Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 95 / 95

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Nieuwe inzichten in de ziekteverwekkers van bacterievlekken
    Taparia, T. ; Krijger, M.C. ; Hendriks, M.J.A. ; Hendrix, E.A.H.J. ; Wolf, J.M. van der - \ 2020
    Paddestoelen (2020). - p. 18 - 21.
    'Weerstand van de dekaarde tegen bacterievlekkenziekte' is een project bij Wageningen University & Research (WUR), dat wordt uitgevoerd in samenwerking met verschillende leden van de Nederlandse toeleveringsketen voor champignons. Over een periode van vier jaar heeft dit project een breed scala aan vragen over bacterievlekken bij champignons beantwoord. Zo is kennis verzameld over de identificattie van de veroorzakers, detectie van de ziekteverwekkers, infectiedynamiek, bron van introductie, het effect van verschillende soorten dekaarde en de weerstand van dekaarde tegen bacterievlekken. In deze bijdrage vatten we de belangrijkste bevindingen van het project samen.
    Innovatie en rendementsverbetering mosselproductie afgerond
    Capelle, J. - \ 2020
    Visserijnieuws (2020). - ISSN 1380-5061 - p. 5 - 5.
    In het Regiocentrum Yerseke van Wageningen Marine Research werken onderzoekers en de schelpdierenvisserijsector actief samen aan kennis en innovaties voor duurzaam gebruik van de Delta, kustwateren en de zee: kennis van en voor de regio Zeeland. Hierover is een convenant gesloten tussen wetenschap, bedrijfsleven, en publieke organisaties. Het werk beslaat een scala aan onderwerpen, zoals het verbeteren van het kweekrendement van mosselen, off-bottom kweek van oesters, schelpdiersurveys, onderzoek naar biotoxines, en effecten van zandsuppleties op natuurwaarden en (schelpdier)visserij. Deze column zet regelmatig een activiteit in de schijnwerpers. Deze keer het onderzoek naar kweekrendement van mosselen.
    Hoe rijk is de Waddenzee?
    Koning, Susan de - \ 2020
    Visserijnieuws (2020). - ISSN 1380-5061Wageningen Marine Research - p. 6 - 6.
    In het Regiocentrum Yerseke van Wageningen Marine Research werken onderzoekers en de schelpdieren visserijsector actief samen aan kennis en innovatiesvoor duurzaam gebruik van de Delta, kustwateren en de zee: kennis van en voor de regio Zeeland. Hierover is een convenant gesloten tussen wetenschap, bedrijfsleven en regionale publieke organisaties. Het werk beslaat een scala aan onderwerpen, zoals het verbeteren van het kweekrendement van mosselen, off-bottomkweek van oesters, schelpdiersurveys, onderzoek naar biotoxines en effecten van zandsuppleties op natuurwaarden en (schelpdier)visserij. Deze column zet regelmatig een activiteit van het Regiocentrum in de schijnwerpers. Deze keer is dat het onderzoek naar hoe verschillende partijen naar de Waddenzee kijken.
    Forensische toepassing van een draagbare NIR-spectrometer
    Weesepoel, Y.J.A. ; Venderink, Tjerk ; Keizers, Peter ; Bakker, Frank ; Boshuis, Margot ; Heerschop, Marcel ; Esch, Annette van; Wallace, Fionn ; Hulsbergen-van den Berg, Annemieke ; Asten, Arian C. van - \ 2020
    De ontwikkeling van kleine IoT-achtige optische sensoren voor forensische toepassing gaan snel de laatste jaren. In dit onderzoek kijken we naar het potentieel van de meest gebruikte nabij-infrarood scanner, welke ook het beste afgestemd is voor inspecteurs en ontwikkelaars en voor de laagste aanschafkosten. In een samenwerking met de Nederlandse Rijkslaboratoria, is er gekeken naar de forensische toepassing van deze scanner op een breed scala aan praktijkmonsters beschikbaar, variërend van harddrugs tot namaakgeneesmiddelen tot vervalste voedingsmiddelen.
    Draagkracht voor schelpdieren : Klantendag bij Wageningen Marine Research Regiocentrum Yerseke
    Steins, N.A. - \ 2019
    Visserijnieuws 39 (2019)44. - ISSN 1380-5061 - p. 6 - 6.
    - In het Regiocentrum Yerseke van Wageningen Marine Research werken on-derzoekers en de schelpdier- en visserijsector actief samen aan kennis en innovaties voor duurzaam gebruik van de Delta, kustwateren en de zee: kennis van en voor de regio Zeeland. Hierover is een convenant gesloten tussen wetenschap, bedrijfsleven, regionale publieke organisaties. Het werk beslaat een scala aan onderwerpen, zoals het verbeteren van het kweekrendement van mosselen, off-bottomkweek van oesters, schelpdiersurveys, onderzoek naar biotoxines, en effecten van zandsuppleties op na-tuurwaarden en (schelpdier)visserij. Deze column zet regelmatig een activiteit van het Regiocentrum in de schijnwerpers. Deze keer is dat de klantendag.
    Vooruitziend gemeentelijk waterbeheer : Verklaringen voor de mate van toekomstgerichtheid van gemeentelijke rioleringsplannen
    Pot, W.D. - \ 2019
    Water Governance (2019)3. - ISSN 2211-0224 - p. 39 - 47.
    Klimaatverandering, demografische en economische ontwikkelingen, digitalisering: Gemeenten zien zich in toenemende mate geconfronteerd met een scala aan toekomstige ontwikkelingen waarvan per definitief het verloop zeer onzeker is. Toekomstige ontwikkelingen spelen een grote rol wanneer gemeenten, en overheden in algemene zin, moeten investeren in hun waterinfrastructuur, zoals riolering en bovengrondse waterberging. Vooral riolering kent per slot van rekening een lange levensduur, van 30 tot mogelijk 60 jaar afhankelijk van de ondergrond. Bovendien is de Nederlandse waterinfrastructuur op veel plekken aan vernieuwing toe (Hijdra et al., 2014).
    Studieochtend mosselkwekers: WMR Regiocentrum Yerseke
    Steins, N.A. - \ 2018
    Visserijnieuws 38 (2018)8. - ISSN 1380-5061 - p. 10 - 10.
    In het Regiocentrum Yerseke van Wageningen Marine Research werken onderzoekers en de schelpdier- en visserijsector actief samen aan kennis en innovaties voor duurzaam gebruik van de Delta, kustwateren en de zee: kennis van en voor de regio Zeeland. In 2016 werd daarover een convenant gesloten tussen wetenschap, bedrijfsleven en regionale overheden. Het werk beslaat een scala aan onderwerpen, zoals het verbeteren van het kweekrendement van mosselen, overlevingsonderzoek van platvis, off-bottom kweek van oesters, schelpdiersurveys, onderzoek naar biotoxines, en effecten van zandsuppleties op natuurwaarden en (schelpdier)visserij. Deze column zet een activiteit van het Regiocentrum in de schijnwerpers. Deze keer de studieochtend voor mosselkwekers rond het project KOMPRO.
    Staand want monitoring IJsselmeer en Markermeer survey- en datarapportage 2017
    Sluis, M.T. van der; Hoppe, M. van - \ 2018
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C025/18) - 17
    In oktober 2017 heeft een monitoring met staand want netten plaatsgevonden op het IJsselmeer en Markermeer. De doelstelling van deze monitoring is een beter beeld te krijgen van de populatie-opbouw van de visbestanden. De reguliere monitoring van vis in het open water (met de actieve vistuigen
    verhoogde boomkor en electrokor) lijkt met name selectief voor kleine vissen te zijn. Grotere vissen lijken in deze reguliere monitoring niet goed gevangen te worden. In het staand want monitoringsproject is bemonsterd met staand want netten met een breed scala aan maaswijdtes. Zodoende kan een breed
    scala aan vislengtes bemonsterd worden.
    De opzet van de monitoring was vergelijkbaar met de opzet van de uitvoering van de monitoring in 2016. Wat wel afweek ten opzichte van voorgaande jaren is de monitoringsperiode. Door problemen met de vergunningverlening in het kader van de Wet Natuurbescherming kon de monitoring dit jaar pas op
    10 oktober starten. Om tijd in te halen zijn er meer netten per dag gezet, maximaal vijf. De monitoringsperiode kon daardoor tot 3 weken beperkt blijven. Er is op 42 locaties gevist, met een gemiddelde sta-duur van de netten van 17 uur en 13 minuten. Ieder staand want net bestaat uit 17 panelen met maaswijdtes tussen 10-190 mm hele maas.
    In totaal zijn 7.623 vissen verdeeld over 12 soorten gevangen, verspreidt over het IJssel en Markermeer. De meest voorkomende soorten in de vangsten waren pos (Gymnocephalus cernuus, vangstaandeel in aantal 27%, lengterange 5-19 cm), baars (Perca fluviatilis, 26%, 5-44 cm), snoekbaars (Stizostedion
    lucioperca, 20%, 8-70 cm) en (spiering (Osmerus eperlanus, 15%, 5-21 cm).
    Elk paneel van het staand want net heeft een eigen selectiviteitscurve, ofwel maar een beperkt deel van de vislengtes van een soort kan gevangen worden. De curves van de verschillende panelen overlappen, waardoor bepaalde lengtes meer kans hebben gevangen te worden dan andere lengtes. Hiervoor moet in
    verdere analyses gecorrigeerd worden. De analyse voor deze overlap in selectiecurves, met een correctiefactor als resultaat, worden gepresenteerd voor de vier commerciële soorten baars, snoekbaars, blankvoorn (Rutilus rutilus) en brasem (Abramis brama). De correctiefactor is vervolgens gebruikt om de
    gegevens om te zetten naar lengte-frequenties. Op basis van de resultaten van de eerste 4 monitoringsjaren is de toegepaste analysemethodiek
    geëvalueerd. In voorgaande jaren is voor het berekenen van de correctiefactor en bij berekening van de vangstinspanning per maaswijdte altijd gecorrigeerd voor de netlengte. Alhoewel de eerder toegepaste correctie voor netlengte in principe juist is, lijkt het bij nader inzien beter om voor netoppervlakte te corrigeren. Daarnaast was bij het schatten van de lengte frequentie (LF) verdeling ten onrechte alleen rekening gehouden met de vangstselectiviteit en niet met het netoppervlak van de verschillende netten. Vooral deze tweede wijziging in de analysemethodiek heeft veel effect op LF-verdelingen met een substantieel aandeel grote vis. Aangezien bovenstaande wijzigingen een realistischer beeld van de werkelijke LF-verdeling lijken te geven is bij dit rapport overgestapt op deze aangepaste analysemethodiek. In 2018 zal ook de surveymethodiek worden geëvalueerd. De LF schattingen voor de vier commerciële soorten, op basis van deze aangepaste analysemethodiek, worden in dit rapport getoond. De LF schattingen voor de voorgaande jaren (2014-2016) zijn ook met de aangepaste methodiek opnieuw berekend. Tussen de verschillende jaren zijn er enige jaar-op-jaar variaties in de LF verdelingen te zien.
    Voor brasem en blankvoorn bestaat onzekerheid over de representativiteit van de monitoringsresultaten voor wat betreft de populatie-opbouw van het brasembestand. Vanuit de gecorrigeerde lengte-frequentieverdeling is het percentage snoekbaarsbiomassa groter dan 40 cm (KRW-maatlat) in IJsselmeer en Markermeer geschat op 3.6 % van de totale biomassa aan snoekbaars in beide meren. Dit is substantieel lager dan de berekening op basis van de LF schatting met de oude methodiek.
    Effect klimaatverandering op visserij en aquacultuur: WMR Regiocentrum Yerseke
    Kamermans, P. - \ 2017
    Visserijnieuws (2017). - ISSN 1380-5061
    In het Regiocentrum Yerseke van Wageningen Marine Research werken onderzoekers en de schelpdier- en visserij-sector actief samen aan kennis en innovaties voor duurzaam gebruik van de Delta, kustwateren en de zee: kennis van en voor de regio Zeeland. In het voorjaar van 2016 werd daarover een convenant gesloten tussen wetenschap, bedrijfsleven en regionale overheden. Het werk beslaat een scala aan onderwerpen, zoals het verbeteren van het kweekrendement van mosselen, overlevingsonderzoek van platvis, off-bottom kweek van oesters, schelpdiersurveys, onderzoek naar biotoxines, en effecten van zandsuppleties op natuurwaarden en (schelpdier)visserij. Deze column zet periodiek een activiteit van het Regiocentrum in de schijnwerpers. Deze keer het project CERES.
    Mosselbanken vanuit de lucht: onderzoek met drones: WMR Regiocentrum Yerseke
    Troost, K. - \ 2017
    Visserijnieuws (2017). - ISSN 1380-5061 - p. 4 - 4.
    In het Regiocentrum Yerseke van Wageningen Marine Research werken onderzoekers en de schelpdier- en visserijsector actief samen aan kennis en innovaties voor duurzaam gebruik van de Delta, kustwateren en de zee: kennis van en voor de regio Zeeland. In het voorjaar van 2016 werd daarover een convenant gesloten tussen wetenschap, bedrijfsleven en regionale overheden. Het werk beslaat een scala aan onderwerpen, zoals het verbeteren van het kweekrendement van mosselen, overlevingsonderzoek van platvis, off-bottom kweek van oesters, schelpdiersurveys, onderzoek naar biotoxines, en effecten van zandsuppleties op natuurwaarden en (schelpdier)visserij. Deze column zet iedere maand een activiteit van het Regiocentrum in de schijnwerpers. Deze keer onderzoek met drones en satellietbeelden om schelpdierbanken in kaart te brengen.
    Klantendag: Vragen rond draagkracht Oosterschelde: WMR Regiocentrum Yerseke
    Steins, N.A. - \ 2017
    Visserijnieuws (2017). - ISSN 1380-5061
    In het Regiocentrum Yerseke van Wageningen Marine Research werken onderzoekers en de schelpdier- en visserijsector actief samen aan kennis en innovaties voor duurzaam gebruik van de Delta, kustwateren en de zee: kennis van en voor de regio Zeeland. In het voorjaar van 2016 werd daarover een convenant gesloten tussen wetenschap, bedrijfsleven en regionale overheden. Het werk beslaat een scala aan onderwerpen, zoals het verbeteren van het kweekrendement van mosselen, overlevingson-derzoek van platvis, off-bottom kweek van oesters, schelpdiersurveys, onderzoek naar biotoxines, en effecten van zandsuppleties op natuurwaarden en (schelpdier)visserij. Deze column zet iedere maand een activiteit van het Regiocentrum in de schijnwerpers. Deze keer de klantendag.
    Off-bottom kweek als middel tegen oesterboorders: WMR Regiocentrum Yerseke
    Kamermans, P. - \ 2017
    Visserijnieuws (2017). - ISSN 1380-5061 - p. 10 - 10.
    In het Regiocentrum Yerseke van Wageningen Marine Research werken onderzoekers en de schelpdierenvisserijsector actief samen aan kennis en innovaties voor duurzaam gebruik van de Delta, kustwateren en de zee:kennis van en voor de regio Zeeland. In het voorjaar van 2016 werd daarover een convenant gesloten tussen wetenschap, bedrijfsleven en regionale overheden. Het werk beslaat een scala aan onderwerpen, zoals het verbeteren van het kweekrendement van mosselen, overlevingsonderzoek van platvis, off-bottom kweek van oesters, schelpdiersurveys, onderzoek naar biotoxines, en effecten van zandsuppleties op natuurwaarden en (schelpdier)visserij. Deze column zet iedere maand een activiteit van het Regiocentrum in de schijnwerpers. Deze keer het project BOKX.
    Driejarig onderzoek Ralstonia gestart
    Bonants, P.J.M. - \ 2017

    Onlangs is het startsein gegeven voor een driejarig onderzoek gericht op Ralstonia solanacearum (Rsol). Rsol is een quarantaine bacterie die verwelkingsziekte kan veroorzaken in een breed scala aan economisch belangrijke gewassen, waaronder aardappel, tomaat en anthurium.

    Slibdynamiek in relatie tot mosselkweek: WMR Regiocentrum Yerseke
    Jansen, H.M. - \ 2017
    Visserijnieuws 37 (2017)43. - ISSN 1380-5061 - p. 6 - 6.
    In het Regiocentrum Yerseke van Wageningen Marine Research werken onderzoekers en de schelpdier- en visserijsector actief samen aan kennis en innovaties voor duurzaam gebruik van de Delta, kustwateren en de zee: kennis van en voor de regio Zeeland. In het voorjaar van 2016 werd daarover een convenant gesloten tussen wetenschap, bedrijfsleven en regionale overheden. Het werk beslaat een scala aan onderwerpen, zoals het verbeteren van het kweekrendement van mosselen, overlevingsonderzoek van platvis, off-bottom kweek van oesters, schelpdiersurveys, onderzoek naar biotoxines, en effecten van zandsuppleties op natuurwaarden en (schelpdier)visserij. Deze column zet periodiek een activiteit van het Regiocentrum in de schijnwerpers. Deze keer onderzoek naar slibdynamiek tijdens de mosselzaadvisserij en de oogst van de percelen.
    Conflicts, security and marginalisation: Institutional change of the pastoral commons in a 'glocal' world
    Haller, T. ; Dijk, H. Van; Bollig, M. ; Greiner, C. ; Schareika, N. ; Gabbert, C. - \ 2016
    Revue scientifique et technique / Office International des Epizooties 35 (2016)2. - ISSN 0253-1933 - p. 405 - 416.
    Contraband - Harmful policy - Land grabbing - Land reform - Myth - Pastoralism

    This paper argues that pastoral commons are under increasing pressure not just from overuse by pastoralists themselves, but from land management policies. Since colonial times, these have been based on a persistent misconception of the nature of pastoral economies and combined with increasing land alienation and fragmentation through government policies and covert privatisation of pastures. The paper focuses especially on pastoral populations in African drylands and is based on long-term research by independent researchers summarising some of their experiences in western, eastern and southern Africa. Most of them are organised in the African Drylands Dialogue, trying to shed some light on the developments in these areas. Before discussing the actual situation of African pastoralists, the authors focus on basic institutional features of the political and economic management of common grazing lands. This is followed by an overview of land alienation processes in colonial times, which serves as a basis for understanding the current land alienation constellations. The paper then moves on to explain how and why pastoralists are framed by the national discourses as the 'other' and the 'troublemaker', even being labelled as terrorists in nation state contexts. This goes hand in hand with a new wave of land alienation in the form of large-scala land acquisitions or 'land grabbing' (including water grabbing and 'green grabbing' processes). The paper then outlines different coping and adaptation strategies adopted by pastoral groups in a context in which a range of different global and local political, economic and ecological situations interrelate ('glocar). Finally, the paper discusses the way in which pastoralism could be refra med in a participatory way in the future.

    De argusvlinder: hoe keren we de afname van een 'gewone vlindersoort'?
    Stip, A. ; Wallis de Vries, M.F. - \ 2016
    De Levende Natuur 117 (2016)2. - ISSN 0024-1520 - p. 46 - 51.
    016-3723 - 016-3923
    Er zijn momenteel in Nederland maar weinig vlindersoorten die zo hard
    achteruitgaan als de Argusvlinder (Lasiommata megera). In goed twintig
    jaar tijd verdween maar liefst 98% van de populatie in ons land. En dat terwijl
    het tot voor kort een heel ‘gewone’ vlindersoort was in een breed scala aan
    biotopen. Om het tij te keren heeft De Vlinderstichting recent een beschermingsplan voor de Argusvlinder opgesteld. Met de daaruit voortkomende
    maatregelen en onderzoek is nieuwe kennis opgedaan over de ecologie van de Argusvlinder en de problemen waar de soort mee kampt. In dit artikel presenteren we deze kennis. Op basis daarvan geven we richtlijnen voor het beheer van het habitat van de Argusvlinder.
    Staand want monitoring IJsselmeer en Markermeer survey- en datarapportage 2016
    Hal, R. van; Sluis, M.T. van der - \ 2016
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C131/16) - 36
    vismethoden - vistuig - netten - visbestand - monitoring - nederland - fishing methods - fishing gear - nets - fishery resources - monitoring - netherlands
    In september 2016 heeft een monitoring met staandwantnetten plaatsgevonden op het IJsselmeer en Markermeer. De doelstelling van deze monitoring is een beter beeld te krijgen van de populatie-opbouw van de visbestanden. De reguliere monitoring van vis in het open water (met de actieve vistuigen verhoogde boomkor en electrokor) is met name selectief voor kleine vissen. Grotere vissen worden in deze reguliere monitoring niet goed gevangen. In het staandwantmonitoringsproject is bemonsterd met staandwantnetten met een breed scala aan maaswijdtes. Zodoende kan een breed scala aan vislengtes bemonsterd worden.
    Omgaan met risico’s op het melkveebedrijf
    Haan, M.H.A. de - \ 2016
    Koeien & Kansen
    Melkveehouders krijgen vaker te maken met fluctuaties van prijzen. Dit heeft een behoorlijke impact op het inkomen. De sterk wisselende melkprijzen van de afgelopen jaren hebben tot hoge, maar ook zorgwekkend lage inkomens geleid. Reden te meer voor de Koeien & Kansen veehouders om dieper na te denken over deze risico’s, maar ook over een scala aan andere risico’s. Rick Hoksbergen, relatiemanager van Alfa Accountants, hielp hierbij.
    Dalende bodems, stijgende kosten : mogelijke maatregelen tegen veenbodemdaling in het landelijk en stedelijk gebied: beleidsstudie
    Born, G.J. van den; Kragt, F. ; Henkens, D. ; Rijken, B. ; Bemmel, B. van; Sluis, S. van der; Polman, N. ; Bos, Ernst Jenno ; Kuhlman, Tom ; Kwakernaak, C. ; Akker, J. van den; Diogo, V. ; Koomen, E. ; Lange, G. de; Bakel, J. van; Brinke, W.B.M. ten - \ 2016
    Den Haag : Planbureau voor de Leefomgeving (PBL-publicatie 1064) - 92
    Het doel van deze studie is om bodemdaling, de gevolgen van bodemdaling en het effect van mogelijke maatregelen in de Nederlandse laagveengebieden op een transparante manier in beeld te brengen. Dat doen we voor zowel het landelijk als stedelijk gebied. Deze studie laat de handelingsopties voor bestuurders zien voor afgewogen keuzes in het landelijk en stedelijk gebied ten aanzien van dilemma’s in de laagveengebieden die nu al op hun bord liggen of mogelijk in de toekomst zullen gaan spelen. Daarvoor kijken we naar een breed scala van effecten van bodemdaling, zoals de effecten op de landbouw en voedselproductie, het waterbeheer, het klimaat (CO2-emissie), natuur en landschap, en de bebouwde omgeving inclusief de infrastructuur. We geven een beeld van de orde van grootte van de problemen die door bodemdaling worden veroorzaakt en geven inzicht in de kosten en baten van bodemdaling. We kijken daarbij naar de gevolgen voor natuur, klimaat, landbouw, (water)beheer, wonen en infrastructuur.
    Leve(n) de bodem! : de basis onder ons bestaan
    Brussaard, L. ; Govers, F.P.M. ; Buiter, R.M. - \ 2016
    Den Haag : Stichting Bio-Wetenschappen en Maatschappij (Cahier / Biowetenschappen en Maatschappij 35e jaargang (2016) kwartaal 3) - ISBN 9789073196834 - 88
    bodemkunde - bodembiologie - bodemkwaliteit - landbouwgronden - bodemvruchtbaarheid - bodembeheer - bodemweerbaarheid - bodemmicrobiologie - duurzaam bodemgebruik - lesmaterialen - soil science - soil biology - soil quality - agricultural soils - soil fertility - soil management - soil suppressiveness - soil microbiology - sustainable land use - teaching materials
    De bodem is niet alleen letterlijk de grond onder ons bestaan, ze is dat ook figuurlijk. Vruchtbare bodems leveren ons bijvoorbeeld voedsel, water en grondstoffen, maar ook een heel scala aan andere ecosysteemdiensten. In één theelepel zwarte grond leven meer organismen dan er mensen zijn op de hele aarde. Ze zorgen ervoor dat planten gebruik kunnen maken van de voedingsstoffen in de bodem en in een gezonde bodem krijgen ziekteverwekkers ook minder kans. Nu we steeds beter begrijpen hóe ze dat doen, kunnen wij zelfs nieuwe antibiotica vinden in de bodem! In dit cahier laten wetenschappers van naam op het gebied van het bodemonderzoek niet alleen zien welke diensten een gezonde bodem al vele eeuwen levert. Ze vertellen ook hoe de figuurlijke bodem onder ons bestaan tegelijk grond voor inspiratie is voor voedsel en technologie voor de toekomst.
    Anaerobe Grondontsmetting (AGO) voor open teelten
    Os, G.J. van; Lamers, J.G. - \ 2016
    Wageningen UR - 8
    biologische grondontsmetting - biologische bestrijding - nematoda - bestrijdingsmethoden - bodemschimmels - fusarium - verticillium - biological soil sterilization - biological control - nematoda - control methods - soil fungi - fusarium - verticillium
    Anaerobe grondontsmetting is een biologische manier van grond ontsmetten. Hiermee wordt een breed scala aan schadelijke ziekten en plagen in de bodem beheersbaar. Het is een goed alternatief voor de chemische grondontsmetting (metamnatrium) ter bestrijding van aaltjes en veelal de enige bestrijdingsmaatregel tegen een aantal ziekteverwekkende bodemschimmels, zoals Fusarium en Verticillium.
    Staand want monitoring IJsselmeer en Markermeer : Survey- en datarapportage 2015
    Hal, R. van; Sluis, M.T. van der - \ 2015
    IJmuiden : IMARES (Rapport / IMARES C191/15) - 28
    vismethoden - vistuig - monitoring - netten - ijsselmeer - nederland - fishing methods - fishing gear - monitoring - nets - lake ijssel - netherlands
    In september en begin oktober 2015 heeft een monitoring met staand want netten plaatsgevonden op het IJsselmeer en Markermeer. De doelstelling van deze monitoring was om een beter beeld te krijgen van de populatie-opbouw van de visbestanden. De reguliere monitoring van vis in het open water (met de actieve tuigen verhoogde boomkor en electrokor) is met name selectief voor kleine vissen en grotere vissen worden in deze reguliere survey niet goed gevangen. In het staand want monitoringsproject is bemonsterd met staand want netten met een breed scala aan maaswijdtes. Zodoende kan een breed scala aan vislengtes bemonsterd worden.
    De rol van de ‘gentry’ in de economische ontwikkeling van Gelderland in de negentiende eeuw
    Cruijningen, P.J. van - \ 2015
    Bijdragen en mededelingen : Historisch jaarboek voor Gelderland 105 (2015). - ISSN 0923-2834 - p. 167 - 178.
    In december 2014 is deel 105 van Bijdragen en Mededelingen ‘Gelre’ verschenen, een goed gevuld jaarboek, met bijdragen die bijna alle tijdvakken van de Gelderse geschiedenis bestrijken – van prehistorie tot twintigste eeuw. Om met de voorbije eeuw te beginnen: de tentoonstelling ‘Mijlpaal 1950’, gehouden in het Arnhemse Sonsbeekpark, was bedoeld als een icoon van de wederopbouw van naoorlogs Nederland, maar liep uit op een geweldige flop. In een originele bijdrage wordt dit drama in vele bedrijven uit de doeken gedaan, waarbij (het gebrek aan) samenwerking tussen bemoeizuchtige Haagse ambtenaren en goedbedoelende Arnhemse bestuurders centraal staat. Andere bestuurlijke perikelen, maar dan uit een verder verleden, krijgen de aandacht in een analyse van de turbulente wordingsjaren van de Gelderse Provinciale Staten tijdens de Nederlandse Opstand aan het eind van de zestiende eeuw. Dit was niet alleen een tijd van politieke beroering, maar ook op religieus gebied moesten er keuzes worden gemaakt: katholiek of protestant? De geschiedenis van de vestiging van de gereformeerde kerk in het Kwartier van Zutphen laat zien hoe complex dit proces kon zijn, terwijl de geschiedenis van de katholieke Walraven van Stepraedt het geheel een persoonlijk gezicht geeft. Niet minder complex blijkt de schuldenproblematiek waarin hertog Arnold zich ruim een eeuw eerder bevond. Uitgebreid bronnenonderzoek leidde hier tot interessante bevindingen. De economische geschiedenis komt ook aan de orde in een opstel over de rol die de Gelderse landadel speelde in de ontwikkeling van land- en bosbouw in de negentiende eeuw. Voorts staat ‘Gelderse identiteit’ volop in de aandacht, onder meer in een bijdrage over het Gelderland-beeld in de negentiende-eeuwse literatuur. Zoals gebruikelijk biedt Bijdragen en Mededelingen ook een rondgang langs recent verschenen publicaties, die in verschillende boekbesprekingen aan een kritische blik worden onderworpen. Tot slot ontmoeten we een oude bekende: de Archeologische Kroniek, waarin Gelderse gemeente- en regioarcheologen verslag doen van hun bevindingen, is na bijna twintig jaar afwezigheid nieuw leven ingeblazen. Met een scala aan prachtige illustraties maakt zij een flitsende comeback. Kortom, het jaar 2014 leverde weer een ongemeen rijke oogst aan publicaties op het terrein van de Gelderse geschiedenis.
    Smaakpanel test ook gevoelswaarde bloemen en planten : liefdesverdrietboeket trekt Wageningse studenten
    Arkesteijn, M. ; Verkerke, W. - \ 2015
    Onder Glas 12 (2015)9. - p. 29 - 29.
    tuinbouw - snijbloemen - glastuinbouw - consumentenpanels - smaakpanels - ornamentele waarde - veredelingsprogramma's - potplanten - tomaten - horticulture - cut flowers - greenhouse horticulture - consumer panels - taste panels - ornamental value - breeding programmes - pot plants - tomatoes
    Wie beoordeelt beter wat mensen mooi of lekker vinden: specialisten of een panel van ‘gewone’ mensen, die de producten moeten kopen? In 25 jaar groeide een onderzoekspanel dat bijdroeg aan de verbetering van de smaak van tomaten uit tot het Bleiswijkse smaakpanel van Wageningen UR. Een dienstverlenend panel van zo’n 300 mensen, die inzetbaar zijn voor een scala aan smaaktesten. Kan dat smaakpanel ook worden ingezet voor de beoordeling van bloemen en planten?
    Lang leve het virus!
    Vlugt, R.A.A. van der; Goud, J.C. - \ 2015
    Gewasbescherming 46 (2015)1. - ISSN 0166-6495 - p. 4 - 5.
    gewasbescherming - plantenvirussen - interviews - hittetolerantie - koudetolerantie - droogteresistentie - virologie - plantenziektebestrijding - plant protection - plant viruses - interviews - heat tolerance - cold tolerance - drought resistance - virology - plant disease control
    “Dat virussen ziekten kunnen veroorzaken, in allerlei organismen, weet iedereen. Maar dat virussen ook gunstige effecten kunnen hebben is veel minder bekend.” Dit artikel geeft een gesprek weer met Marilyn Roossinck van Pennsylvania State University, die in Wageningen was voor het geven van de tweede Rob Goldbach Virology Lecture. “Naast pathogene virussen is er een enorm scala aan virussen met juist een gunstig effect op de plant. Voorbeelden daarvan zijn een verbeterde droogtetolerantie, hitte- of koudetolerantie of zouttolerantie. Ook bepaalde stammen van pathogene soorten kunnen deze effecten veroorzaken. Van verreweg de meeste soorten weten we simpelweg niet wat ze doen.”
    From potential to implementation: An innovation framework to realize the benefits of soil carbon
    Funk, R. ; Pascual, U. ; Joosten, H. ; Duffy, C. ; Genxing Pan, ; Scala, N. la; Gottschalk, P. ; Banwart, S.A. ; Batjes, N.H. ; Zucong Cai, ; Six, J. ; Noellemeyer, E. - \ 2015
    In: Soil Carbon: Science, Management and Policy for Multiple Benefits / Banwart, S.A., Noellemeyer, E., Milne, E., CAB International - ISBN 9781780645322 - p. 47 - 59.
    Staand Want monitoring IJsselmeer en Markermeer in 2014: survey- en datarapport
    Sluis, M.T. van der; Keeken, O.A. van; Tien, N.S.H. ; Hal, R. van - \ 2014
    IJmuiden : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C179/14) - 15
    visbestand - monitoring - populatiedichtheid - ijsselmeer - fishery resources - monitoring - population density - lake ijssel
    In oktober/november 2014 heeft een monitoring met staand wantnetten plaatsgevonden op het IJsselmeer en Markermeer. De doelstelling van deze monitoring was om een beter beeld te krijgen van de populatie-opbouw van de visbestanden. In het staand wantmonitoringsproject is bemonsterd met staand wantnetten met een breed scala aan maaswijdtes. Zodoende kan een breed scala aan vislengtes bemonsterd worden. In dit rapport staat de uitvoering van de monitoring centraal en wordt een overzicht gegeven van de visinspanning en de vangsten.
    De darmmicrobiota in gezondheid en ziekte
    Lankelma, J.M. ; Nieuwdorp, M. ; Vos, W.M. de; Wiersinga, W.J. - \ 2014
    Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 157 (2014). - ISSN 0028-2162 - 8 p.
    De darmmicrobiota, voorheen ‘darmflora’ genoemd, kunnen worden beschouwd als een extern orgaan dat vele fysiologische functies vervult in het metabolisme, de ontwikkeling van het immuunsysteem en de afweer tegen pathogenen. De volwassen darmmicrobiota bestaan uit 1013-1014 micro-organismen. Het gezamenlijke genoom daarvan, ook wel het microbioom genoemd, is 100 keer groter dan het menselijke genoom. De darmmicrobiota spelen mogelijk een rol bij de pathogenese van een scala aan ziektebeelden, zoals inflammatoire darmziekten, obesitas, diabetes mellitus en atopische aandoeningen. Een kanttekening hierbij is dat tot dusver voornamelijk associatiestudies uitgevoerd zijn, zonder bewijs van causaliteit. Dit toenemende inzicht heeft geleid tot de identificatie van nieuwe therapeutische strategieën, die op dit moment in klinische studies getest worden. Hoewel nog moet blijken wat deze kennis voor de individuele patiënt betekent, zijn verschillende interventies denkbaar, zoals suppletie van voedingsbestanddelen, prebiotica, probiotica en fecestransplantatie.
    Koolhydraten bieden scala aan mogelijkheden voor gezonde levensmiddelen
    Schols, H.A. - \ 2014
    Wageningen : Wageningen UR
    voedingsvezels - koolhydraten - voeding en gezondheid - voedingsstoffen - analytische methoden - voedselonderzoek - dietary fibres - carbohydrates - nutrition and health - nutrients - analytical methods - food research
    Koolhydraten in onze voeding leveren energie en zorgen voor een gemakkelijke stoelgang. Van de vele verschillende koolhydraatmoleculen, waaronder tal van soorten kleine suikers, zetmeel en voedingsvezels, weten we echter betrekkelijk weinig. Dat geldt ook voor hun rol tijdens het bewaren en verwerken van levensmiddelen of voor de invloed van koolhydraten op de gezondheid.
    Il contributo dell'Italia verso una lista rossa degli habitat terrestri d'Europa: criticità e prospettive
    Gigante, D. ; Acosta, A.T.R. ; Agrillo, E. ; Janssen, J.A.M. - \ 2014
    A partire dal 2014 è stato avviato, su incarico della Commissione Europea - DG Environment, un progetto europeo finalizzato alla valutazione dello stato di conservazione degli habitat Europei, naturali e seminaturali, terrestri e marini, avente come obiettivo la realizzazione di una Lista Rossa Europea degli habitat. L'ambito geografico di riferimento è rappresentato dai paesi dell'Unione Europea (EU28) con l'aggiunta di Norvegia, Islanda, Svizzera e paesi Balcanici (EU28+). Il coordinamento del progetto è a cura di Alterra (The Netherlands) e NatureBureau (Gran Bretagna) con la collaborazione della IUCN. I team di esperti nazionali sono stati costituiti nei vari paesi da coloro che hanno aderito al progetto a seguito di una call diffusa da EVS ed EDGG, gruppi di lavoro della IAVS. L'approccio metodologico è stato definito dai coordinatori europei. Per quanto riguarda categorie e criteri, è stata adottata una versione modificata del protocollo IUCN, proposta da Keith et al. (2013). In questo modello di assessment, i criteri si riferiscono sostanzialmente a: A) riduzione quantitativa, B) distribuzione geografica ristretta associata a declino o minacce, C/D) declino qualitativo (biotico/abiotico). Le categorie di rischio corrispondono a quelle utilizzate per le specie: CR (CRitically endangered), EN (ENdangered), VU (VUlnerable), Near Threatened (NT), Least Concern (LC) and Data Deficient (DD). La categoria EX (EXctinct) viene sostituita da CO (COllapsed), inteso come fase terminale del declino. Le tipologie sulle quali verrà condotto l'assessment sono state delineate a partire dalle categorie EUNIS (livello 3), adattate e riformulate nei casi di ovrapposizione, ambiguità o eccessiva ampiezza dei tipi originali, con l'esclusione degli habitat marcatamente antropogenici. Il prodotto finale sarà rappresentato da una scheda per ciascun habitat nella quale verranno riportate informazioni di tipo ecologico e distributivo e la categoria di rischio risultante dall'assessment eseguito. Il protocollo procedurale si articola in una fase di raccolta dati, che saranno forniti dagli esperti territoriali (National Experts), cui seguirà la valutazione dello stato di minaccia, condotta all'interno di 7 gruppi tematici (Working Groups) che opereranno a scala continentale. Con il presente contributo viene illustrato lo stato dell'arte del progetto per quanto concerne gli habitat terrestri presenti in Italia e vengono evidenziati i punti critici dell'intero processo. Questi ultimi, rappresentati soprattutto da una scarsa disponibilità di dati di base attuali e pregressi (se non per un ristretto numero di tipologie e/o per aree parziali del territorio nazionale), pongono un forte limite all'applicazione dei criteri adottati per l'assessment, problematica peraltro condivisa dalla maggioranza dei paesi del Sud Europa quali Spagna, Francia, Portogallo, Bulgaria e Grecia. Nonostante la migliorabilità del metodo e i numerosi punti ancora da perfezionare in un processo che interessa oggetti complessi e multidimensionali quali sono gli habitat, il progetto si delinea come un importante sforzo di coordinamento e armonizzazione delle conoscenze alla scala continentale, ponendo le premesse per ulteriori sviluppi alla scala nazionale ed evidenziando le numerose lacune conoscitive che gli enti preposti alla tutela e alla valorizzazione della biodiversità dovrebbero impegnarsi a colmare nel più breve tempo possibile.
    Suiker als grondstof voor de Nederlandse chemische industrie; Gewassen, processen, beleid
    Harmsen, P.F.H. ; Lips, S.J.J. ; Bos, H.L. ; Smit, B. ; Berkum, S. van; Helming, J. ; Jongeneel, R. - \ 2014
    Wageningen : FBR Wageningen (Rapport / Wageningen UR Food & Biobased Research 1494)
    industriële grondstoffen - chemicaliën uit biologische grondstoffen - chemische industrie - suikergewassen - biobased economy - feedstocks - biobased chemicals - chemical industry - sugar crops - biobased economy
    Suiker speelt een belangrijke rol in de biobased economy. Voor de chemische industrie kan suiker als vervanging dienen van fossiele grondstoffen voor de productie van chemicaliën en materialen zoals bioplastics. Door zeer veel partijen wordt er momenteel gewerkt aan de verdere ontwikkeling van een scala aan chemicaliën en materialen uit suikers. Dit rapport bestaat uit 2 delen: deel 1 beschrijft de potentiele vraag naar suikers voor de chemie, deel 2 beschrijft de bedrijfseconomische aspecten.
    Business Case Fishmasters
    Ham, E. van der; Ras, P. ; Splinter, G.M. - \ 2013
    Stichting versterking Afzetpositie Producenten van glasgroenten (STAP) - 10
    visverwerkende industrie - visproducten - marktinformatie - ketenmanagement - samenwerking - fish industry - fish products - market intelligence - supply chain management - cooperation
    Case waar de strategie vanFishmasters, onderdeel van de Kennemervis Groep en leverancier van een breed scala aan verse, diepgevroren en voorbewerkte vis en visproducten wordt beschreven aan de hand van de zeven bouwstenen van STAP. STAP staat voor “STichting versterking Afzetpositie Producenten van glasgroenten in Nederland.
    Leren van het energieke platteland. Lokale en regionale coalities voor duurzame plattelandsontwikkeling: Achtergrond rapport
    Arnouts, R. ; Born, G.J. van den; Daalhuizen, F. ; Farjon, H. ; Pols, L. ; Tekelenburg, T. ; Tisma, S. ; Veen, Mark van; Gerritsen, A.L. ; Verburg, R.W. ; Wiering, M. ; Roovers, G. - \ 2013
    Den Haag : PBL (PBL-publicatie 1129) - ISBN 9789491506383 - 125
    regionale ontwikkeling - platteland - landgebruik - landbouw - natuurbeheer - burgers - participatie - waterbeheer - voedselvoorziening - zorgboerderijen - regional development - rural areas - land use - agriculture - nature management - citizens - participation - water management - food supply - social care farms
    Dit achtergrondrapport bij de studie Leren van het energieke platteland analyseert een breed scala aan succesvolle en minder succesvolle coalities die zijn gestart om de leefomgeving op het platteland te verbeteren, van zorgboerderijen tot lokale energiecoöperaties en landschapsfondsen. Van negen groepen coalities is aan de hand van enkele praktijkvoorbeelden beschreven hoe ze werken, welke duurzaamheidsprestaties ze leveren, tegen welke hindernissen ze aanlopen en welke verbeterpunten er liggen.
    Leren van het energieke platteland : lokale en regionale coalities voor duurzame plattelandsontwikkeling
    Farjon, J.M.J. ; Arnouts, R. ; Born, G.J. van den; Daalhuizen, F. ; Pols, L. ; Tekelenburg, T. ; Tisma, S. ; Veen, M. van; Verkade, N. ; Brink, Thelma van den; Gerritsen, A.L. ; Verburg, R.W. ; Vader, J. ; Groot, A.M.E. ; Agricola, H.J. ; Nieuwenhuizen, W. ; Gies, E. ; Wiering, M. ; Elsinga, P. ; Roovers, G. - \ 2013
    Den Haag : PBL (Rapport / PBL 769) - 86
    regionale ontwikkeling - platteland - samenwerking - landbouw - natuur - burgers - participatie - regional development - rural areas - cooperation - agriculture - nature - citizens - participation
    In deze studie onderzoeken we de kracht van de samenwerking tussen de verschillende gebruikers van het platteland. Burgers, boeren, natuurbeheerders en bedrijven die samen initiatieven ontplooien om hun leefomgeving te verbeteren. De studie laat aan de hand van een breed scala aan praktijkvoorbeelden zien hoe ze dat doen, wat ze proberen te bereiken en waar ze tegenaan lopen. Zo zijn er moderne boeren die samen met andere ketenpartijen hun bedrijfsvoering nog verder willen verduurzamen dan de wet al voorschrijft, en burgers die met boeren lokale coöperaties opzetten voor de opwekking van hernieuwbare energie.
    Rasverschillen spelen rol bij reactie op klimaatomstandigheden (interview met Arie de Gelder en Leo Marcelis)
    Arkesteijn, M. ; Gelder, A. de; Marcelis, L.F.M. - \ 2013
    Onder Glas 10 (2013)9. - p. 23 - 25.
    overblijvende planten - rassen (planten) - plantenveredeling - soortendiversiteit - cultuurmethoden - kassen - klimaatregeling - plantenontwikkeling - glastuinbouw - perennials - varieties - plant breeding - species diversity - cultural methods - greenhouses - air conditioning - plant development - greenhouse horticulture
    Een van de redenen om voor een ras te kiezen is de productie. Maar het productieniveau hangt ook samen met de klimaatomstandigheden in de kas, zoals direct of diffuus licht, een temperatuurverlaging of meer CO2. Daar blijken rassen verschillend op te kunnen reageren. Aan de hand van vier cases laten onderzoekers Leo Marcelis en Arie de Gelder van Wageningen UR Glastuinbouw zien, wat er regelmatig aan extra informatie komt uit teeltonderzoeken. Het blijkt een scala aan puzzelstukken te zijn, die veredelaars en telers kunnen meenemen.
    Progetti integrati: Paesaggi energetici sostenibili
    Stremke, S. - \ 2013
    Architettura del Paesaggio 27 (2013). - ISSN 1125-0259 - p. 34 - 37.
    27 - Energia dalla natura e nuovi paesaggi: La maggiore richiesta di energia preme sul territorio, ma senza chiarire quali strategie, quali metodi e quali modelli di lavoro siano stati adottati o programmati sui paesaggi a rischio che consentono un migliore sfruttamento delle energie della natura: paesaggi naturali, rurali e costieri. Il paesaggista si pone come figura cardine di questo processo mettendo in le buone idee e le buone pratiche quotidiane, nella piccola e grande scala che coinvolgono direttamente la vita e il benessere di tutti.
    L’importanza dei corridoi ecologici a scala Europea
    Sluis, Theo van der - \ 2012
    Waardplantvoorkeur van hommels: terugkijken in de tijd
    Kleijn, D. ; Raemakers, I.P. - \ 2012
    Entomologische Berichten 72 (2012)1/2. - ISSN 0013-8827 - p. 21 - 35.
    bombus - insect-plant relaties - waardplanten - stuifmeel - populatie-ecologie - fauna - geschiedenis - inventarisaties - nederland - verenigd koninkrijk - belgië - insect plant relations - host plants - pollen - population ecology - history - inventories - netherlands - uk - belgium
    Het verklaren van populatietrends is een belangrijk doel geweest van een breed scala aan ecologische studies. Dergelijke studies worden bemoeilijkt doordat bij zeldzame soorten een bepaalde eigenschap of gedrag zowel oorzaak als gevolg kan zijn van de achteruitgang van een soort. Wij omzeilden dit probleem door eigenschappen van soorten te vergelijken aan de hand van exemplaren in natuurhistorische musea die waren verzameld toen de soorten nog algemeen voorkwamen. Over de rol van voedselvoorkeur en -specialisatie als veroorzaker van de achteruitgang van hommelsoorten wordt al lange tijd gediscussieerd. Wij vergeleken de samenstelling van stuifmeelladingen van vijf hommelsoorten met stabiele populaties en vijf soorten met afnemende populaties met behulp van exemplaren in musea die voor 1950 waren verzameld in België, Engeland en Nederland.
    Benchmarking Entrepreneurship Education Programs a comparison of green higher Education Institutes in the Netherlands and Belgium (forthcoming)
    Lubberink, R. ; Simons, F. ; Blok, V. ; Omta, S.W.F. - \ 2012
    Wageningen : Wageningen University - 159
    agrarisch onderwijs - ondernemerschap - leerplan - onderwijsprogramma's - kennisoverdracht - internationale vergelijkingen - agricultural education - entrepreneurship - curriculum - education programmes - knowledge transfer - international comparisons
    Tegenwoordig wordt ondernemerschap gezien als een van de belangrijke factoren van economische groei. De Europese Unie en de Nederlandse overheid willen daarom ondernemerschap ook stimuleren. Studies tonen aan dat ondernemerschapsonderwijs één van de middelen is om uiteindelijk ondernemerschap te stimuleren. Dit heeft ertoe geleid dat er een breed scala aan ondernemerschapsprogramma’s is ontstaan. In Nederland zijn in navolging daarvan verschillende Centres of Entrepreneurship opgericht. Eén van deze centra is Dutch Agro-food Network of Entrepreneurship (DAFNE). Dit centrum voor ondernemerschap is opgericht in samenwerking met verschillende instellingen in het groene onderwijs die ondernemerschap wilden opnemen in het curriculum: Wageningen Universiteit, Van Hall Larenstein Wageningen, Van Hall Larenstein Leeuwarden, Christelijk Agrarisch Hogeschool Dronten en de HAS Den Bosch. In opdracht van DAFNE is onderzocht hoe het ondernemerschapsonderwijs van de deelnemende instellingen is opgezet en hoe het onderwijs wordt uitgevoerd. Op basis hiervan kunnen aanbevelingen worden gedaan voor de verdere verbetering van de onderwijsprogramma’s van de individuele onderwijsinstellingen.
    Plagen en hun biologische bestrijders - kader: Feiten: Nog veel te ontdekken
    Neefjes, H. ; Linden, A. van der - \ 2012
    Vakblad voor de Bloemisterij 67 (2012)8. - ISSN 0042-2223 - p. 29 - 29.
    sierteelt - gewasbescherming - organismen ingezet bij biologische bestrijding - plantenplagen - plaagbestrijding met natuurlijke vijanden - biologische bestrijding - ornamental horticulture - plant protection - biological control agents - plant pests - augmentation - biological control
    Er is een breed scala bestrijders beschikbaar voor siertelers in Nederland. Steeds meer telers zetten ze in tegen plagen of gaan ermee experimenteren. Ondertussen komen via onderzoekers en fabrikanten nog steeds nieuwe beestjes of toepassingen in beeld. Naar verwachting zetten deze ontwikkelingen door.
    Onderzoeksresultaten Klimaat voor Ruimte
    Pater, F. de; Pijnappels, M.H.J. ; Steenis, O.M.B. van - \ 2011
    Klimaat voor Ruimte - 90
    klimaatverandering - voorspellingen - scenario planning - klimaatadaptatie - climatic change - forecasts - scenario planning - climate adaptation
    Niemand kan in de toekomst kijken. Toch willen we Nederland nu aanpassen aan toekomstige veranderingen in het klimaat. Klimaatscenario’s verbeelden een mogelijk, toekomstig klimaat en helpen zo om verstandige besluiten te nemen over de inrichting van Nederland. Klimaatscenario’s helpen de overheid, het bedrijfsleven en burgers om zich aan te passen aan klimaatverandering. Ze worden ontwikkeld met hulp van een breed scala aan klimaatmodellen. Binnen het thema Klimaatscenario’s hebben onderzoekers gewerkt aan een centrale kennisbasis van gebruikersvriendelijke en vooral regionale klimaatgegevens, -modellen en -scenario’s
    Klimaat voor Ruimte (Website)
    Jong, F. de - \ 2011
    Amsterdam : VU Amsterdam, Wageningen UR : Klimaat voor Ruimte (BSIK)
    ruimtelijke ordening - landgebruiksplanning - klimaatverandering - waterbeheer - physical planning - land use planning - climatic change - water management
    Het onderzoekprogramma Klimaat voor Ruimte bestudeert de gevolgen van klimaatverandering en manieren om daarmee om te gaan, toegesneden op het ruimtegebruik, ter ondersteuning van de besluitvorming over de toekomstige inrichting van ons land. De onderzoeksresultaten worden aangeboden aan overheden, maatschappelijke instellingen en kennisinstellingen.Binnen het programma wordt onderzoek uitgevoerd naar de kansen van klimaatverandering voor de Nederlandse samenleving door aanpassingen in het ruimtegebruik. Hiertoe worden onder andere nieuwe regionale klimaatscenario's ontwikkeld, vindt onderzoek plaats naar landgebonden emissies en de monitoring hiervan (mitigatie), wordt een breed scala adaptatieprojecten naar aanpassing aan klimaatverandering in verschillende sectoren uitgevoerd, wordt de kennis geïntegreerd over het gehele programma, worden lesprogramma's ontwikkeld en vindt brede communicatie naar en met alle doelgroepen plaats.
    Ziek en zeer : een nieuwe en curieuze ziekte in lelies
    Vink, P. - \ 2011
    BloembollenVisie 2011 (2011)234. - ISSN 1571-5558 - p. 23 - 23.
    lilium - lelies - schimmelziekten - fungiciden - gewasbescherming - landbouwkundig onderzoek - plantenziektebestrijding - lilium - lilies - fungal diseases - fungicides - plant protection - agricultural research - plant disease control
    Sinds een aantal jaren is bekend dat lelieplanten tijdens de bloementeelt in de herfst en winter kunnen worden aangetast door de schimmel Zygophiala. Deze schimmel tast de waslaag aan en vormt microsclerotiën die lijken op vliegenpoepjes. Daarom wordt de ziekte aangeduidt als "flyspeck" of "vliegenpoepjesziekte". Onderzoek heeft aangetoond dat een scala aan fungicide in staat is om de schimmel te onderdrukken. Ook is een PCR-toets ontwikkeld om de schimmel in een vroeg stadium op lelieplanten aan te kunnen tonen.
    Verder onderzoek naar nieuwe natuurlijke vijanden is nodig: Lastige varenrouwmug bestrijden met aaltjes en roofmijten
    Arkesteijn, M. ; Pijnakker, J. - \ 2011
    Onder Glas 8 (2011)5. - p. 44 - 45.
    glastuinbouw - plantenplagen - insecten - sciara - organismen ingezet bij biologische bestrijding - nematoda - roofmijten - gewasbescherming - potplanten - greenhouse horticulture - plant pests - insects - sciara - biological control agents - nematoda - predatory mites - plant protection - pot plants
    Larven van de varenrouwmug kunnen grote schade aanrichten in zaailingen, stekken en jonge planten van een breed scala aan potplanten. De problemen treden op bij opkweekbedrijven en productiebedrijven, die zelf stekken. De uitval kan plaatselijk oplopen tot 50%. Wageningen UR Glastuinbouw doet onderzoek naar de mogelijkheden van de geïntegreerde bestrijding. Mogelijk bieden aaltjes en een open kweeksysteem voor roofmijten een oplossing.
    Communicatie, Thema: Functionele biodiversiteit BO-12.03-004-007
    Vosman, B. ; Faber, J.H. - \ 2011
    S.n.
    communicatie - kennisoverdracht - landbouwvoorlichting - functionele biodiversiteit - agrobiodiversiteit - communication - knowledge transfer - agricultural extension - functional biodiversity - agro-biodiversity
    Poster met informatie over communicatie over functionele agrobiodiversiteit FAB). Kennis die in het onderzoeksprogramma is ontwikkeld wordt uitgedragen naar de verschillende doelgroepen. Hiervoor wordt een scala aan communicatiemiddelen ingezet, specifiek gericht op de verschillende gebruikersgroepen.
    Wegberm biedt hulp tegen bestuivingscrisis
    Noordijk, J. ; Delille, K. ; Schaffers, A.P. ; Sykora, K.V. - \ 2010
    Vakblad Natuur Bos Landschap 7 (2010)5. - ISSN 1572-7610 - p. 12 - 15.
    wegbeplantingen - wegbermplanten - biodiversiteit - maaien - insect-plant relaties - akkerranden - roadside plantations - roadside plants - biodiversity - mowing - insect plant relations - field margins
    De achteruitgang van bloemzoekende insecten is een bedrieging voor een scala aan ecologische processen en diensten die deze dieren verzorgen. Wegbermen zijn vaak rijk aan bloeiende kruiden en kunnen daardoor van groot belang zijn voor deze dieren. Maar hoe kunnen deze bermen het beste beheerd worden? Wageningen Universiteit deed een experiment in een grazige berm, waarbij bloembezoek bekeken werd in relatie to vijf maairegimes
    Botrytis richt veel schade aan in tal van gewassen (Aantasting is sterk cultivar afhankelijk)
    Arkesteijn, M. ; Paternotte, S.J. - \ 2010
    Onder Glas 7 (2010)6/7. - p. 34 - 35.
    tuinbouwgewassen - botrytis - schimmelziekten - rassen (planten) - gevoeligheid van variëteiten - vatbaarheid - teelt onder bescherming - groenteteelt - fruitteelt - groenten - horticultural crops - botrytis - fungal diseases - varieties - varietal susceptibility - susceptibility - protected cultivation - vegetable growing - fruit growing - vegetables
    Botryotinia fuckeliana of grauwe schimmel (Botrytis) is een algemeen voorkomende schimmelziekte, die schade kan aanrichten in een breed scala aan tuinbouwgewassen. Botrytis is een zwakteparasiet. Daarom zijn verzwakt, afstervend weefsel en wonden gemakkelijke invalspoorten. De aanpak bestaat uit een combinatie van maatregelen om de sporendruk laag te houden, (klimaat)maatregelen om infectie te voorkomen en overige maatregelen, zoals de keuze voor minder gevoelige rassen, meer belichting in de ochtend en avond en weerstandsverhogende micro-nutriënten.
    Nieuw adviesmodel WUR maakt bestrijding Phytophthora goedkoper (interview met Geert Kessel)
    Engwerda, J. ; Kessel, G.J.T. - \ 2009
    Agrarisch dagblad 23 (2009)191. - ISSN 1380-6335 - p. 9 - 9.
    De helft van de phytophthora-populatie bestaat inmiddels uit het agressieve genotype Blue 13. Dit maakt het tijdstip van de phytophthora-bespuiting steeds belangrijker. Het onderzoeksinstituut Plant Research International (PRI-WUR) houdt bij hoe phytophthora zich ontwikkelt, zegt onderzoeker Geert Kessel. ”We kijken of de ziekteverwekker nieuwe eigenschappen krijgt en of die van invloed zijn op de aardappelteelt.” Uit onderzoek blijkt dat de populatie nu wordt gedomineerd door het genotype Blue 13. Kessel: ”Dit genotype is agressiever dan de andere. Zodra een phytophthora-spoor met dit agressieve genotype op een aardappelblad landt, ontstaat onder vochtige omstandigheden binnen een paar uur een infectie. De voortplantingscyclus van phytophthora is korter geworden. Voor de telers betekent dit dat het tijdstip van de preventieve bespuiting tegen phytophthora steeds nauwer luistert. Er zijn beslissingsondersteunende systemen die de telers helpen het beste spuitmoment te bepalen” Ondanks dat PRI constateert dat phytophthora steeds agressiever wordt, heeft dat geen effect op de werking van de gewasbeschermingsmiddelen. Kessel: ”De akkerbouwers gebruiken een breed scala aan middelen. Dat voorkomt dat phytophthora resistent wordt tegen de middelen”
    Coeliakie, gluten en de ontwikkeling van granen met verlaagde toxiciteit
    Gilissen, L.J.W.J. ; Meer, I.M. van der; Smulders, M.J.M. - \ 2009
    Patient Care 12 (2009). - ISSN 0770-4224 - p. 19 - 23.
    coeliakie - gluten - tarwegluten - graansoorten - toxiciteit - overgevoeligheid - eiwitten - voeding en gezondheid - voedselintolerantie - coeliac syndrome - gluten - wheat gluten - cereals - toxicity - hypersensitivity - proteins - nutrition and health - food intolerance
    Coeliakie is een voedingsgerelateerd probleem, veroorzaakt door een overgevoeligheidsreactie op gluten. De diagnose is moeilijk te stellen wegens de grote verscheidenheid aan symptomen. Een levenslang glutenvrij dieet is tot op heden de enige remedie. Gluten is echter een product dat in toenemende mate in een breed scala aan voedingsmiddelen gebruikt wordt, waardoor het steeds moeilijker wordt om gluten te vermijden. Granen met een verlaagde coeliakietoxiciteit kunnen uitkomst bieden.
    Het meten van lichaamssamenstelling in de eerstelijnszorg : bio-impedantie steeds populairder, maar op individueel niveau niet betrouwbaar
    Hulshof, P.J.M. - \ 2009
    Nederlands Tijdschrift voor Voeding en Dietetiek 64 (2009)5. - ISSN 1875-9955 - p. 7 - 10.
    voedingstoestand - lichaamssamenstelling - lichaamsgewicht - diëtisten - lichaamsvet - impedantie - nutritional state - body composition - body weight - dietitians - body fat - impedance
    Lichaamssamenstelling is een maat voor de voedingstoestand. Een groot scala aan methoden staat ter beschikking om lichaamssamenstelling te meten. Sommige van deze methoden zijn geschikt voor toepassing in de eerste lijn, zoals antropometrie en bio-impedantie. Andere, meer kostbare en geavanceerde technieken - zoals MRI, CT, DEXA en isotopen-verdunningsmethoden - zijn geschikter voor toepassing in een onderzoeksomgeving. Met name bio-impedantie wordt steeds populairder
    The organisation of transactions : studying supply networkd using gaming simulation
    Meijer, S.A. - \ 2009
    Wageningen University. Promotor(en): Onno Omta; George Beers, co-promotor(en): Gert Jan Hofstede. - [S.l.] : S.n. - ISBN 9789085853343 - 211
    bedrijfsvoering - speltheorie - ketenmanagement - netwerken - spelsimulatie - agro-industriële ketens - institutionele economie - management - game theory - supply chain management - networks - gaming simulation - agro-industrial chains - institutional economics
    This book studies the organisation of transactions in supply networks. More specifically it investigates the influence of social structure on the mode of organisation in supply networks. To gain new insights, the results in this book have been gathered using gaming simulation as a research method. As this is a new application of gaming simulation, special attention is paid to the methodological implications.
    Food supply chains and networks span a whole series of firms from grower to consumer. Depending on the product traded and the market in which it is consumed the grower and consumer can be located in countries thousands of kilometres apart. However, the food still needs to arrive in a perfect condition at the consumer, passing through several companies in the supply network. Transactions need to be made between the subsequent companies that trade the product. The way in which the transactions are organised can be any mix of three modes of organisation, namely market, network and hierarchy. This book concentrates on market and network. The market mechanism uses the price as a control mechanism. Network uses trust and reputation for this.
    Transactions are made by people. People who trade with each other may have known one another for a long time. Their companies may have business ties. And the traders will have certain norms and values about what is appropriate behaviour in trade. The interpersonal relations, business ties and norms and values influence trade behaviour in a supply network. This behaviour will influence the mode of organisation of the network. Lazzarini et al (2001) call this social structure, as a bucket category of variables from the social sciences that explain interpersonal and business relations and the norms and values of the supply network as a whole. Trust between traders is the most prominent interpersonal variable. Business relations are expressed in a level of embeddedness as a measure of the density and the strength of ties between businesses. Norms and values in a network can be related to the culture traders come from. Social structure covers a broad range of concepts from sociology to social psychology and network theory. This book focuses on the major variables trust and embeddedness, with norms and values as an important context.
    Gaming simulation is commonly used as a training or learning tool. This book, however, uses gaming simulation as a research method. The methodological contribution of this book is to use gaming simulation as a lab environment to generate and test hypotheses using both qualitative and quantitative data in the domain of supply chains and networks. Chapter 2 discusses the methodological issues of gaming simulation as a research method. The first section (2.1) describes what gaming simulation is and gives 6 inputs for a session with a gaming simulation. Section 2.2 argues that by using gaming simulation, researchers can study the behaviour of real people playing a role of interest for research in a simulated environment, based upon the characteristics of gaming simulation. Research purposes are less common among gamers. Section 2.3 first describes the non-research purposes, while Section 2.4 discusses the purposes for research. Three types of research purpose are distinguished, namely hypothesis generation, hypothesis testing and sensitivity analysis when combined with multi-agent simulation. Research with gaming simulation is often positioned in the design sciences, which means that the effect of the gaming simulation as a design on changes in the real world is tested. This book positions gaming simulation in the analytical sciences, to study phenomena in the real world.
    Section 2.5 positions gaming simulation among other research methods common in the domain of supply chains and networks. The influence of social structure on the organisation of transactions can be studied in a single or small set of supply networks using case studies, to provide in-depth observations of actions and the surrounding context. The generalisability of detailed case studies is a complicated matter. Furthermore, it is hard to observe the actual actions in a case study research. Questionnaire research overcomes the generalisability issue of case studies, though lacks the in-depth knowledge of a subject within its contextual variables. Surveys do not observe actual actions either.
    The validity and reliability of gaming simulation is discussed in Section 2.6 and is based on the work of Raser (1969) who identified four criteria for validity: psychological reality, process, structural and predictive validity. Each of the four criteria has been used in this book.
    Chapter 3 presents the research method used in this study. It consists of four interconnected cycles. The first is the design cycle in which the gaming simulation is developed and tested. The test sessions provide insight into the structure and important variables of the problem studied. The hypothesis generation function can be done using the design cycle. The outcomes of the design cycle are induced hypotheses (based upon the test sessions) and the gaming simulation. Both are inputs for the empirical cycle in which a structured experimental set-up results in game sessions, which provide the data to be analysed.
    The other two cycles are support cycles. The first is the multi-agent design cycle in which a multi-agent version of the gaming simulation is built. The second one is the multi-agent simulation cycle in which experiments can be conducted to verify the multi-agent model or to draw conclusions. Multi-agent simulation could in the future provide ways to select interesting variable settings to play with human participants. The multi-agent simulation is validated against conclusions from the empirical cycle.
    Chapter 4 discusses the reference theories on which this book is based. Section 4.1 presents theories on supply chains and networks needed for the domain of study. Section 4.2 discusses new institutional economics used as the main theoretical framework for analysis of the results of the two gaming simulations. Central elements are the four-level framework by Williamson (2000) that links levels of analysis from culture to day-to-day operations, and the modes of organisation, namely network, market and hierarchy. Section 4.3 discusses the fact that there are other explanatory theories used for the two specific gaming simulations. These theories are discussed in the subsequent chapters.
    Two custom-built gaming simulations each study an aspect of the influence of social structure on the mode of organisation of transactions. Chapter 5 presents the first one, called the Trust and Tracing Game (TTG). The TTG assessed the influence of trust and embeddedness on the choice between the network and the market mode of organisation. The TTG is a paper-based gaming simulation of a supply network of a product with a hidden quality attribute. Participants face the dilemma of whether to rely on trust or tracing when confronted with a possible cheat. Section 5.1 describes the fact that the TTG was originally designed to be a learning tool by the researchers who started this project. The TTG operationalised an abstract supply network of a good with a hidden quality attribute. Hypotheses were generated during the last series of test sessions in the design cycle. From observations of 15 test sessions, intended to identify the learning effect, conclusions about the participants’ behaviour in the sessions were drawn. The results showed that participants used the two modes of organisation, both the network and the market mechanism.
    Section 5.2 uses the observations and variables identified in 5.1 as inputs to the empirical cycle for the quantitative analysis of 27 additional sessions as induced hypotheses and list of variables to be collected. The quantitative analysis proved that the mode of organisation in the Trust and Tracing Game was network for the financially well-performing traders and market for the well-performing consumers. Social structure manifested itself in trust and embeddedness influencing the organisation of transactions. Generally trust and embeddedness were detrimental to the (financial) performance in the setting of the Trust and Tracing Game, as the traders who benefitted from the use of network exploited their trusting clients. There was no evidence that trust affected the measurable transaction costs. Additional analyses showed that buyers detected cheats with other mechanisms than tracing. The traces showed more cheats than statistically possible when the envelopes were a random sample.
    Section 5.3 presents the multi-agent model developed for the Trust and Tracing Game. This model has been tested and validated. It has been possible to validate the multi-agent simulation on an aggregate level against sessions with human participants. Hypotheses were formulated based upon observations of sessions. Each hypothesis could be confirmed in model runs.
    Chapter 6 presents research with the second gaming simulation, called the Mango Chain Game (MCG). It was developed to study the bargaining power and revenue distribution among traders in the Costa Rican mango export chain. The MCG assessed what factors, including social structure, determined the bargaining power, what mode of organisation was used and how this influenced the revenue distribution between traders. The data collection combined data from a questionnaire among the participants with the actual behaviour in the game session. Five sessions were conducted with smallholders in the Costa Rica lowlands, resulting in 82 contracts. The results show that the bargaining power in the sessions was isomorphic to the real-world bargaining power of smallholders, multinationals and independent exporters. As expected, lower bargaining power on the part of the buyer (seller) resulted in higher revenue for the seller (buyer). In general, stakeholders with more bargaining power were able to take advantage of the other agents. Higher risk-aversion of the buyers and/or the sellers led to higher revenues for the other agents involved in the exchange relationship. In the same vein, long-term contracts in the buyer-seller relationship led to lower revenues (but also reduced risk) for sellers. The latter result was surprising, since contract choice appeared only to be significant for the seller’s and not for the buyer’s revenue equation. Mango producers turned out to be well aware of the fact that the type of markets in which they operate is mainly based on short-terms contracts. Not working with long-term contracts gave them the opportunity to remain flexible towards changes in demand and supply that they cannot control. Producers were trying to establish long-term relationships, but they could equally rely on repeat short-term contracts with the same partner. The latter type of contract tends to rely on trust or friendship, thus the network mode of organisation is at play here. Finally, real-world wealth appeared to have a significant impact on bargaining power.
    Chapter 7 discusses the experiences with gaming simulation as a research method and draws conclusions from the combined results of the TTG and MCG. Section 7.1 discusses the experiences with gaming simulation to generate and test hypotheses. Methodologically there were some differences. Research with the TTG took more time than that with the MCG. The reasons for this difference can be found in the functions used and the number of variables. The TTG started with a broad scope, where the important variables coming from all four levels of the Williamson framework had yet to be found in the design cycle. In contrast to this, the MCG used an analytical model with fewer and theory-based variables. Attention is paid to validity and reliability. In summary, the process validity of both gaming simulations was the most important aspect, and psychological reality was required to get the process going. Both the TTG and MCG met these criteria in different ways. The MCG scored more positively on both the structural and predictive validity because of the closer resemblance of the supply network modelled with the real world and the use of real smallholders versus students. Care should be taken regarding claims about what is modelled.
    The multi-agent simulation has been developed to perform sensitivity analyses of variable settings (loads). This project has not reached the point where variable settings selected with the MAS have been tested in a human session. Future research should make clear whether MAS really helps to increase efficiency by reducing the number of sessions needed through selection of interesting loads. This project has proven, however, that it is possible to develop and validate a multi-agent model of a gaming simulation.
    The different types of data that the TTG and MCG can generate are hard to obtain using other methods. Gaming simulation is special in that the participants are exposed to a laboratory-like situation that isolates them from the real-world (trading) environment. In this laboratory environment, the attention of the participants can be focused on a particular problem, while retaining the full richness of human behaviour. Based upon the experiences presented in this book, gaming simulation can be positioned as a research method that facilitates a whole range of data collections. It is possible to acquire data before, during and after a session, enabling the coupling with questionnaires and interviews and actual observation of actions. It can analyse differences between participants in one session, testing for differences in backgrounds, or between session, testing for the effects of varying the load and situation in a session, or even the rules, roles, objectives and constraints of the gaming simulation itself. The combination of qualitative and quantitative analyses that is possible using gaming simulations makes the method a good candidate for research that requires both. In the methodology used in the MCG and TTG the first cycle (design cycle) was based upon a qualitative approach, while the hypotheses were tested in a quantitative empirical cycle.
    Section 7.2 compares the theoretical conclusions of the Trust and Tracing Game with those of the Mango Chain Game and relates them to the main research question. The conclusions of the MCG are in line with the TTG conclusions insofar as the variables of social structure used in this book (trust, embeddedness, norms and values) clearly shape the organisation of the transactions. Both the TTG and MCG show that trust and embeddedness lead to the use of the network mode of organisation, but also to less revenue in the setting of these two gaming simulations. It seems that the network mechanism is essential in supply networks with independent traders but not in a way that directly leads to more revenues. The conclusions from the two gaming simulations are at odds with the leading paradigm in the literature on supply networks which says that trust and relationships are important for successful business. The conclusions are more in line with neo-classical economic theory, where companies use transactions as the rational result of considering price and product.
    Section 7.3 presents ideas for future research divided into ideas for the domain and ideas for methodological improvements. Next, Section 7.4 presents the implications of the research for the domain of food supply chains and networks. The application of gaming simulation as (one of the) research method(s) can be of value for gathering data about the real behaviour of real participants in a simplified ‘surrogate’ environment, determined by the gaming simulation. In this book a laboratory for chain and network studies has been built. Section 7.5 looks at the implications for other domains and argues that the issues about trust, embeddedness and other variables from social structure can be found in most other business domains, thus providing opportunities for research with this method.
    The chapter ends with some concluding remarks in Section 7.6, stating that this book showed as a proof-of-principle that gaming simulation is an excellent additional research method for controlled analysis of complex social systems. It also showed that the possibility to have a repeatable experiment within a controlled contextual setting provides insight into socio-economic behaviour in a way that can be approached from multiple bodies of theory. Staying within the framework of one body of theory cannot explain the full richness of human behaviour, thus links have to be made. In the current book the theoretical framework from new institutional economics has been used and some first attempts have been made to link up with theory on culture, psychology and other theories in the social sciences. Future research could use gaming simulation as the research method of choice for true interdisciplinary research.



    Nederlandse samenvatting
    Dit boek bestudeert de organisatie van transacties, en in het bijzonder de invloed van ‘social structure’ op keuze van het organisatiemechanisme in een handelsnetwerk. De resultaten in dit boek zijn verkregen met behulp van spelsimulatie als onderzoeksmethode. Dit is een nieuwe toepassing van spelsimulatie en daarom besteedt dit boek bijzondere aandacht aan de methodologische aspecten.
    Handelsnetwerken in voedingswaren bestrijken een hele rij van bedrijven tussen de boer en de consument. De boer en de consument kunnen duizenden kilometers van elkaar verwijderd zijn, afhankelijk van het soort product en de markt waarin het wordt geconsumeerd. Hoe ver ook, het voedsel moet in perfecte conditie bij de klant aankomen, terwijl het door de handen van vele bedrijven gaat. Deze bedrijven moeten met elkaar transacties sluiten. De manier waarop deze transacties worden georganiseerd is een mix van drie organisatiemechanismen, te weten markt, netwerk en hiërarchie. Dit book concentreert zich op het markt- en het netwerkmechanisme. Het marktmechanisme gebruikt de prijs als als sturingselement terwijl het netwerkmechanisme vertrouwen en reputatie gebruikt.
    Mensen maken transacties. Mensen die handel met elkaar drijven kunnen elkaar soms al heel lang kennen. Hun bedrijven kunnen banden hebben, en de handelaren zullen bepaalde normen en waarden hebben over wat fatsoenlijk gedrag is in handel. De persoonlijke relaties, zakelijke banden en de normen en waarden beïnvloeden het handelsgedrag in een handelsketen. Dit gedrag heeft invloed op de mix van organisatiemechanismen. Lazzarini et al (2001) noemen dit de sociale structuur, wat een verzamel-categorie is voor allerlei variabelen uit de sociale wetenschappen over persoonlijke relaties, zakelijke banden en de normen en waarden van het gehele handelsnetwerk. Vertrouwen tussen handelspartners is de belangrijkste persoonlijke variabele. Zakelijke banden worden uitgedrukt in een niveau van ‘embeddedness’, een begrip wat betekent in hoeverre een bedrijf banden heeft en hoe sterk die banden zijn. De normen en waarden in een handelsnetwerk kunnen gerelateerd zijn aan de cultuur waar de handelaren vandaan komen. Sociale structuur bestrijkt een heel scala van concepten komend van onder andere van sociale psychologie en netwerk theorie. Dit boek concentreert zich op de belangrijkste variabelen vertrouwen, embeddedness, waarbij normen en waarden een belangrijke context vormen.
    Spelsimulatie is een bekende methode om te trainen. In dit boek wordt spelsimulatie echter gebruikt als onderzoeksmethode. De methodologische bijdrage ligt in het gebruik van spelsimulatie als een laboratoriumomgeving om hypotheses te genereren en te testen met zowel kwalitatieve als kwantitatieve data in het domein van handelsnetwerken. Hoofdstuk 2 behandelt de methodologische implicaties van spelsimulatie als onderzoeksmethode. Sectie 2.1 beschrijft wat spelsimulatie is en geeft 6 ingrediënten voor een spelsessie. Sectie 2.2 beargumenteert dat onderzoekers het gedrag van echte mensen die een rol spelen in een gesimuleerde omgeving kunnen bestuderen met spelsimulatie. Een minderheid van de gebruikers van spelsimulatie gebruikt de methode voor onderzoek. Sectie 2.3 behandelt het nut van spelsimulatie voor niet-onderzoeksdoeleinden, waarna Sectie 2.4 het nut voor onderzoeksdoeleinden bediscussieerd. Drie soorten functies worden hierin onderscheiden, te weten het genereren van hypotheses, het testen van hypotheses en gevoeligheidsanalyse in combinatie met een multi agent simulatie. Onderzoek met behulp van spelsimulatie wordt vaak gepositioneerd in de ontwerpwetenschappen, wat inhoudt dat het effect van het ontwerp (de spelsimulatie) op de echte wereld wordt getest. In dit boek wordt spelsimulatie in de analytische wetenschappen geplaatst, die fenomenen in de echte wereld bestuderen.
    Sectie 2.5 bespreekt de positie van spelsimulatie ten opzichte van meer gebruikelijke onderzoeksmethoden in het domein van handelsnetwerken. De invloed van sociale structuur op de mix can organisatiemechanismen kan worden bestudeerd door 1 of enkele handelsnetwerken te bestuderen in een casus studie om diepgaande observaties van handelingen en de context te verkrijgen. De generaliseerbaarheid van gedetailleerde casus studies is een gecompliceerde zaak. Ook is het moeilijk om echte handelingen te observeren in een casus studie, omdat meestal alleen de vastlegging van de handeling te volgen is. Vragenlijsten hebben geen problemen met generaliseerbaarheid maar missen de gedetailleerde kennis over een onderwerp van studie in zijn context. Vragenlijsten observeren ook geen handelingen.
    De validiteit en betrouwbaarheid van spelsimulatie wordt in Sectie 2.6 behandeld, gebaseerd op het werk van Raser (1969) die vier criteria voor validiteit identificeerde, namelijk psychologische realiteit, proces-, structuur- en voorspellende validiteit. Ieder van deze criteria wordt in dit boek gebruikt.
    Hoofdstuk 3 presenteert de onderzoeksmethode zoals gebruikt in deze studie. Het bestaat uit vier cycli die onderling zijn verbonden. De eerste cyclus is de ontwerp cyclus waarin de spelsimulatie wordt ontwikkeld en getest. De test sessies geven inzicht in de structuur en belangrijke variabelen van het onderzoeksprobleem. De hypothese genererende functie kan in de ontwerpcyclus worden gedaan. De uitkomsten van de ontwerpcyclus zijn geïnduceerde hypothesen (gebaseerd op de test sessies) en de ontworpen spelsimulatie. Beide zijn ingrediënten voor de empirische cyclus waarin een gestructureerde experimentele configuratie resulteert in spelsessies die weer de data opleveren voor de analyse.
    De andere twee cycli zijn ondersteunend. De eerste is de multi-agent ontwerpcyclus waarin een multi-agent versie van de spelsimulatie wordt ontworpen. De tweede is de multi-agent simulatie cyclus waarin experimenten worden gedaan om het multi-agent model te valideren of om conclusies te kunnen trekken. Multi-agent simulaties kunnen in de toekomst manieren verschaffen om interesante configuraties van variabelen te selecteren die daarna met echte mensen worden gespeeld in spelsessies. De multi-agent simulatie is gevalideerd tegen conclusies uit de empirische cyclus.
    Hoofdstuk 4 bediscussieert de referentie-theorieën waarop dit boek is gebaseerd. Sectie 4.1 presenteert theorieën over handelsketens en handelsnetwerken vanwege het domein van studie. Sectie 4.2 behandelt nieuwe institutionele economie wat hier gebruikt wordt als belangrijkste theoretische raamwerk voor de analyse van de resultaten van de twee spelsimulaties. Centrale elementen zijn het vier-lagen model van Williamson (2000) dat de niveaus van analyse van cultuur tot en met dagelijkse operaties aan elkaar verbindt, en de organisatiemechanismen netwerk, markt en hiërarchie. Sectie 4.3 verklaart dat er zijn meer verklarende theorieën in gebruik zijn voor de twee spelsimulaties. Deze theorieën worden behandeld in de successievelijke hoofdstukken.
    Twee spelsimulaties bestuderen ieder een aspect van de invloed van sociale structuur op de mix van organisatiemechanismen. Hoofdstuk 5 presenteert de eerste, genaamd Trust and Tracing Game (TTG). De TTG bestudeert de invloed van vertrouwen en embeddedness op de keuze tussen het markt- en het netwerk-organisatiemechanisme. De TTG is een papieren spelsimulatie van een handelsketen in een product met een verborgen kwaliteitskenmerk. Deelnemers worden geconfronteerd met het dilemma of ze moeten uitgaan van vertrouwen of moeten tracen wanneer ze mogelijk bedrog signaleren. Sectie 5.1 beschrijft dat de TTG oorspronkelijk was ontworpen als leermiddel door de onderzoekers die dit project zijn gestart. Vanuit observaties van 15 testsessies, bedoeld om de leereffecten te bepalen, konden conclusies worden getrokken over het gedrag van de deelnemers in de spelsessies. De resultaten laten zien dat de deelnemers zowel het netwerk- als het markt-organisatiemechanisme gebruikten.
    Sectie 5.2 gebruikt de observaties en belangrijke variabelen uit Sectie 5.1 als ingrediënten voor de empirische cyclus voor de kwantitatieve analyse van 27 additionele sessies als geïnduceerde hypothesen en lijst van variabelen om te verzamelen. De kwantitatieve analyse bewees dat het netwerk-organisatiemechanisme werd gebruikt door financieel goed presterende handelaren en dat goed presterende consumenten het marktmechanisme gebruikten. Sociale structuur kwam naar voren door de invloed van vertrouwen en embeddedness op het gebruik van de organisatiemechanismen. Over het algemeen waren vertrouwen en embeddedness slecht voor de financiële resultaten binnen de omstandigheden van de TTG, omdat handelaren die profiteerden van het netwerkmechanisme hun goed-vertrouwende klanten exploiteerden. Een effect van vertrouwen op de (meetbare) transactiekosten werd niet gevonden. Aanvullende analyses lieten zien dat er andere manieren dan tracing moeten zijn waardoor bedrog wordt gedetecteerd. De keren dat er getraced werd vonden namelijk vaker een bedrog dan statistisch gezien mogelijk was.
    Sectie 5.3 presenteert het multi-agent model dat is ontworpen voor de TTG/ Dit model is getest en gevalideerd. Het is mogelijk gebleken om het multi-agent model te valideren op geaggregeerd niveau tegen sessies met menselijke deelnemers. Op basis van observaties zijn hypotheses geformuleerd die stuk voor stuk konden worden bevestigd in model-ronden.
    Hoofdstuk 6 presenteert onderzoek met de tweede spelsimulatie genaamd de Mango Chain Game (MCG). Dit spel is ontwikkeld om de onderhandelingsmacht en verdeling van opbrengsten tussen handelaren in het Costaricaanse mango exportnetwerk te bestuderen. De MCG bekeek welke factoren, waaronder sociale structuur, de onderhandelingsmacht bepaalden, welk organisatiemechanisme gebruikt werd en hoe dit de verdeling van de opbrengsten tussen handelaren beïnvloedde. De dataverzameling combineerde gegevens uit een vragenlijst met het gedrag in de sessies. Vijf sessies zijn georganiseerd met mangoboeren in de Costaricaanse laaglanden, resulterend in 82 contracten. De resultaten laten zien dat onderhandelingsmacht in de spelsessies gelijkvormig was met die in de echte wereld. Zoals verwacht resulteerde een lagere onderhandelingsmacht van de koper in hogere opbrengsten voor de verkoper en vice versa. Over het algemeen waren deelnemers met meer onderhandelingsmacht in staat om voordeel te behalen uit andere deelnemers. Een hogere weerstand tegen risico van een koper of verkoper leidde tot meer opbrengsten voor de handelspartner. Parallel hieraan gaven lange-termijn contracten minder opbrengsten (maar ook minder risico) voor de verkopers. Dit laatste resultaat was opvallend omdat de lengte van het contract alleen significant was voor de verkopers en niet voor de kopers. Mangoboeren bleken zich goed bewust van het feit dat hun markt wordt gedomineerd door korte-termijn contracten. Het vermijden van lange-termijn contracten gaf hen de mogelijkheid om flexibel te blijven voor veranderingen in vraag en aanbod die zij niet kunnen controleren. Producenten probeerden wel lange-termijn contracten te maken maar konden in het spel net zo goed herhaalde korte-termijn contracten maken met dezelfde handelspartner. Dit soort terugkerende contracten blijkt gebaseerd op vertrouwen en vriendschap en dus het netwerk-organisatiemechanisme. Als laatste bleek welvaart in de echte wereld een significante invloed te hebben op onderhandelingsmacht.
    Hoofdstuk 7 bespreekt de ervaringen met spelsimulatie als onderzoeksmethode en trekt conclusies uit de gecombineerde resultaten van de TTG en MCG. Sectie 7.1 bediscussieerd de ervaringen met spelsimulatie in het genereren en testen van hypotheses. Methodologisch zijn er verschillen tussen de TTG en MCG. De TTG vroeg veel meer tijd zowel voor de ontwerpcyclus als de empirische cyclus. De reden hiervoor is het gebruik van de hypothese genererende functie en het grotere aantal variabelen om te testen. De TTG startte met een brede blik op het probleem, waarbij de belangrijke variabelen van alle 4 de niveaus van het theoretisch raamwerk van Williamson (2000) nog gevonden moesten worden in de hypothese genererende fase. De MCG daarentegen gebruikte een analytisch model met minder, en op theorie gebaseerde variabelen. De sectie besteedt aandacht aan validiteit en betrouwbaarheid. Samenvattend blijkt dat de proces-validiteit het meest belangrijk was, en om het proces op gang te krijgen was psychologische realiteit noodzakelijk. De TTG en MCG zijn hierin beide geslaagd, maar via verschillende wegen. De MCG scoort ook positief op de structuur- en voorspellende validiteit door de nauwere benadering van de realiteit in hetgeen is gemodelleerd en het gebruik van echte mangoboeren in plaats van studenten. Speciale aandacht verdient de stelling over wat is gemodelleerd in de spelsimulatie.
    De multi-agent simulatie is ontwikkeld om gevoeligheidsanalyse te kunnen doen van configuraties van variabelen. Dit project is niet zover gekomen dat configuraties van variabelen direct uit de multi-agent simulatie konden worden getest in spelsessies. Nader onderzoek moet duidelijk maken of een multi-agent simulatie echt helpt om het aantal sessies dat nodig is om interessante configuraties te vinden te reduceren. Dit project heeft echter laten zien dat het mogelijk is om een multi-agent model te maken en te valideren van een spelsimulatie.
    De verschillende typen data die de TTG en MCG kunnen genereren zijn moeilijk te verkrijgen met andere methoden. Spelsimulatie is speciaal omdat de deelnemers worden blootgesteld aan een laboratorium-achtige situatie die hen isoleert van de echte (handels)wereld. Binnen dit laboratorium kan de aandacht van de deelnemers worden toegespitst op een specifiek probleem terwijl de volle rijkheid van menselijk gedrag wordt behouden. Gebaseerd op de ervaringen gepresenteerd in dit boek kan spelsimulatie worden gepositioneerd als een onderzoeksmethode die een hele range aan data verzamelingen kan faciliteren. Het is mogelijk om data te verzamelen voor, tijdens en na een sessie, met een combinatie van vragenlijsten, interviews en observaties van handelingen. Het kan verschillen tussen mensen in een sessie analyseren, of tussen sessies de effecten van varieren met de configuratie van variabelen en de situering of zelfs met de regels, rollen, doelen en beperkingen. De combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve analyse die mogelijk zijn met spelsimulatie maken de methode een goede kandidaat voor onderzoek waarin beide gecombineerd moeten worden. De ontwerpcyclus van de MCG en TTG waren gebaseerd op kwalitatieve analyse terwijl de emprische cyclus van beide was gebaseerd op kwantitatief werk.
    Sectie 7.2 vergelijkt de theoretische conclusies van de TTG met die van de MCG en zoekt de relatie met de onderzoeksvraag. De conclusies van de MCG zijn in lijn met die van de TTG in zoverre dat de variabelen van sociale structuur zoals gebruikt in dit boek (vertrouwen, embeddedness en normen en waarden) duidelijk de mix van organisatiemechanismen beïnvloeden. Zowel de TTG als de MCG laten zien dat vertrouwen en embeddedness leiden tot het gebruik van het netwerk-organisatiemechanisme, maar ook tot lagere inkomsten binnen de omgeving van de spelsessies. Het lijkt erop dat het netwerk-organisatiemechanisme essentieel is in handelsnetwerken met onafhankelijke bedrijven, maar niet op een manier die rechtstreeks leid tot meer inkomsten. De conclusies van de twee spelsimulaties zijn in tegenspraak met de heersende opvatting in de literatuur over handelsnetwerken dat vertrouwen en relaties van belang zijn voor een succesvol bedrijf. De conclusies lijken meer op klassieke economische theorie, waarin bedrijven transacties zien als het rationele resultaat van prijs en product.
    Sectie 7.3 presenteert enkele ideeën voor nader onderzoek, onderverdeeld in ideeën voor het domein en voor methodologische verbeteringen. Sectie 7.4 bespreekt implicaties van dit onderzoek voor het domein van voedselhandelsketen en –netwerken. De toepassing van spelsimulatie als (een van de ) onderzoeksmethode(n) kan van waarde zijn door het verzamelen van data over echt gedrag van echte deelnemers in een gesimplificeerde ‘surrogaat’-omgeving, bepaald door de spelsimulatie. Dit boek laat zien dat er een laboratorium voor keten- en netwerkstudies is gebouwd. Sectie 7.5 geeft implicaties van dit onderzoek voor andere domeinen en beargumenteert dat de onderwerpen omtrent vertrouwen, embeddedness en andere variabelen van sociale structuur ook in de meeste andere (handels)domeinen aanwezig zijn, waarmee nieuwe mogelijkheden voor het gebruik van spelsimulatie kunnen worden gevonden.
    Hoofdstuk 7 eindigt met enkele concluderende opmerkingen in Sectie 7.6, waarin gezegd wordt dat dit book met een voorbeeld heeft laten zien dat spelsimulatie een goede methode is voor gecontroleerde analyse van complexe sociale systemen. Het heeft ook laten zien dat de de mogelijkheden van een herhaalbaar experiment in een gecontroleerde contextuele setting inzicht geeft in sociaal economisch gedrag op een manier die met verschillende theorieën benaderd kan worden. Binnen een theoretisch kader blijven kan de volledige rijkheid van menselijk gedrag niet verklaren, en dus zijn verbindingen tussen theorieën noodzakelijk. In dit boek is het theoretisch raamwerk van nieuwe institutionele economie gebruikt en zijn eerste pogingen gedaan voor verbindingen met cultuurtheorie, psychologie en andere theorieën uit de sociale wetenschappen. Toekomstig onderzoek zou spelsimulatie kunnen gebruiken als methode voor echt interdisciplinair onderzoek.

    Vorming en aanpassingsvermogen van intersectorale technologisch georiënteerde onderzoeksconsortia : Analyse technische kokerview
    Cuijpers, Y. ; Lokhorst, C. ; Bos, A.P. - \ 2008
    Lelystad : Animal Sciences Group (Vertrouwelijk rapport / Wageningen UR, Animal Sciences Group 146) - 32
    landbouwtechniek - precisielandbouw - remote sensing - telemetrie - sensors - technologieoverdracht - draadloze sensornetwerken - systeeminnovatie - agricultural engineering - precision agriculture - remote sensing - telemetry - sensors - technology transfer - wireless sensor networks - system innovation
    ASG werkt samen met een breed scala aan partijen aan de ontwikkeling en toepassing van nieuwe generaties draadloze sensornetwerken. In de consortia LOFAR en WASP werken bedrijven, instituten en universiteiten samen in de toepassingsgebieden landbouw, ouderenzorg, automobielindustrie, astronomie en geofysica. Deze toepassingsgebieden leveren interessante casussen voor de technologie-toepassing en tegelijkertijd zijn zij een belangrijke inspiratiebron voor toepassingen in de landbouw. Samenwerken met verschillende regimes zal leiden tot een spanning tussen uitgangspunten, regels, doelen en werkwijzen. Dit heeft mogelijk zijn uitwerkingen op het functioneren van een consortium. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te verkrijgen in het proces van totstandkoming van dit soort consortia, en of ze in staat zijn om zichzelf aan te passen. ASG wil deze inzichten gebruiken bij de verdere vormgeving van onderzoek voor (systeem)innovatie in de landbouw in dergelijke consortia
    Lectin receptor kinase 79, a putative target of the Phytophthora infestans effector IPI-O
    Bouwmeester, K. ; Klamer, S. ; Gouget, A. ; Haget, N. ; Canut, H. ; Govers, F. - \ 2008
    In: Biology of Plant-Microbe Interactions / Lorito, M., Woo, S.L., Scala, F., St. Paul, MN, USA : International Society for Molecular Plant-Microbe Interactions (Biology of plant-microbe interactions 6) - ISBN 9780965462556
    Effectors, their targets and host responses in the pathosystem Cladosporium fulvum-tomato
    Wit, P.J.G.M. de; Stergiopoulos, I. ; Klooster, J.W. van t; Esse, H.P. van; Fradin, E.F. ; Ellendorff, U. ; Gabriëls, S.H.E.J. ; Stulemeijer, I.J.E. ; Bolton, M.D. ; Borrás-Hidalgo, O. ; Tameling, W.I.L. ; Abd-El-Haliem, A.M. ; Berg-Velthuis, G.C.M. van den; Vervoort, J.J.M. ; Boeren, S. ; Joosten, M.H.A.J. ; Thomma, B.P.H.J. - \ 2008
    In: Biology of Plant-Microbe Interactions CD / Lorito, M., Woo, S.L., Scala, F., St. Paul, MN, USA : International Society for Molecular Plant-Microbe Interactions (Biology of Plant-Microbe Interactions 6) - p. np - np.
    Cloning and functional characterization of BcatrA, a gene encoding an ABC transporter of the plant pathogenic fungus Botryotinia fuckeliana (Botrytis cinerea)
    Sorbo, G. Del; Ruocco, M. ; Schoonbeek, H. ; Scala, F. ; Pane, C. ; Vinale, F. ; Waard, M.A. de - \ 2008
    Mycological Research 112 (2008)6. - ISSN 0953-7562 - p. 737 - 746.
    binding-cassette transporter - natural toxic compounds - saccharomyces-cerevisiae - multidrug-resistance - mycosphaerella-graminicola - drosophila-melanogaster - aspergillus-nidulans - efflux pump - cutinase-a - yeast
    BcatrA was cloned from the plant pathogenic fungus Botryotinia fuckeliana (Botrytis cinerea) and sequenced. Sequence analysis revealed that BcatrA encodes a protein composed of 1562 amino acid residues displaying high similarity with various fungal ATP-binding cassette (ABC) transporters having the (NBF-TM6)2 topology. Expression of BcatrA is barely detectable during normal vegetative growth in liquid substrates. Transcript levels of BcatrA are enhanced in a dose- and time-dependent manner after treatment with cycloheximide or catechol, but not by a number of other drugs or fungicides, including fludioxonil, fenarimol, imazalil, and the plant defense compounds pisatin and resveratrol. Quantitative analysis of BcatrA during the synchronized infection of bean leaves revealed an overaccumulation of the gene transcript at 6, 12 and 24 h post-inoculation, suggesting an involvement of the gene in the first steps of pathogenesis. Functional analysis of BcatrA was performed by targeted gene replacement in a wild-type strain of the fungus, and by overexpression in a mutant of Saccharomyces cerevisiae carrying multiple non-functional multidrug-resistance genes. BcatrA replacement mutants did not show any significant increase in sensitivity to drugs, including inducers of BcatrA transcription, and displayed an unaltered virulence on several common host plants of B. cinerea. However, when expressed in the heterologous system, BcatrA reduced sensitivity to cycloheximide and catechol, thus indicating the ability of the BcatrA product to function as a multidrug transporter.
    Toetsing van tarragrond aan de nieuwe normwaarden van het Besluit bodemkwaliteit
    Lamé, F.P.J. ; Harmsen, J. - \ 2008
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1655) - 53
    bodem - afval - organo-tinverbindingen - verontreiniging - normen - nederland - verontreinigde grond - bodemkwaliteit - soil - wastes - organotin compounds - pollution - standards - netherlands - contaminated soil - soil quality
    De afzet van tarragrond wordt voor een aanzienlijk gedeelte bepaald door de aanwezigheid van organotin. Dit blijkt uit onderzoek, dat is uitgevoerd naar aanleiding van een motie in de Tweede Kamer n.a.v. de tarraproblematiek. Tarragrond is grond die vrijkomt bij de industriële verwerking van aardappelen en bieten. De eventuele aanwezigheid van organotin in gehalten boven de achtergrondwaarde kan de afzet van tarragrond in gevaar brengen. In dit rapport wordt een onderzoek beschreven naar de kwaliteit van tarragrond in 2007 en tevens zijn in de genomen monsters een breed scala aan stoffen geanalyseerd. Uit het TNO en Alterra onderzoek is gebleken dat organotin en minerale olie (een stofgroep die in het verleden normoverschrijding heeft gegeven) geen probleemstoffen zijn ten aanzien van de afzet van tarragrond. Een aantal andere stoffen (tolueen, som-xylenen, fenol en som-cresolen ) komt echter wel in zodanig verhoogde gehalten voor dat de in het Besluit bodemkwaliteit gestelde normwaarden in een aantal onderzochte partijen tarragrond worden overschreden . De betrouwbaarheid van de analyse op het gemeten niveau is echter beperkt. Verder betreft het hier stoffen die in de deels anaerobe tarragrond kunnen worden gevormd. Op de implicaties hiervan wordt ingegaan
    Interacties tussen plantparasitaire nematoden en hun natuurlijke vijanden in buitenduinen
    Piskiewicz, A.M. - \ 2008
    Gewasbescherming 39 (2008)2. - ISSN 0166-6495 - p. 67 - 69.
    ammophila arenaria - duinen - tylenchorhynchus - plantenparasitaire nematoden - natuurlijke vijanden - gastheer parasiet relaties - verdedigingsmechanismen - microbiële flora - ecosystemen - duingebieden - ammophila arenaria - dunes - tylenchorhynchus - plant parasitic nematodes - natural enemies - host parasite relationships - defence mechanisms - microbial flora - ecosystems - duneland
    De resultaten van de experimenten van dit promotieonderzoek samen met de beschikbare gegevens van het EcoTrain-project over nematodenonderdrukking in buitenduinen laat zien dat de regulatie van nematoden veel complexer is dan tevoren werd verondersteld. Het regulatiemechanisme hangt niet alleen af van het voedseltype, maar ook van de soort nematode. De conclusie is dat vaak meer dan één factorbetrokken is bij de succesvolle onderdrukking van nematoden. Hoewel nematodenpopulaties succesvol onderdrukt kunnen worden in natuurlijke ecosystemen, is nematode-onderdrukking in de landbouw niet altijd succesvol. De resultaten van het EcoTrain-project doen sterk vermoeden dat een scala aan controlemechanismen nodig zou kunnen zijn voor nematode-onderdrukking in de landbouw en in andere productiesystemen
    Verwaarding reststroom uienbewerking
    Meeusen-van Onna, M.J.G. ; Schroot, J.H. ; Mulder, W.J. ; Elbersen, H.W. - \ 2008
    Wageningen : Agrotechnology & Food Sciences Group (ASFG nr. 886) - ISBN 9789085048503 - 155
    uien - oogstresten - verwerking - extractie - industriële toepassingen - compostering - verbranding - fermentatie - kleurstoffen in voedsel - antioxidanten - scheidingstechnologie - bioethanol - biobased economy - onions - crop residues - processing - extraction - industrial applications - composting - combustion - fermentation - food colourants - antioxidants - separation technology - bioethanol - biobased economy
    In opdracht van ZUVER heeft Wageningen Universiteit en Research Centre de mogelijkheden bekeken voor verwaarding van de reststroom die bij de uienbewerking vrijkomt. Tijdens het uienbewerkingsproces komt een continue reststroom vrij. Deze reststroom bedraagt voor alle uienbewerkingsbedrijven tezamen jaarlijks 16.800 tot 18.900 ton. De reststroom komt vrij tijdens drie verschillende deelprocessen: lossen, afstaarten en sorteren/verpakken. De samenstelling van de reststroom is bij ieder proces anders. De drie deelprocessen geven qua omvang de volgende reststromen: ¿ Lossen: 4.800 ton tot 5.400 ton ¿ Afstaarten: 9.600 ton tot 10.800 ton ¿ Sorteren: 2.400 ton tot 2.700 ton Op dit moment 2008 wordt de reststroom gecomposteerd en over het land uitgereden. Tegelijkertijd willen de uienbewerkingsbedrijven ook kijken naar afzetmogelijkheden met meer toegevoegde waarde. De reststroom bevat interessante componenten die mogelijk interessant zijn voor hoogwaardiger toepassingen. De droge bruine pellen zijn rijk aan onoplosbare vezels en ze bevatten relatief veel quercitine. De wortels en bolstoel bevatten relatief veel zwavelcomponenten die als geur- of smaakstof herkenbaar zijn. Mogelijk kan een mengsel van quercitine en de zwavelcomponenten toegepast worden als insecticide of herbicide. Dit zal afhangen van werkzaamheid, dosering en benodigde zuiverheid. Wanneer de reststroom wordt gescheiden in een grondfractie en een overige fractie zijn er meer mogelijkheden voor de reststroom in beeld. Er zijn dus voordelen van scheiding van de grond- en niet-grondfractie. Het scheiden net na het lossen gebeurt al op dit moment: dat is de losstroom. Voor een aanvullende scheidingsstap is vooral de droge scheidingstechnologie in beeld. Het gaat dan bijvoorbeeld om windziften. Immers op elk bedrijf staan al afzuiginstallaties . ZUVER wil via mechanische stappen de scheiding verder optimaliseren . Om deze scheidingstechnieken te implementeren is nog wel een kort onderzoekstraject noodzakelijk waarin de technische en economische haalbaarheid van een scheiding van grond en uienpellen (inclusief staarten) uitgezocht wordt. Op basis van de samenstelling van de reststroom uit de uienbewerking is een groot aantal toepassingen bedacht. Deze toepassingen zijn gegroepeerd Verwaarding reststroom uienbewerking naar toegevoegde waarde, waarbij het onderscheid in fertilizer (compost, bodemverbeteraar), fuel (energie), fibre (vezel), feed (veevoer), food (humane voeding), farma en other (overig) is gehanteerd. De potentiële toepassingen omvatten een groot scala aan producten, die sterk uiteenlopen waar het gaat om de toegevoegde waarde. Daarvan lijkt een aantal toepassingen aantrekkelijk voor de uienbewerkingsbedrijven. Deze opties zijn nader uitgewerkt. Het gaat daarbij om opties die al binnen handbereik liggen, zoals compostering. Daarnaast zijn er toepassingen waar enig aanvullend onderzoek noodzakelijk is zoals verbranding. De meer hoogwaardiger toepassingen als kleurstof, antioxidant fungicide en insecticide vergen ook verdere ontwikkeling (met partners). Voor deze meer hoogwaardiger toepassingen geldt dat bedrijven die actief zijn in deze markt interesse hebben in de producten die de uienbewerkingsbedrijven kunnen aanleveren. In een samenwerkingsverband kunnen de mogelijkheden voor de verdere productontwikkeling worden verkend.
    Behoefte aan kennis en kennisuitwisseling voor beheer van bos/natuur in de stedelijke omgeving
    Oosterbaan, A. - \ 2007
    Wageningen : Alterra - 16
    bossen - landschap - openbaar groen - natuurbeheer - groenbeheer - forests - landscape - public green areas - nature management - management of urban green areas
    Met een verkennend onderzoek is nagegaan in hoeverre beheerders van bos, groen en natuur in een stedelijke omgeving behoefte hebben aan specifieke kennis over groenbeheer in de stedelijke omgeving en aan mogelijkheden tot het uitwisselen van kennis en ervaring. Uit dit onderzoek blijkt dat beheerders behoefte hebben aan meer en betere mogelijkheden om snel inzicht te verkrijgen in bestaande kennis m.b.t. onderwerpen die voortkomen uit nieuwe ontwikkelingen. Het gaat hierbij naast de reguliere aspecten van beheer en onderhoud, om een breed scala van onderwerpen die te maken hebben met de vertaling van ontwikkelingen in en wensen van de samenleving naar de inrichting en het beheer van groen, de integratie met andere beheervelden m.b.t. openbare ruimte, de economie van groen, de wet- en regelgeving, samenwerking en participatie, communicatie met gebruikers en effecten van klimaatverandering.
    Sensoren: meten en weten wat de plant wil
    Marcelis, L.F.M. ; Dieleman, J.A. ; Meinen, E. ; Tuijl, B.A.J. van; Gieling, T.H. ; Janssen, H.J.J. ; Voogt, W. - \ 2007
    teelt onder bescherming - groeimodellen - sensors - meetapparatuur - fotosynthese - glastuinbouw - protected cultivation - growth models - sensors - indicating instruments - photosynthesis - greenhouse horticulture
    Wageningen UR Glastuinbouw heeft een breed scala aan sensoren, meetmethodieken en groeimodellen. Daarmee kan de vertaalslag van meting naar bruikbare informatie worden gemaakt
    Genetic engineering of flavonoid biosynthesis in tomato
    Schijlen, E.G.W.M. - \ 2007
    University of Amsterdam (UvA). Promotor(en): A.J. van Tunen, co-promotor(en): Arnaud Bovy. - Amsterdam : - 160
    genetische modificatie - biosynthese - flavonoïden - tomaten - solanum lycopersicum - genetic engineering - biosynthesis - flavonoids - tomatoes - solanum lycopersicum
    Planten beschikken over een enorme capaciteit om een breed scala aan secundaire metabolieten te produceren waarmee ze kunnen reageren op hun continu veranderende omgeving. Flavonoïden, een van de meest voorkomende soort secundaire metabolieten, zijn laagmoleculaire stoffen die van nature in vrijwel alle planten voorkomen. Ze zijn bij uiteenlopende natuurlijke processen betrokken. Zo ontstaat bijvoorbeeld de rode, blauwe en paarse kleur van veel bloemen door de aanwezigheid van anthocyanen, een specifieke klasse van flavonoïdpigmenten. Ook rijpe vruchten danken hun kleur vaak aan deze klasse van flavonoïden. Daarnaast spelen flavonoïden een rol bij processen zoals bescherming van planten tegen schadelijke UV-straling, afweer tegen infecties, pollenvorming en fertiliteit. Omdat flavonoïden wijdverspreid voorkomen in het plantenrijk, vormen deze stoffen een permanent onderdeel van ons plantaardig voedsel. Een deel van de gezondheidsbevorderende effecten van groenten en fruit wordt toegeschreven aan de aanwezigheid van bepaalde flavonoïden. Hoewel flavonoïden in vrijwel alle planten voorkomen, zijn sommige klassen specifiek voor een bepaalde plantensoort, terwijl deze ondervertegenwoordigd of geheel afwezig kunnen zijn in andere plantensoorten. Vanuit dit oogpunt kan het wenselijk zijn om te selecteren voor gewassen met bepaalde (hoeveelheden van) flavonoïden, dan wel de samenstelling daarvan aan te passen. Onderzoek naar de mogelijkheden om de productie van flavonoïden in planten te veranderen wordt veelal uitgevoerd om de aantrekkelijkheid van sierteeltgewassen óf de voedingswaarde van bepaalde gewassen te verhogen. Elio Schijlen onderzocht de genetische modificatie van de biosyntheseroute van flavonoïden in tomaat. Hiermee wil hij meer inzicht geven in de endogene flavonoïdbiosynthese én de mogelijkheden onderzoeken om nieuwe flavonoïden te produceren die van nature niet voorkomen in tomaten.
    Study of the three-way interaction between Trichoderma atroviride, plant and fungal pathogens by using a proteomic approach
    Marra, Roberta ; Ambrosino, Patrizia ; Carbone, Virginia ; Vinale, Francesco ; Woo, Sheridan L. ; Ruocco, Michelina ; Ciliento, Rosalia ; Lanzuise, Stefania ; Ferraioli, Simona ; Soriente, Ida ; Gigante, Sarah ; Turrà, David ; Fogliano, Vincenzo ; Scala, Felice ; Lorito, Matteo - \ 2006
    Current Genetics 50 (2006)5. - ISSN 0172-8083 - p. 307 - 321.
    Differential proteins - Fungal pathogens - Plant - Proteomics - Three-way interactions - Trichoderma

    The main molecular factors involved in the complex interactions occurring between plants (bean), two different fungal pathogens (Botrytis cinerea, Rhizoctonia solani) and an antagonistic strain of the genus Trichoderma were investigated. Two-dimensional (2-D) electrophoresis was used to analyze separately collected proteomes from each single, two- or three-partner interaction (i.e., plant, pathogenic and antagonistic fungus alone and in all possible combinations). Differential proteins were subjected to mass spectrometry and in silico analysis to search for homologies with known proteins. In the plant proteome, specific pathogenesis-related proteins and other disease-related factors (i.e., potential resistance genes) seem to be associated with the interaction with either one of the two pathogens and/ or T. atroviride. This finding is in agreement with the demonstrated ability of Trichoderma spp. to induce systemic resistance against various microbial pathogens. On the other side, many differential proteins obtained from the T. atroviride interaction proteome showed interesting homologies with a fungal hydrophobin, ABC transporters, etc. Virulence factors, like cyclophilins, were up-regulated in the pathogen proteome during the interaction with the plant alone or with the antagonist too. We isolated and confidently identified a large number of protein factors associated to the multi-player interactions examined.

    Project ervaringscijfers Aaltjes Limburg (Pecal)
    Rouwette, F. ; Runia, W.T. ; Molendijk, L.P.G. - \ 2006
    Kennisakker.nl 2006 (2006)15 sept.
    gewassen - nematoda - plantenplagen - geïntegreerde plagenbestrijding - bemonsteren - zandgronden - akkerbouw- en tuinbouwbedrijven - gewasbescherming - inventarisaties - nematodenbestrijding - vollegrondsgroenten - akkerbouw - crops - nematoda - plant pests - integrated pest management - sampling - sandy soils - crop enterprises - plant protection - inventories - nematode control - field vegetables - arable farming
    In zuid-oost Nederland vormen aaltjes een probleem in de akkerbouw en vollegrondsgroenteteelt op zandgrond. Het gaat om een ingewikkelde problematiek vanwege de aanwezigheid van een scala aan aaltjessoorten. De schadedrempelwaarden zijn per gewas en aaltjessoort verschillend. Deze aaltjes kunnen leiden tot minder gewasopbrengsten en afgekeurde partijen. Doelstelling van dit project is om te inventariseren in hoeverre telers in de praktijk nog verbeteringen kunnen doorvoeren in hun bedrijfsvoering zodat schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Daarnaast wordt bekeken of en hoe de toepassing van chemische middelen kan worden beperkt zonder afbreuk te doen aan het rendement van de gewassen. (volledig rapport ook beschikbaar)
    Weer in control II : openbare eindrapportage
    Lukasse, L.J.S. - \ 2006
    Wageningen : Agrotechnology & Food Sciences Group (ASFG rapport no. 651) - ISBN 9789085850151
    weersgegevens - weersvoorspelling - klimaatregeling - koelcellen - waterbeheer - teelt onder bescherming - glastuinbouw - weather data - weather forecasting - air conditioning - cold stores - water management - protected cultivation - greenhouse horticulture
    Doel van dit project is het verbeteren van de economische en ecologische efficiëntie van de besturing van een breed scala van productieprocessen die worden beïnvloed door het weer. Dit doel kan worden bereikt door in de procesbesturing in te spelen op weersverwachtingen. Het prototype is getest, werkt stabiel en genereert logische stuursignalen. De praktische bruikbaarheid van het concept is daarmee bewezen. De simulaties laten besparingen zien die oplopen tot 20%. Na afloop van het project zal gezocht worden naar nieuwe toepassingen. Te denken valt aan binnenklimaatbeheersing, vers logistiek en waterbeheer
    Grond afdekken met luchtdicht plastic bestrijdt bodempathogenen
    Lamers, J.G. ; Kalkdijk, J.R. - \ 2005
    Kennisakker.nl 2005 (2005)15 juli.
    gewasbescherming - ziektebestrijding - dekgewassen - grondbehandeling - folie - biologische behandeling - cultuurmethoden - grondsterilisatie - aardbeien - asparagus - vollegrondsteelt - akkerbouw - plant protection - disease control - cover crops - soil treatment - foil - biological treatment - cultural methods - soil sterilization - strawberries - asparagus - outdoor cropping - arable farming
    Onderzoek, gedaan in de teelt van asperges en aardbei, toont aan dat het onderwerken van groenbemesters en daarna de grond afdekken (beter bekend als biologische grondontsmetting) mogelijkheden biedt om een breed scala van ziekten in gewassen te beheersen. Toepassing van deze techniek in een akkerbouwmatig bouwplan zou veel gewasproblemen als gevolg van bodemziekten kunnen tegengaan.
    Natuur Plan Generator
    Eupen, M. van; Hendriks, C.M.A. - \ 2004
    deterministische modellen - planning - natuurontwikkeling - gebiedsgericht beleid - natuurbeheer - beslissingsmodellen - deterministic models - planning - nature development - integrated spatial planning policy - nature management - decision models
    Allocatie en planning van nieuwe natuur in Nederland is afhankelijk van een groot aantal criteria. Zaken als: bestaand grondgebruik, de kansrijkdom voor de ontwikkeling van een bepaald type natuur en het beoogde oppervlak aan nieuw natuurgebied, geven de planvormers een breed scala aan mogelijkheden om locaties voor nieuwe natuur vast te leggen. Vanuit het Rijksbesleid is er behoefte aan een instrument om op nationaal schaalniveau de planning van nieuwe natuur te optimaliseren en te sturen. Alterra heeft samen met Object Vision een expertmodel ontwikkeld waarbij de potentie voor nieuwe natuurgebieden herhaalbaar kan worden afgeleid. Afhankelijk van de te plannen oppervlaktes geeft het model, de Natuur Plan Generator, vervolgens als uitkomst verschillende ruimtelijke beelden van de beoogde natuurtypen
    De natuurplangenerator brengt de natuurpotentie van een gebied in kaart
    Eupen, M. van; Hendriks, C.M.A. - \ 2004
    selectiecriteria - natuurontwikkeling - natuurbeheer - natuurbeleid - ecologische modellering - beslissingsmodellen - selection criteria - nature development - nature management - nature conservation policy - ecological modeling - decision models
    Het toewijzen en plannen van nieuwe natuur in Nederland is afhankelijk van een groot aantal criteria. Zaken als bestaand grondgebruik, de kansrijkdom voor de ontwikkeling van een bepaald type natuur en het beoogde oppervlak aan nieuw natuurgebied, geven de planvormers een breed scala aan mogelijkheden om locaties voor nieuwe natuur vast te leggen. Met de Natuurplangenerator (NPG) kunnen verschillende ruimtelijke beelden van een beoogd natuurtype in een bepaald gebied gemaakt worden. Aan de hand van een casestudie voor het Natuurplanbureau zijn met succes een aantal scenario’s doorgerekend
    Kringlopen in de biologische landbouw, deel II: Studiedag 'Optimaal Intersectoraal': een breed scala aan uitdagingen
    Wit, J. de; Barendrecht, W. - \ 2004
    Ekoland 24 (2004)4. - ISSN 0926-9142 - p. 16 - 17.
    biologische landbouw - agrarische bedrijfsvoering - kringlopen - bedrijfssystemen - samenwerking - input van landbouwbedrijf - input-output analyse - sectorale analyse - sectorale ontwikkeling - kennis - organic farming - farm management - cycling - farming systems - cooperation - farm inputs - input output analysis - sectoral analysis - sectoral development - knowledge
    Verslag van een workshop georganiseerd door LBI en WUR over het sluiten van kringlopen in de biologische landbouw. Een en ander in het kader van het LNV-onderzoeksprogramma 'Intersectorale samenwerking binnen de biologische landbouw'. De huidige situatie in de Nederlandse biologische landbouw wordt gekenmerkt door diverse onevenwichtigheden: mest, voer en stro komen nog grotendeels uit de gangbare landbouw of het buitenland, er zijn verliezen van nutriënten naar de maatschappij en een retourstroom vanuit de maatschappij ontbreekt nagenoeg. Intersectorale samenwerking zou kunnen zorgen voor een betere sluiting van kringlopen. Kernvragen zijn daarbij het schaalniveau (op bedrijfs- of regionaal niveau, of in Eurpees verband), de plaats van de intensieve veehouderij (met veel buitenlandse inputs), de mate van overheidssturing, hergebruik van afvalstromen uit de maatschappij, en het dilemma 'groei of vormgeven aan de intenties van biologische landbouw'
    Inventarisatie diergeneesmiddelen gebruik in de biologische geitenhouderij
    Kijlstra, A. ; Werf, J.T.N. van der; Buitendijk, J. - \ 2004
    Lelystad : Animal Sciences Group (Rapport / Animal Sciences Group april 2004) - 39
    biologische landbouw - geitenhouderij - diergezondheid - dierziekten - veterinaire producten - organic farming - goat keeping - animal health - animal diseases - veterinary products
    Zowel kennisinstellingen als individuele biologische bedrijven proberen onderzoek te doen naar de effectiviteit van alternatieven voor bepaalde aandoeningen in de biologische veehouderij. Op welke schaal dit binnen de bedrijven gebeurt, was tot op heden nog niet bekend en was daarom de reden voor het onderzoek, waarvan hier de rapportage voor de biologische geitenhouderij volgt. De doelstelling van het onderzoek was het inventariseren van de gezondheidsproblemen in de biologische geitenhouderij in Nederland en de wijze van behandeling van deze aandoeningen. Hiertoe werden door middel van een aselecte steekproef 25 geitenhouders tijdens een bedrijfsbezoek geënquêteerd. De belangrijkste dierziekten die op de meeste bedrijven voorkwamen waren diarree, baarmoederontsteking en klinische mastitis. Alle onderzochte geitenhouders gebruikten minimaal 1 regulier diergeneesmiddel in het onderzochte jaar (2002). Ruim 75 % van de geitenhouders gebruikt één of meerdere alternatieve middelen voor de behandeling van dierziekten bij de geiten. De reguliere en alternatieve diergeneesmiddelen worden voornamelijk curatief ingezet. De 25 geënquêteerde geitenhouders gebruikten gezamenlijk 84 verschillende reguliere diergeneesmiddelen. Deze 84 reguliere diergeneesmiddelen bestaan voor 2/3 uit een divers scala van antibiotica. Er werd weinig uniformiteit in het gebruik van de verschillend antibioticum preparaten gezien. Aangezien de geitenhouderij een relatief kleine bedrijfstak is wordt er door de pharma industrie weinig geïnvesteerd in de registratie van diergeneesmiddelen ten behoeve van de geit als doeldier. Wel zijn een aantal reguliere diergeneesmiddelen opgenomen in de een vrijstellingslijst voor de geit van het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen (BRD). Hoewel het arsenaal aan middelen dus formeel beperkt is worden er onder de verantwoording van de dierenarts diverse middelen toegepast die niet voor de geit als doeldier zijn toegelaten. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat er weinig consensus bestaat tussen de geitenhouders/dierenartsen op het gebied van de curatieve gezondheidszorg van biologische geiten. Van een aantal van de gebruikte alternatieve geneesmiddelen is de werkzaamheid niet door wetenschappelijk onderzoek onderbouwd en is het gebruik dus in strijd met de EU regelgeving voor de biologische dierhouderij
    Inventarisatie problemen met wol-, schild- en dopluizen in bloemisterijgewassen : literatuurstudie, praktijkinventarisatie en bestrijdingsproeven
    Boertjes, B.C. ; Fransen, J.J. ; Berg, T.J.M. van den; Kok, L. ; Overdevest, B.A.M. - \ 2003
    Aalsmeer : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Glastuinbouw (PPO 584) - 104
    coccoidea - homoptera - biologische bestrijding - chemische bestrijding - gewasbescherming - sierplanten - nederland - glastuinbouw - coccoidea - homoptera - biological control - chemical control - plant protection - ornamental plants - netherlands - greenhouse horticulture
    Veel van de in kassen voorkomende wol-, dop- en schildluizen tasten een breed scala aan siergewassen aan, zoals potplanten en kuipplanten, maar ook snijbloemen. De meest voorkomende wolluis in Nederlandse kassen is de citruswolluis, Planococcus citri. Daarnaast komen onder andere de langstaartwolluis, Pseudococcus longispinus, en de kortstaartwolluis, Pseudococcus viburni, voor. Wat betreft schildluizen zijn het vooral schildluizen in cymbidium, dit waren Boisduval schildluis, Diaspis boisduvalii, en Oleander schildluis, Aspidiotus nerii. Een dopluis-soort die tijdens de inventarisatie werd aangetroffen was de platte dopluis, Coccus hesperidum. Andere regelmatig voorkomende soorten in Nederlandse kassen zijn de halvebol-dopluis, Saissetia coffeae, en Saissetia oleae. In dit rapport wordt, na een beschrijving van de levenswijze van wol-, dop en schildluizen, de belangrijkste soorten apart besproken. Naast een literatuuronderzoek en een inventarisatie onder telers is onderzoek gedaan naar entomopathogene schimmels voor de bestrijding van dop- en schilluizen, chemische bestrijding van wolluis, chemische bestrijding van schildluis en biologische bestrijding van schildluis. De meest geschikte methode voor de praktijk lijkt een teelt waarbij het ene jaar gewas wordt opgebouwd en in mei en juni wordt gesnoeid, zodat in het tweede jaar veel bloemen worden geoogst. Een goede nachtvorstbescherming is dan zeer noodzakelijk!
    Inventarisatie problemen met wol-, schild- en dopluizen in bloemisterijgewassen
    Boertjes, B.C. ; Fransen, J.J. ; Marissen, N. - \ 2003
    Aalsmeer : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Glastuinbouw - 51
    pseudococcidae - coccidae - sierplanten - glastuinbouw - plantenplagen - geïntegreerde bestrijding - gewasbescherming - plagenbestrijding - pseudococcidae - coccidae - ornamental plants - greenhouse horticulture - plant pests - integrated control - plant protection - pest control
    Als gevolg van het toenemend internationaal verkeer van plantmateriaal worden de risico’s op aantastingen door wol-, dop- en schildluizen groter. Daarbij komt dat breedwerkende middelen steeds minder gebruikt worden bij een verdere doorvoering van geïntegreerde bestrijding van gangbare plagen en door het verdwijnen van middelen. Hierdoor worden plagen die vroeger in het schema van breedwerkende middelen vanzelf werden meegenomen, opeens zichtbaar. Bestrijding van deze plagen vormt een bottleneck in de geïntegreerde bestrijding omdat tegen deze hardnekkige insecten momenteel alleen breedwerkende middelen voorhanden zijn. Daarnaast is het bestrijdingsresultaat van deze middelen vaak onvoldoende, waardoor ze frequent toegepast worden. PPO Glastuinbouw voerde een inventarisatie uit van de aanwezige soorten wol-, dop- en schildluizen en mate van schade en mogelijkheden van biologische en chemische bestrijdingsmethoden. Het project met de titel “Inventarisatie problemen met wol-, schild- en dopluizen” is gefinancierd door het Productschap Tuinbouw. Om na te gaan welke soorten problemen geven is een oproep gedaan in nieuwsbrieven van diverse LTO-gewasgroepen om wol-, dop- en schildluisproblemen te melden. Tevens werd verzocht materiaal voor opkweek en determinatie op te sturen naar het PPO. Naar aanleiding daarvan zijn meerdere inzendingen van materiaal binnengekomen. De wol-, dop- en schildluizen behoren tot de grote groep van plantensapzuigende insecten en zijn verwant aan wittevliegen en bladluizen. Kenmerkend is dat deze insecten zich veelal ‘te voet’ verplaatsen, want er komen geen gevleugelde vrouwtjes voor. Wel zijn de mannetjes vrijwel altijd gevleugeld. Verspreiding over grotere afstand vindt plaats door middel van wind, vogels, andere insecten, plantmateriaal en via kleding. Tekenen van aantasting zijn het glimmend worden van bladeren door honingdauw dat door wolluizen en dopluizen geproduceerd wordt, en groeiremming, bladverkleuring en misvorming. Veel van de in kassen voorkomende wol-, dop- en schildluizen tasten een breed scala aan siergewassen aan, waaronder potplanten (o.a. palmen, schefflera, croton, ficus, kalanchoë) en kuipplanten (camelia, oleander, eucalyptus, bougainville), maar ook snijbloemen zoals bijvoorbeeld roos en cymbidium. De meest voorkomende wolluis in Nederlandse kassen is de citruswolluis, Planococcus citri. Daarnaast komen onder andere de langstaartwolluis, Pseudococcus longispinus, en de kortstaartwolluis, Pseudococcus viburni, voor. Wat betreft schildluizen hadden de meeste inzendingen naar het PPO betrekking op schildluizen in cymbidium en de soorten die daar op voorkwamen waren Boisduval schildluis, Diaspis boisduvalii, en Oleander schildluis, Aspidiotus nerii. Een dopluis soort die tijdens de inventarisatie werd aangetroffen was de platte dopluis, Coccus hesperidum. Andere regelmatig voorkomende soorten in Nederlandse kassen zijn de halveboldopluis, Saissetia coffeae, en Saissetia oleae. Na een beschrijving van de levenswijze van wol-, dop en schildluizen, worden de belangrijkste soorten wol-, dop- en schildluizen apart besproken. Momenteel worden wol-, dop- en schildluizen veelvuldig biologisch bestreden in kantoortuinen en binnentuinen van zwembaden, dierentuinen en kassen bij botanische tuinen. De resultaten van biologische bestrijding zijn voor deze toepassingsgebieden over het algemeen goed, maar dit zijn nog geen productiekassen. Naast een literatuuronderzoek en een inventarisatie onder telers is onderzoek gedaan naar entomopathogene schimmels voor de bestrijding van dop- en schilluizen, chemische bestrijding van wolluis, chemische bestrijding van schildluis en biologische bestrijding van schildluis. De drie laatst genoemde onderzoeken worden in aparte delen van dit verslag beschreven. Voor een samenvatting van deze onderzoeken wordt verwezen naar het betreffende deel.
    De boerderij voorbij?! Ontwerpopgaven voor de ontwikkeling van boerderijen in het landschap in het kader van het `Jaar van de boerderij 2003'
    Rienks, W.A. ; Groot, R. ; Olde Loohuis, R.J.W. ; Poel, K.R. de - \ 2003
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 536) - 140
    landbouwbedrijven - landschap - platteland - ontwerp - landbouw - landbouwbedrijfsgebouwen - nederland - toekomst - farms - landscape - rural areas - design - agriculture - farm buildings - netherlands - future
    Het jaar 2003 is het jaar van de boerderij. In dit kader zijn voor elke provincie drie ontwerpopgaven gemaakt waarin de boerderij van de toekomst is weergegeven. Dit heeft geleid tot een breed scala aan ontwerpopgaven, waarin de ontwikkelingen zijn weergegeven die gaande zijn in het landelijk gebied ten aanzien van de boerderij en het omringende landschap.
    Amerdiep, een ontwikkelmodel voor boeren en natuur; onderzoek naar mogelijkheden voor agrarische innovaties om door markt en landschap, water en natuur het inkomen te verbreden
    Corporaal, A. ; Stortelder, A.H.F. ; Berg, A. van der; Poel, K.R. de; Schrijver, R.A.M. - \ 2003
    Wageningen : Alterra (Alterra-document 592) - 123
    natuurbescherming - agrarische bedrijfsvoering - inkomsten uit het landbouwbedrijf - landschapsbescherming - stroomgebieden - waterlopen - watersystemen - landbouw - innovaties - nederland - natuur - drenthe - nature conservation - farm management - farm income - landscape conservation - watersheds - streams - water systems - agriculture - innovations - netherlands - nature - drenthe
    De Provincie Drenthe heeft Alterra gevraagd te onderzoeken of er in het Amerdiep, een bovenloop van de Drentse Aa, kansen zijn om met boeren voor natuur een duurzaam perspectief van landbouw en natuur te schetsen. Het onderzoek is in drie stappen uitgevoerd. Stap 1 bestond uit een gebiedsanalyse, analyse van de effecten op een breed scala van sectoren en facetten, en een voorlopige schets van de toekomst in drie scenario's genaamd MARKT, MIX en PALET. Hierin staan belangrijke aanknopingspunten om over de toekomst van dit gebied van gedachten te wisselen. Stap 2 omvatte een dialoog met betrokkenen in de streek, voornamelijk boeren in en bij de dorpjes Amen en Grolloo, die met argumenten, ideeën en gevoelens reageerden op de scenario's. Tenslotte is in stap 3 hiermee verder gegaan en is een uitwerking gemaakt op basis van de eerdere analyses en reacties uit de streek. Met zo'n tien ondernemers is individueel doorgepraat over kansen voor hun bedrijfssituatie: landschapsontwikkeling was voor de meesteninpasbaar en een gesloten bedrijf was voor enkelen een aantrekkelijke optie. Men is bereid om verder mee te denken om de ideeën te realiseren, maar wel geleidelijk. Hiertoe is een ontwikkelmodel voorgesteld waarin op relatief korte termijn zo'n 50 ha nieuwe landschapselementen en 2-3 natuurgerichte bedrijven haalbaar lijken te zijn. Ten aanzien van de beoogde doelrealisatie wordt verwacht dat zowel de private als publieke doelen goed uit de bus komen, zeker in vergelijking met autonome processen. Door samenwerking te zoeken kunnen het gebied en de ondernemers een nieuw gezicht krijgen en een gezamenlijke stem om zich in te zetten voor hun toekomst.
    Deskstudie alternatieve gezondheidszorg voor melkvee
    Groot, M.J. - \ 2003
    Wageningen : RIKILT (RIKILT 2003.021) - 34
    melkvee - mastitis - paratuberculose - parasieten - biologische landbouw - diergezondheid - homeopathie - dairy cattle - mastitis - paratuberculosis - parasites - organic farming - animal health - homeopathy
    Dit rapport beschrijft alternatieve strategieën en therapieën voor mastitis, parasitaire infecties en paratuberculose bij biologisch melkvee. Wat betreft de alternatieve mogelijkheden wordt, vooral bij mastitis, een breed scala aan middelen gebruikt. De mogelijk te gebruiken methoden bestaan uit homeopathie, Bach-bloesemremedies, kruidenmiddelen, essentiële oliën, bismuth, acupunctuur, bio-electromagnetisme, kleitherapie, kelp, zuurstoftherapie, antilichamen en homeopathische nosoden. Van deze behandelingswijzen is de homeopathie het populairst, mede omdat er geen residuen in melk en vlees terecht komen en er dus geen wachttijd (biologisch 1 dag) voor de melk is. Wat betreft de werkzaamheid van homeopathische therapieën verschillende de resultaten per onderzoeker en ook per boer. Bij sommigen werkt het goed, met name bij acute Colimastitis en bij anderen heeft het nauwelijks effect. Er is momenteel geen consensus betreffende de werkzaamheid van homeopathische middelen bij mastitis. Veel resultaten zijn gepubliceerd in “non peer reviewed” tijdschriften of op het internet, waardoor de kwaliteit van de studies niet altijd goed beoordeeld kan worden. Kruiden en etherische oliën worden vaak verwerkt in uiercremes en ook soms in uierinjectoren. Ook zijn er weerstandverhogende kruidenmengsels die indirect de ziektefrequentie zouden doen dalen. Verder kan er gebruik gemaakt worden van magnetisme, cellulaire communicatie, acupunctuur en ozontherapie. Voor ozontherapie zijn heel positieve ervaringen beschreven. Wat betreft niet antibioticabevattende middelen zijn er droogzetters op basis van bismuth, mastitis therapie met oxytocine, immuunversterkende middelen en vaccins tegen specifieke kiemen. Voor de biologische melkveehouderij zouden enkele homeopathische complexmiddelen, Chinese kruidenmiddelen en ozontherapie nader onderzocht moeten worden. Wat betreft de parasitaire infecties is met name beweidingmanagement belangrijk. Voor longwormen is er ook een vaccin op de markt. Hoewel er geen geregistreerde fytopreparaten op de markt zijn, is er en groot aantal planten beschreven dat antiparasitaire werking heeft. Helaas is de veiligheidsmarge vaak klein. Met name tannines zouden effectief kunnen zijn en verdienen nader onderzoek. Voor paratuberculose is behandeling niet gewenst en preventie is het belangrijkst. Controle en management is hierbij het belangrijkst. Hoewel een aantal alternatieve behandelingsmethoden wordt beschreven worden ze niet aangeraden.
    A novel application of Trichoderma spp. as a tool to deliver protective molecules into plants: transformation of T. atroviride P1 with the avirulence gene avr4 from Cladosporium fulvum
    Ruocco, M. ; Lanzuise, S. ; Woo, S. ; Scala, F. ; Wit, P.J.G.M. de; Joosten, M.H.A.J. ; Lorito, M. - \ 2003
    In: Volume of Abstracts: 11-th International Congress on Molecular Plant-Microbe Interactions, St.-Petersburg, Russia, 18-26 July 2003 St.-Petersburg, Russia : All-Russia Research Institute for Agricultural Microbiology - p. 368 - 368.
    Alternatieve boomsoorten, goed voor natuur en recreatie?
    Hommel, P.W.F.M. - \ 2002
    bosecologie - loofhout - bosbeheer - bosbomen - belevingswaarde van bossen - bosrecreatie - bossen die er aantrekkelijk uitzien - forest ecology - broadleaves - forest administration - forest trees - amenity value of forests - forest recreation - amenity forests
    De vraag wordt gesteld of in alle gevallen geldt dat gemengd loofbos met inheemse soorten gunstig zal zijn voor natuur en recreatie, waar vaak impliciet vanuit wordt gegaan. Het onderzoekproject 'Boomsoort en ondergroei' is er op gericht door literatuur- en veldonderzoek de vaak algemeen aangenomen theorie te toetsen en te nuanceren, waarbij het scala aan geschikte groeiplaatsen en regio's nader wordt gepreciseerd
    Scala aan technieken : telen met toekomst
    Dwarswaard, A. ; Kool, S.A.M. de - \ 2002
    Bloembollencultuur 113 (2002)21. - p. 16 - 17.
    bloembollen - tulpen - plantenziekteverwekkende schimmels - botrytis - gewasbescherming - cultuurmethoden - geïntegreerde bestrijding - forceren van planten - snijbloemen - lente - ornamental bulbs - cut flowers - tulips - plant pathogenic fungi - botrytis - plant protection - cultural methods - integrated control - forcing - spring
    Teeltmaatregelen ter bestrijding van vuur in voorjaarsbloeiers bij tulp
    Beelden van waternatuur
    Jacobs, M.H. ; Molen, D. van der - \ 2002
    H2O : tijdschrift voor watervoorziening en afvalwaterbehandeling 35 (2002). - ISSN 0166-8439 - p. 17 - 17.
    natuurbescherming - water - oppervlaktewater - perceptie - attitudes - waterbeleid - waterbeheer - natuur - nature conservation - water - surface water - perception - attitudes - water policy - water management - nature
    Rijkswaterstaat deed onderzoek naar de beelden van waternatuur die leven bij medewerkers binnen de organisatie. Vijf verschillende natuurbeelden werden gevonden (wild, spontaan, ruim, beïnvloed, menselijk) en bleken gekoppeld te kunnen worden aan specifieke kenmerken van de mensen. Verschillende waternatuurbeelden blijken te leiden tot uiteenlopende standpunten m.b.t. het waterbeleid. Zowel bij communicatie over water als beleid voor water moet er rekening mee worden gehouden dat aan schijnbaar vanzelfsprekende termen als water en waternatuur een scala aan betekenissen wordt gekoppeld
    Verslag Workshop 'Biometrie'; 10 mei 2000
    Oosterbaaan, A. ; Wijdeven, S.M.J. - \ 2000
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 103) - 40
    biometrie - bossen - bosbedrijfsvoering - bosbeleid - bosinventarisaties - nederland - biometry - forests - forest management - forest policy - forest inventories - netherlands
    Dit rapport doet verslag van een workshop over de richting van toekomstig biometrisch onderzoek. Het biometrieonderzoek in de afgelopen decennia heeft een breed scala van producten en publicaties voortgebracht. Door ontwikkelingen in het bos, het bosbeheer en bosbeleid veranderen de behoeften aan biometrisch onderzoek. Aan de hand van drie stellingen is hierover in een workshop gediscussieerd. Belangrijke onderzoeksthema's die uit de workshop voortkwamen, zijn gericht op de onvoorspelbaarheid in bosontwikkeling en sturingssystemen voor normering en kwaliteiten, met aandacht voor verschillende schaalniveaus en in samenwerking met boseigenaren en -beheerders.
    Verbreding op landbouwbedrijven : met visie en creatieve vasthoudendheid naar succes
    Ham, A. van den; Ypma, M.E. - \ 2000
    Den Haag : LEI - ISBN 9789052426204 - 76
    agrarische bedrijfsvoering - nederland - landbouw - innovatie adoptie - farm management - netherlands - agriculture - innovation adoption
    Verbreders in de landbouw geven inhoud aan meer functies dan alleen die van voedselproductie. In dit onderzoek werd door middel van diepte-interviews gekeken naar houding en gedrag van verbreders en waarom zij succes hebben. Verbreders kunnen we indelen in Geïnspireerde Verbreders en Rationele Verbreders. Geïnspireerde Verbreders hebben een duidelijke bedrijfsvisie die aanzienlijk afwijkt van wat in de landbouw gebruikelijk is. Vanuit die visie zijn ze er van overtuigd dat verbreding de weg is voor een goed toekomstperspectief. Ze hebben duidelijk uitgewerkte doelstellingen en een goed uitgewerkte strategie. Hun ecologische en maatschappelijke doelstellingen zijn minstens gelijkwaardig aan hun economische doelstelling. Met visie en creatieve vasthoudendheid gaan ze uitdagingen aan. Ze benutten daarbij een breed scala aan sociale en communicatieve vaardigheden. Rationele Verbreders besluiten op rationele gronden tot verbreding. In hun doelstellingen komt de economische doelstelling prominenter naar voren. Het beleid van overheden zien ze als de neerslag van maatschappelijke ontwikkelingen; ze letten dan ook sterk op overheidsbeleid. Verbreding is minder sterk verinnerlijkt, ze hebben bij het benutten van hun visie daarom last van tegengestelde signalen. Dat kan ten koste gaan van de verbreding. In overdrukgebieden neemt vooral het aantal Rationele Verbreders, dat is een potentieel belangrijke groep die naar schatting vijfmaal zo groot is als het aantal Geïnspireerde Verbreders. Het zelf uitwerken van hun visie, doelstellingen en strategie zal ook bij Rationele Verbreders het veranderingsproces een steviger basis geven. Daarvoor zijn nieuwe vormen van ondersteuning nodig
    Groei van ongelijkjarige mengingen van grove den en berk op arme zandgronden; resultaten van metingen in 22 opstanden op de Veluwe en de Sallandse Heuvelrug
    Wijdeven, S.M.J. ; Oosterbaan, A. ; Berg, C. v.d.; Jole, M. van - \ 2000
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 14) - 33
    pinus sylvestris - betula - bosecologie - gemengde bossen - verjonging - nederland - gemengde opstanden - ongelijkjarige opstanden - veluwe - overijssel - salland - pinus sylvestris - betula - forest ecology - mixed forests - regeneration - netherlands - mixed stands - uneven-aged stands - veluwe - overijssel - salland
    Het voorkomen en de groei van berk in ongelijkjarige mengingen van grove den en berk is bepaald op basis van opstandgemiddelden. Er is geen duidelijk verband tussen het voorkomen en de groei van berk en de schermdichtheid van grove den. Actuele groeigegevens zijn noodzakelijk voor een nadere detaillering. Berk kan onder een breed scala van condities voorkomen; sturen van berk is dan ook moeilijk. De onderzochte mengingen vertonen een hogere productiviteit dan monoculturen. Door de vele mogelijke interacties in gemengde bossen is het gebruik van modellen in het onderzoek noodzakelijk. Gerichte studies naar de actuele groei in relatie tot omgevingsfactoren zijn hiervoor onontbeerlijk.
    Ontwikkeling van een concept voor extractie van residuen van dierbehandelingsmiddelen uit ei en eiproducten voor opsporing van een breed scala van middelen welke van belang zijn voor een onbelemmerde afzet van deze producten
    Keukens, H.J. ; Zuidema, T. ; Beek, W.M.J. - \ 1999
    Wageningen : DLO-Rijks-Kwaliteitsinstituut voor land- en tuinbouwprodukten (RIKILT-DLO) (Rapport / RIKILT-DLO 99.009) - 17
    veterinaire producten - extractie - eieren - eierproducten - hplc - geneesmiddelenresiduen - analytische scheikunde - veterinary products - extraction - eggs - egg products - hplc - drug residues - analytical chemistry
    Bedrijventerreinen: duurzaamheid op zicht
    Timmermans, W. ; Roggema, R. - \ 1999
    Groen : vakblad voor groen in stad en landschap 55 (1999)1. - ISSN 0166-3534 - p. 8 - 11.
    industrieterreinen - bedrijven - ondernemingen - milieu - landgebruiksplanning - ruimtelijke ordening - geografische verdeling - stedelijke planning - hulpbronnengebruik - industrie - districten - locatie - industrial sites - businesses - enterprises - environment - land use planning - physical planning - geographical distribution - urban planning - resource utilization - industry - districts - location
    In samenwerking met het vakblad "Duurzaam Bouwen" vormt "Duurzame bedrijventerreinen" het thema van dit nummer. Het gaat om een breed scala van typen terreinen zoals van kantoren tot autosloperijen
    Potential for exploitation of ATP-binding cassette transporters in biological control
    Sorbo, G. Del; Ruocco, M. ; Lorito, M. ; Scala, F. ; Zoina, A. ; Andrade, A.C. ; Waard, M.A. de - \ 1998
    In: Molecular approaches in biological control / Duffy, B., Rosenberger, U., Defago, G., - p. 241 - 246.
    Functional analysis of genes encoding ABC transporters from filamentous fungi by complementation of yeast PDR deficient mutants.
    Ruocco, M. ; Sorbo, G. Del; Decottignies, A. ; Andrade, A.C. ; Waard, M.A. de; Ziona, A. ; Scala, F. - \ 1998
    In: 4th European Conference on Fungal Genetics, Leon, Spain - p. 147 - 147.
    The role of bc-atrA: a gene encoding an ATP-binding cassette transporter, in multidrug resistance and pathogenicity of the plant pathogen Botrytis cinerea.
    Sorbo, G. del; Ruocco, M. ; Faretra, F. ; Scala, F. ; Waard, M.A. de - \ 1998
    In: 4th European Conference on Fungal Genetics, Leon, Spain - p. 242 - 242.
    Studies on the role of ABC transporters in multidrug resistance and pathogenicity of filamentous fungi.
    Sorbo, G. del; Ruocco, M. ; Andrade, A. ; Schoonbeek, H. ; Lorito, M. ; Zoina, A. ; Waard, M.A. de; Scala, F. - \ 1998
    In: 7th International Congress of Plant Pathology, Edinburgh, UK (1998) 5.5.7
    Ammoniakemissie-arme betonnen stalvloeren. Breed scala aan betonvloeren geonventariseerd
    Braam, C.R. - \ 1997
    Agrabeton 7 (1997)1. - ISSN 0167-3246 - p. 10 - 11.
    stallen - roostervloeren - vloeren - rundvee - huisvesting van koeien - schoonmaakgereedschap - structuren - constructie - bouwconstructie - bouwmaterialen - beton - versterking - luchtverontreiniging - ammoniak - emissie - vervluchtiging - stalls - grid floors - floors - cattle - cow housing - cleaning equipment - structures - construction - building construction - building materials - concrete - reinforcement - air pollution - ammonia - emission - volatilization
    Resultaten van onderzoek naar de invloed van betonnen vloertypen en vloerafwerking op de ammoniakemissie uit rundveestallen
    Potential for exploitation of AT-binding-cassette transporters in biological control.
    Sorbo, G. del; Lorito, M. ; Scala, F. ; Zoin, A. ; Andrade, A.C. ; Waard, M.A. de - \ 1997
    In: IOBC-Proceedings EFPP Workshop Molecular Approaches in Biological Control, Delemont, Switserland - p. 1 - 1.
    Infochemical use by insect parasitoids in a tritrophic context : comparison of a generalist and a specialist
    Geervliet, J.B.F. - \ 1997
    Agricultural University. Promotor(en): J.C. van Lenteren; L.E.M. Vet; M. Dicke. - S.l. : Geervliet - ISBN 9789054857129 - 200
    biologische bestrijding - insecten - nuttige insecten - feromonen - ichneumonidae - lepidoptera - gastheer parasiet relaties - parasitisme - brassica oleracea var. gongylodes - koolrabi - diergedrag - cotesia glomerata - cotesia rubecula - rhopalocera - biological control - insects - beneficial insects - pheromones - ichneumonidae - lepidoptera - host parasite relationships - parasitism - brassica oleracea var. gongylodes - kohlrabi - animal behaviour - cotesia glomerata - cotesia rubecula - rhopalocera

    Sluipwespen zijn van groot belang voor natuurlijke en agrarische ecosystemen, daar zij de populatiedichtheden van hun gastheren kunnen beïnvloeden of reguleren. Tijdens het larvale stadium voeden ze zich in of op het lichaam van een gastheer, meestal een insekt, die daaraan uiteindelijk sterft. Onderzoek aan sluipwespen heeft inmiddels een grote hoeveelheid informatie opgeleverd over het gedrag en de oecologie van veel soorten. Er wordt veel aandacht geschonken aan fundamentele aspekten van de biologie van sluipwespen, enerzijds om theorieën over de evolutie van het gastheerzoekgedrag van sluipwespen te kunnen testen, anderzijds vanwege het grote belang dat kennis van de fundamentele biologie voor de toegepaste entomologie heeft.

    Gedrags-oecologie houdt zich bezig met evolutionaire vragen over de interaktie tussen het gedrag van een dier en de omgeving waarin het dier zich bevindt. Onderzoek richt zich op de gevolgen van variatie in het gedrag op de fitness van een dier. Sluipwespen zijn zeer geschikte kandidaten voor onderzoek aan dergelijke evolutionaire vragen over gedrag. Hun voortplantingsstrategie is direct gekoppeld aan hun fitness en het niet vinden van een geschikte gastheer of van het maken van verkeerde beslissingen tijdens het parasiteringsproces heeft grote gevolgen voor de fitness.

    Sluipwespen zijn geëvolueerd en funktioneren in multitrofe systemen, waarin zij zelf het derde trof ische niveau innemen. Hun gastheren vormen het tweede en het substraat waarop hun gastheren zich voeden (planten bijvoorbeeld) vormt het eerste trofische niveau. Tijdens het zoeken naar gastheren gebruiken sluipwespvrouwtjes vaak chemische stimuli als informatiebron. Deze chemische informatiestoffen kunnen zowel direct als indirect afkomstig zijn van de gastheer, dan wel van het voedsel van de gastheer. De mate van specialisatie van de sluipwesp kan bepalen in hoeverre stimuli specifiek moeten zijn voor het vinden van gastheren. Specifieke informatie over de aanwezige gastheren wordt geacht minder belangrijk te zijn voor sluipwespen die een breed scala aan gastheren kunnen parasiteren, terwijl specialisten eerder specifieke informatie nodig zullen hebben.

    De zoekstrategie van sluipwespen wordt bepaald door zowel genotypische als fenotypische faktoren. De efficientie waarmee zij naar gastheren zoeken, kunnen ze vergroten door hun zoekgedrag aan te passen. Ze leren te reageren op veranderingen of verschillen in de omstandigheden waarin ze moeten funktioneren. De mate waarin sluipwespen hun gedrag kunnen aanpassen, kan gerelateerd zijn aan de mate van specialisatie van de soort: leren wordt geacht een grotere rol te spelen in het gastheerzoekgedrag van generalisten dan van specialisten.

    Vergelijkend onderzoek, waarin fylogenetisch verwante soorten worden gebruikt om te bepalen of er correlaties bestaan tussen gedragskenmerken en ecologisch faktoren, is van belang voor het vaststellen van de adaptieve waarde van gedragskenmerken. Voor het testen van stimuli in oecologisch relevante biotoetsen is het van belang gebruik te maken van fylogenetisch
    verwante soorten met vergelijkbare niches. Op deze wijze kunnen eenduidige conclusies getrokken worden dat de gevonden verschillen in zoekstrategieën gecorreleerd zijn met de bestudeerde oecologische faktor waarin de soorten verschillen en niet met een fylogenetische faktor.

    Ook voor het in dit proefschrift beschreven onderzoek is een dergelijke benadering toegepast, waarbij de hypothese getoetst is, dat het gebruik van chemische informatiestoffen door sluipwespen afhangt van hun mate van specialisatie op hun gastheer of het substraat waarop hun gastheer leeft.

    De acteurs die in dit onderzoek optreden, zijn twee nauwverwante sluipwespsoorten, die verschillen in de breedte van hun gastheerspectrum. Cotesia glomerata is een generalist, die eipakketten afzet in rupsen van verschillende Pieris soorten, aldus een gregaire larvale endoparasitoid. Cotesia rubecula staat bekend als specialist op Pieris rapae , en is solitair: één eitje per rups. Deze sluipwespsoorten komen voor in habitats die erg op elkaar lijken, en bezetten deels overlappende niches. Hun zoekgedrag op langere afstand wordt gekenmerkt door responsen op geur en visuele prikkels van beschadigde planten.

    De drie belangrijkste doelstellingen van dit onderzoek waren het vaststellen van 1) de specificiteit van de chemische informatiestoffen die C. glomerata en C . rubecula gebruiken tijdens het zoeken naar gastheren, 2) de invloed van leren op het zoekgedrag van deze twee sluipwespsoorten, en 3) de gevolgen voor de fitness van hun beslissingen tijdens het zoeken naar gastheren.

    Specificiteit van de stimuli
    De specificiteit van de stimuli die de twee Cotesia soorten gebruiken tijdens het zoeken naar gastheren is onderzocht in gedragsstudies, zowel op afstand van de geurbronnen (hoofdstuk 2 en 3) als in de buurt van de gastheer, na landen op het blad (hoofdstuk 5 en 7), en in chemische analyses van de vluchtige stoffen die afgegeven worden door intacte planten en planten met vraatschade door Pieris rupsen (hoofdstuk 4).

    In hoofdstuk 2 wordt de rol van vluchtige stimuli beschreven voor het langeafstand zoekgedrag van de specialist Cotesiarubecula . Responsen van C. rubecula vrouwtjes op stimuli van verschillende onderdelen van het Spruitkool/ P. rapae waardplant- gastheer complex werden vergeleken in tweekeuze toetsen in een windtunnel. Stimuli afkomstig van beschadigde spruitkool bladeren (mechanisch beschadigd of met vraatschade van P. rapae rupsen) leidden tot een hogere respons bij de sluipwespen dan gastheergerelateerde stimuli. Daarnaast vertoonden sluipwesp vrouwtjes een voorkeur voor bladeren van het waardplant-gastheer complex dan voor bladeren met kunstmatige schade. Onbeschadigde bladeren waren het minst aantrekkelijk voor de sluipwespen. Deze resultaten zijn een aanwijzing dat C. rubecula tijdens het zoeken naar gastheren op lange afstand voornamelijk gebruik maakt van chemische informatie afkomstig van de plant, hetgeen eerder ook is gevonden voor de generalist, C. glomerata . Voor beide soorten zijn chemische stimuli afkomstig van de gastheer van minder belang in deze fase van het zoekproces.

    In hoofdstuk 3 worden aangeboren voorkeuren voor chemische informatiestoffen afkomstig van verschillende waardplant-gastheer complexen vergeleken voor de generalist C. glomerata en de specialist C. rubecula . De sluipwespen waren naïef, dat wil zeggen, ze hadden als volwassen individu nog geen Pieris rupsen of planten ervaren. Het gedrag van de specialist werd geacht sterkere voorkeuren te vertonen dan dat van de generalist. Beide sluipwespsoorten prefereerden planten met Pieris- vraatschade boven onbeschadigde planten, en er bestonden voorkeuren voor bepaalde koolvariëteiten boven andere en boven een andere waardplantsoort, namelijk oostindische kers. Naïeve C. rubecula en C. glomerata vrouwtjes maakten geen onderscheid tussen chemische stimuli afkomstig van planten waarop zich gastheren van verschillende Pieris soorten voedden. Evenmin maakten zij onderscheid tussen stimuli afkomstig van planten met gastheren en niet-gastheren. Hoofdstuk 7 laat zien, dat zowel voor naïeve C. glomerata als voor C. rubecula vrouwtjes zoektijden verschillen tussen door gastheren beschadigde bladeren van verschillende voedselplanten. Op bladeren van dezelfde voedselplant beschadigd door verschillende gastheersoorten werden geen verschillen in zoektijden gevonden voor beide sluipwespsoorten. De aangeboren voorkeuren van beide sluipwespsoorten vertonen grote overeenkomsten. Naïeve vrouwtjes vertoonden voorkeuren op het plantniveau van het tritrofe systeem, terwijl specificiteit van chemische informatiestoffen op gastheer-niveau lijkt te ontbreken.

    Planten met vraatschade scheiden vluchtige stoffen af die gebruikt kunnen worden door de natuurlijke vijanden van de herbivoren tijdens hun zoektocht naar gastheren. Op basis van de resultaten van de gedragsstudies in hoofdstuk 2 en 3 werd er in hoofdstuk 4 onderzocht of er verschillen aangetoond konden worden in de samenstelling van het mengsel vluchtige stoffen tussen verschillende waardplant- gastheer complexen. Chemische analyse van de monsters vluchtige stoffen van rode en witte kooi en oostindische kers, beschadigd door het grote koolwitje, P. brassicae of het kleine koolwitje, P. rapae , of onbeschadigd laat zien, dat beschadigde planten het grootste aantal stoffen afgeeft en in de grootste hoeveelheden. De plantesoort was van grotere invloed op de samenstelling van het geurmengsel dan de soort herbivoor, en tussen plantevariëteiten waren de verschillen in samenstelling kleiner dan tussen plantesoorten, waar kwalitatieve verschillen aangetoond werden. De samenstelling van het chemische mengsel afkomstig van planten met P. brassicae of P. rapae vertoonde slechts kwantitatieve verschillen. Deze kennis vergroot het inzicht in de beschikbaarheid van chemische informatiestoffen voor beide sluipwespsoorten tijdens het zoeken naar gastheren, waarbij de specificiteit van de stimuli op het niveau van de gastheer minder groot blijkt te zijn dan op het niveau van de plant.

    In hoofdstuk 5 hebben we onderzocht in hoeverre het gastheeracceptatie gedrag in relatie to gastheer-soort, leeftijd en verdedigingsgedrag een verklaring zou kunnen zijn voor de verschillen in gastheerspectrum van beide sluipwespsoorten. Gastheeracceptatie bij C. rubecula was hoog wanneer P. rapae larven aangeboden werden, waarbij vrouwtjes geen onderscheid maakten tussen de verschillende leeftijden. Vrouwtjes van C. rubecula bleken echter minder makkelijk P. brassicae of P. napi te accepteren. Cotesia glomerata vertoonde een hogere mate van plasticiteit in acceptatie van verschillende Pieris soorten en verschillende leeftijden van de gastheren dan C. rubecula . Ze parasiteerden rupsen van alle drie Pieris soorten waarbij de eerste twee larvale stadia makkelijker geparasiteerd werden dan het derde stadium. Het parasiteringssucces werd ook beïnvloed door het verdedigingsgedrag van de gastheren. Met het toenemen van de leeftijd van de gastheer nam de frequentie en de effectiviteit van het verdedigingsgedrag toe, waarbij P. brassicae de meest aggressieve gastheersoort was. Daarnaast werd de gemiddelde eileg-duur van C. glomerata aanzienlijk gereduceerd door het verdedigingsgedrag van deze gastheersoort. Het is aannemelijk, dat dit van invloed is op de fitness van de sluipwesp, omdat de grootte van het legsel gecorreleerd is met de duur van de eileg-periode. De gevonden acceptatie frequenties zijn in overeenstemming met gegevens uit het veld van de Pieris-Cotesia associatie en met het ontwikkelingssucces van de sluipwesplarven in bepaalde gastheren. Dit geeft aan dat de gastheer-acceptatie fase gebruikt kan worden als een betrouwbare indicator voor gastheer specificiteit bij Cotesia .

    Variabiliteit in respons op stimuli als gevolg van leren
    Leergedrag bij C. glomerata en C. rubecula is onderzocht en vergeleken in gedrags studies op lange afstand (hoofdstuk 6) en door het bestuderen vaC. glomerata en het gastheer-localisatie gedrag na landing op een door gastheren beschadigd blad (hoofdstuk 7). Het gebruik van chemische informatiestoffen bij het inschatten van de geschiktheid van een plek met gastheren wordt beschreven in hoofdstuk 8.

    Het effect van ervaring op het gastheer-zoekgedrag van C. glomerata en C. rubecula is vergeleken, en hier kwamen duidelijke verschillen in het gedrag naar voren tussen de beide sluipwespsoorten (hoofdstuk 6). De generalist C. glomerata verkreeg voorkeuren als gevolg van leren op zowel het plant niveau als ook op het gastheer niveau. Na herhaalde ervaringen met gastheren op door gastheren beschadigd bladmateriaal lieten ze in tweekeuze toetsen een duidelijke voorkeur zien voor planten die door P. brassicae beschadigd waren. Deze sluipwesp is kennelijk in staat onderscheid te leren maken tussen enkele subtiele verschillen in informatie van planten beschadigd door verschillende gastheersoorten, ondanks de afwezigheid van duidelijke kwalitatieve verschillen in chemische mengsels van de waardplantgastheer complexen. Ervaring met verschillende, door P. brassicae beschadigde koolvariëteiten of oostindische kers leidde in de meeste gevallen tot een voorkeur voor het geleerde waardplant-gastheer complex. Visuele stimuli zoals kleur zouden een rol hebben kunnen spelen bij het leerproces, maar het is geenszins de enige faktor die tot voorkeuren heeft geleid. Cotesia glomerata kan geuren van waardplant-gastheer complexen leren, zonder dat er verschillen aanwezig zijn in de visuele prikkels.

    In tegenstelling tot de generalist verkregen vrouwtjes van de specialist C. rubecula geen voorkeur door ervaring, niet op gastheer niveau, noch op plant niveau. Meervoudige ervaring met door P. rapae beschadigd bladmateriaal resulteerde niet in een voorkeur voor deze gastheer in een keuzesituatie met planten met P. brassicae en P. rapae . Ervaring met verschillende door P. rapae beschadigde koolvariëteiten veranderde de voorkeuren niet.

    Deze resultaten ondersteunen de hypothese, dat leren een grotere rol speelt in het zoekgedrag van de generalist dan in het gedrag van de specialist.

    Nadat sluipwespen beland zijn in een potentiële gastheer-microhabitat komen ze in de gastheer-localisatie fase, en door voornamelijk te reageren op stimuli afkomstig van gastheren, kunnen ze een inschatting maken van de geschiktheid van de plek waarin ze zoeken. Via het meervoudig bezoeken van verschillende plekken, kunnen ze de relatieve profijtelijkheid van de habitat leren. De stimuli die met de gastheer geassocieerd zijn, kunnen door de naïeve sluipwesp herkend worden, of ze kunnen geleerd worden door ervaring, om zo onderscheid te maken tussen verschillende waardplantgastheer complexen in toekomstige zoekprocessen. Het gastheer-localisatie gedrag van C. glomerata en C. rubecula werd onderzocht in windtunnel experimenten, waar vrouwtjes de kans kregen naar eigen believen naar gastheren te zoeken (hoofdstuk 7) op spruitkoolplanten met door P. brassicae en P. rapae beschadigde bladeren en onbeschadigde bladeren. Zodoende konden ze ervaring opdoen met de beschikbaarheid van gastheren. Het aantal bezoeken en verblijfstijden bleken specifiek voor beide sluipwespsoorten. Cotesiaglomerata bezocht vaker bladeren met P. brassicae en besteedde daar meer tijd in vergelijking met de andere bladtypen, en dit ging samen met een groter aantal geparasiteerde P. brassicae rupsen dan P. rapae rupsen. Bij C. rubecula werden meer bezoeken en langere verblijfstijden waargenomen op bladeren met P. rapae dan op andere bladtypen.

    Hoe naïeve en ervaren C. glomerata en C. rubecula vrouwtjes omgaan met verschillen in profijtelijkheid van gastheer plekken tijdens de gastheer localisatie wordt beschreven in hoofdstuk 8. Naïeve vrouwtjes van beide sluipwespsoorten maakten onderscheid tussen chemische stimuli afkomstig van planten met hoge en lage gastheerdichtheden. Responsen van naïeve vrouwtjes op geuren van door gastheren beschadigd spruitkoolblad nam toe met een toename van het aantal gastheren op het blad. Ervaring met lage gastheerdichtheden veroorzaakte bij C. glomerata een verhoging van de responsiviteit op deze lage gastheerdichtheden, hetgeen wijst op een toename van de gevoeligheid voor lage gastheerdichtheden. Deze resultaten tonen aan, dat kwantitatieve verschillen in chemische informatiestoffen een belangrijke rol spelen in het habitat-localisatie gedrag. Daarnaast werd duidelijk, dat C. glomerata ervaring met verschillende gastheerdichtheden gebruikt bij volgende zoekbeslissingen en dat de volgorde waarin gastheerdichtheden waargenomen worden het gedrag sterk beïnvloedt. De eerste ervaring die een vrouwtje krijgt is van essentieel belang voor volgende beslissingen, en kan niet zonder meer overschaduwd worden door een ervaring op een meer profijtelijke plek. Voorkeuren ontstaan onder invloed van ervaring wanneer de eerste ervaring plaats vindt op een plek met hoge gastheerdichtheden. De resultaten beschreven in dit hoofdstuk laten zien, dat ervaring de respons van vrouwtjes op variatie in beschikbaarheid van gastheren kan veranderen. Voor C. rubecula is dit niet onderzocht, omdat er voor deze soort in eerdere experimenten geen leren kon worden aangetoond.

    Gastheergeschiktheid
    Gastheerspecificiteit en gastheerselectie door sluipwespen worden verondersteld gecorreleerd te zijn met de geschiktheid van de gastheer voor de ontwikkeling van sluipwesplarven. In hoofdstuk 9 is de correlatie tussen gastheergeschiktheid en het eerder beschreven zoekgedrag (hoofdstuk 2, 3, 5, 7 en 8) bestudeerd. De bekwaamheid van C. glomerata en C. rubecula om de drie gastheren P. brassicae , P. rapae en P. napi te parasiteren en zich daarin te ontwikkelen werd onderzocht en vergeleken, met de voorspelling dat de prestatie van de generalist in de drie gastheren minder variatie vertoont dan die van de specialist. Het effect van de gastheersoort op de fitness-bepalende parameters overleving, ontwikkeling, sex ratio en grootte van de nakomelingen werd gemeten. De resultaten laten zien dat C. glomerata in staat is zich succesvol te ontwikkelen in alle drie gastheersoorten. De verschillen in gastheergeschiktheid tussen de soorten onderling waren gering, met P. brassicae als meest geschikte gastheer. Cotesia rubecula bleek beperkt tot P. rapae . Hoewel deze sluipwespsoort fysiologisch gezien in staat is zich te ontwikkelen in P. brassicae rupsen, wordt fitness negatief beïnvloed door deze gastheersoort. Larven van P. napi waren ongeschikt voor C. rubecula , omdat parasitering niet leidde to productie van nakomelingen. Na vergelijking van deze resultaten met het gastheer-zoekgedrag en de gastheer-acceptatie kan geconcludeerd worden dat het gastheer-zoekgedrag van beide sluipwespsoorten leidt tot ontmoetingen met de gastheersoort die het meest geschikt is voor de ontwikkeling van de sluipwespen.

    Veldpopulaties
    De generalist C. glomerata en de specialist C. rubecula komen in koolvelden in Nederland naast elkaar voor. Om het uiteindelijke funktioneren van de soorten onder meer natuurlijke omstandigheden te onderzoeken, zijn veldexperimenten met natuurlijke populaties essentieel. In hoofdstuk 10 wordt een veldexperiment beschreven, dat is uitgevoerd om vast te stellen of parasitering varieert met gastheersoort en voedselplant van de gastheer. Beide sluipwespsoorten hadden duidelijke voorkeuren voor bepaalde waardplant-gastheer complexen in het veld. Cotesia glomerata werd voornamelijk teruggevonden in P.brassicae . Hoewel P. rapae en P. napi geschikt zijn voor ontwikkeling van deze sluipwesp (hoofdstuk g), werden van deze gastheersoorten nauwelijks door C. glomerata geparasiteerde individuen teruggevonden. Voor de generalist was een breder gastheerspectrum in het veld verwacht, maar competitie met C. rubecula in P. rapae speelt mogelijk een rol in het uiteindelijke gastheerspectrum van de generalist. Laboratoriumonderzoek heeft laten zien dat de generalist de concurrentie verliest van de specialist in geval van multiparasitering van P. rapae door C. glomerata en C. rubecula. . Experimenten in de windtunnel hebben laten zien, dat C. glomerata planten links laat liggen waarop C. rubecula P. rapae parasiteert. Zoals verwacht, beperkt C. rubecula zich ook in het veld tot P. rapae .

    Op spruitkool en rode kooi werden hoge parasiteringspercentages gevonden, terwijl op oostindische kers nauwelijks geparasiteerde rupsen werden aangetroffen. Rode kooi en spruitkool bleken even geschikt voor de ontwikkeling van C. glomerata in P. brassicae . De resultaten van het veldonderzoek ondersteunen de resultaten van de gedragsstudies beschreven in hoofdstuk 3, 6 en 7. Daarnaast lijken beide Cotesia soorten te kunnen coexisteren door niche-segregatie, wellicht door het ontwijken van competitie in P. rapae door C. glomerata.

    Conclusie
    Afsluitend kan de conclusie getrokken worden, dat het relatieve belang van chemische informatie van het eerste en tweede trofische niveau voor beide sluipwespsoorten gelijk is. De wijze waarop de twee soorten met deze informatie omgaan is echter verschillend.

    Het gedrag van de generalist C. glomerata werd verondersteld plasticiteit te vertonen door leerprocessen, hetgeen duidelijk is aangetoond. Voor de specialist C. rubecula kon geen invloed van leerprocessen op het gedrag aangetoond worden, hetgeen verwacht werd.

    De generalistische levenswijze van C. glomerata wordt weerspiegeld is het gastheer-acceptatie gedrag en de gastheer-geschiktheid van verschillende Pieris soorten voor de ontwikkeling van nakomelingen. Echter, de uiteindelijke gastheerselectie lijkt te zijn toegespitst op P. brassicae , zowel in laboratorium experimenten als in het veld. De specialist C.rubecula ontwikkelt zich succesvol in P. rapae en het gedrag van deze sluipwespsoort lijkt te zijn aangepast voor het zoeken naar deze gastheer.

    De adaptieve waarde van het zoekgedrag van beide soorten is hiermee duidelijk geworden.

    Molecular analysis of endo-rhamnogalacturonan hydrolases in Aspergillus
    Hoor - Suykerbuyk, M.E.G. ten - \ 1997
    Agricultural University. Promotor(en): N.C.M. Laane; J. Visser. - S.l. : Ten Hoor-Suykerbuyk - ISBN 9789054857068 - 145
    aspergillus - pectinen - enzymen - aspergillus - pectins - enzymes

    Bij de enzymatische bereiding van appelsap spelen pectinolytische enzymen en met nar-ne de enzymen die inwerken op de 'hairy regions' van pectine (MHR), een belangrijke rot. Schimmels zijn belangrijke enzym-producenten en een aantal Aspergillus soorten worden veelvuldig gebruikt in de voedingsmiddelenindustrie. In dit proefschrift staat de afbraak van MHR door rhamnogalacturonan hydrolases centraal en de produktie van deze enzymen is uitgebreid onderzocht in zowel A. aculeatus, de producent van het commerciële enzympreparaat Ultra SP, als A. niger.

    De waarneming van een endo-enzymactiviteit in Ultra SP, welke in staat is om MHR af te breken, betekende een doorbraak voor het inzicht in de wijze waarop pectine door schimmels wordt afgebroken. Tot dan toe waren alleen endo-enzymen bekend, die gericht zijn op de afbraak van homogalacturonan, zoals polygalacturonase, pectaat lyase en pectine lyase, en exo-enzymen, zoals galactosidase en arabinofuranosidase, die zich beperken tot de gedeeltelijke afbraak van MHR zijketens.

    Bij afbraak van MHR door rhamnogalacturonan hydrolase, worden tetra- en hexa- saccharide fragmenten uit de hoofdketen vrijgemaakt. Dit is niet geheel in overeenstemming met een alternerende volgorde van rhamnose en galacturonzuur in de hoofdketen en de herkenning van één van beide typen bindingen tussen deze monosacchariden door rhamnogalacturonan hydrolase. Blijkbaar vindt geen complete afbraak plaats en zijn voor verdere afbraak additionele endo-enzymen met andere specificiteiten nodig.

    In deze studie is allereerst het gen coderend voor rhamnogalacturonan hydrolase van A. aculeatus, rhg A, gecloneerd en het recombinant eiwit gezuiverd, zoals beschreven in hoofdstuk 2. Immunogene screening van een cDNA expressiebank resulteerde in een cDNA cloon, die vervolgens gebruikt werd als probe voor het screenen van een genomische bank.

    Kruishybridizatie van genomisch DNA van andere schimmelsoorten behorend tot de sectie Nigri met deze probe, resulteerde in meerdere hybridizerende DNA fragmenten en dus potentiële gen-families in alle stammen, maar vooral in A. niger. In eik van de onderzochte stammen werd tevens kruisreactiviteit met het polyclonale muize-antiserum, opgewekt tegen rhamnogalacturonan hydrolase van A. aculeatus, aangetoond. De betreffende eiwitten variëren in MW van 55 kDa in de verschillende onderzochte A. aculeatus en A. japonicus stammen tot 75 kDa in A. foetidus . De aanwezigheid van één rhamnogalacturonan hydrolase per stam leek niet in overeenstemming met de hybridizatie-patronen in de Southern analyse en tevens bleken deze enzymen algemeen binnen de sectie Nigri voor te komen.

    Het onderzoek naar rhamnogalacturonan hydrolase expressie werd daarom voortgezet in A, niger, een belangrijke producent van pectinolytische enzymen. In hoofdstuk 3 wordt de screening van het A. niger genoom naar sequenties homoloog aan het A. aculeatus rhgA gen beschreven. A. niger blijkt in het bezit te zijn van twee verwante genen, rhgA en rhgB. De hiervan afgeleide aminozuur sequenties vertonen ook, zij het in verschillende mate, overeenkomst met A. aculeatus rhamnogalacturonan hydrolase.

    Bij de vergelijking van de DNA sequenties bleken niet alleen de coderende gebieden, maar ook de aangrenzende, niet-coderende DNA sequenties homologieën te vertonen met het A. aculeatus gen. Beide rhg A promotoren hebben een box van 15 bp gemeenschappelijk en vertonen daarnaast 77% homologie over een traject van 130 bp. Mogelijk spelen deze elementen een regulerende rol bij de expressie van de verschillende rhamnogalacturonan hydrolase genen. De relatief geringe hoeveelheid rhamnogalacturonan in pectine in combinatie met de complexe structuur, maken het tot een moeilijk afbreekbaar substraat in vergelijking met bijv. homogalacturonan, dat vrij toegankelijk is voor enzymatische afbraak. Een verwachte opeenvolging in expressie van rhamnogaiacturonan afbrekende enzymen na homogalacturonan afbrekende enzymen blijkt niet te worden bevestigd. De expressie van rhg A in zowel A. aculeatus als A. niger is relatief vroeg. De genen komen in beide stammen reeds tot expressie binnen 6 h na transfer naar appel pectine. Expressie van het rhgB gen in A. niger kan alleen worden aangetoond op mRNA niveau na multicopy integratie in het genoom en is zichtbaar na 18 h groei op appel pectine maar ook op sucrose.

    Mogelijke verklaringen voor de lage expressie niveaus in A . niger zijn hoge proteolytische activiteit in de gebruikte stam en hoge gevoeligheid voor proteolytische afbraak van de betreffende rhamnogalacturonan hydrolases. De laatste verklaring is het meest waarschijnlijk, daar vergelijkbare resultaten werden verkregen na transformatie van A . aculeatus met deze genen.

    De toepassing van een enzym als rhamnogalacturonan hydrolase maakt een goed produktie systeem noodzakelijk. In de hoofdstukken 2 en 3 wordt een produktie systeem in A.awamori beschreven, dat gebaseerd is op de endogene endo-xylanase promoter. Dit maakt de produktie van rhamnogalacturonan hydrolases op xylose mogelijk i.p.v. op appel pectine, waardoor een zuiverder produkt verkregen wordt.

    Enzymactiviteiten van de A. aculeatus en A . niger rhamnogalacturonan hydrolases zijn vergeleken d.m.v. incubatie met MHR als substraat en analyse van de verkregen afbraakprodukten. Het A . niger B-enzym blijkt extra oligomeren te vormen waarvan een aantal met hoger MW, duidend op een andere substraat specificiteit dan de A-enzymen. Remming van het B-enzym door acetyl-groepen of andere zijketens is nog niet onderzocht. Echter, de aanwezigheid van extra monosacchariden, afkomstig van hoofdof zij-ketens van MHR, in sommige van de gevormde produkten, suggereert dat er verschillen in sterische hindering bestaan tussen het B-enzym en de A-enzymen. Mogelijk is het B-enzym minder afhankelijk van enzymen die bijv. de arabinogalactan zijketens afbreken.

    De specifieke activiteit van de verschillende rhamnogalacturonan hydrolases is afgeleid van de initiële snelheid waarmee één van de hexameren (corresponderend met piek Vlll in Fig. 7, hoofdstuk 3) gevormd wordt. Ondanks de relatief lage expressie-niveaus van rhamnogalacturonan hydrolase A en B in A. niger, vertonen deze enzymen een specifieke activiteit van respectievelijk 30% en 25% van die van A . aculeatus rhamnogalacturonan hydrolase. Vergelijking met gepubliceerde rhamnogalacturonan hydrolase-activiteiten, bepaald in andere organismen, wordt bemoeilijkt door het gebruik van verschillende detectie-methoden.

    De hoge mate van conservering van aminozuursequenties in de verschillende enzymen maakt toekenning van potentiële functies aan specifieke aminozuren onmogelijk en behoeft verdere analyse d.m.v. 'site-directed' mutagenese.

    In Aspergillus is nog niets bekend over mechanismen die de expressie van pectinolytische genen reguleren. De produktie van een breed scala aan MHR afbrekende enzymen in A. aculeatus na groei op pectine, duidt op een efficiënte pectine afbraak. Hiervoor is een goed-gecoördineerd regulatie-systeem, specifiek gericht op de afbraak van rhamnogalacturonan structuren, noodzakelijk. Kennis van de genstructuur van rhamnogalacturonan hydrolase maakt tal van moleculaire studies mogelijk. Een start ter identificatie van trans-factoren, die betrokken zijn bij de regulatie van deze genen, is gemaakt d.m.v. UV mutagenese van A. aculeatus. In hoofdstuk 4 wordt de isolatie van mutanten met verhoogde rhamnogalacturonan hydrolase expressie beschreven. De screening is uitgevoerd m.b.v. A . niger glucose oxidase als reporter systeem. Aangezien appel pectine een geschikte C-bron bleek voor de inductie van rhamnogalacturonan hydrolase in vloeibare kweken, werd dit substraat in eerste instantie ook gebruikt voor de screening van mutanten op agar medium. Echter de complexiteit van het substraat bracht een aantal nadelen met zich mee, zoals achtergrond kleuring, mogelijk represserende effecten door de aanwezigheid van andere suikers of inhibitie van de kleurreactie door interactie van pectine bestanddelen met H 2 0 2 . Een alternatieve C-bron voor de inductie van rhg A, gebaseerd op de combinatie van twee hoofdbestanddelen van rhamnogalacturonan, galacturonzuur en rhamnose, bleek wel bruikbaar. Mutanten met verschillende expressie patronen na groei op een aantal verschillende C-bronnen werden geselecteerd en vier van de mutaties konden d.m.v. complementatie-toetsen worden toegekend aan verschillende loci. Blijkbaar vindt regulatie van rhg A expressie in A. aculeatus plaats via een complex mechanisme, waarbij tenminste vier verschillende loci zijn betrokken. Identificatie van de betreffende trans-factoren zal bijdragen tot het ophelderen van het regulatie systeem en de rol van galacturonzuur en rhamnose daarin, maar ook mogelijkheden bieden tot een verdere verhoging van de enzymproduktie.

    Aangezien rhamnogalacturonan hydrolases worden gebruikt in de levensmiddelenindustrie, is het belangrijk dat de identiteit van een geselecteerde produktiestam gewaarborgd is. Dit vereist een gedegen classificatie methode. Gezien de arbitraire resultaten verkregen na classificatie van A . aculeatus stammen met de huidige methoden, welke veelal gebaseerd zijn op morfologische kenmerken, bestond de noodzaak tot een andere aanpak. In hoofdstuk 5 wordt een RFLP methode beschreven, waarmee A. aculeatus kan worden onderscheiden van een aantal andere soorten binnen de sectie Nigri, inclusief de morfologisch verwante A. japonicus. De groep van A. aculeatus stammen blijkt erg heterogeen te zijn vergeleken met bijv. de A . japonicus groep. Echter, een onderverdeling in variëteiten binnen beide groepen is op grond van deze classificatie niet langer gerechtvaardigd. Een aantal voormalige A. aculeatus en A . japonicus stammen wisselen van groep. Gezien de overeenkomstige morfologische kenmerken die beschreven zijn voor A. aculeatus en A. japonicus stammen, wordt een gemeenschappelijke phylogenetische voorouder, anders dan die van A. niger, waarschijnlijk geacht. Dezelfde RFLP methode is gebruikt voor het classificeren van A. carbonarius stammen en kan met geringe modificaties ook gebruikt worden voor de classificatie van andere Aspergilli.

    Essays in economics of renewable resources
    Bulte, E.H. - \ 1997
    Agricultural University. Promotor(en): H. Folmer; W.J.M. Heijman. - S.l. : Bulte - ISBN 9789054856993 - 283
    duurzaamheid (sustainability) - natuurlijke hulpbronnen - hulpbronnengebruik - bescherming - herstel - milieu - kwaliteit - controle - verontreinigingsbeheersing - milieubeheer - bosbouw - weiden - bossen - landbouwgrond - relaties - ontbossing - bebossing - vis vangen - visserij - economie - tropen - nationaal vermogen - sustainability - natural resources - resource utilization - protection - rehabilitation - environment - quality - control - pollution control - environmental management - forestry - pastures - forests - agricultural land - relationships - deforestation - afforestation - fishing - fisheries - economics - tropics - national wealth

    In dit proefschrift neem ik een aantal onderwerpen die betrekking hebben op de economische theorie van beheer van natuurlijke hulpbronnen onder de loep. Voorbeelden van natuurlijke hulpbronnen zijn visvoorraden, bossen en olie. Het onderzoeksveld is breed en biedt keuze uit een scala aan onderwerpen, ieder met zijn eigen problemen, eigenaardigheden en interessante aspecten. Aangezien de afzonderlijke hoofdstukken van dit proefschrift afgesloten worden met een concluderende en samenvattende sectie, zal ik deze samenvatting kort houden.

    De hoofdstukken 1 en 2 betreffen een inleidend literatuuronderzoek. In hoofdstuk 1 wordt het onderzoeksveld afgebakend en worden enkele basisbegrippen besproken. Twee centrale thema's zijn "duurzaamheid" en "efficientie". Duurzaamheid heeft betrekking op gelijke toegang tot natuurlijke hulpbronnen door verschillende generaties. Efficiëntie betekent het (intertemporeel) maximaliseren van een doelfunctie. Het maximaliseren van "de winst of "het nut voor de samenleving" zijn veel gebruikte voorbeelden van dergelijke functies. Na de Earth summit in Rio de Janeiro in 1992 zou "duurzaamheid" wellicht het belangrijkste thema van de twee dienen te zijn, maar er bestaat in de literatuur veel verschil van inzicht over de exacte interpretatie van dit begrip. De interpretatie is subjectief en onder andere afhankelijk van de inschatting van de toekomstige substitutie-mogelijkheden tussen de verschillende productiefactoren (bijvoorbeeld tussen natuurlijk en fysiek kapitaal), en van de mogelijkheden die in de toekomst door technologische vooruitgang geboden zullen worden.

    De interpretatie van efficiëntie is helder, en de mainstream van de neoklassieke economen is traditioneel gericht op dit thema. (Van meer recente aard zijn modellen waarin de beide thema's gecombineerd worden.) De meeste hoofdstukken in dit proefschrift gaan in de eerste plaats over het efficiënt gebruik van (vernieuwbare) natuurlijke hulpbronnen.

    Het exploiteren van een natuurlijke hulpbron heeft invloed op de mogelijkheden voor toekomstig gebruik van deze voorraad. In geval van mijnbouw, bijvoorbeeld, gaat de huidige extractie van ertsen ten koste van grondstofwinning in de toekomst. Dit impliceert dat bij het delven van een eenheid erts, in aanvulling op de pure extractiekosten, rekening moet worden gehouden met de zogenaamde opportunity costs . In dit verband wordt met opportunity costs bedoeld de mogelijke baten die de eenheid erts in de toe komst had kunnen opleveren. Deze "extra" kosten verlagen de optimale hoeveelheid die geëxploiteerd dient te worden. Een belangrijke regel voor efficiënt gebruik van een niet-vernieuwbare hulpbron, zoals olie of steenkool, is dat onder bepaalde voorwaarden de groeivoet van de zogenaamde rent van de hulpbron (gedefinieerd als het verschil tussen de prijs en de marginale exploitatiekosten) gelijk moet zijn aan de interestvoet. Als deze regel opgaat zijn eigenaren van een hulpbron indifferent tussen huidige en toekomstige extractie: het rendement van het aanhouden van een voorraad van een bepaal
    de hulpbron is even hoog als het rendement van exploiteren en het verdiende geld vervolgens elders investeren of op de bank zetten. Dit is de bekende Hotelling regel.

    Voor efficiënt gebruik van hulpbronnen die zichzelf binnen een redelijke termijn kunnen vernieuwen, zoals een voorraad vis of een bos, moet de Hotelling regel aangepast worden. In de economie van dit soort hulpbronnen worden economische principes gecombineerd met biologische groeimodellen. Met behulp van bosbouwmodellen kan dan bijvoorbeeld de optimale omlooptijd van een gelijkjarig bos berekend worden. Met behulp van visserijmodellen wordt de optimale visstand in een bepaald gebied berekend. Het afzien van oogsten, bijvoorbeeld door een hoeveelheid bomen nog een jaar te laten groeien of door de jaarlijkse vangst van een bepaalde vissoort te verlagen, kan geïnterpreteerd worden als "investeren" in de hulpbron. Omgekeerd geldt dat oogsten gelijk staat aan desinvesteren. In hoofdstuk 2 van dit proefschrift wordt door middel van een literatuurstudie ingegaan op deze materie en op verwante zaken als eigendomsrechten (immers, wie wil investeren in een hulpbron als niet duidelijk is of de toekomstige baten toevallen aan hemzelf?) en de rol van overheidsbeleid.

    Hoofdstuk 3 en 4 zijn gewijd aan tropische ontbossing. Het directe verband tussen de commerciële kap van tropisch hardhout en ontbossing is uiterst zwak. Een veel belangrijkere factor is het "omzetten" van bossen in landbouwgrond (ongeveer 80% van alle ontbossing wordt veroorzaakt omdat ruimte voor landbouw, inclusief veehouderij, gemaakt moet worden). Zoals veel bosbouwers en milieubeschermers benadrukken bestaat er echter wel een sterk indirect verband tussen commerciële, selectieve houtkap en oprukkende landbouw. De bosbouwsector zorg namelijk voor het aanleggen van een infrastructuur in gebieden waar (selectief) gekapt is. Dit maakt het bedrijven van landbouw in deze gebieden aantrekkelijker.

    Een veel gehoorde beleidsaanbeveling is dat boeren uit de bossen geweerd moeten worden, bij voorkeur door een algemeen ontwikkelingsbeleid gericht op het tegengaan van te snelle bevolkingsgroei, het bevorderen van alfabetisering en het hervormen van de landbouwsector. Ongetwijfeld wordt hiervoor met de beste bedoelingen gepleit. Dit proefschrift toont echter aan dat dit beleid niet altijd bevorderlijk is voor natuurbehoud.

    In hoofdstuk 3 wordt de relatie tussen de (dreiging van) oprukkende boeren en het kaptempo van bosbouwers onderzocht. Omdat, zoals vermeld, conversie van bossen in landbouwgrond met name voorkomt in selectief gekapt bos, kunnen bosbouwers met kapconcessies voor meerdere jaren de schade door oprukkende landbouwers beïnvloeden door hun kapbeslissingen ("in welk tempo zet ik mijn ongestoorde, primaire bos om in makkelijk toegankelijk, secundair bos?") te veranderen. Het verminderen van schade zal overwogen worden indien het bosbouwers is toegestaan na verloop van tijd terug te keren naar het opengelegde gebied voor aanvullende kap. Met een model waar schade aan het bosbestand van een houtbedrijf positief gerelateerd is aan de omvang van het secundaire bos laten we zien dat de dreiging van oprukkende boeren twee effecten heeft. Aan de ene kant zullen bosbouwers de kap in toegankelijke bossen intensiveren om de brandende boeren vóór te zijn. Een andere reactie is het vertragen van de omzetting van ongestoorde (en ontoegankelijke) primaire bossen in secundaire bossen. We concluderen dat de dreiging van landbouwers leidt tot minder secundair en meer primair bos. Afhankelijk van de maatschappelijke waardering voor deze verschillende bossystemen kan dit uit oogpunt van natuurbehoud een verbetering of een verslechtering inhouden.

    Het huidige tempo van ontbossing is volgens velen te hoog. Een mogelijke verklaring is dat kapbedrijven een te hoge rentevoet hanteren bij het beslissen over de spreiding van kapactiviteiten over de tijd. Immers, veelal wordt verondersteld dat hogere discontovoeten (implicerend dat relatief meer belang wordt gehecht aan huidige consumptie dan aan toekomstige consumptie) ondubbelzinnig negatief uitpakken voor natuurbescherming. Een tweede doelstelling van hoofdstuk 3 is te onderzoeken of dit correct is in de context van een model waarin onderscheid gemaakt wordt tussen primaire en secundaire bossen en waarin een winstmaximaliserend bedrijf geconfronteerd wordt met een overheid die bepaalde eisen stelt. We laten zien dat hoge rentevoeten niet noodzakelijkerwijs versnelde kap uitlokken. Het selectief kappen van primair bos betekent namelijk automatisch dat secundair bos gecreëerd wordt. Bij optimaal bosbeheer wordt de winst door kap in beide typen bos in de afweging betrokken. We laten zien dat hoge discontovoeten de baten van het omzetten van primair bos in secundair bos verlagen. Daarmee wordt het tempo vertraagd waarin deze primaire bossen dienen te worden gekapt om de winst te maximaliseren.

    In hoofdstuk 4 onderzoeken we of het verschaffen van ontwikkelingsgeld aan ontwikkelingslanden een efficiënt instrument is om tropische ontbossing af te remmen. Op basis van een model waar de overheid van een Derde Wereldland de baten van bosbeheer maximaliseert, in dit geval opbrengsten uit verkoopbaar hout en niet-gebruikswaarden gekoppeld aan bosbescherming, is in het verleden geconcludeerd dat ontwikkelingshulp leidt tot extra bosbescherming. De redenering luidt als volgt: extra geld door middel van internationale transfers leidt tot meer consumptie in het Derde Wereldland, zodat de marginale baten van consumptie zullen dalen. Om het evenwicht te herstellen moeten de marginale baten van bosbescherming ook dalen, hetgeen alleen bereikt kan worden door het bosareaal uit te breiden. We hebben dit model uitgebreid en realistischer gemaakt door een risico-mijdende overheid en onzekerheid met betrekking tot toekomstige houtprijzen te veronderstellen. Uiteraard leidt deze uitbreiding normaliter tot afremmen van de kapinspanning. In aanvulling op dit effect hebben internationale donaties in het uitgebreide model een tweede effect: de overheid wordt door het extra geld minder risico-mijdend en laat zich in mindere mate door de onzekere prijzen afremmen om bos te kappen. De conclusie is dat de effectiviteit van internationale transfers als instrument om bij te dragen tot bosbescherming in het verleden is overschat.

    In hoofdstuk 5 en 6 behandelen we enkele economische achtergronden van het beschermen van bepaalde diersoorten. In hoofdstuk 5 staat het verbod op de handel in ivoor centraal. Met de bedoeling om olifanten te beschermen is hiertoe, na enkele decennia van grootschalige olifantenslacht, besloten aan het einde van de jaren '80. Tot op heden heeft dit beleid bijgedragen aan herstel van olifantenpopulaties. Met een eenvoudig economisch model hebben we onderzocht of een handelsverbod altijd dit effect zal blijven hebben. Dit is waarschijnlijk niet het geval. Voor een overheid levert het beheren van een populatie levende olifanten verschillende baten op: het trekt toeristen aan en, na eventuele opheffing van het verbod, zijn olifanten een bron van ivoor en andere nuttige producten. Aan de andere kant leveren olifanten schade op aan landbouwgewassen en mogelijkerwijs ook aan natuurparken. Zolang het handelsverbod gehandhaafd blijft zal een overheid proberen de baten van de bescherming van een extra olifant (in dit geval dus inkomsten uit toerisme) gelijk te stellen aan de kosten die deze olifant met zich meebrengt. Dit wordt bereikt door regelmatig olifantenpopulaties uit te dunnen, ook al mag het aldus verkregen ivoor niet verkocht worden. Dergelijke operaties zijn in enkele landen al aan de gang. Indien het handelsverbod wordt opgeheven zal de overheid olifanten ook beschouwen als een vernieuwbare bron van ivoor. Het bejagen van olifanten voor ivoor levert dan directe baten op en het laten leven van een olifant wordt een soort van investering. Met behulp van data voor Afrika in het algemeen en Kenia in het bijzonder laten we zien dat de optimale populatie olifanten zoals die met een handelsverbod door een overheid wordt nagestreefd niet noodzakelijkerwijs groter is dan de optimale populatie met handel in ivoor. Een belangrijke factor die de optimale hoeveelheid olifanten in de situatie met handel bepaald is de hoogte van de discontovoet die de overheid gebruikt. Een hoge discontovoet leidt tot lage olifantenpopulaties wanneer handel in ivoor is toegestaan, en omgekeerd. De discontovoet waarbij de hoeveelheid olifanten met handel in ivoor de optimale populatie met een handelsverbod overtreft is in de nabijheid van de "sociale discontovoet". Als de discontovoet zoals gehanteerd door Afrikaanse overheden lager wordt dan deze break even discount rate, dan zijn olifanten gebaat bij handel in ivoor. Aangezien de discontovoet waarschijnlijk niet constant is (veelal wordt verondersteld dat de discontovoet een afnemende functie van het inkomen is), concluderen we dat olifantenbeschermers in de toekomst wellicht zullen moeten pleiten voor opheffing van het handelsverbod. In het model hebben we geen rekening gehouden met stroperij. Dit beschouwen we een van de noodzakelijke uitbreidingen voor de toekomst.

    In hoofdstuk 6 bekijken we de economische achtergrond van het verbod op de commerciële walvisvaart. We berekenen de optimale hoeveelheid dwergvinvissen in het Noordoostelijk deel van de Atlantische oceaan met behulp van een model waarin we rekening houden met de niet-gebruikswaarden van levende walvissen (de populariteit van organisaties als Greenpeace geeft aan dat veel mensen "nut" ontlenen aan levende walvissen). In tegenstelling tot ander onderzoek concluderen we dat de huidige populatie dwergvinvissen te laag is. Bovendien blijkt dat het optimaal is om volledig van walvisvangst af te zien tot de populatie gegroeid is tot de optimale omvang. Het moratorium is dus economisch te verdedigen. In het hoofdstuk demonstreren we tot slot dat een simpel statisch model, dat door sommige onderzoekers wordt gebruikt om dit soort problematiek te benaderen, ongeschikt is. Het model leidt tot beleidsaanbevelingen die diametraal tegenover de beleidsimplicaties van een dynamische specificatie staan.

    De hoofdstukken 7, 8 en 9 betreffen visserijeconomie. Zoals besproken in hoofdstuk 2 heeft exploitatie van de zee gedurende een lange tijd plaatsgevonden onder condities van open access. Dit betekent dat het niet mogelijk was om geïnteresseerde vissers te weren van bepaalde visgronden. Omdat niemand geweerd kon worden, voelde niemand zich verantwoordelijk voor een duurzaam beheer. Iedereen zal proberen op zo kort mogelijk termijn zo veel mogelijk geld te verdienen door vis te vangen voordat een andere visser daar aan toe komt. Onder open access verdwijnt de rent volledig: er wordt zoveel gevist dat de prijs uiteindelijk gelijk is aan de marginale vangstkosten. Aan het eind van de jaren '70 is aan deze toestand een einde gekomen door het instellen van exclusieve zones waarbinnen overheden het recht krijgen om buitenstaanders te weren en eigen beleid te voeren. We hebben in hoofdstuk 7 onderzocht of de overgang van open access naar een situatie waar overheidsbeleid gevoerd kan worden heeft geleid tot een beter beheer van visbestanden. Op basis van de economische theorie kan voorspeld worden dat overheden (net als bedrijven met gegarandeerde eigendomsrechten) rekening houden met levende vissen als investering. Dit betekent dat de rent van de hulpbron positief moet worden. Empirisch onderzoek met behulp van Duitse data wijst uit dat de rent inderdaad positief geworden is na instellen van Europees visserijbeleid.

    De conclusie uit hoofdstuk 7 is zeker niet dat het huidige beleid optimaal is. Er werd slechts geconcludeerd dat vergeleken met vroeger de hulpbron nu efficiënter geëxploiteerd wordt. Ander onderzoek heeft aangetoond dat het huidige beleid verre van optimaal is. Een verklaring voor suboptimaal visserijbeheer (die verrassend vaak over het hoofd wordt gezien) is dat de standaard-veronderstelling dat overheden proberen "de welvaart voor de samenleving te maximaliseren", niet opgaat. De overheid wordt beïnvloedt door belangengroepen met bepaalde doelstellingen, die kunnen afwijken van wat sociaal wenselijk is. In hoofdstuk 8 laten we zien dat een belangengroepen- benadering, waarin we vissers, arbeiders en consumenten onderscheiden, leidt tot beheer dat afwijkt van hetgeen standaardmodellen voorschrijven. De observatie dat er onvoldoende vis rondzwemt in de Noordzee hoeft niet noodzakelijkerwijs te impliceren dat de overheid haar doelstellingen niet haalt door het verkeerd inzetten van bepaalde instrumenten. Het kan even goed wijzen op afwijkende doelstellingen als gevolg van lobbyende belangengroepen.

    In hoofdstuk 8 wordt expliciet rekening gehouden met de "macht" van de visserijsector. Het is niet realistisch om te veronderstellen dat een overheid simpelweg een bepaald beleid kan voeren dat rechtstreeks tegen de belangen van bepaalde groepen ingaat. In hoofdstuk 9 laten we zien hoe, in het geval van de visserij, een overheid beperkende maatregelen (zoals het verkleinen van quota) kan doorvoeren zonder de belangen van de vissers al te zeer te schaden. Het instellen van een termijnmarkt voor verhandelbare visquota neemt het prijsrisico dat vissers lopen voor deze quota weg. Dit betekent dat een risico-mijdende visser beter af is dan voorheen. Dit biedt het perspectief om op hetzelfde moment het quotum te verlagen, zodat per saldo de visser niet beter of slechter af is. Financiële instrumenten kunnen dus (in theorie) leiden tot bescherming van natuurlijke hulpbronnen.

    Het proefschrift bevat tot slot twee hoofdstukken over bosbouw waarin onzekerheid een belangrijke rol speelt. In hoofdstuk 10 laten we zien hoe een bepaald soort onzekerheid met betrekking tot de (veelal strijdige) voorkeuren van beleidmakers (bijvoorbeeld: "werkgelegenheid is heel belangrijk, maar de hoeveelheid natuur mag niet veel kleiner worden") geïncorporeerd kan worden in een landgebruiksmodel. Daarnaast behandelen we onzekerheid die samenhangt met gebrekkige kennis omtrent technische coëfficiënten in bosbouwmodellen. We gebruiken fuzzy set theorie, gebaseerd op membership functions, om onzekerheid te modelleren. Een cruciaal aspect van fuzzy logic is dat elementen gedeeltelijk tot een bepaalde set kunnen behoren. We vinden dat de resulterende landallocatie te verkiezen valt boven de uitkomsten van een rechttoe-recht-aan model.

    In hoofdstuk 11 behandelen we een heel ander soort onzekerheid. Zoals boven vermeld fluctueren houtprijzen in de praktijk. In tegenstelling tot .fuzzy set theorie (waarbij niet het plaatsvinden van een gebeurtenis onzeker is, maar de gebeurtenis zelf) is de kansverdeling van de stochastische prijs bekend. In de literatuur is een zoekmodel met reserveringsprijzen ontwikkeld om de baten van een strategisch, flexibel kapbeleid (kappen wanneer de prijs hoger is dan de reserveringsprijs, afzien van kappen indien de prijs lager is) te kunnen vergelijken met de opbrengsten van het meer rigide Faustmann model (zie ook hoofdstuk 2). Uit studies blijkt dat de winsten van Boseigenaren met ongeveer 30% stijgen wanneer een reserveringsprijs-benadering gekozen wordt. In hoofdstuk 11 hebben we dit model uitgebreid door in aanvulling op strategische eindkap ook strategisch uitdunnen in ogenschouw te nemen. We vinden dat de reserveringsprijs voor uitdunnen altijd lager is dan de reserveringsprijs voor kappen en dat een strategisch kapbeleid ten aanzien van uitdunnen de winst van een boseigenaar substantieel verhoogd. De extra baten van flexibel uitdunnen zijn, in overeenstemming met de verwachtingen, minder groot dan de extra baten van het volgen van een strategisch eindkapbeleid.

    The Uma - economy : indigenous economics and development work in Lawonda, Sumba, Eastern - Indonesia
    Vel, J. - \ 1994
    Agricultural University. Promotor(en): F. von Benda-Beckmann; H.J. Tieleman. - S.l. : Vel - ISBN 9789054853084 - 283
    economische ontwikkeling - economische situatie - indonesië - nusa tenggara - inheemse kennis - economische productie - economic development - economic situation - indonesia - nusa tenggara - indigenous knowledge - economic production

    De Uma-economie: inheemse economie en ontwikkelingswerk in Lawonda, Sumba (oostelijk Indonesië)

    Dit boek gaat over de economie van Lawonda, een gebied in het midden van het eiland Sumba in het oosten van Indonesië. Van 1984 tot 1990 heb ik samen met mijn gezin in Lawonda gewoond. Mijn man en ik werkten voor de Gereformeerde Kerken in Nederland als adviseurs voor Propelmas, een ontwikkelingsproject van de Christelijke Kerk van Sumba. De algemene doelstelling van dit project was om de materiële situatie van de plaatselijke bevolking te verbeteren, met name van de armsten onder hen. In de loop van de jaren raakten we ervan overtuigd dat programma's voor armoedebestrijding alleen effectief kunnen zijn, als hun ontwerp gebaseerd is op grondige kennis van de bestaande inheemse economie. Dit proefschrift presenteert een beschrijving en analyse van die inheemse economie, en laat daarna zien hoe de mensen uit Lawonda hun economie aanpassen aan veranderingen, met name hoe zij omgaan met de steeds groter wordende behoefte aan geld. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de manier waarop kennis van de inheemse economie gebruikt kan worden in ontwikkelingsprogramma's.

    De analytische vraag die centraal staat in deze studie is hoe de inheemse economie bestudeerd kan worden als onderdeel van de lokale samenleving en haar cultuur. Bij een dergelijke benadering moet gezocht worden naar begrippen en eenheden die aangeven op welke manier de plaatselijke bevolking zelf denkt over economische activiteiten en organisatie. De Uma-economie is de naam die ik heb gekozen om de economie van Lawonda aan te duiden. Deze naam verbindt de economie aan de meest kenmerkende eenheid binnen de traditionele sociale organisatie, de Uma. Het woord uma betekent huis, maar geschreven met een hoofdletter heeft het een tweede betekenis, namelijk de groep mensen die bestaat uit het echtpaar dat een nieuw huis, uma, heeft gebouwd en hun nakomelingen. Deze groep functioneert als basiseenheid binnen de dagelijkse economie. Binnen de Uma worden gemeenschappelijke taken verdeeld, en wordt beslist wie welk stuk land mag bewerken, wat er met het vee gedaan wordt, wie mag gaan studeren, enzovoorts.

    Van oudsher is de economie van Lawonda, waarin landbouw de belangrijkste bron van bestaan is, gericht op de eigen regio. Maar Sumba is geen geïsoleerd gebied. In de loop van deze eeuw is Sumba steeds meer onderdeel van de Indonesische natie geworden, en geleidelijk aan wordt de inheemse economie opgenomen in grotere economische verbanden. Om de veranderingsprocessen die optreden in de Uma-economie te benoemen en te analyseren heb ik gebruik gemaakt van theoretische inzichten, die men aanduidt met de gemeenschappelijke noemer "articulatie (koppeling) van produktiewijzen" (Ray, 1973; Wolpe, 1980; Raatgever, 1988). Het onderwerp daarin is hoe traditionele economieën in een specifieke lokale context geleidelijk aan opgenomen worden in de kapitalistische produktiewijze, maar daarbij een gedeelte van de eigen specifieke kenmerken behouden. Voor de bevolking van Lawonda betekent deze "articulatie van produktiewijzen" dat zich allerlei nieuwe mogelijkheden voordoen: naast wat men van oudsher gewend was zijn er nu verschillende vormen en middelen van uitwisseling, verschillende doeleinden van economische activiteiten, en verschillende denkwijzen en manieren om de eigen handelwijze te legitimeren. Gesteund door inzichten uit de economische antropologie (Sahlins, 1972; Polanyi, 1957; Bohannan, 1957; Parry en Bloch, 1989) en de rechtsantropologie (Von Benda-Beckmann, 1992; Von Benda-Beckmann, et.al., 1989, Griffiths, 1986) beschrijf ik de Uma-economie als een repertoire van opties, een scala van mogelijkheden, waarbij de mensen in Lawonda kunnen kiezen om in hun behoeften te voorzien op hun traditionele manier of gebruik te maken van de alternatieve mogelijkheden. Binnen het repertoire van opties onderscheid ik drie keuze-gebieden: (a) alternatieve uitwisselingsvormen, (b) alternatieve vormen van sociale organisatie, en (c) verschillende denkwijzen. Deze begrippen worden besproken in het eerste hoofdstuk. Na de inleiding bestaat het boek uit drie delen.

    Het eerste deel van het boek omvat de beschrijving en analyse van de Uma-economie. Dit deel begint met hoofdstuk twee, dat het dagelijks leven in Lawonda beschrijft. Welke mensen wonen er in Lawonda en hoe voorzien zij in hun dagelijks levensonderhoud? Deze eerste kennismaking schetst een beeld van een samenleving dat heel anders is dan wat men zich doorgaans bij een Indonesisch dorp voorstelt. Lawonda is dun bevolkt, met gemiddeld niet meer dan 50 inwoners per vierkante kilometer. In het heuvelachtige landschap wordt droge landbouw op de hellingen gecombineerd met natte rijstbouw in de dalen. De technieken die men in de landbouw gebruikt zijn eenvoudig, er worden maar weinig middelen van buiten het eigen produktiesysteem, zoals kunstmest of pesticide, gebruikt, en de opbrengsten per hectare zijn laag. Veeteelt is een geïntegreerd deel van het lokale landbouwsysteem. Waterbuffels worden gebruikt bij de bewerking van de rijstvelden en paarden gebruikt men als rij- en lastdier. Daarnaast is de sociale en rituele betekenis van vee groot. Hoofdstuk twee presenteert de lezer een indruk van de couleur locale.

    In hoofdstuk drie wordt de sprong gemaakt naar een onderwerp dat de ingewikkelde samenhang tussen economie en cultuur laat zien. Het centrale begrip in dit hoofdstuk is de morality of exchange, het geheel aan normen en regels met betrekking tot uitwisseling van goederen en diensten. Het gaat daarbij om vragen als: waarom hebben mensen in Lawonda voorkeur voor ruil in natura boven verkoop voor geld, waarom wisselen ze liever goederen uit met de eén dan met de ander, waarom kunnen sommige zaken helemaal niet uitgewisseld worden of alleen maar voor heel bepaalde andere goederen, en wanneer spreken ze van een goede ruil. In de markteconomie, als economisch model, worden wordt de waarde van goederen uitgedrukt in marktprijzen. In de Uma-economie bestaat dit marktmechanisme maar op heel beperkte schaal, en de waarde van goederen wordt dan ook niet uitgedrukt in geld. Mensen in Lawonda hebben hun eigen waarderingssysteem, waarbij goederen worden ingedeeld in verschillende sferen van ruilverkeer (spheres of exchange). Dat zijn onderscheiden categorieën van goederen, waartussen een rangorde bestaat. Wanneer iets uit de hoogste categorie geruild wordt voor bijvoorbeeld voedsel, dat tot de laagste categorie behoort, keurt men dat af als een slechte ruil. Daarnaast zijn transacties nooit anoniem in Lawonda: de ruilvoet is afhankelijk van de persoonlijke kenmerken van degene met wie men de ruil aangaat. De combinatie van categorieën van goederen en ruil-partners leidt tot ingewikkelde uitwisselingspatronen. De traditionele normen en regels op dit gebied zijn heel sterk. De introductie en vervolgens het toenemend gebruik van geld, hebben er niet toe geleid dat transacties nu vooral volgens het marktmechanisme plaats vinden. In tegendeel, geld wordt ook in sferen van ruilverkeer ingepast, door het niet te beschouwen als geld op zich, maar verbonden met de besteding waarvoor men het wil gebruiken. Met deze analyse van het ruil gedrag in de Uma-economie is het mogelijk iets meer te begrijpen van de reacties van de bevolking in Lawonda op ontwikkelingsaktiviteiten die gericht zijn op geld verdienen. Bijvoorbeeld, waarom men in programma's voor varkenshouderij de varkens niet graag verkoopt om met de opbrengst voedsel te kopen, of waarom de boeren het zonde vinden om de opbrengst van het stierenmestprogramma aan schoolgeld te besteden.

    De morality of exchange is geen overblijfsel uit vervlogen tijden. In de loop der tijd hebben de Lawondanezen de normen en regels steeds aan gepast aan de veranderingen die op hen afkwamen. Hoofdstuk vier geeft een overzicht van de historische ontwikkelingen op Sumba en hun gevolgen voor de Uma-economie van Lawonda. In dit overzicht ligt de nadruk op interventies van buitenaf zowel door de overheid als door de Zending van de christelijke kerk. Voordat deze interventies plaats vonden was de Uma-economie georganiseerd volgens de regels van de traditionele sociale organisatie, die in dit hoofdstuk beschreven worden. Pas in de jaren zestig was de invloed van overheid en kerk zover toegenomen dat die in het dagelijks leven in Lawonda voelbaar werd. Eén van de gevolgen was dat er alternatieve sociale organisatievormen ontstonden, die ook nieuwe mogelijkheden voor ruilrelaties boden. Wie vroeger elkaar in termen van verwantschap als vreemden beschouwden, kunnen nu als Indonesisch staatsburgers, of als leden van de "christelijke familie" met elkaar omgaan, en op de daarbij passende wijze goederen en diensten uitwisselen.

    Deze omgang met "vreemden" is voor velen in Lawonda noodzakelijk geworden. Immers, niet alles waar een modern huishouden op Sumba behoefte aan heeft kan meer binnen de Uma zelf voortgebracht worden. Voor deze produkten van buiten is geld nodig. Een gedeelte van de arbeidskracht van de Uma wordt gebruikt om aan geld te komen. Hoofdstuk vijf gaat over arbeid in de Uma-economie, en behandelt de manier waarop men traditioneel met werk en de verdeling daarvan omgaat, en hoe dat verandert. Betaalde arbeid is buiten de steden op Sumba in de private sector nog steeds zeldzaam, maar wel is er steeds meer ruil van arbeid voor het gebruiksrecht van land, voor het gebruik van een kudde buffels, en ook voor financiële giften. In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe de alternatieve vormen van sociale organisatie mogelijkheid bieden om arbeidskracht uit te wisselen tegen geld en het gebruik van land en vee.

    Naast arbeidskracht is grond de belangrijkste hulpbron in de Uma-economie. In hoofdstuk zes wordt beschreven dat er in Lawonda geen markt voor grond bestaat, maar dat er wel veel uitwisseling is van gebruiksrechten van grond. De traditionele opvatting dat grond geen privé eigendom is, maar aan de kabihu behoort ligt hieraan ten grondslag. Vervolgens ziet men in de manier van uitwisseling van gebruiksrechten een andere manifestatie van de morality of exchange.

    Het tweede deel van het boek presenteert vier verschillende manieren waarop mensen in Lawonda aan geld proberen te komen. De keuze voor eén van deze opties is geen vrije, maar hangt af van de mate waarin een persoon beschikt over grond, vee en arbeidskracht, en eveneens van de vraag in hoeverre nieuwe activiteiten, die niet in overeenstemming zijn met de traditionele normen voor economisch gedrag, van hem geaccepteerd worden door zijn omgeving.

    Hoofdstuk zeven gaat in op de manier waarop de mensen in Lawonda activiteiten om geld te verdienen beoordelen. Deze beoordeling is gebaseerd op hun ideeën over wat de kwaliteit van het leven bepaalt. In die perceptie is sociale zekerheid cruciaal. Dat betekent dat hoge prioriteit gegeven wordt aan het onderhouden van goede relaties met allen die steun kunnen verlenen in tijden van tekort, en ook met de overledenen, die volgens het traditionele geloof het wel en wee van de levenden in sterke mate beïnvloeden. Deze percepties omtrent het doel van economische activiteiten en de prioriteiten in het besteden van schaarse middelen, zijn anders dan de uitgangspunten die meestal aan ontwikkelingsaktiviteiten ter bestrijding van armoede ten grondslag liggen. Dit blijkt bij voorbeeld in de verschillende manieren waarop armoede geconstateerd en gemeten wordt. In dit hoofdstuk worden een aantal van deze poverty-assessment methoden besproken, en dan volgt een beschrijving van de criteria die mensen uit Lawonda zelf hanteren om rijken van armen te onderscheiden.

    Hoofdstuk acht presenteert de eerste, en meest "traditionele" manier waarop mensen in Lawonda aan geld komen. Zoals men uitwisselingsrelaties aanknoopt met grond- en veebezitters in ruil voor arbeidsdiensten, zo wordt er nu ook gezocht naar mensen met een betaalde baan, die een gedeelte van hun inkomen willen ruilen tegen het gebruik van grond of vee, of tegen arbeidsdiensten. In de hedendaagse uitwisselings-netwerken vindt men de vier verschillende soorten partners vertegenwoordigd. De transacties vinden plaats zoals dat voorheen tussen naaste familieleden gebruikelijk was; de partners hebben de wederkerigheidsrelatie geaccepteerd, en spreken van onderlinge hulp in plaats van directe uitwisseling van gelijkwaardige tegenprestaties. De toegang tot dit soort uitwisselings-netwerken is beperkt, en daarmee ook de mogelijkheid om via deze weg aan geld te komen. Alleen zij die anderen iets te bieden hebben, arbeid, grond, vee of geld, zijn in staat nieuwe wederkerigheidsrelaties te scheppen.

    Als men dergelijke relaties met geld-partners mist, of als men zulke grote bedragen aan geld nodig heeft, dat die niet meer alleen uit de bijdrage van geld-partners opgebracht kunnen worden, moet men een meer individuele wijze van geld verdienen vinden. Hoofdstuk negen beschrijft zo'n manier, die wel gekozen wordt door armere jonge mannen uit Lawonda. Hun toekomst perspectief is soms zo slecht, dat zij hun toevlucht nemen tot illegale activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om het verzamelen en verkopen van eetbare vogelnestjes. Het verzamelen is gevaarlijk werk, maar de verkoop van de vogelnestjes levert grote bedragen geld op. Het bezwaar van deze activiteit is dat het tegen de regels van de lokale gemeenschap -met name de nette middenklasse- ingaat: volgens hen staat het verzamelen van vogelnestjes gelijk aan omgang met de boze geesten, en het geld dat hiermee verdiend wordt is "heet" en zal alleen maar tot ziekte en narigheid leiden.

    Hoofdstuk tien gaat in op de mogelijkheden om via verhoging van de rijstproduktie geld te verdienen. Rijstboeren in Lawonda zijn zeer geïnteresseerd in vernieuwingen die tot produktieverhoging leiden. Een nieuwe wijze van grondbewerking, waarbij minder vee nodig is, vond echter geen ingang, omdat daarmee de belangen van de vee-bezitters geschaad werden. Een eigen experiment van de boeren om een deel van het gewas eerder in het seizoen te zaaien had wel succes, maar leidde niet tot veel extra inkomen in geld. Rijst is het meest favoriete voedsel, dat bovendien makkelijk vervoerd en opgeslagen kan worden. Vanwege die eigenschappen wordt er van de rijstoogst altijd een aanzienlijk deel verdeeld in plaats van verkocht. Een verhoging van de produktie verdwijnt via de bestaande verdelingsmechanismen, en het blijkt dat rijst een produkt is dat in Lawonda meer geschikt is voor wederkerige uitwisseling en ruil in natura, dan voor verkoop.

    Als laatste in het overzicht van verschillende wijzen om aan geld te komen, behandelt hoofdstuk 11 de verbouw en verkoop van kacang ijo (in Nederland het meest bekend als taugé-boontjes). Het blijkt een goed handelsgewas te zijn voor het armere deel van de bevolking, dat leeft van de droge landbouw, omdat het werk in deze teelt samenvalt met het drukke seizoen in de rijstbouw. Men heeft geen moeite om de boontjes te verkopen voor geld, omdat bonen tot de laagste categorie van ruilverkeer behoren, en er bestaat geen verdelingstraditie voor bonen. De verkoop van kacangijo blijkt een aparte en ingewikkelde activiteit voor de boeren in Lawonda, en het hoofdstuk laat zien hoe moeilijk het is om een handelwijze die past binnen de markteconomie over te nemen, wanneer men denkt volgens de regels van de Uma-econornie.

    In het derde deel van het boek komen de grote lijnen uit de voorgaande hoofdstukken bijeen in twee slothoofdstukken. Hoofdstuk 12 vat samen hoe de mensen uit Lawonda actief gebruik maken van het repertoire van opties. De kwaliteit van de sociale relatie tussen twee mensen bepaalt welk gedrag het meest passend is, en daarmee ook onder welke voorwaarde transacties tussen hen plaats vinden. Daarom kiezen uitwisselingspartners bij voorkeur voor de identiteit die hen het meeste voordeel biedt. Aan het einde van dit hoofdstuk kom ik terug op de manieren waarop mensen in Lawonda omgaan met de toenemende behoefte aan geld. De hoofdstukken in het tweede deel van dit boek laten zien dat er geen sprake is dat de ~-economie van Lawonda zich volgens een lineaire ontwikkeling in de richting van kapitalisme beweegt. De vooronderstelling dat het kapitalisme de dominante produktiewijze is, zou inhouden dat wederkerigheid slechts een vorm van uitwisseling is die vooraf gaat in de ontwikkeling naar uitwisseling via de markt, en daarom uiteindelijk zal verdwijnen. In Lawonda is er geen sprake van zo'n eenduidige ontwikkeling. Er zijn twee tendensen. Alle pogingen in Lawonda om aan geld te komen behelzen een toename van de transacties met vreemden, omdat geld bij uitstek de handelswaar van vreemden is. De eerste tendens is dat men steeds meer de voorkeur geeft aan zakelijke transacties, waarbij de kopers de waar met geld betalen. Een tweede tendens is, dat mensen die voorheen als vreemden beschouwd werden, omgevormd worden tot partners in een uitwisselings-netwerk en vervolgens behandeld worden alsof ze naaste familieleden zijn. Dat laatste maakt dat wederkerigheid de meest passende vorm van uitwisseling is, en dat opent de mogelijkheid voor mensen uit Lawonda om financiële giften te vragen van de geldpartners. Hoewel het lijkt alsof deze tendensen tegenstrijdig zijn, bestaan ze naast elkaar, en als strategie om aan geld te komen worden ze naast elkaar gebruikt.

    In het laatste hoofdstuk wordt de vraag gesteld wat de mogelijkheden zijn voor ontwikkelingsprogramma's binnen de Uma-economie. Hier komt de spanning aan de orde tussen twee uitgangspunten van ontwikkelingswerk zoals wij dat met Propelmas verrichtten. Aan de ene kant wilden we de normen, regels en praktijken van de inheemse economie accepteren als de bestaande werkelijkheid in Lawonda. Aan de andere kant probeerden we veranderingen te stimuleren die de relatieve positie van het armste deel van de bevolking zou verbeteren, en gingen daarmee in tegen die instituties en praktijken in de Uma-economie die de bestaande ongelijkheid in stand houden. Het hoofdstuk geeft geen recepten voor succesvol ontwikkelingswerk, maar laat zien hoe Propelmas in dit spanningsveld opereerde.

    De ontwikkeling van het agonistisch gedrag van biggen in een groepskraamstal = The development of agonistic behaviour of piglets in a group farrowing house
    Wolters, E.M.T.J. - \ 1988
    Zeist : IVO (I.V.O.-rapport B-314) - 52
    diergedrag - varkensstallen - biggen - animal behaviour - pig housing - piglets
    Door een groeiende kritiek op individuele huisvestingssystemen met bijbehorende nadelen heeft men ook in Nederland meer aandacht voor groepshuisvesting voor drachtige zeugen. De werkgroep "Groepshuisvesting zeugen" is bezig met het ontwikkelen van een groepskraamstal. De groepskraamstal in dit onderzoek met vrije loopruimte voor de zeugen was ingericht voor 5 zeugen met hun biggen. De stal bestond uit 5 ingestrooide werpnesten, 5 voerboxen en een drinkplaats voor de zeugen, een voer- en drinkplaats voor de biggen, een gemeenschappelijke ligruimte en mestruimte. De biggen konden na 1 week werpnest vrij in en uit gaan. M.b.v. video-opnamen werd het biggengedrag vastgelegd gedurende de 2e, 3e en 4e week. De term agonistisch is gebruikt om het brede scala tussen de extremen aanval en vlucht weer te geven, overeenkomend met het gedrag van een wild zwijn
    Beoordeling financiele positie en liquiditeit van glastuinbouwbedrijven
    Boers, A. - \ 1980
    Den Haag : L.E.I. (Landbouw-Economisch Instituut ) - 44
    agrarische bedrijfsvoering - nederland - glastuinbouw - farm management - netherlands - greenhouse horticulture
    Bij de analyse van de positie waarin de tuinbouwonderneming financieel-economisch verkeert, wordt in het algemeen een breed scala van waarden en kengetallen gehanteerd. Deze gegevns hebben elk hun specifieke betekenis voor een beoordeling van de onderneming. Het is niet eenvoudig om aan elk van deze criteria gewichten toe te kennen, zodat een integrale waardering mogelijk wordt. Dit wordt verder nog bemoeilijkt omdat de prioriteitstelling van de afzonderlijke criteria sterk gebonden is aan de doelstellingen van het financieel-economisch beleid. In dit rapport wordt getracht de belangrijkste financieel-economische maatstaven in onderlinge samenhang te bezien. Allereerst vindt een afbakening plaats van drie kwalitatieve niveaus van de financiele positie ("gunstig", "matig", "ongunstig"). Met name de jaarlijkse vermogensvorming (besparingscapaciteit) is hiervoor van essentiele betekenis. Deze grootheid wordt geplaatst en beoordeeld tegen de achtergrond van uiteenlopende bestemmingen die gedurende de levenscyclus van ondernemer en bedrijf een beroep doen op (eigen) financieringsmiddelen. Mede door de huidige vermogensverhouding te bezien in het licht van de vermogensclaim die reeel wordt bij vernieuwing van het produktieapparaat wordt de financiele positie in een dynamischer perspectief gesteld. Daarna wordt de liquiditeitspositie benaderd door confrontatie van de betalingscapaciteit van de onderneming met de financieringsverplichtingen die behoren bij het aangetrokken vreemde vermogen. Vanuit deze liquiditeitsbenadering wordt tevens ingehaakt op het vraagstuk van de maximale leencapaciteit. Het doel van deze publikatie is een algemeen theoretische onderbouw te geven voor de beoordeling van de bedrijfsontwikkeling en de financiele positie. Het ontwikkelde instrumentarium wordt geillustreerd aan de hand van gegevens van glastuinbouwbedrijven in de periode 1974 tot en met 1976
    Check title to add to marked list

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.