Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 20 / 182

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Data rapportage Marktbemonstering schubvis IJsselmeergebied 2016-2018
    Griffioen, A.B. - \ 2019
    Yerseke : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C130/19) - 16
    Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is in het kader van de Visserijwet verantwoordelijk voor een duurzame visserij op snoekbaars, baars, blankvoorn en brasem op het IJsselmeer en Markermeer. Het ministerie heeft hierbij het uitgangspunt het beheer te baseren op wetenschappelijk onderbouwde vangst- en inspanningsadviezen. Ook wil het ministerie meer en betere informatie verzamelen over ontwikkelingen in de leeftijd en lengte opbouw van de vangst en van de bestanden en daarmee toewerken naar nauwkeurigere visserijmodellen. In 2016 en 2017 zijn eerste pilot studies uitgevoerd. Hierbij zijn beroepsvissers vissend op schubvis (met name baars, brasem, blankvoorn en snoekbaars) bezocht aan boord ten tijde van visserijactiviteiten, welke voornamelijk staand want visserij, maar ook zegenvisserij betrof. Er is besloten om de marktbemonstering voort te zetten in 2018 en 2019. Deze rapportage geeft een overzicht van de gegevens die zijn verzameld in de jaren 2016-2018. In totaal zijn er in 2016-2018 66 bezoeken geweest bij staandwant en zegen vissers; 14 in 2016 (alleen in kwartaal 3 en 4), 21 in 2017 en 30 in 2018. In totaal zijn 29.531 vissen gemeten aan boord van de schepen. Van de doelsoorten waren dit 6.231 brasem, 9.613 blankvoorn, 4.332 baars en 7.063 snoekbaars. Daarnaast zijn 1.351 bot geteld en gemeten en zijn 17 andere vissoorten gevangen (waaronder steurachtigen en een hybride karper). Daarnaast is ook wolhandkrab en rivierkreeft gevangen. De gemiddelde lengte van baars was in 2016-2018 respectievelijk 31, 30, 31cm. Hiervan van circa 3-5% van de vangst ondermaats (kleiner dan 22 cm). De gemiddelde lengte van brasem was in 2016-2018 respectievelijk 32, 33, 32cm. De gemiddelde lengte van snoekbaars in 2016-2018 respectievelijk 46, 41, 45cm. Over de jaren 2016-2018 blijkt dat 17-34% van de vangst van snoekbaarzen kleiner was dan 42 cm (ondermaats). De gemiddelde lengte van blankvoorn in 2016-2018 respectievelijk 29, 30, 30cm. Dit zijn vangstgegevens van vissen gevangen in de 101mm maas. De samenwerking met de bezochte beroepsvisserij verliep in 2016 vanuit het perspectief vanuit WMR goed en prettig, ook na herhaald bezoek. In 2017 en 2018 is het merendeel van het veldwerk overgenomen door FISHNED consultancy. Het hebben van een centraal contactpersoon lijkt ook goed te werken voor zowel de beroepsvisserij als voor WMR. De bemonstering wordt voortgezet wordt voortgezet in 2020.
    Reconstructie van het Japanse oesterbestand in de Oosterschelde
    Troost, K. ; Asch, M. van - \ 2019
    IJmuiden : Stichting Wageningen Research, Centrum voor Visserijonderzoek (CVO) (CVO rapport 19.008) - 14
    Sinds 2011 wordt jaarlijks binnen het WOT Visserij programma in opdracht van het Ministerie van LNV een schatting gemaakt van het areaal Japanse oesterbanken op de droogvallende platen van de Oosterschelde en het daarin aanwezige bestand aan Japanse oesters. Ook vóór 2011 zijn in verschillende jaren schattingen gemaakt. Geschatte bestanden in de periode 2011-2017 blijken aanzienlijk kleiner dan geschat in de periode vóór 2011, terwijl arealen niet zo sterk zijn afgenomen. Het is daarom de vraag of het oesterbestand daadwerkelijk is afgenomen, of dat de afname eigenlijk veroorzaakt is door een verandering in werkwijze. Onderzocht is of de afname in het bestand van Japanse oesters tussen beide perioden veroorzaakt kan zijn door een afname in levende biomassa binnen de banken, of dat de afname is veroorzaakt door een verschil in methodiek. Op basis van de resultaten uit dit onderzoek is vervolgens de ontwikkeling van het bestand aan Japanse oesters in de Oosterschelde voor de periode 1980-2011 gereconstrueerd. Methodiek in de verschillende jaren en het effect daarvan op de resultaten zijn beschreven in hoofdstuk 2 “Onderzoek”. In hoofdstuk 3 “Reconstructie” worden methodiek en resultaten van de reconstructie beschreven. In hoofdstuk 4 worden methodiek en resultaten van de reconstructie bediscussieerd en de eindconclusies gepresenteerd. Geconcludeerd wordt dat: 1. De biomassa aan oesters per m2 binnen de Japanse oesterbanken niet is afgenomen tussen 2003 en 2011; 2. Het oesterbestand op de droogvallende platen van de Oosterschelde voor de jaren 1990, 2003 en 2011 overschat is; 3. De gereconstrueerde tijdreeks een beter beeld geeft van de ontwikkeling van het Japanse oesterbestand in de periode tot en met 2011.
    Minder ADHD in groene wijk
    Vries, S. de - \ 2019
    In wijken met meer groen gebruiken minder kinderen ADHD-medicatie, blijkt uit Wagenings onderzoek. Dit geldt vooral voor armere wijken. Ook zijn de verschillen in mentale gezondheid tussen mensen met lagere en hogere inkomens aanzienlijk kleiner in een groene woonomgeving dan wanneer de woonomgeving minder groen is. Met adviezen aan overheden, projectontwikkelaars en stedenbouwkundigen dragen Wageningse onderzoekers bij aan een gezondere leefomgeving. Denk je dat we meer kunnen investeren in groen voor onze gezondheid?

    “Invasieve soorten zijn een kleiner probleem dan de klimaatverandering”
    Vet, L.E.M. ; Lerink, Bas - \ 2019
    Vakblad Natuur Bos Landschap 16 (2019)157. - ISSN 1572-7610 - p. 10 - 11.
    Beïnvloeding van de ammoniakemissie uit melkveestallen met roostervloer door beweiding : onderzoek op Dairy Campus
    Dooren, H.J.C. van; Ogink, N.W.M. ; Riel, J.W. van; Mosquera, J. ; Zonderland, J.L. - \ 2019
    Wageningen : Wageningen Livestock Research (Wageningen Livestock Research rapport 1130) - 39
    Tijdens beweiding van melkvee verlaten de dieren de stal. Dit beïnvloedt de ammoniakemissie uit de stal. Bij terugkeer van de dieren in de stal neemt de ammoniakemissie weer snel toe. In totaal heeft beweiding een reducerend effect op de ammoniakemissie per dierplaats per jaar dat afhangt van snelheid waarmee de ammoniakemissie afneemt en weer toeneemt. Metingen op Dairy Campus laten zien dat de afname van de ammoniakemissie langzamer gaat dan tot nu toe gedacht. Op basis van deze resultaten is het beweidingseffect kleiner dan tot nu toe aangenomen, namelijk 2% in plaats van 5% bij 720 uur weidegang per jaar. Het beweidingseffect kan weer vergroot worden door meer dagen per jaar of meer uren per dag te weiden of aanvullende maatregelen te nemen die de emissie verder verlagen (bijvoorbeeld gebruik van water of beperking van de ventilatie tijdens beweiding). De geldigheid van de resultaten voor de bredere praktijk moet nog verder onderzocht worden.
    Mest en metropolen : een bijdrage aan de discussie over oplossingsrichtingen voor het sluiten van kringlopen
    Wolf, Pieter de; Verstand, Daan ; Poppe, Krijn ; Vellinga, Theun - \ 2019
    Lelystad : Stichting Wageningen Research, Wageningen Plant Research, Business unit Open Teelten (Rapport / Stichting Wageningen Research, Wageningen Plant Research, Business unit Open Teelten 791) - 38
    In het concept kringlooplandbouw is de veehouderij niet weg te denken. Dieren vervullen een essentiële functie door reststromen te verwaarden. De nutriënten uit hun mest kunnen weer benut worden in de plantaardige productie. De productie van dierlijke producten en de daaraan gerelateerde productie van mest ligt onder een vergrootglas vanuit meerdere maatschappelijke doelen; de beslag op land en grondstoffen, de concentratie van veehouderij, het hergebruik van nutriënten uit mest, klimaatopgaves en milieuproblemen. Historisch is de veehouderij nauw verbonden met de plaats waar mensen wonen, waardoor de vraag boven komt hoe mensen en dieren verspreid zijn over de planeet.Nederland is een extreem voorbeeld van een gebied waar veel mensen en veel dieren op een klein oppervlak in een vruchtbare delta samen leven. Dat is voor een deel te verklaren door Von-Thunens economisch-geografische model: dagverse producten als zuivel worden dicht bij de stad geproduceerd. Daarnaast speelt de goede infrastructuur (zeehavens) en beschikbare kennis een belangrijke rol voor een efficiënt veehouderij systeem. De combinatie van veel dieren en veel mensen dicht op elkaar brengt ook problemen met zich mee. Deze verkennende studie richt zich op de ophoping van nutriënten (met als voorbeeld fosforstromen) en presenteert twee extreme denkrichtingen die oplossing kunnen bieden, waaruit duidelijk wordt dat er bij kringlooplandbouw het menselijke-afval systeem niet los gezien kan worden van het landbouwproductie systeem.De veehouderij bij steden in Delta’s worden gevoed door importen van veevoer vanuit andere gebieden, door ons als Graanschuren betiteld. Dit zijn uitgestrekte graan of soja producerende regio’s, die dunbevolkt zijn. De veehouderij ontbreekt in deze gebieden. Er is een forse stroom van nutriënten van de Graanschuren naar de Delta’s; die resulteert in uitputting van nutriënten in de graanschuur, en een ophoping van nutriënten in de Delta. De Delta’s exporteren, naast eigen consumptie, een deel van hun dierlijke producten naar regio’s waar vraag naar deze producten is; stedelijke gebieden, door ons genoemd Metropolen. Daar zijn veel mensen, maar weinig dieren. Het laatste kwadrant in dit schema van veel of weinig vee resp. mensen is dat van de Veehouderij concentraties (veel dieren, weinigmensen). Deze blijken in feite niet te bestaan. Dat is een aanwijzing dat het lastig is om veehouderij te verplaatsen uit Delta’s naar Graanschuren en die meerwaarde aan hun bulkproduct veevoer te laten toevoegen via gespecialiseerde veehouderij.Om kringlopen van nutriënten te sluiten, moet er veel gebeuren aan het huidige systeem. In Nederland (als Delta gebied) treden bijvoorbeeld fosfor-verliezen op in het humane systeem, omdat nutriënten niet worden teruggewonnen vanuit rioolslib. In kringlooplandbouw zal dit moeten worden opgelost en daartoe zijn er twee oplossingsrichtingen geïdentificeerd. De eerste oplossingsrichting is een technische: De Delta blijft een plek waar veel dieren en veel mensen samen leven. Met nutriënten wordt echter efficiënter omgegaan: Verliezen worden voorkomen door het terugwinnen van nutriënten uit rioolslib en de mestverwerkingsindustrie. Deze teruggewonnen nutriënten zullen naar de veevoer producerende gebieden (Graanschuren) getransporteerd moeten worden, om de tekorten daar aan te vullen. De tweede oplossingsrichting is een oplossing waar het aantal dieren in de Delta verminderd wordt, omdat er geen veevoer geïmporteerd meer wordt. Aangenomen dat consumptie van dierlijke producten gelijk blijft, zal een andere regio deze productie over moeten nemen; de Graanschuur. Zo worden de dieren gehouden vlak bij de plek waar hun voer wordt geteeld. Omdat daar weinig mensen wonen, zal de overlast en de risico’s op bijvoorbeeld zoönose kleiner zijn. Daarnaast hoeven er alleen nog kant en klare producten getransporteerd te worden en kan het transport van veevoer en de retourvracht van nutriënten geminimaliseerd worden. Deze oplossingsrichting heeft als gevolg dat de voorheen Graanschuren verschuiven richting Veehouderij-concentraties, en de Delta’s naar Metropolen. Beide oplossingen zijn ingrijpend, kostbaar en (bestuurlijk) lastig te realiseren. Aan de andere kant, de huidige situatie is vanuit kringloop- en milieuoogpunt ook niet duurzaam. Een verdere uitwerking van de haalbaarheid en economisch en milieutechnische gevolgen ervan is nodig om een duidelijke keuze te kunnen maken tussen deze twee uiterste oplossingsrichtingen of een tussenvorm daarvan.
    Voor succesvolle kringlooplandbouw moet de veestapel fors kleiner (maar veganisme is niet de oplossing)
    Boer, I.J.M. de; Ittersum, M.K. van - \ 2019

    Als Nederland de overgang wil maken naar een circulaire landbouw, zal de veestapel misschien wel gehalveerd moeten worden, zeggen twee Wageningse hoogleraren. Maar veganisme is ook niet de oplossing.

    Boomgericht bosbeheren dankzij bostracken
    Thomassen, Etienne - \ 2019
    Vakblad Natuur Bos Landschap (2019)153. - ISSN 1572-7610 - p. 16 - 18.
    Bostracken is het inventariseren, in kaart brengen en markeren van elementen in een bos voor de beheer-planning en uitvoering. De term verwijst naar het geheel doorkruisen van het bos. Dankzij bostracken ontstaat een duidelijk beeld van de kansen en mogelijkheden in een bepaald deel van het bos. Zodoende worden de waarden van het bos onderkend en worden aanknopingspunten gevonden voor verder beheer. Door te combineren met bleswerk gericht op deze elementen is de kans kleiner dat de beheerder zaken over het hoofd ziet. Zowel oudere volwassen bomen in de kroonlaag als jonge opslag daaronder en opstandsdelen met een beperkte functievervulling worden beoordeeld, vastgelegd en daarna zo nodig behandeld
    Bronnenanalyse nutriënten stroomgebied Maas
    Schipper, Peter ; Renaud, Leo ; Boekel, Erwin van - \ 2019
    Wageningen : Wageningen Environmental Research (Wageningen Environmental Research rapport 2931) - 81
    De waterkwaliteit in Nederland – en ook in het Maasstroomgebied (Noord-Brabant en Limburg) – verbetert wel, maar dit gaat niet snel genoeg om de doelen die voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn gesteld op tijd te halen. De stoffen stikstof en fosfor (nutriënten) zijn belangrijke factoren voor het bereiken van waterkwaliteitsdoelen. Om effectieve maatregelen te vinden, zijn gedegen gebiedsgerichte analyses nodig om bronnen van de belasting van het (grond)watermilieu door stoffen te kwantificeren. Deze analyses vormen de basis voor de maatregelen die in 2021 worden vastgesteld in de nationale stroomgebiedbeheerplannen (derde generatie SGBP’en) en regionale (water)plannen. De waterschappen en provincies in het Maasstroomgebied hebben behoefte aan een eenduidige analyse van de herkomst van de nutriënten in het oppervlaktewater. In opdracht van het Programmabureau KRW-DHZ Maasregio is onderzoek uitgevoerd naar de nutriëntenbelasting en de bronnen die deze belasting veroorzaken. Uit het onderzoek blijkt dat de totale nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater in hoofdzaak worden bepaald door de diffuse uit- en afspoeling vanuit landbouwgronden, effluenten van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s), toestroming vanuit het buitenland en inlaat vanuit rijkswateren. Voor stikstof heeft actuele bemesting een groot aandeel (72%) in de uit- en afspoeling. Voor fosfor is dit aandeel kleiner (gemiddeld 33%). Binnen debeheersgebieden van de vier waterschappen zijn er per vanggebied grote verschillen tussen de belasting en herkomst. Enerzijds door de regionale verschillen tussen de af- en uitspoeling en het aandeel van de bemesting hierin, anderzijds door de lozingslocaties van RWZI’s, de toestroom vanuit het buitenland, inlaat vanuit rijkswater en de doorvoer van bovenstrooms gelegen waterlichamen, hetgeen sterk verschilt per gebied. Deze resultaten bieden de basis om scenario’s voor maatregelen op te stellen en effecten ervan op de waterkwaliteit te kwantificeren.
    Levende bodem: de basis voor ons leven
    Faber, J.H. - \ 2018
    Wageningen : Wageningen University & Research
    ”De bodem is het regenwoud van de armen” Hiermee verwoordt de Schotse bioloog M.B. Usher het perfect: je hoeft niet ver te reizen om een grote verscheidenheid aan levende organismen te ontdekken op een klein oppervlak. Als je gewoon een blik onder je voeten werpt, kan dat je stoutste verwachtingen overtreffen. In de grond wemelt het namelijk van het leven. Behalve af en toe een regenworm of pissebed zie je daar normaal gesproken weinig van, aangezien veel bodemdieren slechts enkele millimeters groot zijn en het merendeel nog veel kleiner. Om micro-organismen te bekijken, heb je een microscoop nodig. Een handvol vruchtbare grond bevat echter duizenden soorten, miljarden bacteriën en meters schimmeldraden. Een kleine veertig jaar nadat het bovenstaande citaat werd opgeschreven, is het nog relevanter dan toen, aangezien de bodemkwaliteit over de hele wereld achteruit holt. Dit leidt tot wereldwijde problemen op het gebied van voedselveiligheid, klimaatverandering en -aanpassingsvermogen, waterkwaliteit en bodembiodiversiteit, en vormt zo een bedreiging voor de kwaliteit van ons leven en onze middelen van bestaan.
    Implementation of PROMETHEUS 4‐step approach for evidence use in EFSA scientific assessments: benefits, issues, needs and solutions
    Aiassa, Elisa ; Martino, Laura ; Barizzone, Fulvio ; Ciccolallo, Laura ; Garcia, Ana ; Georgiadis, Marios ; Guajardo, Irene Muñoz ; Tomcikova, Daniela ; Alexander, Jan ; Calistri, Paolo ; Gundert‐remy, Ursula ; Hart, Andrew David ; Hoogenboom, Ron Laurentius ; Messean, Antoine ; Naska, Androniki ; Navarro, Maria Navajas ; Noerrung, Birgit ; Ockleford, Colin ; Wallace, Robert John ; Younes, Maged ; Abuntori, Blaize ; Alvarez, Fernando ; Aryeetey, Monica ; Baldinelli, Francesca ; Barrucci, Federica ; Bau, Andrea ; Binaglia, Marco ; Broglia, Alessandro ; Castoldi, Anna Federica ; Christoph, Eugen ; Sesmaisons‐Lecarré, Agnes De; Georgiadis, Nikolaos ; Gervelmeyer, Andrea ; Istace, Frederique ; López‐Gálvez, Gloria ; Manini, Paola ; Maurici, Daniela ; Merten, Caroline ; Messens, Winy ; Mosbach‐Schulz, Olaf ; Putzu, Claudio ; Bordajandi, Luisa Ramos ; Smeraldi, Camilla ; Tiramani, Manuela ; Martínez, Silvia Valtueña ; Sybren, Vos ; Hardy, Anthony Richard ; Hugas, Marta ; Kleiner, Juliane ; Seze, Guilhem De - \ 2018
    EFSA Supporting Publications 15 (2018)4. - ISSN 2397-8325
    In 2014, the European Food Safety Authority (EFSA) started the PROMETHEUS (PROmoting METHods for Evidence Use in Scientific assessments) project to improve further and increase the consistency of the methods it uses in its scientific assessments. The project defined a set of principles for the scientific assessment process and a 4‐step approach (plan/carry out/verify/report) for their fulfilment, which was tested in ten case studies, one from each EFSA panel. The present report describes the benefits, issues, needs and solutions related to the implementation of the 4‐step approach in EFSA, identified in a dedicated workshop in October 2017. The key benefits of the approach, which was deemed applicable to all types of EFSA scientific assessment including assessments of regulated products, are: 1) increased ‘scientific value’ of EFSA outputs, i.e. the extent of impartiality, methodological rigour, transparency and engagement; 2) guarantee of fitness‐for‐purpose, as it implies tailoring the methods to the specificities of each assessment; 3) efficiency gain, since preparing a protocol for the assessment upfront helps more streamlined processes throughout the implementation phase; 4) innovation, as the approach promotes the pioneering practice of ‘planning before doing’ (well established in primary research) for broad scientific assessments in regulatory science; and 5) increased harmonisation and consistency of EFSA assessments. The 4‐step approach was also considered an effective system for detecting additional methodological and/or expertise needs and a useful basis for further defining a quality management system for EFSA's scientific processes. The identified issues and solutions related to the implementation of the approach are: a) lack of engagement and need for effective communication on benefits and added value; b) need for further advances especially in the field of problem formulation/protocol development, evidence appraisal and evidence integration; c) need for specialised expertise in the previous aspects; and specific needs for d) assessments of regulated products and e) outsourced projects.
    Herkomtst nutriënten Alblasserwaard en Vijfheerenlanden
    Boekel, Erwin van; Hendriks, Rob ; Schipper, Peter - \ 2018
    Wageningen : Wageningen Environmental Research (Wageningen Environmental Research rapport 2891) - 61
    De regionale waterkwaliteit voldoet op veel plaatsen nog niet aan de doelen die voor de Europese Kaderrichtlijn Water zijn gesteld. Een belangrijke oorzaak hiervan is de hoge nutriëntenbelasting. Het generieke mestbeleid zal naar verwachting niet voor 2027 leiden tot de voor de ecologie gewenste verlaging van nutriëntenbelasting. In de Stroomgebiedsbeheerplannen voor de 3e periode (2022-2027) moet Nederland de definitieve keuzes maken over de doelen van de waterlichamen en in te zetten maatregelen. Met name voor de waterlichamen in de Alblasserwaard (Nederwaard en Overwaard) wil Waterschap Rivierenland bij het definitief vaststellen van de doelen en maatregelen goed rekening kunnen houden met de achtergrondbelasting door nutriëntenrijke kwel, stikstofdepositie, mineralisatie en uitloging van veenbodems. In dit onderzoek is de nutriëntenbelasting voor de periode 2004-2013 gekwantificeerd voor de
    Nederwaard, Overwaard en het aangrenzende afwateringsgebied vijfheerenlanden. Met de methodiek ECHO zijn voor het kwantificeren van de uit- en afspoeling van nutriënten de rekenplots van het landelijk modelinstrumentarium STONE regiospecifieker toebedeeld op basis van actuele informatie over het landgebruik, bodemtype en de grondwaterstanden. Per gebied zijn de hoeveelheden inlaatwater en uitgemalen water gekwantificeerd (watervolume en nutriëntenvrachten) op basis van de meetdata en regiospecifieke kennis die het Waterschap voor het onderzoek heeft aangedragen. De belasting met nutriënten vanuit overige bronnen zijn ontleend aan de EmissieRegistratie. Na kwantificering en validatie van de berekende waterbalansen en nutriëntenbalansen is de belasting onderverdeeld naar de bronnen van herkomst. Uit het onderzoek blijkt dat de totale nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater voornamelijk wordt bepaald door de uit- en afspoeling uit landbouwgronden (83 à 95%). Voor stikstof levert de actuele bemesting het grootste aandeel (Nederwaard 38%, Overwaard 42%, Vijfheerenlanden 55%), gevolgd door de nalevering vanuit landbouwgronden (respectievelijk 20%, 17% en 8%). Met het modelinstrumentarium zijn de effecten van het 5e Nitraat Actie Programma op de uit- en afspoeling van nutriënten berekend. Evenals de landelijke evaluatie komt hieruit naar voren dat het effect hiervan op de nutriëntenbelasting in de beschouwde gebieden gering is (kleiner dan 5%).
    Ontwikkeling en validatie van computer vision technologie ten behoeve van een broccoli oogstrobot
    Blok, Pieter M. ; Tielen, Antonius P.M. - \ 2018
    Wageningen : Stichting Wageningen Research, Wageningen Plant Research, Business unit Agrosysteemkunde (Rapport WPR 799) - 19
    De selectieve en handmatige oogst van broccoli is arbeidsintensief en omvat ongeveer 35% van de totale productiekosten. Dit onderzoek is uitgevoerd om te bepalen of computer vision kan worden gebruikt om broccoli kronen te detecteren, als eerste stap in de ontwikkeling van een autonome selectieve broccoli oogstrobot. Een op textuur en kleur gebaseerde beeld detectie is gebruikt om de broccoli kronen van de achtergrond te scheiden. De computer vision is gevalideerd met een ground truth dataset van 200 afbeeldingen. In deze beelden zijn 228 werkelijke broccoli kronen van verschillende groottes aangewezen door twee menselijke experts gebruikmakend van het GrabCut-algoritme. De broccoli detectie van de computer vision is op twee verschillende manieren beoordeeld. De eerste was een pixel-gebaseerde overlap tussen de computer vision en de werkelijke broccoli objecten, wat resulteerde in een gemiddelde overlap van 93.8%. De tweede waarde was op basis van de detectie van de individuele broccoli kronen. Deze toonde een precisie van 99.5%, met een slechts één onterecht aangemerkte broccoli. De specificiteit was 97.9%, de negative predictive value was 69.7% en de gemiddelde nauwkeurigheid was 92.4%. In het totaal zijn 208 broccoli kronen gedetecteerd door de computer vision, wat wijst op een sensitiviteit van 91.2%. De gemiddelde grootte van de
    gemiste kronen was kleiner dan de gemiddelde grootte van de gedetecteerde kronen. Indien de broccoli kronen slechter zichtbaar zijn of overschaduwd worden door omringende bladeren is het mogelijk dat de computer vision misclassificaties levert.
    KringloopWijzervoordeel fosfaatproductie kent forse verbetering
    Evers, A.G. ; Hilhorst, G.J. - \ 2017
    Koeien & Kansen
    Koeien & Kansenbedrijven en De Marke produceren in 2016 gemiddeld 7% minder stikstof en 13% minder fosfaat dan de forfaitaire normen. Dit laat de berekening met de Kringloopwijzer zien. Het Kringloopwijzervoordeel voor fosfaat is in 2016 flink hoger dan in 2015. Het is met 5% toegenomen. Bij stikstof is het Kringloopwijzervoordeel iets kleiner dan in 2015. Ook zijn P-gehalten in het gevoerde krachtvoer en graskuil in 2016 op veel bedrijven gedaald ten opzichte van 2015.
    Landschappen in Europa: minder functioneel, meer eenheidsworst
    Sluis, T. van der - \ 2017

    Een van de grote charmes van Europa (al jaren 's werelds meest populaire vakantiecontinent) is dat de landschappen zo sterk van land tot land verschillen. En bij al die landschappen horen vaak traditionele levensgewoontes en typische dier- en en plantensoorten. Die grote diversiteit bestaat zeker nog. Maar onderzoek van landschapsecoloog Theo van der Sluis (Wageningen University) laat zien dat bepaalde trends de verschillen tussen de Europese landschappen langzaam maar zeker doen verdwijnen. Ook de (bio-)diversiteit en de verschillende functies van een gebied worden daarmee kleiner. Met Van der Sluis achterhalen we wat die trends precies zijn. Van der Sluis zou ook heel graag zien dat er een veel beter landschapsbeleid komt.

    Ziekteverwekkers plantenvirussen en viroïden vragen continu om aandacht
    Stijger, I. ; Verbeek, M. - \ 2017
    Onder Glas 14 (2017)1. - p. 58 - 59.
    Plantenvirussen zijn zeer kleine ziekteverwekkers. Eigenlijk zijn het kleine pakketjes met genetische informatie, een stukje RNA of DNA met een eiwitmantel eromheen. Viroïden zijn nog kleiner, omdat ze geen eiwitmantel bezitten en alleen uit RNA bestaan. Virussen en viroïden kunnen zich alleen vermenigvuldigen in een cel van hun gastheer en daarbij zetten ze zijn huishouding naar hun hand.
    Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies) : analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen
    Hagenaars, Thomas ; Hoeksma, Paul ; Roda Husman, Ana Maria de; Swart, Arno ; Wouters, Inge - \ 2017
    Bilthoven : Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM rapport 2017-0062) - 66
    Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt. Endotoxinen zijn kleine onderdelen van micro-organismen die luchtwegirritatie en ontstekingsreacties kunnen veroorzaken. Veehouderijsectoren met de hoogste uitstoot van fijnstof, zoals pluimvee- en varkenshouderij, dragen duidelijk bij aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Opvallend is dat ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen toch substantieel lijken bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Veehouderijen uit deze sectoren zijn in grote aantallen in het VGO-gebied vertegenwoordigd.
    Weiden is vakmanschap : ‘bij robot meer weide-uren nodig voor zelfde grasopname’
    Pol-van Dasselaar, Agnes van den - \ 2016

    85 procent van de Nederlandse melkveebedrijven kan weidegang toepassen, maar weiden is voor een aanzienlijk kleiner deel, 71 procent, bedrijfseconomisch écht aantrekkelijk. Het financiële aspect is niet de belangrijkste motivatie voor melkveehouders om wel of niet te weiden, vindt weidegangspecialist Agnes van den Pol.

    Minimum aanlandingsmaat Brasem (Abramis brama)
    Hal, R. van; Miller, D.C.M. - \ 2016
    IJmuiden : IMARES (Rapport / IMARES C148/15a) - 17
    abramis brama - grootte - visserij - lengte - ijsselmeer - abramis brama - size - fisheries - length - lake ijssel
    Ter ondersteuning van een besluit aangaande een minimum aanlandingsmaat voor brasem, primair voor het IJsselmeer en Markermeer, heeft het ministerie van Economische Zaken IMARES verzocht een overzicht te geven van aanlandingsmaten voor brasem in andere landen en waar mogelijk de motivatie achter deze maten te geven. Er blijken in verschillende, voornamelijk oost, Europese landen minimum aanlandingsmaten te zijn ingesteld. Het is echter niet altijd duidelijk of deze voor de commerciële en/of recreatieve visserij gelden. De gegeven maten zijn niet eenduidig, in een deel van de geval gelden de maten voor de gehele vis (puntje neus tot eind staart) voor een ander deel gelden ze voor een kleiner deel van de vis (puntje neus tot begin staart). Het was voor ons niet altijd duidelijk welke meetmethode gebruikt wordt. De gevonden minimum aanlandingsmaten variëren tussen 20 en 45 cm. Er zijn helaas geen gegevens gevonden voor de onderbouwing van deze maten. Een mogelijke methode om een minimum aanlandingsmaat vast te stellen is gebruik te maken van gegevens die per lengte aangegeven welk deel van de populatie volwassen is. Op basis van deze gegevens kan een volwassenheid ogive worden bepaald. Deze was beschikbaar gebaseerd op IMARES survey en afslag gegevens van het IJsselmeer. Met behulp van deze ogive is de lengte waarop 50, 70 en 100% van de populatie brasem volwassen is bepaald. Bij de doelstelling “het zorgdragen van voortplanting” zijn dit maten die indicatief zou kunnen zijn voor een eventuele minimum aanlandingsmaat voor het IJsselmeer en Markermeer.
    Factoren die het foerageergedrag van honingbijen bepalen (deel I); Dracht in Nederland (cultuurgewassen en wilde planten) (deel II)
    Steen, J.J.M. van der; Cornelissen, B. - \ 2015
    Wageningen : Plant Research International, Wageningen UR (Rapport 606) - 94
    apis mellifera - honingbijen - diergedrag - bestuivers (dieren) - dansen (bijen) - door bijen verzameld stuifmeel - seizoenen - drachtplanten - veldgewassen - vruchtbomen - openbaar groen - wegbermplanten - wilde planten - waarden - apis mellifera - honey bees - animal behaviour - pollinators - dances - bee-collected pollen - seasons - pollen plants - field crops - fruit trees - public green areas - roadside plants - wild plants - values
    Om een inschatting te kunnen maken van het risico dat honingbijen blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen, andere stoffen zoals atmosferische depositie van fijnstof en organismen zoals plantpathogene microorganismen, is in opdracht van het Ministerie van EZ/Landbouw een samenvatting gemaakt van de informatie, beschikbaar over de aantrekkelijkheid van Nederlandse gewassen voor honingbijen (Apis mellifera). De opdracht is vorm gegeven in twee delen. Deel I is een beschrijving van het bijenvolk met de focus op het foerageergedrag, gevolgd door een beschrijving van factoren die het foerageergedrag bepalen, hoe de bijen hun omgeving exploreren en exploiteren en een lijst met kengetallen over het foerageren van honingbijen. Deel II geeft een overzicht van cultuurgewassen en wilde planten met bijbehorende waarden van nectar en stuifmeel voor honingbijen met bloeitijden en verwijzingen naar goede drachtplantenboeken. Hieronder zijn puntsgewijs relevante zaken gegeven die in het rapport verder uitgewerkt zijn. Honingbijen zijn voor hun voedsel (nectar en stuifmeel) volledig afhankelijk van planten. Het foerageergedrag en de voorkeur voor gewassen hangt af van de behoefte in het volk en de aantrekkelijkheid van het gewas als nectar- en stuifmeelbron. Het foerageergedrag wordt voortdurend aangepast aan de beschikbare dracht en de behoeften van het bijenvolk. Honingbijen leven in volken die variëren in grootte van ~7000 individuen in het voorjaar (maart) tot 20 000 à 30 000 in de zomer en weer afnemend in oktober. In het actieve foerageer- en broedseizoen is een derde tot een vierde deel foerageerster (haalbij). In de loop van een seizoen halen de bijen ten behoeve van het volk 25 kg water, 20 - 30 kg stuifmeel, 125 kg nectar en kleine hoeveelheden hars (propolis). Voor het halen van deze voedselcomponenten vliegen bijen tot 2 km voor water, tot 6 km voor stuifmeel en tot 12 à 13 km voor nectar. Meestal zullen de vluchten echter beperkt zijn tot 600-800 meter. De foerageerafstanden zijn in de zomer (juli – augustus) langer dan in het voorjaar (maart – mei). Met andere woorden, in het voorjaar wordt het voedsel in een kleiner gebied verzameld dan in de zomer. Het risico dat bijen aan een bespuiting zullen worden blootgesteld zou daarom na half juni hoger kunnen zijn dan in het voorjaar. Maar aan de andere kant zijn dan de meeste bespuitingen met insecticiden achter de rug. Het risico van blootstelling aan een insecticide is hoger in een gewas met een goed nectar- (hoeveelheid en suikerconcentratie) en stuifmeelaanbod. Foerageersters vliegen per dag gemiddeld 10 keer uit om voedsel te verzamelen, elke trip kan van een paar minuten tot een uur duren. Door communicatie via de bijendans en trophallaxis (voedseluitwisseling) wordt de keuze voor het benutten van een bepaalde dracht sterk gestuurd. Dat betekent dat bijen zich niet homogeen verdelen over het drachtgebied maar focussen op de meest profijtelijke drachten. Als gevolg daarvan is ‘geen bezoek’ en ‘veel bezoek’ in de verdeling meer vertegenwoordigd dan ‘een beetje bezoek’. Bijenvolken van een bijenstand verdelen zich niet allemaal gelijk over het drachtgebied; verschillende volken bezoeken deels verschillende en deels overlappende drachten. Hoewel de triggers en veelal de drempels bekend zijn, evenals de manier van foerageren, is het nog niet mogelijk precies te voorspellen hoe een volk zich verdeelt over meerdere velden. Omgekeerd is ook niet te voorspellen welk aandeel van verschillende volken op verschillende locaties in een bepaald veld mag worden verwacht. De nectar die binnengebracht wordt, wordt binnen enkele uren verdeeld over het volk; foerageersters gebruiken het als brandstof voor nieuwe foerageervluchten, het komt in het larvenvoedsel terecht en het meeste wordt opgeslagen. Vaste deeltjes zoals fijnstof en microbiële plantpathogenen verdelen zich snel over de bijen in het volk door fysiek contact
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.