Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 20 / 272

    • help
    • print

      Print search results

    • export
      A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
    Check title to add to marked list
    Onderzoek naar een kennisbasis voor natuurgedreven landbouw
    Dijk, J. van; Veer, G. van der; Woestenburg, M. ; Stoop, J. ; Wijdeven, M. ; Veluw, K. van; Schrijver, R. ; Akker, J. van den; Woudenberg, E. van; Kerkhoven, D. ; Slot, M. - \ 2020
    WINK - 52
    Kansenkaart voor bescherming van koolstofvoorraad en CO2-emissiereductie in natte natuur en multifunctionele klimaatbuffers : Technische achtergrondmemo
    Wösten, Henk ; Brouwer, Fokke ; Veraart, Jeroen - \ 2020
    Wageningen : Wageningen Environmental Research (Wageningen Environmental Research rapport 3003) - 33
    De kansenkaart voor koolstofpotenties van natte natuur is een gezamenlijk product van Wageningen Environmental Research, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en LandschappenNL. De technische uitwerking is gedaan door de auteurs, maar het eindresultaat was niet mogelijk geweest zonder de inbreng van de overige leden van het projectteam. Dat waren Paul Vertegaal (Natuurmonumenten), Boukelien Bos (Staatsbosbeheer), Andre de Bonte (LandschappenNL), Berry Lucas (LandschappenNL) en Wiebe Borren (Natuurmonumenten). De conceptversies van de kansenkaart en de technische achtergrondmemo zijn binnen het projectteam tweemaal uitgebreid besproken (in januari en maart 2020). Het commentaar heeft ons geholpen om de kaart, zo goed als mogelijk, aan te passen aan de informatiebehoeften die er leven bij strategische medewerkers van terreinbeherende organisaties. Speciale dank gaat uit naar Paul Vertegaal, die ook uitgebreid schriftelijk commentaar heeft gegeven op de conceptrapportage. Daarnaast hebben wij het concept in februari 2020 ook voorgelegd aan Gertjan Nabuurs en Erik Arets. Wij danken hen voor deze vrijwillige tijdsinspanning. Tot slot zijn wij de leden van de externe begeleidingscommissie zeer erkentelijk: Peter van der Knaap (LNV), Vincent Lokin (Waterschap de Dommel) en Michelle Talsma STOWA). Bij het maken van deze kansenkaart is er gezocht naar een balans tussen enerzijds de informatiebehoeften bij de beheerders en anderzijds de onzekerheden die er in de wetenschap bestaan over de emissie en vastlegging van broeikasgassen in natte natuur. De kansenkaart moet gezien worden als een eerste hulpmiddel om natuurgebieden te identificeren waar nog extra mogelijkheden zijn om koolstofvoorraden te beschermen of CO2-emissies te reduceren. Daarna kan in een vervolgtraject de stap genomen worden om met lokale gegevens over hydrologie, bodem en vegetatie een hypothese te formuleren over de potentie, uitgedrukt in emissiereductie of te beschermen koolstofvoorraad. Tot slot zijn wij verheugd dat in 2020 een veldpilot zal worden gestart binnen de klimaatenveloppe om hierover meer inzicht te verkrijgen. Ook biedt het vervolg in 2020 de mogelijkheid om lokale casestudies uit te werken aan de hand van de kaart. In het klimaatakkoord wordt naar mogelijkheden gezocht om met ontwikkeling en beheer van natte natuur (o.a. rietmoeras en natte graslanden) de broeikasgasemissies naar de atmosfeer te reduceren, de opname daarvan te bevorderen en belangrijke koolstofvoorraden in hoogveen, laagveen, wetlands en moeras te beschermen. Er is een kansenkaart gemaakt voor de bescherming van koolstofvoorraden in bestaande natte natuur en daarnaast is er een kaart ontwikkeld die de mogelijkheden aangeeft in SNL-gebieden waar nog geen natte natuur is, maar andere vormen van natuur nu bestaan of waar agrarisch natuurbeheer plaatsvindt. De ontwikkelde kansenkaarten geven een eerste inzicht waar er mogelijkheden liggen om broeikasgasemissies te reduceren of netto vastlegging te stimuleren met slim beheer, de aanleg van natte natuur of realisatie van bufferzones rondom de natuur. De kaart kan, in een vervolgstap, vergeleken worden met andere ruimtelijke opgaven, zoals klimaatadaptatie in het waterbeheer (berging, waterconservering etc.) en opgaven voor natuurontwikkeling. Dit combineren van opgaven is een belangrijk inrichtingsprincipe bij de realisatie van natuurlijke klimaatbuffers. In deze studie wordt gebruikgemaakt van kengetallen (emissiefactoren, voorraden, fluxen) voor natte natuur die gebruikt worden in de nationale emissierapportage en die vergeleken zijn met nieuwe informatie uit recent onderzoek. De kansenkaarten zijn verkregen door gegevensbronnen over bodem, hydrologie en vegetatietypen met elkaar te combineren in een GIS-analyse. De kaart is een waardevol hulpmiddel om interessante gebieden te traceren waar vernatting potentie heeft. Nadat deze gebieden zijn geïdentificeerd, dienen nauwkeuriger data voor deze gebieden te worden verzameld om de potentie in mogelijke emissiereducties te kwantificeren. Uit de vergelijking van de gebruikte emissiefactoren voor natte natuur bij de landelijke rapportages en nieuw onderzoek valt op te maken dat de netto koolstofvastlegging voor rietmoeras wordt onderschat. Het is daarom een aanbeveling om de gebruikte emissiefactoren voor rietmoeras in de nationale emissierapportage te heroverwegen en nader te onderzoeken met meerjarig veldonderzoek, welke ook inmiddels gepland zijn.
    Tot slot: Meervoudige legitimiteit en het belang van een mens-inclusief natuurverhaal
    Buijs, A.E. ; Boonstra, F.G. - \ 2020
    In: Natuurbeleid betwist / Buijs, A., Boonstra, F., Zeist : KNNV uitgeverij - ISBN 9789050117456 - p. 182 - 198.
    Seizoensveranderingen in vis en epibenthos in de Waddenzee : pilotproject maandelijkse monitoring
    Vrooman, Jip ; Vries, Marcel de; Tulp, Ingrid - \ 2020
    IJmuiden : Stichting Wageningen Research, Centrum voor Visserijonderzoek (CVO) (CVO rapport 20.006) - 20
    Binnen dit project wordt gedurende drie jaar (2019-2021) geëxperimenteerd met jaarronde monitoring van vis en epibenthos in de Waddenzee, aanvullend op de jaarlijks uitgevoerde DFS. Verzamelde gegevens over soortsamenstelling, dichtheid en lengteverdeling kunnen gebruikt worden om conclusies te trekken over het gebruik van het gebied (bijvoorbeeld als kinderkamer) in verschillende seizoenen en door verschillende jaarklassen van verschillende soorten. De eerste resultaten (jaar 1) suggereren variatie in dichtheid door de maanden heen, waarbij verschillende soorten verschillende pieken in aantallen vertonen. Zo wordt bijvoorbeeld bot veel aan het begin van het jaar gevangen, terwijl bij schol de intrek van de nieuwe jaarklasse met name in mei goed te zien is. Dergelijke patronen blijken ook uit de lengtefrequentieverdelingen, waarin te zien is het dat het gebied voor verschillende soorten op een ander moment belangrijk is voor de nieuwe jaarklasse. Ook de groei van verschillende soorten is goed te volgen. Praktisch is de survey goed uitvoerbaar en zeer kosteneffectief in verband met de scheepstijd op het controlevaartuig. Omdat het onderzoek nog slechts één jaar en een beperkt aantal datapunten beslaat, is in deze rapportage volstaan met een eerste beschrijving van de resultaten. Aanbevolen wordt daarom om deze studie in ieder geval nog 2 jaar voort te zetten gaan, om meer meetpunten te verzamelen en conclusies te kunnen trekken over veranderingen in seizoenspatronen die relevant kunnen zijn voor commerciële vissoorten. De resultaten zullen in het derde jaar ook met historische gegevens vergeleken worden. Tot slot kan overwogen worden of en hoe maandelijkse monitoring als onderdeel opgenomen kan worden in de basismonitoring Waddenzee.
    TRY plant trait database – enhanced coverage and open access
    Kattge, Jens ; Bönisch, Gerhard ; Díaz, Sandra ; Lavorel, Sandra ; Prentice, Iain Colin ; Leadley, Paul ; Tautenhahn, Susanne ; Werner, Gijsbert D.A. ; Aakala, Tuomas ; Abedi, Mehdi ; Acosta, Alicia T.R. ; Adamidis, George C. ; Adamson, Kairi ; Aiba, Masahiro ; Albert, Cécile H. ; Alcántara, Julio M. ; Alcázar C, Carolina ; Aleixo, Izabela ; Ali, Hamada ; Amiaud, Bernard ; Ammer, Christian ; Amoroso, Mariano M. ; Anand, Madhur ; Anderson, Carolyn ; Anten, Niels ; Antos, Joseph ; Apgaua, Deborah Mattos Guimarães ; Ashman, Tia Lynn ; Asmara, Degi Harja ; Asner, Gregory P. ; Aspinwall, Michael ; Atkin, Owen ; Aubin, Isabelle ; Baastrup-Spohr, Lars ; Bahalkeh, Khadijeh ; Bahn, Michael ; Bekker, Renee ; Cromsigt, Joris P.G.M. ; Finegan, Bryan ; Kramer, Koen ; Lohbeck, Madelon ; Onoda, Yusuke ; Ozinga, Wim A. ; Prinzing, Andreas ; Robroek, Bjorn ; Slot, Martijn ; Sterck, Frank ; Beest, Mariska te; Bodegom, Peter M. van; Sande, Masha T. van der - \ 2020
    Global Change Biology 26 (2020)1. - ISSN 1354-1013 - p. 119 - 188.
    data coverage - data integration - data representativeness - functional diversity - plant traits - TRY plant trait database

    Plant traits—the morphological, anatomical, physiological, biochemical and phenological characteristics of plants—determine how plants respond to environmental factors, affect other trophic levels, and influence ecosystem properties and their benefits and detriments to people. Plant trait data thus represent the basis for a vast area of research spanning from evolutionary biology, community and functional ecology, to biodiversity conservation, ecosystem and landscape management, restoration, biogeography and earth system modelling. Since its foundation in 2007, the TRY database of plant traits has grown continuously. It now provides unprecedented data coverage under an open access data policy and is the main plant trait database used by the research community worldwide. Increasingly, the TRY database also supports new frontiers of trait-based plant research, including the identification of data gaps and the subsequent mobilization or measurement of new data. To support this development, in this article we evaluate the extent of the trait data compiled in TRY and analyse emerging patterns of data coverage and representativeness. Best species coverage is achieved for categorical traits—almost complete coverage for ‘plant growth form’. However, most traits relevant for ecology and vegetation modelling are characterized by continuous intraspecific variation and trait–environmental relationships. These traits have to be measured on individual plants in their respective environment. Despite unprecedented data coverage, we observe a humbling lack of completeness and representativeness of these continuous traits in many aspects. We, therefore, conclude that reducing data gaps and biases in the TRY database remains a key challenge and requires a coordinated approach to data mobilization and trait measurements. This can only be achieved in collaboration with other initiatives.

    What Is the Right Delivery Option for You? Consumer Preferences for Delivery Attributes in Online Retailing
    Nguyen, Dung H. ; Leeuw, Sander de; Dullaert, Wout ; Foubert, Bram P.J. - \ 2019
    Journal of Business Logistics 40 (2019)4. - ISSN 0735-3766 - p. 299 - 321.
    conjoint analysis - consumer behavior - E-commerce logistics - last mile delivery - mental accounting theory - online retail

    Nowadays, online retailers are offering a variety of delivery options consisting of varying combinations of delivery attributes. This study investigates how consumers value these delivery attributes (e.g., delivery speed, time slot, daytime/evening delivery, delivery date, and delivery fee) when selecting a delivery option for their online purchases. Mental accounting theory is used to frame the research and to suggest how mental accounts for money, time, and convenience influence consumer preferences for online delivery options. Specifically, the results of a conjoint analysis show that the most important attribute in shaping consumer preferences is the delivery fee, followed by nonprice delivery attributes. For individual attributes, significant differences are found in consumer preferences between gender and income groups. Cluster analysis reveals three consumer segments that show distinct preference structures: We identify a “price-oriented,” a “time- and convenience-oriented,” and a “value-for-money-oriented” consumer segment. This study has practical implications for online retailers when implementing suitable delivery strategies and designing effective delivery options to maximize consumer satisfaction.

    Hazards associated with animal feed
    Jong, Jacob de; Kleter, Gijs ; Banach, Jennifer ; Raamsdonk, Leo van; Hoogenboom, Ron ; Nijs, Monique de; Fels-Klerx, Ine van der; Kok, Esther ; Slot, Martijn ; Bouwmeester, Hans ; Noordam, Maryvon - \ 2019
    Rome : Food and Agriculture Organization of the United Nations (Report / FAO Animal Production and Health 14) - ISBN 9789251319093 - 265
    Vooruitziend gemeentelijk waterbeheer : Verklaringen voor de mate van toekomstgerichtheid van gemeentelijke rioleringsplannen
    Pot, W.D. - \ 2019
    Water Governance (2019)3. - ISSN 2211-0224 - p. 39 - 47.
    Klimaatverandering, demografische en economische ontwikkelingen, digitalisering: Gemeenten zien zich in toenemende mate geconfronteerd met een scala aan toekomstige ontwikkelingen waarvan per definitief het verloop zeer onzeker is. Toekomstige ontwikkelingen spelen een grote rol wanneer gemeenten, en overheden in algemene zin, moeten investeren in hun waterinfrastructuur, zoals riolering en bovengrondse waterberging. Vooral riolering kent per slot van rekening een lange levensduur, van 30 tot mogelijk 60 jaar afhankelijk van de ondergrond. Bovendien is de Nederlandse waterinfrastructuur op veel plekken aan vernieuwing toe (Hijdra et al., 2014).
    Veel minder vogels door wandelaars, Veluwe mogelijk deels op slot
    Pouwels, R. - \ 2019
    Slot Het Nieuwe Verwerken: 'We moeten door'
    Gude, H. ; Dam, M.F.N. van - \ 2019
    Dietary Patterns Are Related to Clinical Characteristics in Memory Clinic Patients with Subjective Cognitive Decline: The SCIENCe Project
    Wesselman, Linda M.P. ; Doorduijn, Astrid S. ; Leeuw, Francisca A. de; Verfaillie, Sander C.J. ; Leeuwenstijn-Koopman, Mardou van; Slot, Rosalinde E.R. ; Kester, Maartje I. ; Prins, Niels D. ; Rest, Ondine van de; Schueren, Marian A.E. van der; Scheltens, Philip ; Sikkes, Sietske A.M. ; Flier, Wiesje M. van der - \ 2019
    Nutrients 11 (2019)5. - ISSN 2072-6643 - 10 p.
    Alzheimer’s disease - cognition - memory clinic - nutrition - prevention - subjective cognitive decline

    As nutrition is one of the modifiable risk factors for cognitive decline, we studied the relationship between dietary quality and clinical characteristics in cognitively normal individuals with subjective cognitive decline (SCD). We included 165 SCD subjects (age: 64 ± 8 years; 45% female) from the SCIENCe project, a prospective memory clinic based cohort study on SCD. The Dutch Healthy Diet Food Frequency Questionnaire (DHD-FFQ) was used to assess adherence to Dutch guidelines on vegetable, fruit, fibers, fish, saturated fat, trans fatty acids, salt and alcohol intake (item score 0-10, higher score indicating better adherence). We measured global cognition (Mini Mental State Examination), cognitive complaints (Cognitive Change Index self-report; CCI) and depressive symptoms (Center for Epidemiologic Studies Depression Scale; CES-D). Using principal component analysis, we identified dietary components and investigated their relation to clinical characteristics using linear regression models adjusted for age, sex and education. We identified three dietary patterns: (i) "low-Fat-low-Salt", (ii) "high-Veggy", and (iii) "low-Alcohol-low-Fish". Individuals with lower adherence on "low-Fat-low-Salt" had more depressive symptoms (β -0.18 (-2.27--0.16)). Higher adherence to "high-Veggy" was associated with higher MMSE scores (β 0.30 (0.21-0.64)). No associations were found with the low-Alcohol-low-Fish component. We showed that in SCD subjects, dietary quality was related to clinically relevant outcomes. These findings could be useful to identify individuals that might benefit most from nutritional prevention strategies to optimize brain health.

    Omics analyses of potato plant materials using an improved one-class classification tool to identify aberrant compositional profiles in risk assessment procedures
    Kok, Esther ; Dijk, Jeroen van; Voorhuijzen, Marleen ; Staats, Martijn ; Slot, Martijn ; Lommen, Arjen ; Venema, Dini ; Pla, Maria ; Corujo, Maria ; Barros, Eugenia ; Hutten, Ronald ; Jansen, Jeroen ; Voet, Hilko van der - \ 2019
    Food Chemistry 292 (2019). - ISSN 0308-8146 - p. 350 - 358.
    Compositional analysis - Genetically modified organism - GMO - Omics profiling - Risk assessment

    The objective of this study was to quantitatively assess potato omics profiles of new varieties for meaningful differences from analogous profiles of commercial varieties through the SIMCA one-class classification model. Analytical profiles of nine commercial potato varieties, eleven experimental potato varieties, one GM potato variety that had acquired Phytophtora resistance based on a single insert with potato-derived DNA sequences, and its non-GM commercial counterpart were generated. The ten conventional varieties were used to construct the one-class model. Omics profiles from experimental non-GM and GM varieties were assessed using the one-class SIMCA models. No potential unintended effects were identified in the case of the GM variety. The model showed that varieties that were genetically more distant from the commercial varieties were recognized as aberrant, highlighting its potential in determining whether additional evaluation is required for the risk assessment of materials produced from any breeding technique, including genetic modification.

    Use of omics analytical methods in the study of genetically modified maize varieties tested in 90 days feeding trials
    Corujo, Maria ; Pla, Maria ; Dijk, Jeroen van; Voorhuijzen, Marleen ; Staats, Martijn ; Slot, Martijn ; Lommen, Arjen ; Barros, Eugenia ; Nadal, Anna ; Puigdomènech, Pere ; Paz, José Luís La ; Voet, Hilko van der; Kok, Esther - \ 2019
    Food Chemistry 292 (2019). - ISSN 0308-8146 - p. 359 - 371.
    GMO (genetically modified organism) - Metabolomics - One-class model - Proteomics - Risk assessment - Transcriptomics

    Genetically modified (GM) maize and their non-modified counterparts were compared using MON810 varieties, the only GMO event cultivated in Europe. The differences in grain samples were analysed by omics profiles, including transcriptomics, proteomics and metabolomics. Other cultivated maize varieties were analysed as a reference for the variability that will exist between cultivated varieties. The observed differences between modified and non-modified maize varieties do not exceed typical differences between non-modified varieties. The use of these advanced analytical approaches to analyse novel plant materials as compared to the results from animal feeding trials with whole foods is assessed. No indications were observed for changes in the GM varieties that warrant further investigations. Furthermore, it was shown that such indications will be obtained if maize samples of inferior quality are analysed similarly. Omics data provide detailed analytical information of the plant material, which facilitates a risk assessment procedure of new (GM) plant varieties.

    Kwetsbare soorten voor energie-infrastructuur in Nederland : overzicht van effecten van hernieuwbare energie-infrastructuur en hoogspanningslijnen op de kwetsbare soorten vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen, en oplossingsrichtingen voor een natuurinclusieve energietransitie
    Buij, Ralph ; Jongbloed, Ruud ; Geelhoed, Steve ; Jeugd, Henk van der; Klop, Eric ; Lagerveld, Sander ; Limpens, Herman ; Meeuwsen, Henk ; Ottburg, Fabrice ; Schippers, Peter ; Tamis, Jacqueline ; Verboom, Jana ; Wal, Jan Tjalling van der; Wegman, Ruut ; Winter, Erwin ; Schotman, Alex - \ 2018
    Wageningen : Wageningen Environmental Research (Wageningen Environmental Research rapport 2883) - 231
    De cumulatieve impact van energie-infrastructuur kan een belangrijke rol spelen bij de populatieontwikkeling van kwetsbare soorten door sterfte en habitatverlies als gevolg van aanvaringen met die energie-infrastructuur of het verstorende effect van dergelijke infrastructuur. In dit rapport wordt een zo actueel en volledig mogelijk overzicht gegeven van de staat van kennis en de relatieve kwetsbaarheid van vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen in relatie tot de impact van windturbines, hoogspanningslijn
    en, waterkrachtcentrales en zonnepaneelvelden. Voor deze soortgroepen en energie-infrastructuur worden de kwetsbare soorten gerangschikt op basis van hun kwetsbaarheid en wordt inzichtelijk gemaakt waar de verspreiding van de kwetsbaarste soorten overlapt met de energie-infrastructuur. We evalueren hoe de cumulatieve impact van energie-infrastructuur op de soortgroepen gekwantificeerd kan worden nu en in de toekomst, en hoe die impact zich verhoudt tot andere antropogene drukfactoren voor de kwetsbaarste soorten. We bespreken mitigatie- en compensatiemaatregelen die in potentie kunnen voorkomen dat Nederlandse populaties van soorten afnemen als gevolg van de huidige en toekomstige energie-infrastructuur op zee en op land. Tot slot worden suggesties gedaan voor het opvullen van de belangrijkste kennishiaten en oplossingsrichtingen die het mogelijk maken de effecten op kwetsbare soorten bij de verdere groei van energie-infrastructuur op land en op zee te minimaliseren.
    The assessment of field trials in GMO research around the world and their possible integration in field trials for variety registration
    Slot, M.M. ; Wiel, C.C.M. van de; Kleter, G.A. ; Visser, R.G.F. ; Kok, E.J. - \ 2018
    Transgenic Research 27 (2018). - ISSN 0962-8819 - p. 321 - 329.
    Field trials - Genetically modified organism - GMO - Legislation - Plant variety registration
    Most regulations worldwide stipulate that a new genetically modified (GM) crop event has to be compared to its closest non-GM counterpart as a corner stone of the pre-market risk assessment. To this end the GM crop and its comparator should be grown in field trials for a phenotypic comparison as well as for subsequent detailed analysis of the composition of the two crop varieties. A more in-depth globally harmonised approach for the conduct of these field trials is lacking. Only a few countries have formulated detailed protocols for the set-up of GM field trials. In some countries, commercial non-GM reference varieties need to be included in a field study to compile reliable data that indicate the range of natural variation for the compounds tested at the specific location. Detailed analysis of pre-market assessment reports have so far not shown the added value of including these reference varieties in the field trials. In all cases where specific values were found to be outside of the range of the reference varieties, it proved possible to draw conclusions on the part of the pre-market risk assessment that relates to the compositional analysis, on the basis of already available compositional data. With the increasing quality of several databases on compositional data of a growing number of crop species, it seems unlikely that reference varieties will become more important on future occasions. It was furthermore investigated whether this part of the risk assessment can be related to field trial requirements for variety registration with the explicit intention of reducing the data burden on producers of new GM plant varieties. Field trials for variety registration so far include an assessment of phenotypic characteristics that do not cover safety aspects, with the exception of establishment of the glycoalkaloid content in potatoes in the Netherlands and Sweden. It may, however, under certain conditions be relatively easy to exchange data from compositional measurements between variety registration and GM testing procedures, thus laying a foundation for testing the feasibility of combining both pre-market assessment procedures in a single pre-market evaluation path.
    The ALFAM2 database on ammonia emission from field-applied manure : Description and illustrative analysis
    Hafner, Sasha D. ; Pacholski, Andreas ; Bittman, Shabtai ; Burchill, William ; Bussink, Wim ; Chantigny, Martin ; Carozzi, Marco ; Génermont, Sophie ; Häni, Christoph ; Hansen, Martin N. ; Huijsmans, Jan ; Hunt, Derek ; Kupper, Thomas ; Lanigan, Gary ; Loubet, Benjamin ; Misselbrook, Tom ; Meisinger, John J. ; Neftel, Albrecht ; Nyord, Tavs ; Pedersen, Simon V. ; Sintermann, Jörg ; Thompson, Rodney B. ; Vermeulen, Bert ; Voylokov, Polina ; Williams, John R. ; Sommer, Sven G. - \ 2018
    Agricultural and Forest Meteorology 258 (2018). - ISSN 0168-1923 - p. 66 - 79.
    Ammonia - Cattle - Emission - Manure - Pig - Slurry
    Ammonia (NH3) emission from animal manure contributes to air pollution and ecosystem degradation, and the loss of reactive nitrogen (N) from agricultural systems. Estimates of NH3 emission are necessary for national inventories and nutrient management, and NH3 emission from field-applied manure has been measured in many studies over the past few decades. In this work, we facilitate the use of these data by collecting and organizing them in the ALFAM2 database. In this paper we describe the development of the database and summarise its contents, quantify effects of application methods and other variables on emission using a data subset, and discuss challenges for data analysis and model development. The database contains measurements of emission, manure and soil properties, weather, application technique, and other variables for 1895 plots from 22 research institutes in 12 countries. Data on five manure types (cattle, pig, mink, poultry, mixed, as well as sludge and "other") applied to three types of crops (grass, small grains, maize, as well as stubble and bare soil) are included. Application methods represented in the database include broadcast, trailing hose, trailing shoe (narrow band application), and open slot injection. Cattle manure application to grassland was the most common combination, and analysis of this subset (with dry matter (DM) limited to <15%) was carried out using mixed- and fixed-effects models in order to quantify effects of management and environment on ammonia emission, and to highlight challenges for use of the database. Measured emission in this subset ranged from <1% to 130% of applied ammonia after 48 h. Results showed clear, albeit variable, reductions in NH3 emission due to trailing hose, trailing shoe, and open slot injection of slurry compared to broadcast application. There was evidence of positive effects of air temperature and wind speed on NH3 emission, and limited evidence of effects of slurry DM. However, random-effects coefficients for differences among research institutes were among the largest model coefficients, and showed a deviation from the mean response by more than 100% in some cases. The source of these institute differences could not be determined with certainty, but there is some evidence that they are related to differences in soils, or differences in application or measurement methods. The ALFAM2 database should be useful for development and evaluation of both emission factors and emission models, but users need to recognize the limitations caused by confounding variables, imbalance in the dataset, and dependence among observations from the same institute. Variation among measurements and in reported variables highlights the importance of international agreement on how NH3 emission should be measured, along with necessary types of supporting data and standard protocols for their measurement. Both are needed in order to produce more accurate and useful ammonia emission measurements. Expansion of the ALFAM2 database will continue, and readers are invited to contact the corresponding author for information on data submission. The latest version of the database is available at http://www.alfam.dk.
    On the ecosystemic network of saliva in healthy young adults
    Zaura, Egija ; Brandt, Bernd W. ; Prodan, Andrei ; Teixeira De Mattos, Maarten Joost ; Imangaliyev, Sultan ; Kool, Jolanda ; Buijs, Mark J. ; Jagers, Ferry L.P.W. ; Hennequin-Hoenderdos, Nienke L. ; Slot, Dagmar E. ; Fernandez Gutierrez, Maria ; Kleerebezem, Michiel - \ 2017
    ISME Journal 11 (2017)5. - ISSN 1751-7362 - p. 1218 - 1231.

    A dysbiotic state is believed to be a key factor in the onset of oral disease. Although oral diseases have been studied for decades, our understanding of oral health, the boundaries of a healthy oral ecosystem and ecological shift toward dysbiosis is still limited. Here, we present the ecobiological heterogeneity of the salivary ecosystem and relations between the salivary microbiome, salivary metabolome and host-related biochemical salivary parameters in 268 healthy adults after overnight fasting. Gender-specific differences in the microbiome and metabolome were observed and were associated with salivary pH and dietary protein intake. Our analysis grouped the individuals into five microbiome and four metabolome-based clusters that significantly related to biochemical parameters of saliva. Low salivary pH and high lysozyme activity were associated with high proportions of streptococcal phylotypes and increased membrane-lipid degradation products. Samples with high salivary pH displayed increased chitinase activity, higher abundance of Veillonella and Prevotella species and higher levels of amino acid fermentation products, suggesting proteolytic adaptation. An over-specialization toward either a proteolytic or a saccharolytic ecotype may indicate a shift toward a dysbiotic state. Their prognostic value and the degree to which these ecotypes are related to increased disease risk remains to be determined.

    Klaar voor klimaatverandering : Opmaak van een risico- en kwetsbaarheidsanalyse in functie van klimaatadaptatie en uitwerken van adaptatiebeleid op maat van en voor de provincie Antwerpen
    Coninx, Ingrid ; Willems, Patrick ; Goosen, Hasse ; Rooij, Bertram De; Swart, Rob ; Boone, Pieter ; Uytven, Els Van; Tabari, Hossein ; Koekoek, Arjen ; Bijsterveldt, Menno Van - \ 2016
    Wageningen : Alterra Wageningen UR (Alterra-rapport 2741) - 104
    Deze studie vat de bestaande kennis over klimaatverandering, die relevant is voor de provincieAntwerpen samen. De voornaamste effecten die te verwachten zijn, zijn inzichtelijk gemaakt.Vervolgens is er een opsomming gemaakt van beleidsacties die de provincie Antwerpen kan nemenOm de effecten te matigen of zelfs te voorkomen. Deze acties zijn gericht op: -Analyse en het verwerven van meer en betere inzichten, - Integreren van klimaatdata in de huidige beleidsinstrumenten, wat vaak wordt aangeduid met‘mainstreamen van beleid’, - Realiseren van een aantal adaptatiemaatregelen, - Betrekken en activeren van andere mensen om acties te ondernemen voor elk van de acties is aangegeven op welke termijn ze genomen zouden kunnen worden. Bij veelvan deze acties wordt de korte termijn aangegeven. Dat heeft twee redenen. Ten eerste, omdat deeffecten nu al plaatsvinden. Ten tweede omdat hoe sneller men klaar is voor klimaatverandering, hoebeter men het hoofd leert bieden aan deze effecten. Vele van deze acties zijn gericht op maatregelendie ook andere maatschappelijke doelen dienen. Het zijn zogenaamde ‘no-regret’ maatregelen diemeerdere voordelen opleveren. Het kan daarom geen kwaad om zo spoedig mogelijk aan de gang tegaan met deze acties.Tot slot nog de boodschap: klimaatadaptatie gaat niet louter om het aanpakken van eenbeleidsprobleem door één specifieke beleidsdienst. Klimaatadaptatie is een integraal beleidsproces.Het kan een manier zijn om een regio te ontwikkelen, sterk te maken en om nieuwe levensstijlenmogelijk te maken. Het kan ook een manier zijn om de samenleving te versterken en het gebiedleefbaar te houden, zodat elke bevolkingsgroep zich thuis voelt. Klimaatadaptatie doet men samen, endaarom zal de provincie Antwerpen in navolging van deze eerste verkenning met andere mensen devolgende stappen zetten om de provincie klaar te maken voor klimaatverandering.
    Groen & economie: kans voor een Limburgse relance : basisdocument ter ondersteuning van het ontwikkelen van het strategisch programma iGreen
    Blaeij, Ariane de; Coninx, Ingrid ; Grashof-Bokdam, Carla ; Paulissen, Maurice ; Polman, Nico ; Post, Meike ; Smit, Annemieke ; Heide, Martijn van de; Steenwegen, Bart ; Rompuy, Stien van - \ 2016
    Wageningen : Wageningen Environmental Research (Wageningen Environmental Research report 2762) - 99
    De maatschappelijke en economische veranderingen in Limburg na de sluiting van de Fordfabriek in Genk vormen een belangrijke aanleiding om het strategisch programma iGreen te ontwikkelen. Dit strategische programma zou erop gericht moeten zijn om met natuur, ook groene infrastructuur genoemd, nieuwe jobs en welvaart voor Limburg te creëren. Deze studie brengt informatie bij elkaar als basis voor het opzetten van dit strategisch programma. Eerst wordt de Limburgse groene infrastructuur beschreven en bestudeerd. Die is divers en regionaal gevarieerd. Vervolgens wordt iGreen gepositioneerd ten aanzien van internationale, Europese en Vlaamse ontwikkelingen. Daarna worden de maatschappelijke en economische waarde van de groene infrastructuur berekend en in kaart gebracht. Ook is er gekeken naar de mate waarin groene infrastructuur momenteel al banen creëert, en in welke sectoren. Via die informatie is het mogelijk om 5 ontwikkelthema’s voor het iGreen programma te benoemen: watercirculaire economie, centrum van de Vlaamse biobased economie, rustig ademhalen, ontspanning en zorg, grondstof zekere economie. Tot slot zijn alvast een aantal pilotprojecten geïndentificeerd en is er gekeken naar mogelijke financieringsmechanismen---imburg has been confronted with an economic decline, consequently to the closure of the car company Ford Genk. Given the large amount of nature, also named green infrastructure, it was aimed to develop a strategic regional programme to exploit the potential of nature in a sustainable way, to provide jobs and create prosperity. This study aimed to gather information in order to develop this strategic programme. First, the green infrastructure of Limburg has been described and studied. This green infrastructure is diverse and is characterised by a large regional variety. Next, the iGreen strategic programme is positioned related to international, European and Flemish developments in green economic growth. Then, the societal and economic value of the green infrastructure has been mapped and assessed. The study also identified to what extent the green infrastructure has contributed to job development. Based on all this information, the study concluded by the identification of 5 themes that could be developed within the iGreen strategic programme: watercircularity, biobased economy, relaxed breathing, leisure and care, resource secure economy. A few relevant pilotprojects have been described as well as potential financing mechanisms.
    Het Blokken Feuilleton 6e (SLOT): Aanmodderfokker NL RO
    Duineveld, Martijn - \ 2016
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.