Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 20 / 384

    • help
    • print

      Print search results

    • export
      A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
    Check title to add to marked list
    Bedrijfsspecifiek bepalen van stikstofstromen in bodem, gewas en milieu : casestudy melkveebedrijf Baltus in Middenmeer
    Verloop, Koos ; Noij, Gert-Jan ; Oenema, Joeke - \ 2020
    Wageningen : Wageningen Livestock Research (Koeien & Kansen rapport nr. 88) - 40
    Deze verkenning is erop gericht om inzicht te krijgen in knelpunten met betrekking tot stikstof (N) en fosfor (P) stromen in het bodem/gewas systeem op Koeien & Kansen-bedrijf Baltus, gelegen in Middenmeer, Noord-Holland. In het bijzonder is hierbij ingegaan op de N-voorziening met bemesting en de N-levering door de bodem, de gewasopname en verliezen naar het milieu. De verkenning gaat verder in op de vraag of hard gemaakt kan worden dat N (hoofdzakelijk gebonden aan organische stof) zich in de bodem ophoopt. Ophoping van N in de bodem is goed mogelijk omdat het bedrijf een akkerbouwhistorie heeft zodat verwacht mag worden dat het bedrijf met een groot aandeel gras in een overgang zit naar een nieuw, hoger evenwichtsniveau van N in de bodem. Besproken wordt tevens of, als N-ophoping vastgesteld kan worden, dit dan als milieu onschadelijk deel van het overschot kan worden beschouwd. Dit zou dan kunnen beteken dat bedrijfsspecifiek een hoger acceptabel N-overschot bepaald kan worden, waarbij een hogere mest N-dosering verantwoord is. Tenslotte gaat de verkenning in op mogelijkheden om de knelpunten met betrekking tot stikstof (N)- en fosfor (P)- stromen in bodem en gewas op te lossen. Op het bedrijf Baltus wordt gras en maïs geteeld en wordt ieder jaar ongeveer een derde van het bedrijfsareaal van ongeveer 65 ha verhuurd aan een akkerbouwer voor de teelt van aardappelen. Het bedrijf neemt deel aan de pilot voor bedrijfsspecifieke bemesting volgens BES (Bedrijfs Eigen bemesting met Stikstof uit dierlijke mest). Dit houdt in dat de bemesting afgestemd wordt op de bedrijfsspecifieke gewasopbrengst van stikstof en fosfaat. Analyse van bedrijfsgegevens maakt duidelijk dat het gras op bedrijf Baltus een consistent laag ruw eiwit (RE) gehalte heeft van ongeveer 130 g per kg ds. Ook het P-gehalte is laag met 3,3 g per kg ds. Dit wordt veroorzaakt door verdunning van N en P over een zeer hoge droge stofopbrengst. De N-opname zelf in gras is normaal en de P opname in gras is zelfs hoog. Het niveau van werkzame N is relatief hoog, in de range van 375 tot 500 kg per ha. Toch treedt nog een duidelijke respons op van gras op het niveau van werkzame N. Dit is grotendeels te verklaren door de omgevingsomstandigheden die zeer gunstig zijn voor grasgroei, te weten: een zavelgrond met aanrijking van water naar wortels via capillaire opstijging uit grondwater en een zeer mild klimaat met meestal voldoende neerslag. Deze omstandigheden bevorderen de grasgroei tot op een hoog productieniveau en N is daarbij tot op een hoog niveau geen overbodige luxe. Een andere verklaring is dat de N-levering uit de bodem met ongeveer 50 kg N per ha heel laag is. Hierdoor valt de N-voorziening lager uit dan wat op grond van het bemestingsniveau verwacht zou worden. Een sterke vastlegging van N in de bodem is op basis van de NLV metingen een mogelijkheid en de vraag is of je dat terugziet in N-ophoping. De posten van de N-balans in de bodem worden als volgt geschat: het -overschot bedraagt 87 kg N per ha (95% betrouwbarheidsinterval (bbi): 77-107). Dit overschot verdeelt zich over ophoping in de bodem van 10 kg N per ha (95% bbi -64 tot 106), verlies door uitspoeling van 7 kg N per ha (95% bbi 3 tot 10) met denitrificatie als restpost: 61 kg N per ha. De ophoping in de bodem is gebaseerd op trends op basis van bodemchemische analyses uit 2005 - 2019. De hypothese dat N zich in de bodem ophoopt, kan niet op grond van bodemanalyses worden bevestigd. Daarvoor is de betrouwbaarheid van de trends van bodemanalyses veel te beperkt. Hierbij moet opgemerkt worden dat bij de bepaling van het 95% bbi nog geen rekening gehouden is met variatie van de bulkdichtheid. Of ophoping van stikstof in de bodem beoordeeld kan worden als milieuneutraal of niet hangt af van de risico’s van het op termijn vrijkomen van de opgebouwde stikstof. Dit risico hangt samen met toekomstig landgebruik en met de C/N-verhouding van het opgebouwde materiaal. Een hogere C/N-verhouding betekent een lager risico. Aanbevolen wordt om op een klein deel van het bedrijf te verkennen de beschikbaarheid van stikstof in gras meer in balans kan worden gebracht met omgevingsomstandigheden zoals temperatuur en vochtbeschikbaarheid die zeer gunstig zijn voor grasgroei. Opties zijn: i) Doorgaan met BES zodat bemesting bedrijfsspecifiek afgestemd is op de hoge gewasopbrengst op het bedrijf; ii) Verhogen van de Nbenutting door toepassen van kunstmest met een hoger ammoniumaandeel, eventueel in combinatie met nitrificatieremmers in het voorjaar; iii) N-binding met klaver of andere gewassen met het vermogen N te binden iv) Een hoger N-levering door inwisselen van kunstmest N voor organische N en/of door achterwege laten akkerbouw.
    Mucous membrane in gills keeps fish healthy
    Wiegertjes, Geert - \ 2020
    ‘Kijk vanuit behoefte kip, niet mens’
    Jong, I.C. de - \ 2020
    De Pluimveehouderij (2020). - ISSN 0166-8250 - p. 24 - 26.
    animal welfare - animal production - poultry - animal behaviour - animal health - animal housing
    Hoe meten we kippengeluk? Wageningse onderzoeker Ingrid de Jong houdt zich er dagelijks mee bezig. Zij en haar projectteam onderzoeken dierenwelzijn en diergezondheid bij pluimvee.
    Vissen in Zeeland
    Calle, P. ; Calle, L. ; Kranenbarg, J. ; Velden, J.A. van der; Meyer, A.J.M. ; Boois, I.J. de; Dubbeldam, M. ; Jacobusse, C. - \ 2020
    Stichting Het Zeeuwse Landschap (Fauna Zeelandica IX) - ISBN 9789080637009 - 301 p.
    In dit boek worden alle ooit waargenomen vissoorten (177) in Zeeland uitgebreid beschreven en geïllustreerd met fantastische foto’s. Samen met vele partners en vrijwilligers is na jaren van veldonderzoek, digitalisering van oude data en data-analyse een aantrekkelijk en toegankelijk boek gerealiseerd voor iedereen die van vis houdt.
    Wat is de natuur ons waard?
    Soons, M. ; Visseren-Hamakers, I.J. ; Schouten, M.G.C. - \ 2019
    Utrecht University
    De biodiversiteit gaat in rap tempo achteruit. Hoe serieus zijn we over het behoud van de natuur? Wat houdt ons tegen effectieve maatregelen te treffen? Met bioloog prof. dr. Merel Soons (UU), ecoloog en filosoof prof. dr. Matthijs Schouten (WUR/Staatsbosbeheer) en milieukundige prof. dr. Ingrid Visseren-Hamakers (RU).
    Biomassa voor de circulaire economie : Alles wat je wilde weten over biomassa maar nooit durfde te vragen
    Groenestijn, Johan van; Harmsen, Paulien ; Bos, Harriëtte - \ 2019
    Wageningen : Wageningen Food & Biobased Research (Groene grondstoffen 23) - ISBN 9789463439541 - 100
    biobased economy - biomassa - bio-energie - verwerking - chemische technologie - diervoeding - compost - biobased economy - biomass - bioenergy - processing - chemical technology - animal nutrition - composts
    Nederland en de meeste andere landen willen het gebruik van koolstofhoudende fossiele grondstoffen zoals aardolie, steenkool en aardgas verminderen. De twee belangrijkste motivaties hiervoor zijn de klimaatproblematiek en de eindigheid van de voorraden van deze grondstoffen. Het gebruik van fossiele brandstoffen en kunststoffen die gemaakt zijn uit fossiele grondstoffen verandert het klimaat doordat na verbranding of na biologische afbraak koolstofdioxide vrijkomt dat zich ophoopt in de atmosfeer en daar het broeikaseffect versterkt. Een atmosfeer met een verhoogd gehalte aan koolstofdioxide houdt de warmte beter vast en verhoogt daardoor de temperatuur van de atmosfeer, zoals een broeikas dat doet. Sinds het jaar 1750, het begin van de industriële revolutie, is de koolstofdioxideconcentratie met 48% toegenomen en veel klimatologen gaan er vanuit dat dat de hoofdoorzaak is van de eveneens toegenomen temperatuur op aarde. Volgens hen zal deze temperatuursverhoging leiden tot een stijging van de zeespiegel en extremer weer (stormen, droogte, overstromingen).
    Een natuurlijkere toekomst voor Nederland in 2120
    Baptist, Martin ; Hattum, Tim van; Reinhard, Stein ; Buuren, Michaël van; Rooij, Bertram de; Hu, Xiaolu ; Rooij, Sabine van; Polman, Nico ; Burg, Sander van den; Piet, Gerjan ; Ysebaert, Tom ; Walles, Brenda ; Veraart, Jeroen ; Wamelink, Wieger ; Bregman, Bram ; Bos, Bram ; Selnes, Trond - \ 2019
    Wageningen : Wageningen University & Research - 19
    Nederland staat voor grote opgaven: de energietransitie, verduurzaming van de landbouw, herstel van de biodiversiteit, verstedelijking en klimaatadaptatie. Al deze opgaven hebben gevolgen voor de ruimtelijke inrichting van ons land. Het is onvermijdelijk dat Nederland er over honderd jaar anders uit zal zien. Grote veranderingen zijn nodig om opgewassen te zijn tegen een stijgende zeespiegel, perioden van extreem weer, een toenemende vraag naar voedselproductie en een noodzaak om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.Deze opgaven vragen om een nieuw verhaal voor Nederland. Een verhaal waarin dit dichtbevolkte land zich ontwikkelt tot een gidsland waar natuur, duurzame economie, leefbaarheid en veiligheid voorop staan. Een verhaal gebaseerd op ‘nature based solutions’ waarin opgaven voor klimaat en biodiversiteit hand in hand gaan.Wageningen University & Research heeft dit verhaal geschreven gebaseerd op expertkennis: een toekomstvisie voor Nederland in 2120, waarin natuur en natuurlijke processen een hoofdrol spelen. Een visie die bedoeld is om te inspireren. Het schetst een toekomst waarin economische ontwikkeling en een natuur-inclusieve samenleving hand in hand gaan. De toekomstvisie houdt rekening met de bijzondere kenmerken van verschillende deelgebieden in Nederland. Door middel van kaarten en doorsnedes laten we op hoofdlijnen zien wat er per gebied mogelijk is op het gebied van ruimtelijke inrichting. Dit toekomstbeeld schetst een denkrichting gebaseerd op de uitkomsten van diverse ontwerp- en discussiesessies met onderzoekers. Er is behoefte aan nadere uitwerking en onderbouwing. Samen met stakeholders gaan we deze visie verder ontwikkelen, onderbouwen en vertalen naar handelingsperspectief voor het hier en nu.
    Garnalenkweek zet muizenstapjes richting duurzaamheid
    Wiegertjes, Geert - \ 2019
    garnaal

    Belgen zijn verzot op garnalen, en dat is duidelijk te merken aan de winkelrekken. Die bieden de consument een ruim aanbod, van de eigen noordzeegarnaal tot diverse tropische variëteiten. Die laatste worden steeds vaker gekweekt in plaats van op zee gevangen. Op zich een goede zaak, want vele garnalenpopulaties zijn overbevist. Alleen moet er dan wel werk gemaakt worden van duurzame kweekmethodes.

    Ooit gold de garnaal als eten voor arme mensen in de kuststreek. Maar zodra het grote publiek de smaak van garnalen te pakken kreeg, is de vraag alleen maar blijven stijgen. Net als het aanbod trouwens, uitgebreid met een gamma aan tropische garnalen uit Azië of Latijns-Amerika. Die tropische garnalen worden steeds vaker gekweekt in plaats van op zee gevangen. Hoewel de kweek in aquacultuur op commerciële schaal relatief nieuw is, groeit de sector sterk, aangedreven door onze niet te stillen zin in garnalen.

    Anno 2019 komt zo’n 55 procent van alle tropische garnalen uit kweekvijvers, een percentage dat alleen maar zal toenemen, want de vangst op zee stagneert al meer dan een decennium. De populaties wilde garnalen in vele tropische zeeën zijn overbevist, wat maakt dat aquacultuur in deze zeker een duurzaam alternatief kan bieden.

    Controle over het leven van een kweekgarnaal

    Garnalen kweken biedt wel degelijk voordelen in vergelijking met garnalen vangen op zee. “Kwaliteitscontrole en traceerbaarheid zijn er daar twee van”, zegt professor Geert Wiegertjes, hoofd van de onderzoeksgroep Aquacultuur en Visserij van Wageningen Universiteit. “Over garnalen die op zee gevangen werden, weet je nagenoeg niets. Hoe en in welke omstandigheden heeft dat dier geleefd? Wat zit er precies in die garnaal? Dat is anders voor gekweekte garnalen, want daar heeft men een perfect overzicht van geboorte tot eindproduct. Dat geeft dan ook een beter beeld van hoe gezond een garnaal precies is.”

    De mate van duurzaamheid hangt af van hoe de kweek plaatsvindt. “Als je in een ecosysteem op zee dieren vangt, en de populaties de kans geeft zich te herstellen, dan is daar niet veel mis mee”, verduidelijk professor Wiegertjes.

    “Alleen is er wel zoiets als een maximum aan garnalen (of andere zeedieren) dat je op een duurzame manier kan vangen. Als er meer gevist wordt, zullen populaties zich niet herstellen. Dat maximum hangt onder andere af van de snelheid waarmee een soort zich voortplant en de gezondheid van het ecosysteem in kwestie. Maar globaal genomen is dat maximum al een tijdje bereikt. Toch kan je niet zwart op wit stellen dat kweek op zich duurzamer is. Aquacultuur kan net zo goed destructief voor het milieu zijn. Het kappen van mangrovebossen voor garnalenkweek is een goed voorbeeld van een foute aanpak."

    Explosieve groei ten koste van het milieu

    De kweek van garnalen – zowel in zoet als zout water – kent een lange traditie in Azië, maar het was pas in de jaren zeventig dat aquacultuur doorbrak op commerciële schaal en uitgroeide tot een belangrijke economische sector. Het kweken van garnalen en vis in aquacultuur werd door overheden en ontwikkelingsorganisaties gestimuleerd als middel tegen armoede. Aquacultuur bleek een relatief goedkope en eenvoudige manier om huishoudens een bron van voedsel en inkomsten te bieden.

    Aan de opmars van de garnalenkweek hing echter een hoog prijskaartje, meer bepaald voor het milieu. Vooral in Azië heeft de explosieve groei van de oppervlakte aan kweekvijvers stevig ingehakt op de mangrovebossen in de kustregio’s. De garnalenkweek zou in maar liefst 40 procent van de gevallen rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het verdwijnen van mangrovebossen. Net die mangrovebossen zijn enorm waardevolle ecosystemen op de grens van land en zee. Het verdwijnen ervan heeft negatieve effecten op de rest van het maritieme milieu. Voor heel wat vissen en andere zeedieren zijn mangrovebossen essentieel als paaiplaatsen waar ze paren en eieren leggen.

    Mangrovebossen werken bovendien als een soort filter die slib vanop het land vasthouden en op die manier water zuiveren. Daarnaast vormen de bossen een soort buffer die kustregio’s beschermt tegen erosie, stormen en overstromingen.

    De intensivering van de kweek betekent dat men veel meer garnalen op kleine oppervlaktes houdt. Die hoge densiteit maakt garnalen gevoelig voor ziektes, wat leidt tot overmatig antibioticagebruik in de kweek. Uitwerpselen van garnalen, onverteerd voer, chemicaliën en antibioticaresiduen verzamelen zich op de bodem van kweekvijvers. Vaak kuisen kwekers dit slib wel uit, maar wordt het gedumpt zodat de toxische mix alsnog in het water terecht komt.

    Stapjes richting duurzamere kweek

    Gelukkig groeit het besef dat een andere aanpak nodig is. De onderzoeksgroep Aquacultuur en Visserij van Wageningen Universiteit heeft onderzoeksprogramma’s over aquacultuur lopen in verschillende Aziatische landen. “Voor kleinere telers is ecologische intensivering een optie”, zegt professor Wielertjes. “Tropische garnalen eten van nature plankton, niet het voer dat telers hen geven. Door de gezondheid van vijvers te verbeteren, komt er meer plankton in het water en zal de garnaal sneller groeien. Die ecologische intensivering is voor kleinere telers een eenvoudige manier om op duurzame manier hun productie te verhogen.”

    Die kleinere telers richten zich evenwel meestal op de lokale markt. Het zijn dan ook niet hun garnalen, maar wel die van de grote producenten die we doorgaans in onze winkelrekken vinden. Ook daar lijkt een omslag naar meer duurzame kweekmethodes ingezet, deels uit eigenbelang. De explosieve, ongecontroleerde groei van intensieve garnalenkweek in Azië, maar ook in Latijns-Amerika zorgde voor heel wat ziektes, vaak met desastreuze gevolgen voor de sector. Vooral virale ziektes richtten ware ravages aan. Thailand bijvoorbeeld, na China het land met de hoogste productie gekweekte garnalen, werd in 2011 getroffen door een nieuwe infectie, het early morality syndrome, dat de opbrengst van de sector met 40 procent deed dalen.

    Daarom dat de industrie kijkt naar kweeksystemen die meer controle over de keten bieden. “Met recirculatiesystemen kan dat”, weet professor Wiegertjes. “Natuurlijk blijft het de vraag of het een goed idee is om garnalen in een dergelijke dichtheid te kweken. Maar dergelijke systemen recycleren hun water, en gaan efficiënter om met energie. Ook is er meer controle over de afvalstromen, de mest van de garnalen, zeg maar. Garnalen geteeld in een dergelijk systeem kan je gerust een stuk duurzamer noemen."

    Garnalen op een plantaardig dieet

    Hergebruik van water is maar een voorbeeld van nieuwe methodes die de ecologische voetafdruk van de garnalenkweek kunnen verminderen. Ook op vlak van voeding valt er vooruitgang te boeken. Nu krijgen garnalen vaak nog vismeel voorgeschoteld, maar gezien de precaire toestand van vele visbestanden en de groei van aquacultuur is die praktijk niet houdbaar. Daarom dat men zoekt naar plantaardige alternatieven.

    Sojameel is een optie, maar dat bevat een aantal chemische stoffen zoals saponinen die de spijsvertering van sojameel bemoeilijken. Nieuwe bewerkingstechnieken slagen er echter steeds beter in om deze stoffen uit soja te filteren, zodat garnalen voer op basis van soja beter verteren. Ook algen en insecten zijn mogelijke alternatieven voor vismeel, al ligt de kostprijs nog te hoog.

    Naast waterverbruik en voer kan de druk van ziektes en plagen anders aangepakt worden. Vaak zijn het vogels die zieke exemplaren oppikken uit kweekvijvers en zo pathogenen verspreiden via hun uitwerpselen. Het kweken van garnalen in overdekte vijvers of in serres kan dit voorkomen. Verder helpt een minder hoge densiteit van garnalen de gezondheid van een kweeksysteem, net als polycultuur, waarbij garnalen kweekvijvers delen met vissoorten zoals de tilapia of de bandeng. In Thailand – een koploper op vlak van het verduurzamen van aquacultuur – lopen kleinschalige projecten waarbij mangrovebossen hersteld worden om tegelijk de waterkwaliteit van de kweekvijvers te verbeteren.

    Garnalenkweek in België

    Ook bij ons wordt er geëxperimenteerd met de kweek van tropische garnalen. In België kweekt het bedrijf Crevetec tropische garnalen en ontwikkelt tegelijk nieuwe kweekmethodes en voer voor een meer duurzame kweek. Maar aan het kweken van noordzeegarnalen heeft zich echter tot nu toe nog niemand gewaagd, want het blijft veel eenvoudiger ze op zee te vissen. Wel voerde het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) een onderzoek uit naar het potentieel van de kweek. Een geheel nieuw terrein, want het kweken van noordzeegarnalen in aquacultuur lijkt in niets op dat van tropische garnalen, waarvoor wel al heel wat expertise bestaat.

    In tegenstelling tot sommige tropische soorten zoals de tijgergarnaal lijdt de noordzeegarnaal niet onder overbevissing. De populatie is gezond, hoewel er niet veel natuurlijke slikken en schorren – de paaiplaatsen van de garnaal – overblijven aan de kust. Het helpt dat garnalen een erg korte levenscyclus hebben en dat dat populaties zich makkelijk herstellen. Daarom dat de EU geen quota voor garnalen oplegt. De soort mag vrij bevist worden, en naar schatting 15 tot 55 procent van het garnalenbestand in de gehele Noordzee wordt bovengehaald.

    Vraag naar levende noordzeegarnalen

    Om ecologische redenen hoeft het dus niet, de kweek van noordzeegarnalen. Het onderzoek naar de mogelijkheid van garnalen in aquacultuur kwam er in de eerste plaats vanuit een economische logica, laat Daan Delbare, hoofd van de Onderzoeksgroep Aquacultuur bij ILVO via mail weten. “Er is vraag naar grote, levende noordzeegarnalen. Culinair bieden die meer mogelijkheden dan gekookte garnalen. Men kan ze immers bakken of frituren, of zelfs rauw serveren.”

    “Alleen voldoet de visserij vandaag niet aan die vraag”, aldus Delbare. “Grote garnalen maken slechts 2 procent uit van de vangst. Levende garnalen worden enkel uit de laatste sleep van een vangst gehaald, iets wat manueel dient te gebeuren. Men moet de garnaal van vangst tot klant in leven houden en dat is een enorm arbeidsintensief proces.”

    Het lijkt dus mogelijk om noordzeegarnalen te telen in aquacultuur, al zijn er nog wat obstakels. “Een groot probleem is het kannibalisme onder de noordzeegarnaal. Die is eigenlijk een omnivoor, maar met een voorkeur voor dierlijke voeding, zoals wormen en onvolgroeide zeedieren. Maar ook kleinere soortgenoten staan op het menu, en dat is lastig voor telers. Ook aan de precieze samenstelling van een optimaal dieet voor de noordzeegarnalen moet nog gesleuteld worden."

    Duidelijke labels voor duurzame garnalen

    De kweek van noordzeegarnalen is dus nog niet voor morgen. “Maar tropische garnalen worden wel steeds meer in aquacultuur geteeld. De laatste vijf jaar is de productie met zo’n 20 procent gestegen, terwijl de vangst op zee stagneert. Hoewel de mistoestanden in de sector zeker nog niet verdwenen zijn, lijkt de trend naar een meer ecologisch verantwoorde kweek ingezet”, aldus professor Wiegertjes. “Produceren enkel om maar zoveel mogelijk te produceren, daar is men ook in Azië van af aan het stappen. In de gehele sector vinden meer duurzame teeltmethodes ingang zoals recirculatiesystemen die water zuiveren en hergebruiken.”

    Voor consumenten die duurzame keuzes willen maken bieden labels een houvast. Voor vangst op zee is er het Maritime Stewardship Council label (MSC), en naar analogie werd er in 2012 ook een Aquaculture Stewardship Council label (ASC) in het leven geroepen. Een goede zaak, vindt Wiegertjes. “In Nederland bijvoorbeeld is er een supermarktketen die enkel nog aquacultuurproducten met dat label aanbiedt. Dat soort keuzes maakt een groot verschil. Er is een maatschappelijke tendens die duurzaamheid belangrijk vindt en daar meer voor wil betalen. Alleen zet zich dat nog niet altijd door in koopgedrag. Maar ik denk wel dat deze trend aan belang zal winnen in de toekomst."

    Gezonde honingbijen met Varroa : Mijten bestrijden of bijen selecteren?
    Blacquiere, T. - \ 2019
    Nieuwsbrief van bijen@wur (2019). - 3 p.
    Honingbijen van de soort Apis mellifera, van nature voorkomend in Afrika, Europa en het midden Oosten, worden nu door mensen overal ter wereld gebruikt. Deze bijen hebben last van een uit Azië afkomstige parasitaire mijt, Varroa destructor. De weerbaarheid van de honingbijen tegen die mijt houdt niet over en de door imkers gebruikte bijenvolken overleven niet of nauwelijks tenzij de imker de mijten regelmatig bestrijdt. Toch bezitten de honingbijen wel eigenschappen in hun fysiologie en gedrag waarmee ze de mijten kunnen bestrijden. We kennen ze lang nog niet allemaal, maar een van de eigenschappen is het varroa-gevoelige hygiënisch gedrag (afgekort in het Engels: VSH).
    Zo veel natuurgebiedjes, het houdt een keer op
    Rabbinge, Rudy ; Dobben, Han van; Kleijn, David - \ 2019
    Beste boeren, de burger houdt wél van jullie
    Broekhuizen, R.E. van - \ 2019

    Ook online verschenen als: De boer heeft de burger mee, en toch voelt hij zich miskend

    Inspiratie voor een leefbare stad
    Dijkshoorn-Dekker, Marijke ; Haaster-de Winter, Mariët van; Mattijssen, Thomas ; Polman, Nico - \ 2019
    Wageningen : Wageningen Economic Research (Publicatie / Wageningen Economic Research : 2019-092 ) - 38
    Hoe kun je burgers actief betrekken bij oplossingen voor een gezond, leefbaar en duurzaam stedelijk gebied? Er spelen tal van uitdagingen. Hoe kun je in een tijd van grondstofschaarste omgaan met afval? Hoe kun je eraan bijdragen dat een groeiende bevolking toegang heeft en houdt tot voldoende gezond voedsel? Hoe bescherm je een stad tegen extreme weersomstandigheden zoals wateroverlast en droogte? In deze brochure reiken we je via inspirerende praktijkvoorbeelden mogelijkheden aan om burgers te informeren over, faciliteren bij en motiveren naar ander gedrag.
    Brandveiligheid stallen ondermaats, aantal stalbranden onbekend
    Hopster, H. - \ 2019
    Agricultural practices and water quality on farms registered for derogation in 2017
    Lukács, S. ; Blokland, P.W. ; Prins, H. ; Vrijhoef, A. ; Fraters, D. ; Daatselaar, C.H.G. - \ 2019
    Bilthoven : National Institute for Public Health and the Environment (RIVM report 2019-0026) - 119
    Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2017 In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruiming wordt derogatie genoemd. Het RIVM en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2017 en de trend vanaf 2006. Op basis van deze resultaten concluderen we dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Bedrijfsvoering In 2017 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 245 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren wordt meer stikstof uit mest gebruikt voor de aanwas, en dus productie, van gewassen: de indicator ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor sinds 2006 met 20 procent gedaald. Een dalend stikstofbodemoverschot houdt in dat stikstof efficiënter wordt gebruikt. Hierdoor kan er minder nitraat met regenwater wegzakken naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terechtkomen. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is daardoor sinds 2006 minder of evenveel nitraat in het grondwater terechtgekomen. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio’s onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor gemiddelden per regio. Op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden, maar gemiddeld genomen voldoen steeds meer derogatiebedrijven de laatste jaren aan deze norm. De hoogste nitraatconcentraties zijn in 2017 aangetroffen in de Lössregio (38 milligram per liter) en in het zuidelijk en oostelijk deel van de Zandregio (31 milligram per liter). In deze regio’s komen drogere gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan wegzakken naar het grondwater. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV).
    Cabriodak houdt appelluizen tegen
    Maas, Rien van der - \ 2019
    Van der Veen houdt levend erfgoed Fries ras in stand
    Schurink, A. ; Windig, J.J. ; Sulkers, H. ; Hulsegge, B. ; Oldenbroek, J.K. - \ 2019
    DNA barcoding fishes from the Congo and the Lower Guinean provinces: Assembling a reference library for poorly inventoried fauna
    Sonet, Gontran ; Snoeks, Jos ; Nagy, Zoltán T. ; Vreven, Emmanuel ; Boden, Gert ; Breman, Floris C. ; Decru, Eva ; Hanssens, Mark ; Ibala Zamba, Armel ; Jordaens, Kurt ; Mamonekene, Victor ; Musschoot, Tobias ; Houdt, Jeroen Van; Steenberge, Maarten Van; Lunkayilakio Wamuini, Soleil ; Verheyen, Erik - \ 2019
    Molecular Ecology Resources 19 (2019)3. - ISSN 1755-098X - p. 728 - 743.
    biodiversity - Central Africa - COI - freshwater - ichthyofauna - taxonomy

    The Congolese and Lower Guinean ichthyological provinces are understudied hotspots of the global fish diversity. Here, we barcoded 741 specimens from the Lower and Middle Congo River and from three major drainage basins of the Lower Guinean ichthyological province, Kouilou-Niari, Nyanga and Ogowe. We identified 194 morphospecies belonging to 82 genera and 25 families. Most morphospecies (92.8%) corresponded to distinct clusters of DNA barcodes. Of the four morphospecies present in both neighbouring ichthyological provinces, only one showed DNA barcode divergence <2.5%. A small fraction of the fishes barcoded here (12.9% of the morphospecies and 16.1% of the barcode clusters representing putative species) were also barcoded in a previous large-scale DNA analysis of freshwater fishes of the Lower Congo published in 2011 (191 specimens, 102 morphospecies). We compared species assignments before and after taxonomic updates and across studies performed by independent research teams and observed that most cases of inconsistent species assignments were due to unknown diversity (undescribed species and unknown intraspecific variation). Our results report more than 17 putative new species and show that DNA barcode data provide a measure of genetic variability that facilitates the inventory of underexplored ichthyofaunae. However, taxonomic scrutiny, associated with revisions and new species descriptions, is indispensable to delimit species and build a coherent reference library.

    Handel in zieke kip houdt vogelgriep in stand
    Indrawan, D. - \ 2019
    Ultravroeg ras houdt dasschade beperkt
    Groten, Jos - \ 2019
    Data from: DNA barcoding fishes from the Congo and the Lower Guinean provinces: assembling a reference library for poorly inventoried fauna
    Sonet, Gontran ; Snoeks, Jos ; Nagy, Zoltán T. ; Vreven, Emmanuel ; Boden, Gert ; Breman, F.C. ; Decru, Eva ; Hanssens, Mark ; Ibala Zamba, Armel ; Jordaens, Kurt ; Mamonekene, Victor ; Musschoot, Tobias ; Houdt, Jeroen Van; Steenberge, Maarten Van; Lunkayilakio Wamuini, Soleil ; Verheyen, Erik - \ 2018
    Royal Belgian Institute of Natural Sciences
    biodiversity - freshwater - taxonomy - COI - Ichtyofauna
    The Congolese and Lower Guinean ichthyological provinces are understudied hotspots of the global fish diversity. Here, we barcoded 741 specimens from the Lower and Middle Congo River and from three major drainage basins of the Lower Guinean ichthyological province, Kouilou-Niari, Nyanga and Ogowe. We identified 195 morphospecies belonging to 82 genera and 25 families. Most morphospecies (92.8%) corresponded to distinct clusters of DNA barcodes. Of the four morphospecies present in both neighbouring ichthyological provinces, only one showed DNA barcode divergence <2.5%. A small fraction of the fishes barcoded here (12.9% of the morphospecies and 16.1% of the barcode clusters representing putative species) were also barcoded in a previous large-scale DNA analysis of freshwater fishes of the Lower Congo published in 2011 (191 specimens, 102 morphospecies). We compared species assignments before and after taxonomic updates and across studies performed by independent research teams and observed that most cases of inconsistent species assignments were due to unknown diversity (undescribed species and unknown intraspecific variation). Our results report more than 17 putative new species and show that DNA barcode data provide a measure of genetic variability that facilitates the inventory of underexplored ichthyofaunae. However, taxonomic scrutiny, associated with revisions and new species descriptions, is indispensable to delimit species and build a coherent reference library.
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.