Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Records 1 - 20 / 233

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: q=Hadden
Check title to add to marked list
Steenmeel en natuurherstel: een gelukkige relatie of een risicovolle combinatie?
Diggelen, R. van; Bergsma, Huig ; Bijlsma, R.J. ; Bobbink, Roland ; Burg, A. Van den; Sevink, J. ; Siebel, H.N. ; Siepel, H. ; Vogels, J. ; Vries, W. de; Weijters, Maaike - \ 2019
Vakblad Natuur Bos Landschap (2019)155. - ISSN 1572-7610 - p. 20 - 23.
Sinds het midden van de vorige eeuw heeft de Nederlandsenatuur te lijden gehad van overmatige zuur- en stikstofdepositie. Maatregelen om de effecten hiervan te bestrijden, leidden niet altijd tot het gewenste resultaat en hadden soms dermate sterke neveneffecten dat ze eerder ongewenst waren. Sinds kort is steenmeel in beeld als middel dat mogelijk wel de positieve effecten maar niet de neveneffecten heeft. Kennis over de effecten vansteenmeel op gedegradeerde natuur en bos is echter nog lang geen gemeengoed. Op 18 februari 2019 organiseerden de VBNE en het OBN Deskundigen team Droog zandlandschap een discussiedag voor onderzoekers en andere direct betrokkenen rond het onderwerp “Steenmeel als herstelmaatregel” om kennis, inzichten en onzekerheden rond dit thema uit te wisselen en mogelijke richtlijnen te bespreken voor een eventuele toepassing van steenmeel als herstelmaatregel in natuurgebieden.
Tussenevaluatie van de nota Gezonde Groei Duurzame Oogst : Deelproject Economie : Rapport Economische positie
Verstand, Daan ; Spoorenberg, Piet ; Kuik, Fons van; Raaphorst, Marcel ; Beerling, Ellen - \ 2019
Wageningen : Wageningen Plant Research, Business units Open Teelten en Glastuinbouw (Wageningen Plant Research rapport 788) - 85
De nota Gezonde Groei Duurzame Oogst (2013-2023) richt zich op het verduurzamen van de gewasbescherming, waarin het behoud van het economisch perspectief van telers centraal staat. Dit rapport toont de resultaten van de economische analyse van de akkerbouw, vollegrondsgroente, fruit, bloembollen, boomkwekerij en glastuinbouw in de tussenevaluatie van de nota. Uit deze analyse blijkt uit een aantal casussen dat Nederlandse telers in de meeste gevallen hogere kosten of meer schade hebben als gevolg van het gevoerde beleid op gewasbeschermingsmiddelen en teeltvoorschriften over de periode 2010-2016. Daarnaast hebben Nederlandse telers in 2016 vaker een concurrentie nadeel dan een voordeel ten opzichte van Belgische, Franse, Duitse of Engelse telers als gevolg van verschillen in de toegelaten middelen per land. Dat komt met name doordat vrijstellingen van middelen nationaal en niet op Europees niveau gegeven kunnen worden. Belanghebbende herkennen het gevonden resultaten enigszins. Ze hadden verwacht dat het beleid in economisch termen grotere negatievere gevolgen gehad zou hebben voor Nederlandse telers.
Monitoring effecten zandsuppletie Leuvenumse beek 2018
Verdonschot, Ralf ; Verdonschot, Piet - \ 2019
Wageningen : Zoetwaterecosystemen, Wageningen Environmental Research (Notitie Zoetwatersystemen, Wageningen Environmental Research ) - ISBN 9789463439282 - 59
In de Leuvenumse beek wordt vanaf 2014 het suppleren van zand als beekherstelmaatregel toegepast door Waterschap Vallei en Veluwe en Natuurmonumenten. Omdat over deze relatief nieuwe maatregel nog niet veel kennis voorhanden is, worden sindsdien de hydromorfologische en biologische ontwikkelingen gevolgd. In 2018zijn metingen verricht aan het profiel van de beekop drie suppletielocaties en is de macrofaunasamenstelling van vijf suppletielocaties onderzocht. Beide zijn herhalingen van al eerder uitgevoerde metingen in 2014-2017, om zo de veranderingen in beeld te krijgen die in gang zijn gezet door het uitvoeren van de maatregelen. Daarnaast is ook de macrofauna van het beekmoeras bovenstrooms van het projectgebied onderzocht, dat in de loop van de jaren vernat is als gevolg van de suppleties.In 2018 speelde het weer een belangrijke rol: hoge afvoerpieken in de winter, zware storm met als gevolg een grote aanvoer van nieuw dood hout en extreme droogte in de zomer en herfsthadden allemaal effect op het beeksysteem. Metingen aan de dwarsprofieltransecten lieten zien dat drie jaar na de laatste suppletie nog steeds zandtransport plaatsvindt. Dit zijn afvoergerelateerde sedimentpulsen(ophoging in het voorjaar, erosie in het najaar), die leiden tot een langzame verplaatsing van zand naar benedenstrooms waar op veel plekken nog steeds ophoging plaatsvindt. Een tweede aanjager van het transport zijn lokale veranderingen van de stromingspatronen in de beek door plotselinge veranderingen in de beek, bijvoorbeeld het invallenvan nieuw dood hout. De macrofaunasamenstelling in de suppletietrajecten week in 2018 af van de eerdere jarenen kenmerkte zich door een grotere variatie in taxonsamenstelling tussen de monsters. Het totaal aantal taxa was daarnaast veel hoger, maar dit werd deels veroorzaakt door het verschijnen van stilstaand-water-soorten die waarschijnlijk profiteerden van de lage afvoer. De meeste kenmerkende beektaxa handhaafden zich, al lieten een klein aantal taxa wel een teruggang zien in de frequentie van voorkomen. Daar stond tegenover dat er ook een aantal kenmerkende soorten nieuw zijn waargenomen in de trajecten in het projectgebiedof zich hadden uitgebreid. Op de suppletielocaties was nog steeds de het eerst gestabiliseerdezone vlakbij de oorspronkelijke suppletieplek het rijkst aan kenmerkende taxa, terwijl de dynamische zone ten opzichte van eerdere bemonsteringen ook een duidelijke stijging in het aantal kenmerkende taxa liet zien met het verouderen van het systeem.Ondanks de veranderde omstandigheden in het beekmoeras ten opzichte van de oorspronkelijke beekloop, met minder stroming en meer waterplanten en organisch materiaal, werdde ecologische kwaliteit als goed beoordeeld op basis van de KRW maatlat voor R5 en zelfszeer goed op basis van de nieuwe moerasbeekmaatlat. Het beekmoeras draagt bij aan de totale biodiversiteit van het stroomgebied omdat er een aantal taxa zijn gevonden die niet op de andere locaties zijn aangetroffen.Het onderzoek laat zien dat het projectgebied drie jaar na de suppleties nog volop in ontwikkeling is; hoe ‘extremere’ jaren zoals 2018 doorwerken op de langere termijn in zowel hydromorfologisch als ecologisch opzicht moet de komende jaren blijken.
Evaluatie programma Nieuwe Natuur : Provincie Flevoland
Boonstra, F.G. ; Winter, H.B. ; Beukers, M. ; Buijs, A.E. ; Heide, C.M. van der; Kamphorst, D.A. ; Krol, E. ; Ridderbos, C.M. ; Zee, F.F. van der - \ 2018
Groningen : - 146 p.
Programma Nieuwe Natuur Provinciale Staten van Flevoland vroegen op 20 maart 2013 in een motie Gedeputeerde Staten de robuuste verbindingsfunctie van het Oostvaarderswold los te laten als provinciale inzet en in plaats daarvan in te zetten op het realiseren natuurontwikkeling dichtbij grotere stedelijke concentraties. Daarvoor stelden GS een plan van aanpak Nieuwe Natuur op dat op 3 juli 2013 aan Provinciale Staten is gepresenteerd. Het uitgangspunt van het programma is dat initiatiefnemers, zoals ondernemers, bewoners, terreinbeherende organisaties en gemeenten, worden uitgenodigd plannen voor de ontwikkeling van nieuwe natuur in aan de provincie Flevoland voor te leggen. De sturingsfilosofie van het programma wordt gekenmerkt door een bottom-up proces waarin private partijen ideeën over natuurontwikkeling aandragen en realiseren en een publieke taak uitoefenen. Begin 2014 konden initiatiefnemers een projectidee indienen. Na een ideeënmarkt, werden de ingediende projectideeën beoordeeld door een aantal extern deskundigen. Deze fase wordt aangeduid als ‘zeef I’. Een deel van de ideeën werden als niet passend binnen het programma beoordeeld. De resterende projectideeën zijn vervolgens verder uitgewerkt tot een volwaardig projectvoorstel. De nader uitgewerkte projectideeën zijn opnieuw ingediend en aan de hand van een meetlat met twaalf criteria beoordeeld. De fase van verdere planuitwerking en de beoordeling langs de meetlat wordt aangeduid als ‘zeef II’. Op 14 december 2014 zijn in een besluit van Provinciale Staten de definitieve projecten toegewezen die binnen het programma kunnen worden ontwikkeld, waarvan een aantal afzonderlijke projecten geclusterd zijn samengebracht door de provincie. In dit besluit zijn een aantal projectvoorstellen door de Staten gekoppeld (de zgn, ‘ketting en kralen’) Evaluatie Naar aanleiding van de ‘Tussenbalans programma Nieuwe Natuur’ hebben Provinciale Staten op 24 januari 2018 besloten tot de evaluatie van het programma Nieuwe Natuur. Pro Facto en Wageningen University & Research zijn gevraagd deze evaluatie uit te voeren. Het doel van de evaluatie is tweeledig:  inzicht krijgen in de resultaten van het programma Nieuwe Natuur en de ervaringen met de toegepaste sturingsfilosofie in de praktijk;  lessen trekken voor toekomstige natuurrealisatie in Flevoland en de provinciale beleidsontwikkeling in het algemeen. De evaluatie is tot stand gekomen aan de hand van meerdere onderzoeksmethoden: document- en literatuurstudie, interviews, casestudies, plan- en multicriteria-analyse, focusgroepen en een workshop. In het kader van de casestudies zijn een aantal in het programma gehonoreerde projecten geselecteerd voor verdiepend onderzoek. Het gaat om de volgende projecten: Urkerveld, Natuur op G38, Eemvallei-Zuid1, Noorderwold-Eemvallei2 en Harderbos en Harderbroek verbonden. Samenvattende conclusies Beleid Het programma Nieuwe Natuur sluit goed aan bij de vermaatschappelijking van natuur en de verschuivende verhoudingen tussen overheid en maatschappij. De provincie heeft lef getoond door te kiezen voor een innovatieve aanpak en het programma is – in vergelijking met het natuurbeleid van andere provincies – te bestempelen als vernieuwend. Alle initiatiefnemers tonen grote waardering voor het feit dat de provincie heeft gekozen voor een andere aanpak van natuurontwikkeling. Het beleid, dat uitgaat van ‘natuurontwikkeling van onderop’, betreft een algemene filosofie die inhoudelijk beperkt is uitgewerkt, bijvoorbeeld als het gaat om inhoudelijke doelstellingen, de beleidsstrategie en de inzet van een passend instrumentarium. De beoogde terughoudend en faciliterende rol van de provincie bij het programma is vooraf niet nader geconcretiseerd. Proces Voor de provincie is het programma Nieuwe Natuur een nieuwe werkwijze. Dit verklaart (deels) dat het proces (van de openstelling van het programma tot de uitwerking en uitvoering van projectideeën) niet vlekkeloos is verlopen. De verwachtingen van de initiatiefnemers en de provincie liepen aanvankelijk sterk uiteen. Veel (particuliere) initiatiefnemers dachten dat zij een idee konden indienen, zonder dat ze hierbij ook de verdere uitwerking van hun project op zich zouden moeten nemen (inclusief ontwikkeling, inrichting en het beheer van de te ontwikkelen natuur). Dit was wel het geval. De provincie heeft ten tijde van de openstelling niet duidelijk gecommuniceerd over de rol die initiatiefnemers in het programma zouden moeten hebben. Staatsbosbeheer en Het Flevo-landschap hadden als belangrijke grondeigenaren een bijzondere rol in het programma. Ze waren enerzijds betrokken bij (de vormgeving van) het selectieproces en de beoordeling van de ingediende voorstellen, anderzijds dienden ze als ‘gewone’ initiatiefnemers ook zelf hun projecten in. Dit leidde tot een soms ongewenste vermenging van de rollen. De particuliere initiatiefnemers hebben gedurende het proces behoefte gehad aan meer ondersteuning. Het bleek een opgave om zelfstandig een dergelijk proces te doorlopen, bijvoorbeeld ten aanzien van het uitwerken van het projectplan en het doorlopen van de benodigde planologische procedures. In de beginfase was de provincie terughoudend bij het bieden van ondersteuning. Er werd daarbij geen onderscheid gemaakt tussen particulieren, terreinbeherende organisaties en overheden, terwijl wel degelijk sprake is van verschillen in expertise en organisatiegraad. Omdat de uitvoering van de plannen in het gedrang kwam veranderde gedurende het proces de rol van de provincie van terughoudend naar een actievere, meer ondersteunende rol gericht op het boeken van resultaten. De provincie bood initiatiefnemers steeds actiever ondersteuning. Deze extra inzet en ondersteuning wordt gewaardeerd door de betrokkenen. Hoewel het programma een bottom-up strategie als uitgangspunt neemt, kan geconstateerd worden dat de rol van de provincie enigszins is verschoven richting een top-down rol. Ook ging de provincie meer sturen in het selectieproces van projectideeën. De provincie achtte het wenselijk dat er samenwerkingsrelaties en coalitievorming zou ontstaan tussen initiatiefnemers. Omdat coalitievorming moeizaam van de grond kwam, heeft de provincie uiteindelijk top-down besloten initiatieven te clusteren (zeef II). Provinciale Staten zijn nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van het programma Nieuwe Natuur. Het uiteindelijke programma, het plan van aanpak, is door Provinciale Staten vastgesteld. Ook de formele selectiebesluiten (de ‘zeven’) zijn genomen door Provinciale Staten. Hieruit sprak veel betrokkenheid. Daarnaast was bij een aantal projecten in de uitvoerings- en realisatiefase sprake van politieke inmenging, veelal als gevolg van maatschappelijke weerstand van enkele bezwaarden. Deze politieke bemoeienis heeft voor enkele initiatiefnemers tot ongewenste situaties geleid. Resultaat Het programma Nieuwe Natuur zorgde voor een nieuw elan en een positieve stemming ten aanzien van natuur in Flevoland. Initiatiefnemers geven aan dat het programma hen de kans heeft geboden om hun project te realiseren. Zonder het programma was dit niet gelukt. Het programma heeft hiermee bijgedragen aan een verbreding van natuurontwikkeling. Bij de openstelling van het programma Nieuwe Natuur zijn 79 diverse projectideeën ingediend. Het aandeel particuliere initiatieven was hiervan was met 77% relatief groot. Uiteindelijk zijn 22 projecten gehonoreerd. Het aandeel particuliere initiatieven is om uiteenlopende redenen verminderd in de loop van het proces. De particuliere initiatiefnemers die zijn ‘overgebleven’ hebben meestal al een achtergrond en netwerk in de natuurontwikkeling. De diversiteit aan projecten met een realisatieovereenkomst mondt uit in uiteenlopende bijdragen aan vitale natuur, beleefbare natuur, functionele natuur en inpasbare natuur. Over het algemeen dragen relatief veel projecten positief bij aan de beleefbaarheid van natuur. Ook zijn er veel projecten die substantieel bijdragen aan vitale natuur. Beleefbare en vitale natuur gaan in veel projecten goed samen, net als functionele en inpasbare natuur en beleefbare en functionele natuur. De maatschappelijke betrokkenheid is wisselend bij de projecten. Vooral in de projecten met de kralen zijn vernieuwende samenwerkingsrelaties ontwikkeld, terwijl bij andere projecten de bijdrage aan maatschappelijke betrokkenheid beperkt blijft tot het bieden van mogelijkheden voor beleving, recreatie en soms educatie. Verder is nog niet met zekerheid vast te stellen wat de bijdrage van het programma zal zijn aan de regionale economie, omdat veel projecten zich nog in de beginfase van de uitvoering bevinden. Eindconclusie De provincie heeft met het programma Nieuwe Natuur veel lef getoond en gekozen voor een innovatieve aanpak die heeft bijgedragen aan verbreding van het natuurbeleid in Flevoland Aanbevelingen Lessons learned  Maak tevoren goed gemotiveerde en duidelijk uitgewerkte keuzes over de invulling van de eigen rol. Ook de keuze voor de inzet van het instrumentarium dient expliciet te worden gemaakt.  Besteed voldoende aandacht aan de verschillen tussen het type initiatiefnemers (particulieren, professionele organisaties en mede-overheden). Particulieren behoeven meer ondersteuning bij het doorlopen van een dergelijk proces dan professionele partijen.  Communiceer duidelijk over de verwachtingen over de rol en verantwoordelijkheden van de deelnemende partijen.  Stem zoveel mogelijk af met mede-overheden indien deze in een bepaalde fase betrokken raken, bijvoorbeeld bij een bestemmingsplanwijziging. Betrek deze overheden niet alleen in de totstandkoming van een programma maar ook bij de fase van ideeënuitwerking.  Stel duidelijke randvoorwaarden voor deelname aan een programma, zodat onduidelijkheid in een latere fase voorkomen kan worden.  Heb als Provinciale Staten aandacht voor de balans tussen betrokkenheid bij een programma en distantie ten opzichte van individuele projecten. Toekomstig natuurbeleid  Geconstateerd is dat het programma Nieuwe Natuur als geheel bijdraagt aan beleefbare, vitale, functionele en inpasbare natuur. Zet daarom in op een verbreed natuurbeleid met natuurontwikkeling van onderop.  Onderzoek op welke manier de afgevallen projectideeën met potentie benut kunnen worden voor verdere beleidsvernieuwing.  Onderzoek de mogelijkheid van het vaststellen van een provinciaal inpassingsplan voor een gebied waar natuurontwikkeling is voorzien om planologische procedures te stroomlijnen.  Baken een open programma goed af qua omvang en streef naar een overzichtelijk speelveld.  Verken de mogelijkheid in hoeverre rode ontwikkelingen met groene ontwikkelingen kunnen worden gecombineerd en de wijze waarop rode ontwikkelingen groene ontwikkelingen kunnen financieren. Beleidsontwikkeling in het algemeen  De bottom-up strategie van het programma Nieuwe Natuur leent zich naar verwachting ook voor toepassing op andere beleidsterreinen. Hierbij kan gedacht worden aan recreatie en toerisme. Onderzoek de mogelijkheid om de filosofie achter het programma Nieuwe Natuur toe te passen op deze beleidsvelden.
Scopingstudie vermaatschappelijking van natuur : een overzicht van onderzoek bij Wageningen Universiteit & Research voor het Planbureau voor de Leefomgeving en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Kamphorst, D.A. ; Mattijssen, T.J.M. - \ 2018
Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOt-technical report 130) - 70
Vermaatschappelijking van natuur is de afgelopen jaren een belangrijk thema geweest in beleid en onderzoek. Dit rapport biedt een overzicht en analyse van studies naar vermaatschappelijking van natuur die in de periode 2014 tot en met 2017 voor het Planbureau voor de Leefomgeving en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn uitgevoerd bij Wageningen University & Research. Het merendeel van de studies is erop gericht om inhoudelijke vragen te beantwoorden, zowel op het thema governance als op het thema maatschappij. Daarnaast zijn er studies die methodes ontwikkelen voor evaluatie van (beleid voor) vermaatschappelijking, en onderzoeken die vooral procesbegeleiding tot doel hadden. Dit rapport geeft een overzicht van al deze studies. Er wordt ingegaan op de concepten, analysekaders, methoden, actorgroepen, en onderzoeksvragen die worden geadresseerd en de voornaamste bevindingen van de studies. Het rapport gaat ten slotte in op kennishiaten en mogelijke resterende kennisvragen over vermaatschappelijking van natuur.---In recent years the increase of societal involvement of nature and the deinstitutionalisation of nature policy has become an important theme in research and policy. This report provides an overview and analysis of studies into the this topic carried out by Wageningen University & Research for the Netherlands Environmental Assessment Agency (PBL) and the Ministry of Agriculture, Nature and Food Quality in the four years from 2014 to 2017. Most of these studies set out to answer specific questions on issues relating to governance and society. The other studies were either on developing methods for evaluating the increase of societal involvement in nature or research mainly to support process management. This report gives an overview of all these studies. It examines the concepts, analytical frameworks, methods, actor groups and research questions addressed in the studies, the main findings of the studies, and the knowledge gaps and possible research questions concerning the societal involvement of nature and the deinstitutionalisation of nature policy that remain to be answered.
Food For Mars and Moon op Lowlands
Wamelink, G.W.W. - \ 2017
Wageningen : Wageningen University & Research
Wij, Joep en ik, hadden er al weken naar uitgekeken, het optreden in de wetenschapstent van Lowlands. Een interview van een klein uur in het kader van het VPRO programma ‘The universe of the mind’ samen met aspirant astronaut Thomas Wijnen. Helaas was Robbert Dijkgraaf er niet, maar Rob van Hattem en Jim Jansen zorgden voor levendige vragen en een goede interactie met het publiek.
Toepassing van drinkwaterslib op fosfaatrijke gronden t.b.v. natuurontwikkeling : TKI Watertechnologie
Dorland, Edu ; Fujita, Yuki ; Chardon, Wim ; Jong, Aalke Lida de - \ 2017
Nieuwegein : KWR (KWR 2017.042) - 85
Ontwikkel een machine waarmee drinkwaterslib op een effectieve manier ingebracht kan worden op fosfaatrijke gronden om zo de fosfaat-beschikbaarheid te verminderen en natuurontwikkeling te stimuleren. Dat was de technologische doelstelling die we onszelf als TKI-consortium (een samenwerking van drinkwaterbedrijven, natuurorganisaties, kennisinstellingen en bedrijven) hadden opgelegd. Om dit te bereiken dienden verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. Enerzijds wilden we meer ervaring op doen met het mengen van drinkwaterslib met verschillende bodemtypen, en de effecten die dit zou hebben op bodemchemie en vegetatie. Anderzijds beoogden we de toepassing van deze behandeling technisch mogelijk te maken, liefst ongeacht bodemtype.
Leernetwerken Duurzame Inzetbaarheid : Universiteiten aan de slag met employability, strategische personeelsplanning en vitaliteit
Stuivenberg, Mariaska ; Jettinghoff, Karin ; Vuuren, Tinka van; Peters, Pascale ; Freese, Charissa ; Evers, Gerard ; Peeters, John ; Vaandrager, L. ; Schouteten, Roel - \ 2017
Stichting SoFoKles - 50 p.
De duurzame inzetbaarheid van medewerkers op de Nederlandse universiteiten staat onder druk. Voor SoFoKleS was dit aanleiding om duurzame inzetbaarheid hoog op de agenda te zetten.
Uit een eerdere verkenning van SoFoKleS bleek dat er nog veel ruimte was om employability, vitaliteit en SPP te verbeteren. Wat bleek is dat universiteiten weliswaar al veel employabilitymaatregelen hebben genomen (brons), maar dat deze maatregelen vaak nog onvoldoende bekend zijn bij medewerkers (zilver) en onvoldoende worden gebruikt en geborgd binnen de instelling (goud). Aanvullend beleid is nodig om daarvoor te zorgen. Ten aanzien van SPP bleek dat slechts een beperkt aantal universiteiten destijds bezig was met de implementatie ervan. Veel universiteiten wilden er wel mee starten, maar ervoeren obstakels om tot een succesvolle implementatie over te gaan. Vitaliteitsprogramma’s bleken nog in de kinderschoenen te staan en er lagen kansen voor een verdere inbedding in het organisatiebeleid, meer oog voor de rol van de organisatie (in plaats van alleen de rol van het individu), beter maatwerk en samenwerking tussen HRM en wetenschappelijke staf, zodat de vitaliteitsprogramma’s (beter) onderbouwd en geëvalueerd worden.
De leernetwerken hadden tot doel deelnemende universiteiten te ondersteunen bij de implementatie van interventies voor de verbetering van employability, SPP en vitaliteit. Per leernetwerk hebben de universiteiten interventies geïmplementeerd of geïntensiveerd. Uitgangspunt hierbij was dat universiteiten dit met een pionierende aanpak doen zonder centraal opgelegde aanpak, in een leernetwerk waarin ruimte was om met andere universiteiten ervaringen met het implementatieproces te delen en hierop te reflecteren.
Systeeminnovatie Beweiden Veenweiden : eindrapportage 2015‐2016
Hoekstra, Nyncke ; Eekeren, Nick van; Holshof, Gertjan ; Rijneveld, Harm ; Houwelingen, Karel van; Lenssinck, Frank - \ 2017
Driebergen : Louis Bolk Instituut (Rapport / Louis Bolk Instituut nummer 2017‐009 LbD) - 54
In het westelijk Veenweidegebied worden nog veel koeien (90%) geweid, maar ook hier staat weidegang onder druk. Er is een toename van het aantal bedrijven dat overschakelt naar melkrobot (AMS systeem). Bovendien neemt door bedrijfsuitbreiding het aantal koeien per hectare huiskavel toe. Daarnaast heeft het gebied een aantal ‘natuurlijke handicaps’ die van invloed zijn op beweiding zoals de typische verkaveling (langgerekte, serieel gepositioneerde percelen, lange kavelpaden en vele slootjes) en de bodem met haar lage draagkracht. Bij het uitwerken van de innovatieopgave en oplossingsrichtingen voor de combinatie van automatisch melken en weidegang in het Veenweidengebied kwam het beweidingssysteem kurzrasen als mogelijke innovatie voor het veenweidegebied naar voren. Kurzrasen is een beweidingssysteem ontwikkeld in Duitsland en Zwitserland waarbij continu een stoppellengte van 3 tot 5 cm wordt aangeboden voor beweiding. De focus in dit beweidingsysteem is een optimalisatie tussen de melkproductie en grasbenutting bij continue beweiding door een hoge voederwaarde en minimaal beweidingsverlies. Het uiteindelijke doel is een maximaal economisch rendement bij een intensieve beweiding van de huiskavel. Het kurzrasen biedt potentieel een aantal belangrijke voordelen ten opzichte van gangbare beweidingssystemen zoals omweiden en stripgrazen: 1) In het kurzrasensysteem grazen de koeien steeds op hetzelfde perceel. Er is dus minder infrastructuur nodig in de vorm van looppaden, verkaveling, bedrading en watervoorzieningen en het levert een besparing van arbeid op. 2) Het systeem is eenvoudig te combineren met robotmelken, omdat de koeien bij kurzrasen actiever zijn, en meer lopen om gras bij elkaar te krijgen. De dieren zijn dus eenvoudiger te motiveren om tussen stal en weide te pendelen. Bovendien is er een grote mate van dagelijkse routine (elke dat hetzelfde perceel) wat resulteert in een constant en rustig kuddegedrag. 3) Door de lage graashoogte bij kurzrasen ontstaat een dichte zode, die mogelijk een positief effect heeft op de draagkracht en het weideseizoen op veengrond kan verlengen. Het doel van dit onderzoek is om te vergelijken welk beweidingssysteem zich in het veenweidegebied het beste leent voor robotmelken bij een klein huiskavel en een maximale melkproductie per ha uit gras. In 2016 is op proefbedrijf KTC Zegveld een beweidingsproef uitgevoerd waarin kurzrasen is vergeleken met stripgrazen bij zowel een hoog als laag OEB niveau in de bijvoeding. Dit resulteerde in 4 groepen van ieder 15 koeien (9 HF en 6 Jersey) die elk 2 ha ter beschikking hadden met een krachtvoergift van gemiddeld 6,7 kg per koe per dag. De koeien werden beperkt beweid (alleen ’s nachts buiten), en maaien stond ten dienste van de beweiding. Gedurende het hele jaar werden metingen gedaan aan de grasproductie, voederwaarde en melkproductie. Daarnaast werd er ook gekeken naar de morfologische ontwikkeling van het gras en naar bodemkwaliteit, waaronder de draagkracht van de bodem.
Unieke coöperatieve samenwerkingsvorm leidt tot Kadaster voor boominformatie
Pol, P. van de; Janssen, H. ; Rip, F.I. - \ 2016
Geo-Info 13 (2016)6. - ISSN 1572-5464 - p. 12 - 14.
Een jaar geleden is de coöperatie
Boomregister gestart met het
leveren van landsdekkende
boominformatie verkregen
uit AHN, Satellietdata, slimme
algoritmen en verschillende open
basisregisters. Een jaar verder
blijkt dat de boominformatie
waardevol is voor heel veel
meer toepassingsgebieden
dan we ooit hadden durven
dromen: van gemeentelijk
groenbeheer tot het plaatsen
van nieuwe 4G-zendmasten en
van risicomanagement voor
kabels, leidingen en dijken tot
het handhaven van de Boswet.
De waarde van het Kadaster voor
Boominformatie lijkt evident.
Maar is dit een toevalstreff er of is de
coöperatieve samenwerkingsvorm
een nieuwe succesformule?
In dit artikel kijken we naar de
toepassingsgebieden en gebruikers
en onderzoeken we of een
coöperatief model past bij het
opzetten van een landelijk register.
Vangstsamenstelling per tuigcategorie : herziening contingentenstelsel visserij in Nederland in het kader van de aanlandplicht
Helmond, A.T.M. ; Steins, N.A. - \ 2016
IJmuiden : IMARES Wageningen UR (IMARES rapport C107/16) - 62
vangstsamenstelling - visvangsten - visserij - quota - vistuig - nederland - catch composition - fish catches - fisheries - quotas - fishing gear - netherlands
In het nieuwe Gemeenschappelijke Visserijbeleid is vastgelegd dat vissers uiterlijk eind 2019 verplicht zijn de volledige vangst van alle soorten waarvoor vangstquota gelden, mee te nemen naar de wal (aanlandplicht). Tot nu moesten vissers soorten waarvoor ze geen vangstrechten hadden of niet marktwaardig waren, juist terug zetten (discarden). Dit betekent dat het huidige Nederlandse co-management systeem voor quotabeheer moet worden afgestemd op de aanlandplicht. In Nederland wordt het Europese quotabeleid sinds eind jaren ’70 ingevuld via een stelsel van individuele contingenten. Een contingent is een (overdraagbaar) aandeel dat een visserijbedrijf heeft in het nationale quotum voor die soort. Op dit moment zijn er contingenten voor schol, tong, kabeljauw, wijting, haring, makreel, horsmakreel, blauwe wijting en grote zilversmelt. Vissers die geen of onvoldoende contingenten voor een soort hebben, mogen deze niet aan boord houden of aanlanden. De nieuwe aanlandplicht verplicht deze groep vissers echter wel tot aanlanden. Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) bereidt daarom een herziening van het contingentenstelsel voor. Een van de maatregelen die wordt verkend is een uitvaarverbod. Dit houdt in een visser niet met een specifiek vistuig mag uitvaren als hij geen of onvoldoende contingent heeft voor de soorten die naar verwachting een substantieel onderdeel uitmaken van de vangsten met dat betreffende vistuig.
Stelling : “ niet de natuurkwaliteit, maar de PR-machine bepaalt uiteindelijk de publieksverkiezing Mooiste Natuurgebied van Nederland”
Lindeboom, Han - \ 2016
natural areas - natural value - publicity - public relations - opinions - netherlands
Begin november werden drie natuurgebieden gekozen tot de drie top-natuurgebieden van Nederland. Het leek daarbij eigenlijk helemaal niet te gaan om de natuurwaarden in die gebieden, maar om wie de PR het beste voor elkaar had. Alleen in natuurgebied de Moerputten bij Den Bosch komt nog het pimpernelblauwtje voor. Nergens komt de droge natuur van de Veluwe zo dicht bij het rivierengebied als in het herstelde Renkumse beekdal. De bosanemonen en sleutelbloemen in het Geuldal zijn in het voorjaarslicht betoverend mooi. Toch hadden deze gebieden geen schijn van kans tegen de publiciteitscampagne van de ‘Grote Drie’. Het is dus niet de natuurkwaliteit, maar de PR-machine die uiteindelijk de publieksverkiezing Mooiste Natuurgebied van Nederland bepaalt.
Column : Na bijna 40 jaar eindelijk begonnen
Vries, J.W. de - \ 2016
Bloemenkrant 2016 (2016)6 april. - 1 p.
Welk jaar zal het zijn geweest dat de tomaat het meest geteelde gewas was? Het zal net voor mijn geboortejaar zijn geweest. Gewassen hadden in die tijd nog heel serieuze problemen met ziekten en plagen.
Gestrande potvissen hadden lege maag maar waren gezond
Leopold, Mardik - \ 2016
Terugkerende muizenplagen in Nederland : inventarisatie, sturende factoren en beheersing
Wymenga, E. ; Latour, J. ; Beemster, N. ; Bos, D. ; Bosma, N. ; Haverkamp, J. ; Hendriks, R.F.A. ; Roerink, G.J. ; Kasper, G.J. ; Roelsma, J. ; Scholten, S. ; Wiersma, P. ; Zee, E. van der - \ 2016
Altenburg & Wymenga (A&W-rapport 2123) - 137 p.
muizen - woelmuizen - plagen - schadelijke dieren - schade - graslanden - knaagdierenbestrijding - dijken - waterschappen - mice - voles - pests - noxious animals - damage - grasslands - rodent control - dykes - polder boards
2014 en 2015 zullen de geschiedenis in gaan als jaren met een uitzonderlijk grote veldmuizenplaag in Fryslân en op beperkte schaal elders in Nederland. In de loop van de zomer van 2014 meldden agrariërs schade aan graslanden. De werkelijke omvang bleek pas in het najaar en de winter van 2014-2015 en was zonder precedent. Ook uit andere provincies kwamen dergelijke meldingen. De economische schade werd door LTO Noord berekend op 73 miljoen euro (de Boer 2015). Uit een schouw van Wetterskip Fryslân bleek dat ook veel waterkeringen te maken hadden met muizenschade. Daarnaast was het waterschap beducht op een mogelijk verhoogde uitspoeling van meststoffen vanuit polders naar het oppervlaktewater. Bovengenoemde zaken waren aanleiding voor verschillende organisaties om in samenwerking met LTO Noord en het Actiecomité een onderzoek te starten naar de achtergronden van de terugkerende muizenplagen en de mogelijke maatregelen om die te beheersen. Ook de STOWA - Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer – richtte haar vizier op de muizenplaag, om uit te zoeken in hoeverre de recente muizenplaag voor waterschappen relevant was. De overkoepelende doelstelling van beide onderzoeken was om kennis en bouwstenen te leveren voor een strategie om in de toekomst muizenplagen vroegtijdig te signaleren en de schade te beheersen.
Er valt veel te leren van rotte kadavers : Raadselachtige ' mini-massastranding' bruinvissen
Leopold, M.F. ; Hesse, E. ; Mielke, L. ; Begeman, L. ; Hiemstra, S. - \ 2015
Zoogdier 26 (2015)2. - ISSN 0925-1006 - p. 4 - 6.
marine mammals - fauna - mortality - marine areas - inventories - north sea
In mei 2013 spoelden bij Camperduin vijf bruinvissen tegelijkertijd aan: vier grote dieren en een voldragen foetus. De vier grote bruinvissen waren allemaal erg rot, maar waren op het moment van hun dood in uitstekende voedingsconditie. Ze hadden zich volgegeten met zandspieringen en vlak voor de dood is voedsel uitgespuwd. Pathologisch en voedsel-ecologisch onderzoek komen tot dezelfde - voorzichtige - conclusie: deze dieren zijn als groep verdronken.
Onderaan in de klassenmaatschappij
Cruijningen, Piet van - \ 2015

Slecht opgeleid, slecht betaald, geïsoleerd wonend en werkend, het leven van de landarbeider was eeuwenlang bepaald geen pretje. Weinig of geen waardering voor hun werk en de afstand tot de boer was meestal groot, weet de Wageningse historicus Piet van Cruijningen. „Ik ken een foto waarop vier landarbeiders een pijpje roken. Want een sigaar was aan de boer voorbehouden.”

Er is maar weinig bekend over de geschiedenis van de boerenknecht of landarbeider. Er is een aantal, meestal lokale of regionale publicaties, maar daar blijft het bij. „Het leven van landarbeiders was behoorlijk anoniem. Bij boeren kun je veel historisch materiaal terugvinden, pacht- en koopcontracten, boekhoudingen, noem maar op. Bij landarbeiders heb je eigenlijk alleen gegevens uit bijvoorbeeld volkstellingen”, zegt de Wageningse historicus (en zelf een Zeeuwse boerenzoon) Piet van Cruijningen.

Aan de top van Europa
Alleen in grote lijnen is de geschiedenis van de landarbeider bekend. „Die begon zo in de late Middeleeuwen. Voor die tijd was elk boerenbedrijf een echt familiebedrijf. Na het jaar 1500 werden ze groter. Vooral de akkerbouwbedrijven in kleigebieden als het Gelderse Rivierengebied, Zeeland en Groningen hadden extra mensen nodig. Bekend is dat een Groningse boer in de zomer zo’n 30 tot 40 mensen nodig had. En in de winter ook nog altijd 5 of 6. Je kunt zeggen dat juist die grote groep landarbeiders het mogelijk heeft gemaakt dat Zeeuwse, Groningse en Gelderse akkerbouwers rond 1800 aan de top van Europa stonden.”

Na de Tweede Wereldoorlog ging het bergafwaarts. De Amerikaanse Marshallhulp maakte mechanisatie in de landbouw mogelijk en de trekker verving het paard. Vanaf 1950 kwamen er minder landarbeiders. „Mijn opa bijvoorbeeld had begin jaren zestig op zijn Zeeuwse boerderij nog drie medewerkers. Mijn vader daarna nog twee, waarvan de laatste in 1976 vertrok.”

Over de vraag hoe slecht deze groep werd behandeld en betaald, daarover verschillen de meningen onder historici. „In enkele publicaties lees je over uitbuiting en dergelijke. Ik denk persoonlijk dat je goede en slechte boeren had, maar dat zeker niet elke landarbeider structureel werd uitgebuit. Het was natuurlijk wel ongeschoold werk. Landarbeiders stonden helemaal onderaan in de klassenmaatschappij van die tijd. Ze hadden ook nauwelijks kansen om hogerop te komen. Zelfs bij de uitreiking van land in de nieuwe IJsselmeerpolders kwamen ze niet in aanmerking door gebrek aan opleiding en aan kapitaal.

Ondernemersperspectieven Oost Zeeuws-Vlaamse agrariërs
Spruijt, J. ; Schoorlemmer, H.B. - \ 2015
PPO AGV - 35 p.
zeeland - agrarische bedrijfsvoering - ondernemerschap - akkerbouw - loonwerken - melkveehouderij - fruitteelt - regionale verkenningen - publiek-private samenwerking - farm management - entrepreneurship - arable farming - custom hiring - dairy farming - fruit growing - regional surveys - public-private cooperation
Dit rapport geeft de resultaten van een oriënterend onderzoek naar de toekomst perspectieven die agrarische ondernemers in Oost Zeeuws Vlaanderen voor ogen hebben. Hierbij is verkend of ondernemers concrete mogelijkheden zien, urgentie voor verandering ervaren en of er aanknopingspunten zijn gericht op verbetering van de landbouwstructuur en het stimulerend klimaat voor agrarisch ondernemerschap. Om hier zicht op te krijgen zijn 10 diepte-interviews gehouden met ‘als ondernemend’ bekend staande landbouwers. Het betrof bedrijven met akkerbouw, melkveehouderij, fruitteelt, loonwerk en nevenactiviteiten. Daarnaast vonden gesprekken plaats met 7 gebiedsdeskundigen die uit hoofde van hun functie zicht hadden op ontwikkelingen en belemmeringen bij agrarisch ondernemers over de breedte van de regio. De bevindingen zijn getoetst en verder uitgewerkt tijdens workshop in Hulst met een groep geïnterviewden en medewerkers van Provincie Zeeland.
De Nederlandse visverwerkende industrie en visgroothandel : economische analyse van de sector, ontwikkelingen en trends
Beukers, R. - \ 2015
Den Haag : LEI Wageningen UR (Report LEI 2014-026) - ISBN 9789086157099 - 87
visverwerkende industrie - handel - vis - economische analyse - tendensen - werkgelegenheid - omzet - import - export - fish industry - trade - fish - economic analysis - trends - employment - turnover - imports - exports
Dit onderzoek geeft inzicht in de economische situatie van de visverwerkende industrie en visgroothandel in Nederland door een analyse van de economische structuur van de sector en de belangrijkste ontwikkelingen. De bedrijven in de visverwerkende industrie en visgroothandel hadden in 2013 een gezamenlijke omzet van 3.6 miljard euro; een groei van 7% ten opzichte van de omzet in 2009. 70% van de totale omzet van Nederlandse visverwerkende bedrijven en visgroothandels werd behaald uit export; 30% werd gerealiseerd op de binnenlandse markt.
Hydrologische en landbouwkundige effecten toepassing onderwaterdrains in polder Zeevang : vervolgonderzoek gericht op de toepassing van een zomer- en winterpeil
Hoving, I.E. ; Massop, H.T.L. ; Houwelingen, K.M. van; Akker, J.J.H. van den; Kollen, J. - \ 2015
Wageningen : Wageningen UR Livestock Research (Rapport / Wageningen UR Livestock Research 875) - 87
graslanden - grondwaterstand - peilbeheer - veengronden - broeikasgassen - landgebruik - drainage - infiltratie - noord-holland - grasslands - groundwater level - water level management - peat soils - greenhouse gases - land use - infiltration
In polder Zeevang is een veldonderzoek uitgevoerd naar de toepassing van onderwaterdrains op veengrond bij drie slootpeilregimes. De drains verlaagden de variatie in grondwaterstanden significant. Dit betekent dat het grondwaterstandverloop vlakker was dan in de ongedraineerde situatie. De drains, die onder slootpeil liggen, hadden zowel een drainerend effect (extra waterafvoer) als een infiltrerend effect (extra water aanvoer). Het toepassen van een zomer- en winterpeil is gunstig voor het verminderen van maaivelddaling, maar tijdens natte perioden in het groeiseizoen leveren onderwaterdrains bij een peil van 40 cm –maaiveld geen extra afvoercapaciteit op. Het belang van melkveehouders, namelijk het vergroten van de gebruiksmogelijkheden van het grasland, wordt daardoor onvoldoende gediend. Een meer flexibelere invulling van de perioden, waarop de slootpeilen volgens de beleidsregels omhoog en omlaag gezet moeten worden, is gewenst.
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.