van gemodificeerde BioFoam.
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.