Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Records 1 - 20 / 26

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: q=Reemer
Check title to add to marked list
Nulmeting Nationale Bijenstrategie
Reemer, M. ; Groot, G.A. de - \ 2019
- 16 p.
In januari 2018 is de Nationale Bijenstrategie ondertekend door 48 partners, waaronder
het ministerie van LNV. De bijenstrategie heeft als hoofddoel dat bestuivers en
bestuiving in 2030 duurzaam bevorderd en behouden zijn. Om te kunnen meten of dit
doel behaald is zijn enkele meetbare doelstellingen benoemd ten aanzien van de wilde
bijenfauna in Nederland. Als startpunt van het traject heeft het ministerie van LNV aan
EIS Kenniscentrum Insecten en Wageningen Environmental Research gevraagd om in
2018 een nulmeting uit te voeren. Twee van de meetbare doelstellingen hebben betrekking
op de trends van de in Nederland voorkomende wilde bijensoorten. Deze doelstellingen
worden getoetst door middel van een vergelijking van de trends in 2018 met
de trends in 2023 en 2030. Het huidige document is het resultaat van deze nulmeting
die de trends van de Nederlandse bijen in 2018 vaststelt.
De trends van de Nederlandse bijensoorten zijn berekend op basis van het Databestand
van de Nederlandse bijen dat beheerd wordt door EIS Kenniscentrum Insecten.
Hieruit zijn gegevens geselecteerd uit twee perioden: 1990-2002 en 2003-2017. Een
vergelijking van het vóórkomen van de verschillende bijensoorten in beide perioden
vormt de basis van de trendbepaling. De vergelijking bestaat per bijensoort uit een beoordeling
van het verschil tussen de onderzoeksperioden in het aantal hokken van 5x5
kilometer waarin de betreffende soort is aangetroffen. Hierbij zijn uitsluitend gegevens
gebruikt uit 5x5-kilometerhokken die in beide perioden onderzocht zijn.
In totaal heeft de analyse voor 308 bijensoorten een uitkomst opgeleverd. Voor
90 soorten (29%) is een significante trend berekend, voor de overige 218 soorten
(71%) niet. De soorten zijn verdeeld over de trendcategorieën (mogelijk) verdwenen, sterk afgenomen en afgenomen beschouwd als afgenomen. Soorten in de categorieën (mogelijk) verschenen, sterk toegenomen en toegenomen worden beschouwd als toegenomen. Zo zijn er 25 soorten te beschouwen als afgenomen en 65 als toegenomen. Binnen de soorten met een significante trend bedraagt de verhouding afgenomen / toegenomen soorten dus 28% / 72 % (Figuur 1).
Deze balans is positief te noemen. Dit betekent echter niet dat het, na alle zorgwekkende berichten over de afname van bijen in Nederland, alweer goed zou gaan met de Nederlandse bijenfauna. De positieve trend is nog slechts van een klein aantal (65) soorten duidelijk. De uitkomsten van de recent gepubliceerde Rode Lijst contrasteren hiermee, aangezien het aantal bedreigde soorten op die Lijst in vergelijking met 2003 juist is toegenomen. Deze twee documenten (de Rode Lijst en de huidige nulmeting) laten zich echter niet één op één vergelijken, aangezien er andere onderzoeksperioden en -methoden zijn gebruikt. Het is van belang te onderstrepen dat deze nulmeting een instrument is om in toekomstige jaren om de voortgang m.b.t. het bereiken van de doelen van de bijenstrategie te kunnen meten. De huidige resultaten zeggen nog niets over een eventuele verbetering van de bijenfauna binnen de periode waarin de bijenstrategie van kracht is (2018-2030). Om daarover iets te kunnen zeggen zijn de herhalingsmetingen in 2023 en 2030 nodig. Het is dus van belang om te benadrukken dat deze nulmeting slechts een instrument is om in toekomstige jaren de voortgang m.b.t. het bereiken van de doelen van de bijenstrategie te kunnen meten.
Praktijknetwerk Bestuivers in de Betuwse Appelteelt
Groot, G.A. de; Scheper, J.A. ; Stam, J.M. ; Ottburg, F.G.W.A. ; Dimmers, W.J. ; Lammertsma, D.R. ; Winkler, K. ; Maas, M.P. van der; Holster, Henri ; Engels, Hilde ; Reemer, Menno ; Copijn, Sonne - \ 2018
Werken aan duurzaam behoud en bevordering van bestuivers en bestuiving op het teeltbedrijf, met aandacht voor haalbaarheid in de bedrijfsvoering, door samen nieuwe maatregelen uit te proberen, de effecten te meten, en te leren van elkaars resultaten en ervaringen.
Wilde bijen en zweefvliegen per landschapstype
Ozinga, Wim A. ; Scheper, Jeroen A. ; Groot, Arjen de; Reemer, Menno ; Raemakers, Ivo ; Dooremalen, Coby van; Biesmeijer, Koos ; Kleijn, David - \ 2018
Wageningen : Wageningen Environmental Research (Wageningen Environmental Research rapport 2920) - 57
Bij de bestuiving van veel voedselgewassen en wilde planten spelen bloembezoekende insecten een essentiële rol. Het gaat dan niet alleen over honingbijen, maar over een breed spectrum van soorten wilde bijen en zweefvliegen. Er zijn sterke aanwijzingen dat de laatste decennia zowel de aantallen als de soortendiversiteit van bestuivers sterk achteruit zijn gegaan. Via de Nationale Bijenstrategie werken het ministerie van LNV en meer dan vijftig maatschappelijke partners samen om bestuivers en bestuivingsdiensten in ons land te behouden en bevorderen. Dit is in de praktijk lastig, omdat in Nederland honderden soorten bijen en zweefvliegen voorkomen met elk hun specifieke wensen ten aanzien van hun leefgebied en omdat in verschillende landschapstypen verschillende soorten voorkomen. Maatwerk is dus geboden. In dit rapport wordt het voorkomen van bijen en zweefvliegen in verschillende landschapstypen in beeld gebracht. Doel van deze informatie is om snel inzicht te kunnen krijgen in de relevante soorten bestuivers die zouden kunnen voorkomen in een bepaalde regio, om vervolgens gerichte maatregelen te kunnen nemen die aansluiten bij de eisen die deze soorten aan hun omgeving stellen. Bij de interpretatie van het belang van de landschapstypen voor bestuivende insecten is onderscheid gemaakt tussen bedreigde soorten en soorten die in potentie een belangrijke rol kunnen spelen bij de bestuiving van landbouwgewassen.
Historical changes in the importance of climate and land use as determinants of Dutch pollinator distributions
Aguirre-Gutiérrez, Jesús ; Kissling, W.D. ; Biesmeijer, Jacobus C. ; Wallis de Vries, Michiel ; Reemer, Menno ; Carvalheiro, Luísa G. - \ 2017
Journal of Biogeography 44 (2017)3. - ISSN 0305-0270 - p. 696 - 707.
biodiversity change - climate change - ecological niche models - environmental variable importance - global warming - habitat fragmentation - habitat loss - species distribution models
Aim: Species distribution models are often used to project species distributions to different environmental conditions. However, most models do not consider whether the importance of abiotic factors may change over time. If they change, this has implications for the assessment of how abiotic changes affect species distributions. Here, we use spatially explicit historical data on species occurrences, climate and land use to test whether the importance of different climatic and land-use drivers as determinants of species distributions has remained constant over a period of > 60 years (1951–2014). Location: The Netherlands. Methods: Using species distribution models and a comprehensive country-wide dataset at 5 × 5 km resolution, we modelled the distribution of a total of 398 pollinator species (bees, butterflies and hoverflies) for three periods (1951–1970, 1971–1990 and 1998–2014). We then evaluated whether the importance of variables related to climate (precipitation, temperature) and land use (landscape composition and habitat fragmentation) in determining pollinator distributions has changed over time. Results: Variables related to landscape composition were highly important in determining pollinator distributions in all periods. Precipitation was generally less important than temperature, and habitat fragmentation less than landscape composition. Land-use variables remained equally important across time for all pollinator groups, except for bees where the importance of habitat fragmentation decreased significantly over time. Among climate variables, the importance of precipitation did not change across time for any pollinator group. However, the importance of temperature increased significantly in recent times for bees and hoverflies. Main conclusions: Determinants of species distributions can change in their importance over time when changes in the magnitude and range of environmental conditions occur. Given future temperature rises, our results imply that species distribution models calibrated with current climatic conditions may not adequately predict the future importance of environmental factors in driving species distributions.
Training samen werken aan het bijenlandschap
Rooij, S.A.M. van; Cormont, A. ; Lokhorst, Nynke ; Och, R.A.F. van; Reemer, M. ; Snep, R.P.H. ; Spijker, J.H. ; Steingröver, E.G. ; Stip, Anthonie - \ 2016
Groene Cirkels - 28 p.
Een bij-zonder kleurrijk landschap in Land van Wijk en Wouden : handreiking 2.0 voor inrichting en beheer voor bestuivende insecten
Rooij, S.A.M. van; Cormont, A. ; Geertsema, W. ; Haag, Martijn ; Opdam, P.F.M. ; Reemer, M. ; Spijker, J.H. ; Snep, R.P.H. ; Steingröver, E.G. ; Stip, Anthonie - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2720) - 41 p.
biodiversiteit - insect-plant relaties - regionale planning - ecologische hoofdstructuur - landschap - zuid-holland - bestuivers (dieren) - apidae - lepidoptera - biodiversity - insect plant relations - regional planning - ecological network - landscape - pollinators
Het programma Groene Cirkels (van Heineken) heeft het initiatief genomen tot het realiseren van een duurzaam bijenlandschap in het land van Wijk en Wouden. Deze handreiking wil een impuls geven aan het realiseren daarvan. In Nederland hebben we zo’n 350 verschillende wilde bestuivende insectensoorten. Door variatie in onder andere bloemvormen en kelkdiepte en bloeiseizoen zijn er gespecialiseerde insecten nodig, aangepast op bloeivorm en het bloeiseizoen. Ook moet bestuiving plaats kunnen vinden onder verschillende omstandigheden: bij goed en slecht weer, in vroege en late voorjaren. Nu eens doet de ene soort het goed, dan is er weer een andere die het meeste werk verzet. Diversiteit aan bijen, hommels en zweefvliegen geeft zekerheid voor bestuiving door de jaren heen.
De bijdrage van (wilde) bestuivers aan een hoogwaardige teelt van peren en aardbeien : nieuwe kwantitative inzichten in de diensten geleverd door bestuivende insecten aan de fruitteeltsector in Nederland
Groot, G.A. de; Knoben, Nieke ; Kats, R.J.M. van; Dimmers, W.J. ; Zelfde, M. van 't; Reemer, M. ; Biesmeijer, Koos ; Kleijn, D. - \ 2016
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2716) - 67 p.
pyrus communis - peren - fragaria ananassa - aardbeien - bestuiving - bestuivers (dieren) - apidae - honingbijen - bombus - syrphidae - wilde bijenvolken - nederland - pears - strawberries - pollination - pollinators - honey bees - wild honey bee colonies - netherlands
Susceptibility of pollinators to ongoing landscape changes depends on landscape history
Aguirre-Gutiérrez, J. ; Biesmeijer, J.C. ; Loon, E. van; Reemer, M. ; Wallis de Vries, M.F. ; Carvalheiro, L.G. - \ 2015
Diversity and Distributions 21 (2015)10. - ISSN 1366-9516 - p. 1129 - 1140.
Aim Pollinators play an important role in ecosystem functioning, affecting also crop production. Their decline may hence lead to serious ecological and economic impacts, making it essential to understand the processes that drive pollinator shifts in space and time. Land-use changes are thought to be one of the most important drivers of pollinators’ loss, and there is increasing investment on pollinator-friendly landscape management. However, it is still unclear whether landscape history of a given region determines how pollinator communities respond to further landscape modification. Location The Netherlands. Methods Using geographically explicit historical landscape and pollinator data from the Netherlands, we evaluated how species richness changes of three important pollinator groups (bees, hoverflies and butterflies) are affected by landscape changes related to habitat composition, fragmentation and species spillover potential and whether such effects depend on the historical characteristics of the landscape. Results The effect of landscape changes varied between different pollinator groups. While bumblebee richness benefited from increases in edges between managed and natural systems, other bees benefited from increases in landscape heterogeneity and hoverfly richness was fairly resistant to land-use changes. We found that for the majority of the pollinators past landscape characteristics conditioned, the more recent pollinator richness changes. Landscapes that historically had more suitable habitat were more susceptible to display hoverfly declines (caused by drivers not considered in this study). Landscapes that historically had greater spillover potential were more likely to suffer butterfly richness declines and the bumblebee assemblages were more susceptible to the effects of fragmentation. Main conclusions The diversity of responses of the pollinator groups suggest that multispecies approaches that take group-specific responses to land-use change into account are highly valuable. These findings emphasize the limited value of a one-size-fits-all biodiversity conservation measure and highlight the importance of considering landscape history when planning biodiversity conservation actions.
Testing projected wild bee distributions in agricultural habitats: predictive power depends on species traits and habitat type
Marshall, L. ; Carvalheiro, L.G. ; Aguirre-Gutierrez, J. ; Bos, M. ; Groot, G.A. de; Kleijn, D. ; Potts, S.G. ; Reemer, M. ; Roberts, S.P.M. ; Scheper, J.A. ; Biesmeijer, J.C. - \ 2015
Ecology and Evolution 5 (2015)19. - ISSN 2045-7758 - p. 4426 - 4436.
Species distribution models (SDM) are increasingly used to understand the factors that regulate variation in biodiversity patterns and to help plan conservation strategies. However, these models are rarely validated with independently collected data and it is unclear whether SDM performance is maintained across distinct habitats and for species with different functional traits. Highly mobile species, such as bees, can be particularly challenging to model. Here, we use independent sets of occurrence data collected systematically in several agricultural habitats to test how the predictive performance of SDMs for wild bee species depends on species traits, habitat type, and sampling technique. We used a species distribution modeling approach parametrized for the Netherlands, with presence records from 1990 to 2010 for 193 Dutch wild bees. For each species, we built a Maxent model based on 13 climate and landscape variables. We tested the predictive performance of the SDMs with independent datasets collected from orchards and arable fields across the Netherlands from 2010 to 2013, using transect surveys or pan traps. Model predictive performance depended on species traits and habitat type. Occurrence of bee species specialized in habitat and diet was better predicted than generalist bees. Predictions of habitat suitability were also more precise for habitats that are temporally more stable (orchards) than for habitats that suffer regular alterations (arable), particularly for small, solitary bees. As a conservation tool, SDMs are best suited to modeling rarer, specialist species than more generalist and will work best in long-term stable habitats. The variability of complex, short-term habitats is difficult to capture in such models and historical land use generally has low thematic resolution. To improve SDMs’ usefulness, models require explanatory variables and collection data that include detailed landscape characteristics, for example, variability of crops and flower availability. Additionally, testing SDMs with field surveys should involve multiple collection techniques.
De bijdrage van (wilde) bestuivers aan de opbrengst van appels en blauwe bessen : kwantificering van ecosysteemdiensten in Nederland
Groot, G.A. de; Kats, R.J.M. van; Reemer, M. ; Sterren, D. van der; Biesmeijer, J.C. ; Kleijn, D. - \ 2015
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2636) - 71
bestuivers (dieren) - bestuiving - insecten - apidae - wilde bijenvolken - bevruchting - zetting - appels - blauwe bessen - biodiversiteit - ecosystemen - veldgewassen - wetenschappelijk onderzoek - nederland - pollinators - pollination - insects - wild honey bee colonies - fertilization - set - apples - blueberries - biodiversity - ecosystems - field crops - scientific research - netherlands
De bestuiving van landbouwgewassen door gehouden en in het wild levende soorten bijen en zweefvliegen vormt een relevante en veelgenoemde ecosysteemdienst, die echter onder toenemende druk staat. De honingbijen die traditioneel landbouwgewassen bestuiven, gaan in aantal sterk achteruit als gevolg van te hoge sterfte, met name gedurende de winterperiode. Momenteel wordt door meerdere instituten, waaronder Wageningen UR, onderzoek uitgevoerd naar de oorzaken van de sterfte van honingbijen. Waarschijnlijk speelt een complex van factoren een rol, waaronder het gebruik van bepaalde insecticiden en de parasitaire varroamijt, een gebrek aan natuurlijke voedselbronnen en/of klimaatsveranderingen. Ook veel wilde bijensoorten nemen in aantal af. Ongeveer de helft van de wilde bijensoorten in Nederland staat op de Rode Lijst. Hoofddoel van het voorliggende onderzoek was het agronomisch en economisch kwantificeren van de bijdrage van bestuivende diensten door wilde en gedomesticeerde (bijgeplaatste) insecten aan de landbouwkundige productie van twee belangrijke Nederlandse insecten-bestoven fruitgewassen: de appel en de blauwe bes. Op deze wijze levert het onderzoek een ‘proof-of-concept’ van het economisch belang van ecosysteemdiensten, en daarmee biodiversiteit, voor de Nederlandse samenleving.
Het belang van wilde bestuivers voor de landbouw en oorzaken voor hun achteruitgang
Scheper, J.A. ; Kats, R.J.M. van; Reemer, M. ; Kleijn, D. - \ 2014
Wageningen : Wageningen UR Alterra (Alterra-rapport 2592) - 50
bestuivers (dieren) - apidae - fauna - insect-plant relaties - ecosysteemdiensten - landbouw - vruchtbomen - nederland - pollinators - insect plant relations - ecosystem services - agriculture - fruit trees - netherlands
Wilde bestuivers zoals bijen en zweefvliegen leveren een belangrijke bijdrage aan de productie van insect-bestoven landbouwgewassen. Wat de bijdrage van wilde bestuivers is ten opzichte van de diensten geleverd door de honingbij is momenteel onbekend in Nederland. De huidige studie had tot doel meer inzicht te krijgen in (1) welke wilde bestuivers tot soorten behoren die voor de - Nederlandse - landbouw relevant kunnen worden geacht, (2) wat bekend is van hun populatieontwikkelingen en wat waarschijnlijk belangrijke factoren zijn die hun achteruitgang kunnen verklaren en (3) indien de achteruitgang van voedselplanten een belangrijke factor zou zijn bij de achteruitgang van wilde bestuivers, welke (natuur)beheermaatregelen dan eventueel denkbaar zijn om de beschikbaarheid van voedselplanten te bevorderen.
Museum specimens reveal loss of pollen host plants as key factor driving wild bee decline in The Netherlands
Scheper, J.A. ; Reemer, M. ; Kats, R.J.M. van; Ozinga, W.A. ; Linden, G.T.J. van der; Schaminee, J.H.J. ; Siepel, H. ; Kleijn, D. - \ 2014
Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America 111 (2014)49. - ISSN 0027-8424 - p. 17552 - 17557.
pollinator interactions - multimodel inference - behavioral ecology - model selection - extinction risk - solitary bees - range size - land-use - conservation - hymenoptera
Evidence for declining populations of both wild and managed bees has raised concern about a potential global pollination crisis. Strategies to mitigate bee loss generally aim to enhance floral resources. However, we do not really know whether loss of preferred floral resources is the key driver of bee decline because accurate assessment of host plant preferences is difficult, particularly for species that have become rare. Here we examine whether population trends of wild bees in The Netherlands can be explained by trends in host plants, and how this relates to other factors such as climate change. We determined host plant preference of bee species using pollen loads on specimens in entomological collections that were collected before the onset of their decline, and used atlas data to quantify population trends of bee species and their host plants. We show that decline of preferred host plant species was one of two main factors associated with bee decline. Bee body size, the other main factor, was negatively related to population trend, which, because larger bee species have larger pollen requirements than smaller species, may also point toward food limitation as a key factor driving wild bee loss. Diet breadth and other potential factors such as length of flight period or climate change sensitivity were not important in explaining twentieth century bee population trends. These results highlight the species-specific nature of wild bee decline and indicate that mitigation strategies will only be effective if they target the specific host plants of declining species.
Een bij-zonder kleurrijk landschap in Land van Wijk en Wouden : handreiking voor inrichting en beheer
Rooij, S.A.M. van; Geertsema, W. ; Opdam, P.F.M. ; Reemer, M. ; Snep, R.P.H. ; Spijker, J.H. ; Steingröver, E.G. - \ 2014
Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2563) - 16
biodiversiteit - insect-plant relaties - regionale planning - ecologische hoofdstructuur - landschap - zuid-holland - biodiversity - insect plant relations - regional planning - ecological network - landscape
Het programma Groene Cirkels (van Heineken) heeft het initiatief genomen tot het realiseren van een duurzaam bijenlandschap in het land van Wijk en Wouden. Deze handreiking wil een impuls geven aan het realiseren daarvan. In Nederland hebben we zo’n 350 verschillende wilde bestuivende insectensoorten. Door variatie in onder andere bloemvormen en kelkdiepte en bloeiseizoen zijn er gespecialiseerde insecten nodig, aangepast op bloeivorm en het bloeiseizoen. Ook moet bestuiving plaats kunnen vinden onder verschillende omstandigheden: bij goed en slecht weer, in vroege en late voorjaren. Nu eens doet de ene soort het goed, dan is er weer een andere die het meeste werk verzet. Diversiteit aan bijen, hommels en zweefvliegen geeft zekerheid voor bestuiving door de jaren heen.
Species richness declines and biotic homogenisation have slowed down for NW-European pollinators and plants.
Carvalheiro, L.G. ; Kunin, W.E. ; Keil, P. ; Aguirre-Gutiérrez, J. ; Ellis, W.N. ; Fox, R. ; Groom, Q. ; Hennekens, S. ; Landuyt, W. Van; Maes, D. ; Meutter, F. Van de; Michez, D. ; Rasmont, P. ; Ode, B. ; Potts, S.G. ; Reemer, M. ; Roberts, S.P.M. ; Schaminée, J. ; Wallis de Vries, M.F. ; Biesmeijer, J.C. - \ 2013
Ecology Letters 16 (2013)7. - ISSN 1461-023X - p. 870 - 878.
agri-environment schemes - global biodiversity - british butterflies - diversity - abundance - britain - scale - netherlands - indicators - similarity
Concern about biodiversity loss has led to increased public investment in conservation. Whereas there is a widespread perception that such initiatives have been unsuccessful, there are few quantitative tests of this perception. Here, we evaluate whether rates of biodiversity change have altered in recent decades in three European countries (Great Britain, Netherlands and Belgium) for plants and flower visiting insects. We compared four 20-year periods, comparing periods of rapid land-use intensification and natural habitat loss (1930–1990) with a period of increased conservation investment (post-1990). We found that extensive species richness loss and biotic homogenisation occurred before 1990, whereas these negative trends became substantially less accentuated during recent decades, being partially reversed for certain taxa (e.g. bees in Great Britain and Netherlands). These results highlight the potential to maintain or even restore current species assemblages (which despite past extinctions are still of great conservation value), at least in regions where large-scale land-use intensification and natural habitat loss has ceased.
Lopend onderzoek: wilde bijen in de Nederlandse landbouw
Scheper, J.A. ; Reemer, M. ; Kleijn, D. - \ 2012
In: De Nederlandse bijen (Hymenoptera: Apidae s.l.) / Peeters, T.M.J., Nieuwenhuijsen, H., Zeist : KNNV Uitgeverij (Natuur van Nederland 11) - ISBN 9789050114479 - p. 119 - 121.
Wilde bestuivers in appel- en perenboomgaarden in de Betuwe in 2010 en 2011
Reemer, M. ; Kleijn, D. - \ 2012
Leiden : Stichting European Invertebrate Survey - 29
insecten - bestuivers (dieren) - honingbijen - bestuiving - boomgaarden - apidae - wilde bijenvolken - pyrus - malus - habitats - betuwe - insect-plant relaties - insects - pollinators - honey bees - pollination - orchards - wild honey bee colonies - insect plant relations
Onderzoek naar wilde bestuivende insecten in appel- en perenboomgaarden in de Betuwe tussen Zaltbommel en Echteld. De achterliggende onderzoeksvragen waren: 1. Welke bijen- en zweefvliegsoorten verzamelen stuifmeel op landbouwgewassen? 2. Op welke afstanden van hun (vermoedelijke) nestelplaatsen worden deze bijensoorten nog aangetroffen op landbouwgewassen? 3. Gebruiken deze soorten in dezelfde gebieden daarnaast andere pollenbronnen? Het huidige rapport doet verslag van een onderzoek om de eerste twee vragen te beantwoorden. De derde vraag komt in een latere fase aan de orde. De keuze om appel en peren te onderzoeken was ingegeven door het grote belang van deze fruitsoorten in de Nederlandse landbouw.
Bijen in collecties zorgen voor wetenschappelijke kruisbestuiving
Scheper, J.A. ; Reemer, M. ; Kleijn, D. - \ 2012
Straatgras / Natuurhistorisch Museum Rotterdam 24 (2012)1. - ISSN 0923-9286 - p. 8 - 10.
Veranderingen in de Nederlandse bijenfauna
Reemer, M. ; Kleijn, D. ; Raemakers, I.P. - \ 2012
In: De Nederlandse bijen (Hymenoptera: Apidae s.l.) / Peters, T.M.J., Nieuwenhuijsen, H., Smit, J., van der Meer, F., Raemakers, I.P., Heitmans, W.R.B., van Achterberg, C., Kwak, M., Loonstra, A.J., de Rond, J., Reemer, M., Zeist : KNNV Uitgeverij (Natuur van Nederland 11) - ISBN 9789050114479 - p. 103 - 107.
De relevantie van wilde bijen voor de bestuiving van landbouwgewassen
Scheper, J.A. ; Kleijn, D. ; Reemer, M. - \ 2011
De Levende Natuur 112 (2011)3. - ISSN 0024-1520 - p. 124 - 125.
apidae - bedreigde soorten - bescherming - bestuiving - veldgewassen - endangered species - protection - pollination - field crops
Ongeveer de helft van de Nederlandse bijensoorten staat op de Rode Lijst. Tegelijkertijd gaan de honingbijen die traditioneel landbouwgewassen bestuiven sterk achteruit. In hoeverre kunnen de wilde bijensoorten deze leemte voor de landbouw invullen? Dit artikel geeft een overzicht van de kennis hierover tot nu toe. De economische waarde van bestuiving van voedselgewassen door insecten wordt in Europa op € 22 miljard geschat (Gallai et al., 2009), in Nederland op circa €1,1miljard (Blacquière, 2010). Van de bloembezoekende insecten dragen bijen veruit het meest bij aan de bestuiving van landbouwgewassen.
Verkenning herstel kleinschalige lijnvormige infrastructuur Heuvelland
Wallis de Vries, M.F. ; Boesveld, A. ; Bosman, W. ; Reemer, M. ; Regelink, J. ; Rossenaar, A.J. ; Schaminée, J.H.J. ; Veling, K. - \ 2009
Ede : Directie Kennis, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Rapport DK nr. 2009/dk110-O) - 82
kalkgraslanden - bossen - landschap - herstel - heuvels - hellingen - flora - fauna - heggen - natuurwaarde - natuurbeheer - ecologisch herstel - zuid-limburg - houtwallen - natura 2000 - chalk grasslands - forests - landscape - rehabilitation - hill land - slopes - flora - fauna - hedges - natural value - nature management - ecological restoration - zuid-limburg - hedgerows - natura 2000
Kalkgraslanden en hellingbossen zijn voorbeelden van soortenrijke natuur in het Limburgse Heuvelland. In het kader van OBN is een verkennend overzicht van natuurwaarden van lijnvormige elementen gemaakt, met een visie op mogelijk herstel van natuur in bermen, heggen en houtwallen. Deze inventarisatie is tot stand gekomen dankzij de inzet van: RAVON, Vlinderstichting, Stichting Anemoon, Floron, Zoogdierenvereniging VZZ, EIS Nederland, en Alterra
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.