Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 20 / 257

    • help
    • print

      Print search results

    • export
      A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
    Check title to add to marked list
    Nat weer remt inzet groenbemester
    Haan, Janjo de - \ 2020
    Instantaneous switching between different modes of non-photochemical quenching in plants. Consequences for increasing biomass production
    Amerongen, Herbert van; Chmeliov, Jevgenij - \ 2020
    Biochimica et Biophysica Acta. B, Bioenergetics 1861 (2020)4. - ISSN 0005-2728
    Fluorescence - Light-harvesting antenna - Non-photochemical quenching - Photosystem II - Reaction center

    Photosynthetic productivity usually saturates far below the maximum solar light intensity, meaning that in those conditions many absorbed photons and the resulting electronic excitations of the pigment molecules can no longer be utilized for photosynthesis. To avoid photodamage, various protection mechanisms are induced that dissipate excess excitations, which otherwise could lead to the formation of harmful molecular species like singlet oxygen. This Non-Photochemical Quenching (NPQ) of excitations can be monitored via a decrease of the chlorophyll fluorescence. There is consensus that in plants 1) there are at least two major NPQ (sub)processes and 2) NPQ (de)activation occurs on various time scales, ranging from (tens of) seconds to minutes. This relatively slow switching has a negative effect on photosynthetic efficiency, and Kromdijk et al. demonstrated in 2016 (Science 354, 857) that faster switching rates can lead to increased crop productivity. Very recently, we were involved in the discovery of a new NPQ process that switches off well within a millisecond (Farooq et al. (2018) Nat. Plants 4, 225). Here we describe the current level of knowledge regarding this process and discuss its implications.

    BedrijfsWaterWijzer: basis voor waterplannen in Koeien & Kansen
    Verloop, Koos ; Haan, Michel de; Noij, Gert-Jan ; Hoving, Idse - \ 2019
    Wageningen : Wageningen Livestock Research (Rapport / Koeien en kansen nr. 85) - 22
    De BedrijfsWaterWijzer (BWW) wordt ontwikkeld, getoetst en toegepast op Koeien & Kansen-bedrijven. Dit rapport gaat in op de doorwerking van de BWW in de praktijk van Koeien & Kansen-bedrijven. De BWW brengt het watermanagement op het melkveebedrijf in beeld en wijst aan op welke punten het waterbeheer verbeterd kan worden. Hierbij wordt ingegaan op erf, droogte, wateroverlast, uitspoeling naar grondwater, afspoeling naar oppervlaktewater, kwaliteit van drinkwater voor vee en slootbeheer, overeenkomend met de respectievelijke modules 1 t/m 7 in de BWW. De BWW vormt een basis voor een BedrijfsWaterWijzerPlan (BWWP) met maatregelen gericht op verbetering van het waterbeheer. Dit rapport geeft een beeld van de risicoscores die voortkomen uit de BWW-analyses en van de maatregelen die worden gepland en/of uitgevoerd. Dit beeld geeft aan wat de potentiële impact is van de BWW. De BWW heeft duidelijk invloed in de zin dat het zichtbaar aanzet tot maatregelen. Deze invloed is echter niet terug te zien in een relatie tussen de BWW-risicoscore en het aantal vermelde maatregelen. Een rode score correspondeert dus niet duidelijk met meer maatregelen. Dit is te verklaren doordat het risico niet alleen het gevolg is van het management maar ook van de omgevingsomstandigheden van het bedrijf. Omstandigheden als bodemtype, grondwaterstand en het aantal sloten zijn immers niet of moeilijker te beïnvloeden. Wel blijkt dat de BWW tot nieuwe inzichten leidt en dat accenten in de bedrijfsvoering worden verplaatst. In de BWWP’s van Koeien & Kansen-ondernemers zijn gemiddeld 10 maatregelen per bedrijf vermeld waarvan 40% betrekking heeft op nieuwe acties en 20% betrekking heeft op verkenningen. Het aantal maatregelen is gelijkmatig verdeeld over de modules in de BWW. De diversiteit van maatregelen is groot. Vaakst opgenomen maatregelen zijn: aanbrengen van stro onder de maïs bij (te) nat inkuilen, veegschoon houden van het erf en het koepad, herinrichting van kuilen met een duogoot1, peilgestuurde drainage, maatregelen gericht op het verhogen of behouden van het organische stofgehalte in de bodem, uitstel van bemesting om bodemverdichting te voorkomen en onbemeste stroken langs sloten. Ten aanzien van drinkwaterkwaliteit voor vee wordt vaak ingezet op het beter doorgronden van de problematiek, wat aangeeft dat de risicoscore nog niet voldoende geduid kan worden. Aanbevolen wordt om als vervolg te bezien in hoeverre de genomen en geplande maatregelen ook de doelen van waterschappen dienen en in hoeverre de samenwerking met waterschappen verbetert door inzet van de BWW. Het zou tenslotte goed zijn als de effecten van maatregelen op risico’s duidelijker zichtbaar worden gemaakt in de BWW.
    Nat voorjaar zou natuur erg helpen
    Vliet, Arnold van - \ 2019
    Column: Invasieve exoten, maak je borst maar nat, ze zijn onstuitbaar
    Vries, J.W. de - \ 2019
    Bloemenkrant
    Nat plakken
    Dompe, M. - \ 2019

    Lijm en water vormen geen gelukkige combinatie. Toch heeft promovendus Marco Dompé het voor elkaar gekregen onderwaterlijm te maken, bedoeld voor medische toepassingen. Met dank aan de zandkasteelworm.

    Is the trend your friend? An analysis of technology 4.0 investment decisions in agricultural SMEs
    Annosi, Maria Carmela ; Brunetta, Federica ; Monti, Alberto ; Nat, Francesco - \ 2019
    Computers in Industry 109 (2019). - ISSN 0166-3615 - p. 59 - 71.
    4.0 technologies adoption - Agri-food - Managerial capabilities - Managerial cognition - Managerial perception - Smart agriculture - SMEs

    Smart Agriculture and 4.0 Technologies have brought several benefits to agricultural small and medium enterprises (SMEs). Nonetheless, the penetration of such digital technologies is still poor and slow. This study addresses the issue and provides some insights on the reasons related to the still limited adoption of 4.0 technologies within agricultural SMEs. Authors do not simply focus on the adoption per se, but rather devote attention to the SMEs owners/managers' subjective perception of the opportunity behind the technology adoption, and of the incentives or constraints given by the external environment as well as the organizational capabilities as embedded in the owners/managers’ skills and organizational routines. Authors analyze data collected by surveying 96 Italian agricultural SMEs owners/managers, and empirically confirm the relevance of managerial capabilities, managerial cognition, and managerial perception of the external environment for the adoption of 4.0 technologies in agricultural SMEs. The results of this research support the conclusion that organizational capabilities related to the search for evidence-based knowledge by the SME's decision-maker are crucial for the technology's adoption. In addition, we show the statistical significance of the managerial perception of technological usefulness and of the availability of a supporting business environment either in the form of professional services or institutional support, on the technology's adoption. The article ends by discussing the results and highlighting relevant managerial implications.

    Stekende insecten Griendtsveen 2015-2018
    Verdonschot, Piet F.M. ; Dekker, Dorine T.B.M. - \ 2019
    Wageningen : Zoetwaterecosystemen, Wageningen Environmental Research (Notitie Zoetwatersystemen, Wageningen Environmental Research ) - ISBN 9789463434232 - 60
    De inventarisatie van steekmuglarven leverde in 2016 vier kleinere gebiedsdelen op met hoge aantallen steekmuglarven (de zogenaamde ‘hotspots’). In april-mei 2017 en 2018 zijn de larveninventarisaties herhaald. Hieruit bleek dat de larven van de moerassteekmug A. cinereus over het gehele gebied verspreid zijn met op twee van de vier ‘hotspots’ de hoogste aantallen. In de periode daarna vielen in beide jaren de meeste locaties droog. Het jaar 2017 was een droog jaar waarbij al vroeg in het voorjaar, mogelijk zelfs in de winter, veel potentiële tijdelijke wateren droog stonden. Na een natte winter werd 2018 een nog extremer droog jaar met veel droogval in het gebied. Het patroon van ontwikkeling van volwassen steekmuggen liet over 2017 een ‘klassiek’ beeld van een moerassteekmuggenpopulatie zien met hoge aantallen in het voorjaar die daarna snel uitdoven. Alleen in juni trad additioneel een kleine populatie van plantenboorsteekmuggen op. Dit beeld is een gevolg van het opdrogen van tijdelijke wateren in het voorjaar. De in totaal lagere aantallen in het gehele gebied en de beperking van deze aantallen tot de maand mei hebben ertoe geleid dat in het dorp Griendtsveen in 2017 geen overlast is ervaren. 2018 daarentegen was in de winter normaal nat wat, mogelijk in combinatie met de natheid van het gebied, leidde tot zeer hoge aantallen moerassteekmuggen. Dit waren de hoogste aantallen tot nu toe gemeten. De verdeling van de aantallen over de jaren 2015-2018 naar zone rondom en in het dorp laat zien dat er ieder jaar een afname van de aantallen optreedt richting de dorpskern. In de periode 2015-2018 is het aantallen verzamelde knutten jaarlijks toegenomen. De aantallen zijn in 2018 viermaal hoger t.o.v. 2015. Dit kan samenhangen met grotere oppervlakken nattere gebiedsdelen, nattere weilanden aan de zuidzijde, in het dorp en aan de westzijde. Ondanks de aanpak van de knutten hotspot, wat lokaal voor een aanzienlijke vermindering heeft gezorgd, zet de ontwikkeling van de knutten in andere gebiedsdelen (nog) door. De adviezen voor maatregelen om de ‘hotspots’ aan te pakken zijn in 2017 in gang gezet en ten dele in 2018 uitgevoerd. De resultaten zijn nog niet zichtbaar in de voorjaarsmetingen van 2018 omdat op dat moment de maatregelen nog moesten worden geïmplementeerd.
    Redox-stat bioreactors for elucidating mobilisation mechanisms of trace elements : an example of As-contaminated mining soils
    Rajpert, Liwia ; Schäffer, Andreas ; Lenz, Markus - \ 2018
    Applied Microbiology and Biotechnology 102 (2018)17. - ISSN 0175-7598 - p. 7635 - 7641.
    Arsenic remediation - Redox-stat bioreactor - Trace element fate

    The environmental fate of major (e.g. C, N, S, Fe and Mn) and trace (e.g. As, Cr, Sb, Se and U) elements is governed by microbially catalysed reduction-oxidation (redox) reactions. Mesocosms are routinely used to elucidate trace metal fate on the basis of correlations between biogeochemical proxies such as dissolved element concentrations, trace element speciation and dissolved organic matter. However, several redox processes may proceed simultaneously in natural soils and sediments (particularly, reductive Mn and Fe dissolution and metal/metalloid reduction), having a contrasting effect on element mobility. Here, a novel redox-stat (Rcont) bioreactor allowed precise control of the redox potential (159 ± 11 mV, ~ 2 months), suppressing redox reactions thermodynamically favoured at lower redox potential (i.e. reductive mobilisation of Fe and As). For a historically contaminated mining soil, As release could be attributed to desorption of arsenite [As(III)] and Mn reductive dissolution. By contrast, the control bioreactor (Rnat, with naturally developing redox potential) showed almost double As release (337 vs. 181 μg g−1) due to reductive dissolution of Fe (1363 μg g−1 Fe2+ released; no Fe2+ detected in Rcont) and microbial arsenate [As(V)] reduction (189 μg g−1 released vs. 46 μg g−1 As(III) in Rcont). A redox-stat bioreactor thus represents a versatile tool to study processes underlying mobilisation and sequestration of other trace elements as well.

    From dairy farmers to entrepreneurs
    Grobben, Tom ; Timmer, R.D. ; Savelkoul, H.F.J. ; Jong, Jannet de; Schober, B.M. - \ 2017
    Eerste ervaring anticondenscoating: meer licht in de kas: Objectief meten lichtdoorlatendheid nat kasdek nu mogelijk
    Swinkels, G.L.A.M. - \ 2017
    Minder koeien, meer ondernemen: broers experimenteren met nedersoja
    Grobben, Tom - \ 2017
    ‘Preventie belangrijkst in strijd tegen vogelmijt’
    Mul, M.F. - \ 2017

    mulEen vogelmijtplaag is lastig onder controle te houden. Preventieve maatregelen zijn daarom noodzakelijk om de populatie zo klein mogelijk te houden. Dit zegt Monique Mul, onderzoeker diergezondheid bij Livestock Research.

    Student teelt nedersoja
    Grobben, Tom - \ 2017

    Zeventig melkkoeien hebben de ouders van Tom Grobben. En sinds kort ook een hectare soja. Het is een experiment van de masterstudent en zijn broer Bart. Ze willen hun eigen sojaproduct ontwikkelen.

    Virus-Like Particles of mRNA with Artificial Minimal Coat Proteins : Particle Formation, Stability, and Transfection Efficiency
    Jekhmane, Shehrazade ; Haas, Rob De; Paulino Da Silva Filho, Omar ; Asbeck, Alexander H. van; Favretto, Marco Emanuele ; Hernandez Garcia, Armando ; Brock, Roland ; Vries, Renko De - \ 2017
    Nucleic Acid Therapeutics 27 (2017)3. - ISSN 2159-3337 - p. 159 - 167.
    mRNA delivery - self-assembly - Virus-like particles

    RNA has enormous potential as a therapeutic, yet, the successful application depends on efficient delivery strategies. In this study, we demonstrate that a designed artificial viral coat protein, which self-assembles with DNA to form rod-shaped virus-like particles (VLPs), also encapsulates and protects mRNA encoding enhanced green fluorescent protein (EGFP) and luciferase, and yields cellular expression of these proteins. The artificial viral coat protein consists of an oligolysine (K12) for binding to the oligonucleotide, a silk protein-like midblock S10 = (GAGAGAGQ)10 that self-assembles into stiff rods, and a long hydrophilic random coil block C that shields the nucleic acid cargo from its environment. With mRNA, the C-S10-K12 protein coassembles to form rod-shaped VLPs each encapsulating about one to five mRNA molecules. Inside the rod-shaped VLPs, the mRNAs are protected against degradation by RNAses, and VLPs also maintain their shape following incubation with serum. Despite the lack of cationic surface charge, the mRNA VLPs transfect cells with both EGFP and luciferase, although with a much lower efficiency than obtained by a lipoplex transfection reagent. The VLPs have a negligible toxicity and minimal hemolytic activity. Our results demonstrate that VLPs yield efficient packaging and shielding of mRNA and create the basis for implementation of additional virus-like functionalities to improve transfection and cell specificity, such as targeting functionalities.

    Waterwijzer landbouw fase 3: naar een operationeel systeem voor gras en maïs
    Knotters, Martin ; Bartholomeus, Ruud ; Hack-ten Broeke, Mirjam ; Hendriks, Rob ; Holshof, Gertjan ; Hoving, Idse ; Kroes, Joop ; Mulder, Martin ; Walvoort, Dennis - \ 2017
    Amersfoort : Stowa (Stowa rapport 2017-07) - ISBN 9789057737497 - 65
    De Waterwijzer Landbouw wordt in een aantal fasen gerealiseerd. In eerdere fasen is het bestaande modelinstrumentarium verbeterd, uitgebreid en zijn modelinstrumenten (SWAP- WOFOST) gekoppeld tot een operationeel en getoetst simulatiemodel voor gras, mais en aard- appelen en getoetst op plausibiliteit. Met het instrumentarium kunnen voor deze gewassen nu direct opbrengstreducties berekend worden als gevolg van vernatting, droogte en zout. In fase 3, vastgelegd in dit rapport, is een volgende koppeling gerealiseerd – tussen SWAP- WOFOST met BBPR (BedrijfsBegrotingsProgramma Rundvee) - om ook de indirecte schade als gevolg van de bedrijfsvoering mee te kunnen nemen bij de schadeberekeningen. Hiermee is het mogelijk om directe en indirecte schade voor droogte, nat en zout apart te berekenen. Een uitgebreide rapportage over de indirecte effecten is weergegeven in het werkdocument ‘Kennis over indirecte nat- en droogteschade bij gras en maïs voor Waterwijzer Landbouw’. De volgende reeds ingezette stap is het beschikbaar maken van het instrument voor de akkerbouw en bollenteelt.
    Kennis over indirecte nat- en droogteschade bij gras en maïs voor waterwijzer landbouw
    Bakel, Jan van; Hoving, Idse - \ 2017
    Amersfoort : Stowa (Stowa rapport 2017-W01) - 69
    Droogteschade, zoutschade en natschade aan landbouwgewassen zijn te relateren aan de waterhuishoudkundige toestand. Deze schade kan direct of indirect optreden. Om een methodiek te ontwikkelen waarmee landbouwschade kan worden geschat in afhankelijkheid van agrohydrologische omstandigheden, zoals dat nu gebeurt met de Waterwijzer Landbouw, is zowel kennis over directe als indirecte schade nodig. Kennis over indirecte schade is momenteel niet operationeel voor inbouw in de Waterwijzer Landbouw. In deze studie is de kennis over indirecte schade bij gras en maïs geactualiseerd en geschikt gemaakt voor opname in de schadeberekening van de Waterwijzer Landbouw.
    Ecohydrologische systeemanalyse Liefstinghsbroek
    Delft, S.P.J. van; Waal, R.W. de; Jansen, P.C. ; Bijlsma, R.J. ; Wegman, R.M.A. - \ 2017
    Wageningen : Wageningen Environmental Research (Wageningen Environmental Research rapport 2790) - 133
    ecohydrologie - hydrologie - vegetatie - natura 2000 - bossen - graslanden - historische geografie - groningen - ecohydrology - hydrology - vegetation - natura 2000 - forests - grasslands - historical geography - groningen
    Het Lieftinghsbroek in Oost-Groningen bestaat uit gevarieerd loofbos met enkele schraalgraslandjes in het dal van de Ruiten Aa. Het gebied is aangewezen voor Natura 2000 habitattypen bos en schraalland en is tevens bosreservaat. Om meer inzicht te krijgen in het effect van vernattingsmaatregelen in de directe omgeving van het gebied is een ecohydrologisch onderzoek uitgevoerd, waarbij geologisch/bodemkundige, hydrologische en vegetatiekundige gegevens verzameld zijn (uit literatuur en in het veld) en het historisch grondgebruik is beschreven. Voor de bossen is het gebied te nat geworden, of te zuur door het ontbreken van kwelinvloed. Ook voor Blauwgraslanden zijn de mogelijkheden beperkt. Er wordt aanbevolen aanvullende maatregelen te treffen om de sterke vernatting te verminderen door minder neerslagwater vast te houden in het gebied.
    Alles voor de thuistijger? Nat kattenvoer
    Hendriks, Wouter - \ 2016

    Iederen wil het beste voor zijn kat. Toch zijn maar 11 merken nat kattenvoer vrij van toevoegingen als granen en groente, die echt niet hoeven voor een kat die eigenlijk carnivoor is.

    Vochtige bossen, tussen verdrogen en nat gaan : OBN deskundigenteam Nat zandlandschap
    Burg, A. van den; Bijlsma, R.J. ; Brouwer, E. ; Waal, R.W. de - \ 2016
    VBNE, Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren - 36
    bosbeheer - waterbeheer - bossen - bosecologie - ecohydrologie - grondwater - grondwaterstand - beekdalen - forest administration - water management - forests - forest ecology - ecohydrology - groundwater - groundwater level - brook valleys
    Deze brochure is geschreven voor bos- en waterbeheerders, landschapsecologen en provinciale beleidsambtenaren, om hen te stimuleren de vochtige bossen met meer aandacht te bekijken. De brochure beschrijft om welke bostypen het gaat, hoe je deze kunt herkennen, in welke landschappen ze voorkomen en hoe ze functioneren.
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.